Hoofdstuk I. ken - Nota Bejaardenbeleid 1975

Nr. 1. Fysieke, sociaal-psychologische en sociaalstructurele kenmerken van de situatie der bejaarden 9 Par. 2. De houding van de samenleving ten opzichte van de bejaarden 12 Par. 3. Achterstand van bejaarden in vergelijking tot andere bevolkingscategorieën 14

Hoofdstuk II Demografische ontwikkelingen van belang voor het bejaardenbeleid 18

Nr. 1. Demografische gegevens en de planning van het bejaardenbeleid 18 Par. 2. Enige demografische gegevensterillustratie 19

Hoofdstuk III Beroepskrachten en vrijwilligers 26

Nr. 1. De personeelsvoorziening in het bejaardenwerk 26 Par. 2. Medisch specialisme voor de behandeling van ouderdomsziekten 33 Par. 3. Vrijwilligerswerk en burenhulp 34

Hoofdstuk IV De inkomenspositie van bejaarden 37

A. De ontwikkeling van de inkomenspositie 37

Nr. 1. D.e.A.O.W.-pensioenen 37 Par. 2. De nettonetto problematiek 40 Par. 3. Oudedagsvoorzieningen in het be-drijfs-en beroepsleven en bij de overheid 41

Nr. 4. Individuele pensioenvoorzieningen 44 Par. 5. Fiscale maatregelen voor bejaar den 46 Par. 6. Algemene Bijstandswet 46 Par. 7. Inkomen van bejaarden uit loon, winst en vermogen 48 Par. 8. Enkele statistische gegevens 52 Par. 9. Slotopmerkingen 53

B. Maatregelen ten aanzien van ouderen 57 Par. 1. Flexibele pensionering 57 Par. 2. Andere maatregelen voorouderen 60

Hoofdstuk V Huisvesting van bejaarden 60

A. Aspecten van de woonsituatie 60 Par. 1. Ouderdom van de woning 61 Par. 2. Kwaliteit van de woning 61 Par. 3. Woonverdieping, lift 62 Par. 4. Woonsatisfactie 63 Par. 5. Omvang van de woning 64

B. Voorzieningen op het gebied van de huisvesting 64

Nr. 1. Differentiatie in de bejaardenhuisvesting 64 Par. 2. Bouw van verzorgingstehuizen 65 Par. 3. Bouw van woningen geschikt voor bejaarden 71 Par. 4. Aanpassing van het woningbestand 74 Par. 5. Spreiding, capaciteitsplanning en stedebouwkundige situering 77 Par. 6. Woonsituatie, huisvesting en voorzieningen in stadsvernieuwingsge bieden 79 C. Enige nadere concretisering van de relatieve achterstand van bejaarden ten aanzien van diverse aspecten van de woning 81

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Hoofdstuk VI Samenwerkingsvormen in het bejaardenwerk 83

Hoofdstuk IX Gezondheidszorg ten behoeve van bejaarden 153

Nr. 1. Inleiding 83 Par. 2. Het gesloten circuit 85 Par. 3. Het gecoördineerd bejaardenwerk 89 Par. 4. Samenwerkingsverband bij het opnemingsbeleid 96 Par. 5. Samenwerkingsmogelijkheden op provinciaal niveau 100

Hoofdstuk VII Facetten der maatschappelijke integratie 101

Nr. 1. Begrippendefiniëring 101 Par. 2. De betekenis van maatschappelijke integratie voor bejaarden 102 Par. 3. Indicatoren van het maatschappelijk integratieniveau 104 Par. 4. Zijn bejaarden maatschappelijk geïntegreerd? 114 Par. 5. Overwegingen bij het integratiebeleid 114 Par. 6. Voorbeelden en maatregelen 116 A. Inleiding 116 B. Prealabele voorwaarden ter verbetering van de participatie 117 C. Voorbeelden 118 D. Maatregelen 124 1. De bejaardenorganisaties 124 2. Landelijk paspoort voor bejaarden 126 3. Meer Bewegen voor Ouderen 132 Par. 7. Mentaliteitsverandering van de bevolking 137 Par.8. Debejaardeinhetverkeer 138

