Artikelen bij COM(2023)578 - Vaststelling, voor 2024, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


TITEL - I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 - Toepassingsgebied

1.Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee de volgende visbestanden exploiteren:

(a)rood koraal (Corallium rubrum) en goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de Middellandse Zee;

(b)blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea), heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

(c)ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee;

(d)heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in de Adriatische Zee;

(e)heek (Merluccius merluccius) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) in het Kanaal van Sicilië;

(f)rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in het Kanaal van Sicilië, de Ionische Zee en de Levantijnse zee;

(g)zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de Zee van Alborán;

(h)sprot (Sprattus sprattus) en tarbot (Scophthalmus maximus) in de Zwarte Zee.

2.Deze verordening is tevens van toepassing op andere visserijactiviteiten van de Unie, zoals de recreatievisserij, wanneer in de desbetreffende bepalingen uitdrukkelijk naar die activiteiten wordt verwezen.

Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Daarnaast gelden de volgende definities:

(a)“internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van een staat vallen;

(b)“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene levende aquatische hulpbronnen worden geëxploiteerd voor vrijetijdsbesteding, toerisme of sport;

(c)“totale toegestane vangst” of “TAC”:

i)in visserijen die vallen onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting: de hoeveelheid vis die jaarlijks van elk bestand mag worden aangeland;

ii)in de overige visserijen: de hoeveelheid vis die van elk bestand mag worden gevangen over een periode van een jaar;

(d)“quotum”: een aan de Unie of aan een lidstaat toegewezen aandeel in de TAC;

(e)“autonoom quotum van de Unie”: vangstbeperking die bij gebrek aan een overeengekomen TAC autonoom aan vissersvaartuigen van de Unie wordt toegewezen;

(f)“analytisch quotum”: een autonoom quotum van de Unie waarvoor een analytische evaluatie beschikbaar is;

(g)“analytische evaluatie”: een kwantitatieve evaluatie van trends voor een bepaald bestand op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om de basis te vormen voor wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten;

(h)“visaantrekkende voorziening” of “FAD”: op zee drijvende verankerde uitrusting waarmee wordt beoogd vis aan te trekken.

Artikel 3 - Visserijgebieden

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende geografische gebiedsomschrijvingen:

(a)“geografische deelgebieden van de GFCM”: de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad 22 omschreven gebieden;

(b)“Middellandse Zee”: de wateren in de geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(c)“westelijk deel van de Middellandse Zee”: de wateren in de geografische deelgebieden 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(d)“Adriatische Zee”: de wateren in de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(e)“Kanaal van Sicilië”: de wateren in de geografische deelgebieden 12, 13, 14, 15 en 16 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(f)“Ionische Zee”: de wateren in de geografische deelgebieden 19, 20 en 21 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(g)“Levantijnse zee”: de wateren in de geografische deelgebieden 24, 25, 26 en 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(h)“Zee van Alborán”: de wateren in de geografische deelgebieden 1, 2 en 3 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(i)“Zwarte Zee”: de wateren in geografisch deelgebied 29 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011.

TITEL I - I

VANGSTMOGELIJKHEDEN

HOOFDSTUK - I

Middellandse Zee

Artikel 4 - Rood koraal

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rood koraal (Corallium rubrum) wordt geoogst, namelijk de gerichte visserij en de recreatievisserij in de Middellandse Zee.

2.Voor de gerichte visserij mogen het maximumaantal vismachtigingen en de maximale oogst uit bestanden van rood koraal door vissersvaartuigen van de Unie en tijdens oogstactiviteiten van de Unie de in bijlage I vermelde niveaus niet overschrijden.

3.Het is voor vissersvaartuigen van de Unie die onder lid 2 vallen, verboden rood koraal op zee over te laden.

4.Voor de recreatievisserij nemen de lidstaten de nodige maatregelen om het oogsten, aan boord houden, overladen en aanlanden van rood koraal te verbieden.

Artikel 5 - Goudmakreel [placeholder new measures] HOOFDSTUK II Westelijk deel van de Middellandse Zee Artikel 6 Demersale bestanden

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1022 genoemde demersale bestanden worden bevist in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

2.De maximaal toegestane visserijinspanning voor trawlers en beugvisserijvaartuigen is vastgesteld in bijlage III bij deze verordening. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2019/1022 en de artikelen 26 tot en met 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

3.De toewijzing aan de lidstaten van de maximale vangstbeperkingen voor vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van de Unie van het westelijke deel van de Middellandse Zee is eveneens vastgesteld in bijlage III.

4.De lidstaten wijzen de in dit artikel en bijlage III vastgestelde vangstmogelijkheden toe:

(a)in overeenstemming met de criteria in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013,

(b) en zonder afbreuk te doen aan:

i)uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

ii)kortingen en nieuwe toewijzingen uit hoofde van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

iii)aanlandingen van extra hoeveelheden uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad of artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

iv)hoeveelheden die worden ingehouden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen op grond van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

v)verlagingen uit hoofde van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 7 -   Compensatiemechanisme

1.Voor het betrokken vlootsegment kan een lidstaat in 2024 overeenkomstig lid 4 vaartuigen die zijn vlag voeren, extra visdagen toekennen ten belope van p.m. %, berekend op basis van de uitgangswaarde voor 2015-2017 van die lidstaat.