Hoofdstuk VIII Enkele vormen van maatschappelijke dienstverlening ten behoeve van bejaarden 140

A. Gezinsverzorging 140

Nr. 1. De ontwikkelingen van de hulpverlening aan bejaarden vanuit de sector Gezinsverzorging en de invloed van de Nota Bejaardenbeleid 1970 140 Par. 2. Visie op de f u nctie van de gezinsverzorging ten behoeve van de bejaarden 143 Par. 3. Verbetering van het dienstenaanbod aangepast aan de specifieke behoefte van de thuiswonende bejaarden 145

6. Bejaardenoorden 146

Nr. 1. De 7%-limiet als voorlopige norm 147 Par. 2. Financiering van de verzorging in bejaardenoorden 149 Par. 3. De behoefte aan aangepaste wettelijke bepalingen bij sluiting van bejaardenoorden in bijzondere gevallen 151

A. De gezondheid van de bejaarden in Neder land 153

Par. Ia Klinisch morbiditeitspatroon (somatisch zieken) 153 Par. 1b Klinisch morbiditeitspatroon (psychiatrische patiënten) 156 Par. 2. Nietklinische morbiditeit 157 Par. 3. Klinisch mortaliteitspatroon 159 Par. 4. Algemene mortaliteit 161

8. Kernpunten van het gezondheids-beleid 162

C. Preventieve gezondheidszorg 163

Nr. 1. Gezondheidsvoorlichting 163 Par. 2. Preventief geneeskundig onderzoek 164

D. Extramurale gezondheidszorg 166

Nr. 1. Par. 2. Par. 3. Par. 4.

Nr. 5. Verstrengelingvanfuncties 166 De huisarts 167 Wijkverpleging 167 Ziekenverzorgenden in het kader van de wijkverpleging 168 Ambulante geestelijke gezondheidszorg 169

E. Intramurale zorg 169

Nr. 1. Verpleeghuizen 169 Par. 2. Dagbehandeling 176 Par. 3. Ziekenhuizen 178

F. Terminale zorg 179

G. Ziekenfondsverzekering voor bejaarden 180

Bijlage 1. Functies en opleidingen binnen het bejaardenwerk 181 Bijlage 2. Prognose van de behoefte aan gediplomeerde bejaardenverzorgenden 184 Bijlage 3. Praktijkvoorbeeld: Gesloten Circuit Welzijnswerk voor Bejaarden Walcheren 187 Bijlage 4. Circulaire 'Activiteiten in en vanuit dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk', van 8 oktober 1974 190 Bijlage 5. Abtswoude: levend deel van de gemeenschap 195 Bijlage 6. Taakomschrijvingen functionarissen MAvO 197 Bijlage 7. Een voorlopige gedachte omtrent de subsidiëring van bejaardenoorden 198

Noten 199

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

INLEIDING

De Nota Bejaardenbeleid 1970 heeft een belangrijke ombuiging ingeleid van het beleid voor bejaarden die op enigerlei wijze extra zorg behoeven. Zonder deze beleidsombuiging zou op dit moment ± 12% van de bejaarden in tehuizen zijn opgenomen tegen ± 10% thans in feite. Deze gang van zaken was alleen verantwoord doordat tevens zorg gedragen werd voor betere huisvesting (bejaardenwoningen) en betere dienstverlening (gezinsverzorging, wijkverpleging, dienstencentra) voor zelfstandig wonenden. Terwijl zo'n 25000 bejaarden minder opgenomen konden worden in tehuizen dan zonder deze beleidsombuiging kregen ± 90000 bejaarden meer een nieuwe bejaardenwoning en ± 50000 bejaarden meer de hulp van de gezinsverzorging. Door de wijziging van de Wet op de bejaardenoorden, die als onderdeel van de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd ingediend, zal via een stringent opne-mings-en planningsbeleid in de naaste toekomst het aantal bejaarden in tehuizen teruggebracht worden naar 7%. Dit zal gepaard gaan meteen verdere uitbreiding van het aantal bejaardenwoningen, van de hulp aan bejaarden vanuit de gezinsverzorging en ook van dienstencentra.

De verdere uit-en doorwerking van dit beleid zal nadat inmiddels de in de Nota Bejaardenbeleid 1970 aangekondigde maatregelen grotendeels in de gestelde tijd zijn doorgevoerd in de komende jaren nog veel inzet vergen. Hoe belangrijk de eerste nota voor het praktische beleid ook geweest moge zijn, de aandacht daarin werd in hoofdzaak gericht op wat genoemd werd de meest kwetsbare groep van de bejaarden. Bij de behandeling in de Kamer bleek dat er een behoefte bestond om de positie van de gehele bejaardenbevolking te bezien. Dit verlangen is begrijpelijk. Wel kan men de vraag stellen op welke wijze het best het overleg tussen regering en parlement over deze problematiek zou kunnen worden gevoerd. Met name ging het er daarbij om of het accent reeds nu gelegd moest worden op bepaalde te nemen maatregelen of dat het verstandiger zou zijn een zo algeheel mogelijk beeld te geven van de situatie om aan de hand daarvan in het overleg tussen regering en parlement te komen tot het aangeven van knelpunten ten einde daarna tot verdere uitwerking te komen. De bejaarden vormen een grote bevolkingscategorie die wel bepaalde bijzondere maatregelen behoeft, maar die overigens in elk opzicht deel is van de bevolking als geheel. Alle regelingen, faciliteiten en beperkingen, rechten en plichten die voor de gehele bevolking gelden, gelden in beginsel ook voor bejaarden. Of ze voor bejaarden ook voldoen of dat ze door verbijzondering meer afgestemd zouden kunnen worden op specifieke behoeften van bejaarden is een vraag die steeds weer gesteld en beantwoord moet worden. Daarbij dient beseft te worden dat het hierom een grote bevolkingsgroep gaat waarbinnen situaties, behoeften en wensen in principe even gevarieerd zijn als bij de gehele bevolking en bovendien dat het hier gaat om alle facetten van de samenleving en het leven van de persoon. Telkens moet de vraag gesteld worden of de onvolkomenheid die de bejaarde ervaart, samenhangt met het bejaard zijn of met een onvolkomenheid van meer algemene aard. Een werkelijk integraal welzijnsbeleid voor bejaarden zou een beleid moeten zijn dat nastreeft het geheel van regels, gedragingen en verhoudingen in de samenleving zodanig te maken dat de bejaarden zo weinig mogelijk onvolkomenheden meerervaren. Op grond van deze overwegingen meent de regering dat het de voorkeur verdient in de voorliggende nota een zo goed mogelijk beeld te schetsen van de situatie van de bejaarden in de Nederlandse samenleving ten einde het parlement, maar ook andere instanties en organisaties en ten slotte alle geïnteresseerden in de bevolking een zo breed mogelijke informatie te geven. De regering wil echter niet volstaan met deze informatie. Het beschreven beeld laat ontwikkelingen en tendensen zien en roept vragen op. Een zekere Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