2.De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie de lijst van vissersvaartuigen waaraan extra visdagen worden toegewezen, met opgave van het desbetreffende aantal extra visdagen.

3.De extra toewijzing wordt met ingang van 1 januari 2024 berekend op basis van de maximale toegestane visserijinspanning die in de basisperiode 2015-2017 gold voor het desbetreffende vlootsegment van de lidstaat in kwestie.

4.Een lidstaat kan de in lid 1 bedoelde extra visdagen toekennen op voorwaarde dat het betrokken vaartuig aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

(a)het vaartuig maakt gebruik van een trawlnet met een kuil met vierkante mazen van 45 mm, teneinde de vangsten van jonge heek met ten minste 25 % te verminderen;

(b)het vaartuig maakt gebruik van een trawlnet met een kuil met vierkante mazen van 50 mm voor diepzeevisserij, teneinde de vangsten van blauwrode diepzeegarnaal met een lengte van het kopborststuk (carapace length — CL) van minder dan 25 mm in de geografische deelgebieden 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 en de vangsten van rode diepzeegarnaal met een CL van minder dan 35 mm in de geografische deelgebieden 8, 9, 10 en 11 met ten minste 25 % te verminderen;

(c)het vaartuig maakt gebruik van een gereglementeerd hoogselectief vistuig dat door zijn technische specificaties, blijkens de wetenschappelijke studie van het WTECV, de vangsten van jonge vissen van alle demersale soorten met ten minste 25 % en van paaiende vissen van alle demersale soorten met ten minste 20 % vermindert ten opzichte van 2020, zoals een sorteerrooster met tussenruimtes van minstens 20 mm;

(d)de betrokken lidstaat heeft gebieden tijdelijk gesloten teneinde de vangst van jonge vissen van alle demersale soorten met ten minste 25 % of de vangst van paaiende vissen van alle demersale soorten met ten minste 20 % te verminderen;

(e)de betrokken lidstaat heeft een nieuwe minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor heek van ten minste 26 cm vastgesteld en zorgt voor de handhaving van passende technische maatregelen om aan die minimuminstandhoudingsreferentiegrootte te voldoen, teneinde geleidelijk de lengte bij geslachtsrijpheid te bereiken en de toestand van de heekbestanden te verbeteren;

(f)de betrokken lidstaat heeft een nieuwe minimuminstandhoudingsreferentiegrootte vastgesteld voor blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) van ten minste 25 mm CL en voor rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) van ten minste 35 mm CL, en zorgt voor de handhaving van passende technische maatregelen om aan die minimuminstandhoudingsreferentiegrootten te voldoen, teneinde geleidelijk de lengte bij de geslachtsrijpheid te bereiken en de toestand van de bestanden te verbeteren;

(g)de betrokken lidstaat heeft een sluiting van ten minste vier aaneensluitende weken vastgesteld voor visserijactiviteiten met trawlers in de gebieden en de perioden die op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies als belangrijk worden beschouwd voor de bescherming van paaiende vissen van heekbestanden. Bij die gebieden wordt ook rekening gehouden met de ruimtelijke verspreidingspatronen van paaiende vissen, ook op diepten van 150 m tot 500 m. De perioden van tijdelijke sluiting van de visserij lopen van februari tot en met maart en van oktober tot en met november. 

5.De betrokken lidstaat stelt de Commissie ook elke maand afzonderlijk in kennis van de geleverde visserijinspanning die in mindering moet worden gebracht op de in lid 1 bedoelde extra toewijzing, aan de hand van de specifieke rapporteringscodes voor die toewijzing.

6.De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 oktober alle beschikbare informatie met betrekking tot de uitvoering van de in lid 4, punten a) tot en met g), bedoelde maatregelen.

Artikel 8
Registratie en transmissie van gegevens 

1.De lidstaten registreren de visserijinspanningsgegevens en zenden deze aan de Commissie toe overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2019/1022.

2.Wanneer de lidstaten op grond van dit artikel visserijinspanningsgegevens bij de Commissie indienen, gebruiken zij daarvoor de codes van de visserijinspanningsgroepen van bijlage III.

HOOFDSTUK II - I

Adriatische Zee

Artikel 9 - Kleine pelagische soorten 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sardine (Sardina pilchardus) en ansjovis (Engraulis encrasicolus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2. Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage IV vermelde niveaus niet overschrijden.

3.Het vlootcapaciteitsmaximum, uitgedrukt in kW, brutotonnage (BT) en aantal, van de vissersvaartuigen van de Unie die op kleine pelagische soorten mogen vissen, is vermeld in bijlage IV.

4.De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit die is vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 10 - Demersale bestanden 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2.De maximaal toegestane visserijinspanning voor demersale bestanden en het vlootcapaciteitsmaximum binnen de werkingssfeer van dit artikel zijn vermeld in bijlage IV.