stellingname daartegenover is nodig wil een goede discussie ter zake gevoerd kunnen worden. Soms is deze stellingname stelliger en definitiever, dan weer voorzichtiger en voorlopiger, al naar gelang de omstandigheden. Ook moet meer dan eens een vraagstuk nader onderzocht en bestudeerd worden. Welhaast steeds is de stellingname in algemene bewoordingen gegeven. Nadere uitwerking zal in deelnota's of voorstellen van wet moeten plaatsvinden. De onderhavige nota beoogt het algemene kader aan te geven waarbinnen deze uitwerking gegeven gaat worden, uiteraard met inachtneming van de uitkomsten van het overleg met het parlement. Het karakter van de nota is dus bepaald door het verstrekken van informatie en het bieden van een algemeen kader voor het voeren van het verdere beleid. Dit karakter wordt niet gewijzigd door het feit dat een enkele keer toch mededeling wordt gedaan van het voornemen een concrete maatregel in te voeren, hetzij voortvloeiend uit een verdere uitwerking van het beleid, aangekondigd in de Nota Bejaardenbeleid 1970 (bij voorbeeld de zogenaamde 7% norm voor verzorging in bejaardentehuizen en in dat verband verdere uitbouw van de gezinsverzorging voor bejaarden) hetzij passend in de gedachtengang van de thans voorliggende nota indien de voorbereiding van de maatregel ver genoeg gevorderd was (bij voorbeeld het bejaardenpaspoort; Meer Bewegen voor Ouderen). Vaak wordt gedacht dat de maatschappelijke problemen worden opgelost met verbetering van de meer materiële omstandigheden. Daar waar dat gelukt is, bleek al ras dat andere problemen opdoken die tot nog toe als het ware bedekt waren geweest met de stof laag van de armoede. De zorg voor de gezondheid, voor het (primaire) onderwijs, voor meer directe verzorging van hen die daartoe zelf niet in staat zijn, voor huisvesting vroegen daarna grote aandacht. In Nederland is daartoe het grote werk gedaan, zowel ter vrijwaring van armoede als voor de daarna manifest geworden primaire noden ook voor de bejaarden. Uiteraard is de regering niet de mening toegedaan dat op deze terreinen geen verbetering mogelijk is, maar het accent is verschoven. Dat ligt meer op het bewaren van deze grote verworvenheden dan op sterke uitbouw. Zelfs kan het daarvoor nodig zijn dat een verdere perfectionering wordt vermeden, ja dat een zeker doorschieten wordt terug gedraaid (structuurnota Volksgezondheid, totstandbrenging bejaardenoorden). Thans zijn we meer in de fase gekomen waarin het accent ligt op de gelijkwaardigheid van de mens, zowel naar sexe als naar leeftijd maar ook naar inkomen, invloed, kennis. Het is deze gelijkwaardigheid die als uitgangspunt en toetssteen is genomen in de Nota Bejaardenbeleid 1975. Van daaruit zijn verschillende levensterreinen bezien. Daarbij is de integratie van de bejaarde in het maatschappelijk leven centraal komen te staan. Er is in een apart hoofdstuk aandacht aan gegeven en -waar dat ter zake en mogelijk was -is er ook bij andere te beschrijven aspecten verband mee gelegd.

Het is duidelijk dat wij ons ook bij het bejaardenbeleid, bevinden in een omslag van de beleidsdoelstellingen. De thans voorliggende nota heeft weliswaar de gelijkwaardigheid als uitgangspunt en als toetssteen genomen, maar heeft ook het inkomen, de huisvesting, de verzorging van bejaarden als zodanig moeten bezien. Zo is bij het streven naar grotere gelijkwaardigheid op het terrein van het inkomen van grote betekenis dat de AOW-wel haast geruisloos, althans door menigeen niet opgemerkt -in de jaren 1970 tot 1974 met 27% reëel is gestegen tegenover een stijging van het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in die periode met 8%. Hoe belangrijk en verheugend dit ook is, een verdere verbetering van de pensioenen dient te worden nagestreefd. De regering is van mening dat zowel uit een oogpunt van gelijkwaardigheid als op zichzelf bezien het streven erop gericht moet zijn het pensioen -inclusief AOW -te brengen op 70% van het laatst genoten bruto loon, waardevast. Het denken over de positie van de bejaarden in de samenleving Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

is in beweging. Het niet geheel volwaardig zijn in het beleven van bejaarden, maar ook in de ogen van andere leeftijdscategorieën, heeft te maken met waarden en normen die in onze maatschappij gelden. Integratie van de bejaarden in het maatschappelijk leven zal slechts mogelijk zijn bij aanvaarding van de bejaarde als gelijkwaardig aan zijn medeburgers van andere leeftijd. Dat werkt in veel facetten door.

De regering heeft door het opstellen van deze Nota Bejaardenbeleid 1975 getracht een discussie op gang te brengen op basis van een grondige informatie en door een algemeen kader aan te bieden voor het verder te ontwikkelen beleid.

De relatie tussen bejaardenbeleid en onderzoek Bij de openbare behandeling van de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd van verschillende zijden de wens geuit naar meer wetenschappelijke onderbouwing van toekomstig bejaardenbeleid. Met name is toen gevraagd om behoeftenonderzoek ten einde de beleidsplanning op meer concrete en meer objectieve gegevens te kunnen baseren. De toenmalige staatssecretaris van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk heeft op deze opmerkingen gereageerd met te stellen dat behoeftenonderzoek om verschillende redenen niet makkelijk is en beleid ook op andere dan onderzoeksoverwegingen kan berusten. Zij zegde tenslotte een beleidsplanning toe, welke stoelt op meer algemene inzichten en daarnaast zoveel mogelijk gesteund wordt door behoeftenonderzoek.

De betekenis van onderzoek voor de beleidsvoering in het algemeen Bij deformulering van algemene beleidsdoeleinden en daaruit af te leiden concrete prioriteiten moet de Rijksoverheid noodzakelijk rekening houden met: 1. kenmerken en wensen van de betrokken bevolkingsgroep, in casu de bejaarden; 2. opvattingen met betrekking tot het bejaardenwerk van de overige bevolking; 3. wetenschappelijke inzichten van de verschillende disciplines die zich met de problemen van de oudere en ouderwordende mens bezighouden; 4. de budgettaire grenzen welke gesteld worden door de financiële mogelijkheden, welke mede bepaald worden door de prioriteiten op andere beleidsterreinen. Al deze zéér complexe factoren beïnvloeden datgene wat idealiter nodig en wenselijk zou zijn en wat daarvan in de praktijk te realiseren is. Ten aanzien van de eerste twee factorencomplexen kunnen de verschillen-de wetenschappen middels algemeen aanvaarde inzichten, mede gebaseerd op onderzoek, beleidsondersteuning bieden. De financiële mogelijkheden zijn geen object van wetenschap, zij worden door de prioriteitenstelling van de gemeenschap bepaald. De verschillende wetenschappelijke disciplines kunnen door fundamenteel gerontologisch onderzoek een basis voor het beleid verschaffen. Uit dit wetenschappelijk materiaal is echter zelden direct en eenduidig een specifieke beleidslijn af te leiden. Vele universitaire instanties, andere wetenschappelijke organisaties en individuele wetenschappers houden zich met dergelijk fundamenteel onderzoek bezig. Daarnaast wordt in Nederland veel zogenaamd toegepast wetenschappelijk onderzoek met een directer beleidstoepasbaarheid uitgevoerd. Men kan rustig stellen dat het grootste deel van beide typen onderzoek zo niet in opdracht van de overheid geschiedt dan toch wel direct of indirect door haar mede gefinancierd wordt. Een en ander blijkt duidelijk uit het 2e Sociaal-Gerontologisch Register, bevattend een Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

overzicht en beoordeling van sociaal-gerontologisch onderzoek dat in de periode 1965 t/m 1972 in Nederland is verricht. Publikatie van dit Register zal hoogst waarschijnlijk nog in 1975 worden gerealiseerd. Vele van de daarin vermelde onderzoeken hebben op het plaatselijke en op het landelijke vlak hun invloed uitgeoefend, zonder dat dit echter altijd expliciet vermeld wordt. Er dient echter nogmaals op gewezen te worden dat wetenschappelijke onderzoeksresultaten -hoe belangrijk vaak ookslechts medebepalend zijn voor het uitzetten van een concrete beleidslijn. Velerlei omstandigheden -soms van organisatorische en bestuurlijke aard -kunnen belemmerend werken op een meer rechtstreekse beleidsbeïnvloeding door resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