3.Een lidstaat mag de hem toegewezen visserijinspanning als vermeld in bijlage IV wijzigen door visdagen over te dragen tussen visserijinspanningsgroepen van hetzelfde geografische gebied en/of vistuig, op voorwaarde dat de lidstaat een nationale omrekeningsfactor hanteert die wordt geschraagd door het beste beschikbare wetenschappelijke advies.

4.De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 11
Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens over aanlandingen van hoeveelheden gevangen vis bij de Commissie indienen, gebruiken zij daarvoor de bestandscodes van bijlage IV.

HOOFDSTUK I - V

Kanaal van Sicilië

Artikel 12
Demersale bestanden 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij heek (Merluccius merluccius) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) worden gevangen in het Kanaal van Sicilië.

2.Het maximumniveau van de vangsten van roze diepzeegarnaal mag de in bijlage V vermelde niveaus niet overschrijden.

3.De maximaal toegestane visserijinspanning voor heek en het vlootcapaciteitsmaximum, uitgedrukt in aantal vaartuigen, kW en BT, van bodemtrawlers die binnen de werkingssfeer van dit artikel op demersale bestanden mogen vissen, zijn vermeld in bijlage V.

4.De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 13 - Diepzeegarnalen

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) worden gevangen in het Kanaal van Sicilië.

2.Het vlootcapaciteitsmaximum, uitgedrukt in aantal vaartuigen, kW en BT, van bodemtrawlers die binnen de werkingssfeer van dit artikel op demersale bestanden mogen vissen, is vermeld in bijlage V.

3.Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage V vermelde niveaus niet overschrijden.

Artikel 14
Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens over aanlandingen van hoeveelheden gevangen vis bij de Commissie indienen, gebruiken zij daarvoor de bestandscodes van bijlage V.

HOOFDSTUK V - Ionische Zee en Levantijnse Zee

Artikel 15 - Diepzeegarnalen

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) worden gevangen in de Ionische Zee en de Levantijnse Zee.

2.Het vlootcapaciteitsmaximum, uitgedrukt in aantal vaartuigen, kW en BT, van bodemtrawlers die binnen de werkingssfeer van dit artikel op demersale bestanden mogen vissen, is vermeld in bijlage VI.

3.Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage VI vermelde niveaus niet overschrijden.

HOOFDSTUK VI - Zee van Alborán

Artikel 16 - Zeebrasem

1.Dit artikel is van toepassing op de commerciële visserij en de recreatievisserij met beuglijnen en handlijnen door vissersvaartuigen van de Unie waarbij zeebrasem (Pagellus bogaraveo) wordt gevangen in de Zee van Alborán.

2.Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage VII vermelde niveaus niet overschrijden.

3.Het maximumaantal beuglijnen en handlijnen waarmee op zeebrasem mag worden gevist, is vermeld in bijlage VII.

4.Voor recreatievisserijactiviteiten is het maximale aantal vangsten beperkt tot één vis per visser per dag. De minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van 40 cm voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) is van toepassing op de recreatievisserij in de Zee van Alborán. De recreatievisserij op deze soort is verboden tijdens de op nationaal niveau vastgestelde sluitingsperiode van de commerciële visserij.


HOOFDSTUK VII
Zwarte Zee

Artikel 17
Toewijzing van de vangstmogelijkheden voor sprot 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sprot (Sprattus sprattus) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.Het autonoom quotum van de Unie voor sprot, de verdeling van dat quotum over de lidstaten en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden voorwaarden zijn vermeld in bijlage VIII.

3.De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit die is vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 18
Toewijzing van de vangstmogelijkheden voor tarbot

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij tarbot (Scophthalmus maximus) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.De TAC voor tarbot die in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee van toepassing is, de verdeling van die TAC over de lidstaten en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden voorwaarden zijn vermeld in bijlage VIII.

3.De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit die is vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 19
Beheer van de visserijinspanning voor tarbot

Het aantal visdagen voor vissersvaartuigen van de Unie die binnen de werkingssfeer van artikel 19 op tarbot mogen vissen, bedraagt, ongeacht de lengte over alles van de vaartuigen, niet meer dan 180 per jaar.

Artikel 20
Sluitingsperiode voor tarbot

Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om van 15 april tot en met 15 juni in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee visserijactiviteiten te verrichten, met inbegrip van het overladen, aan boord houden, aanlanden en voor eerste verkoop aanbieden van tarbot.

Artikel 21
Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden in de Zwarte Zee

Bij de toewijzing aan de lidstaten van de vangstmogelijkheden als bedoeld in de artikelen 18 en 19 wordt geen afbreuk gedaan aan:

(a)uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

(b)kortingen en nieuwe toewijzingen uit hoofde van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

(c)verlagingen uit hoofde van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 22
Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens over aanlandingen van hoeveelheden sprot en tarbot die in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee zijn gevangen, bij de Commissie indienen, gebruiken zij daarvoor de bestandscodes van bijlage VIII.

TITEL II - I

SLOTBEPALINGEN

Artikel 23
Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.