De relevantie van wetenschappelijk materiaal voor de 2e Nota Bejaarden beleid De Nota Bejaardenbeleid 1970 had als voornaamste beleidsuitgangspunt de zorg voor de meest kwetsbare bejaarden. De nu voorliggende nota concentreert zich voornamelijk op de veel grotere groep der zelfstandig wonende bejaarden en hun sociaal-culturele participatie. Het beleid is erop gericht integratie in de samenleving te bevorderen. Nauwkeurige lezing van de huidige nota toont aan dat veel stellingnamen en opvattingen op een interpretatie van wetenschappelijke publikaties berusten. Vaak wordt dat ook expliciet aangegeven. Op andereplaatsen in de nota is de wetenschappelijke fundering méér impliciet. Ondergetekenden willen daarmee niet aantonen dat totaal en integraal is voldaan aan de wens van enkele kamerleden het gehele bejaardenbeleid en de beleidsplanning op onderzoek te baseren. Zij menen echter wel dat -gezien de relatief korte tijd sinds het behandelen van de eerste nota -het mogelijke is gedaan. Zij moeten daarbij voorop stellen dat de realisering van omvangrijke onderzoeksprogramma's organisatorisch en financieel géén gemakkelijke taak is en veel tijd en overleg vergt. Er is tegemoet gekomen aan de wens van de Kamer een behoeftenonderzoek bij bejaarden in te stellen. De ministeries die in de Interdepartementale Stuurgroep Bejaardenbeleid samenwerken hebben aan het Centraal Bureau voor de Statistiek en aan het Nederlands Instituut voor Maatschappelijk Werkonderzoek de opdracht gegeven tezamen een onderzoek in te stellen naar de levensomstandigheden van bejaarden. Onder meer zullen daarin de volgende aspecten worden onderzocht: -de mate van validiteit; -de huisvestingssituatie; -de financiële situatie; -de mate van objectieveen subjectieve vereenzaming (het patroon van relaties); -de mate van huishoudelijke validiteit. Dit omvangrijke en veel tijd vergende project wordt begeleid door deskundige vertegenwoordigers van de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid, van de vier samenwerkende ministeries en desku ndigen a titre personnel. Daarnaast werden door het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk in de afgelopen periode nog een aantal onderzoeksopdrachten ten behoeve van het bejaardenbeleid verleend. Te wijzen valt onder meer op het 2e Sociaal-Gerontologisch Register van het Gemeenschappelijk Instituut voor Toegepaste Psychologie te Nijmegen en 2 onderzoeken naar onder meer woonsatisfactie en beheersproblematiek van het Research Instituut voor de Woningbouwte Delft, alsmede het onderzoek dat in opdracht van het Sociaal en Cultureel Planbureau is verricht ten behoeve van het Sociaal en Cultureel Rapport 1974 waarvan het materiaal Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

dat voor het bejaardenbeleid van belang is in de onderhavige nota is verwerkt. Hiermee zal uiteraard niet worden volstaan. Het onderzoeksprogramma, gepresenteerd in de Nota Bejaardenbeleid 1970 zal worden uitgevoerd, zij het gespreid in de tijd, vanuit de erkenning dat een zo goed mogelijke onderbouwing van het beleid door resultaten van wetenschappelijk onderzoek nodig is, maar ook beseffend dat voor het voeren van een beleid onderzoek daarbij één van de vele bouwstenen is.

De uitvoering van de maatregelen uit de nota 1970

De in de Nota Bejaardenbeleid 1970 gestelde doelen zijn -op een enkele uitzondering na -bereikt. Voor de gezinsverzorging is door de vorige regering een correctie aangebracht waardoor een uitloop tot 1976 nodig is. De stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de toen voorgenomen maatregelen is:

1. De structurele wijziging van de AOW is gerealiseerd.

2. Gedurende 5 jaarzullen per jaarten minste 12000 bejaardenwoningen in aanbouw worden genomen. Dit is aldus gerealiseerd:

1970

13526 bejaardenwoningen 1971

15055 bejaardenwoningen 1972

15472 bejaardenwoningen 1973

14638 bejaardenwoningen 1974

11760 bejaardenwoningen

3. De uitbreiding van het aantal (parttime) gezinshelpsters voor bejaarden:

Raming nota

Bij nadere besluiten gecorrigeerd tot:

tot en met 1974 is deze uitbreiding gerealiseerd

1970

7000

7 000 1971

8000

8 000 1972

9000

8 000 1973

10000

5 200 1974

11000

7 400 1975

6 250 1976

2950

De uitbreiding kon in de loop van de jaren steeds sterker worden gericht op de gebieden met een reële achterstand. Aanvankelijk is daarbij alleen gelet op de aantallen (parttime) functionarissen per provincie; vanaf 1973 is dit per uuren per instelling beoordeeld:

1970:

uitbreiding geaccepteerd zoals die kwam; 1971:

uitbreiding met 25% van het bestand (per 1 november 1970); 1972:

uitbreiding met: 15% in Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant; 20% in Utrecht, Noord-Holland (excl. Amsterdam), Zuid-Holland (excl. Rotterdam, Den Haag), Zeeland; 40% in Limburg, Den Haag, Amsterdam; geen uitbreiding: in Groningen, Friesland, Drenthe en Rotterdam; 1973:

per uur en per instelling; instellingen die per jaar per bejaarde beschikbaar hebben: 0-20 uur, uitbreiding met 40%; 10-20 uur, uitbreiding met 20%; 20-25 uur, uitbreiding met 10% tot max. van 25 uur; iedere instelling kreeg haar gegevens op basis waarvan bleek hoeveel uitgebreid kon worden; 1974:

analoog aan systeem van 1973.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

4. Uitbreiding ziekenverzorgsters in kader wijkverpleging. Volgens nota 1970

801971

160 1972

240 1973

32019 7 4

400

gerealiseerd 309 (w.v. 82 vacatures)

Het achterblijven op de planning wordt veroorzaakt door geringe animo bij ziekenverzorgsters om na hun opleiding in de wijk te gaan werken en door de opvatting dat in het algemeen slechts ziekenverzorgsters kunnen worden aangesteld bij grotere instellingen waareen hoofdwijkverpleegster aanwezig is om de gewenste leiding te geven.

5. Dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk.

Projecten

Dienstencentra

Totaal gecoördineerd bejaardenwerk

t/m 1970

109 t/m 1971

107

161 t/m 1972

137

211 t/m 1973

104

159

263 t/m 1974

136

174

310

Plannen voor 1975-1976 (voorzover

102

150 thans bekend)

Totaal

238

222

460

Verschillen met vorige opgaven houden verband met: a. overgang van projecten gecoördineerd bejaardenwerk naar diensteneentra; b. samenvoeging van projecten; c. verschuivingen in startdata.

6. Verpleeghuizen. De taakstelling van de nota was om in 1975 10000 bedden te effectueren boven het bestand per 1 september 1969 van 16410 bedden voorsomatische patiënten en 5043 voor demente bejaarden, of totaal 21453 bedden. Per 31 oktober 1973 waren aanwezig 24174 bedden voor somatische patiënten en 10803 bedden voor geestelijk gestoorde bejaarden, of totaal 34977, derhalve 13524 meer dan op de uitgangsdatum. Verwacht wordt dat in 1975 aanwezig zullen zijn 40051 bedden (waarvan 12960 voor geestelijk gestoorden).

7. De uitbreiding van het aantal plaatsen in verzorgingstehuizen wordt in de nota beperkt tot 50000, waarvan iets minder dan de helft voor vervanging. In feite werden met overheidssteun uitgegeven resp. in: 1970

7575 bedden 1971

5224 bedden 1972

5017 bedden 1973

5026 bedden 1974

5025 bedden

8. De wijziging van de Wet op de bejaardenoorden is tot stand gebracht. De Centrale Commissie voor de Bejaardenoorden heeft op 2 april 1975 advies uitgebracht over de belangrijke algemene maatregel van bestuur inzake de opneming van bejaarden in bejaardenoorden.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

De vaststelling van deze algemene maatregel van bestuur zal spoedig kunnen geschieden.

HOOFDSTUK I. KENMERKEN VAN DE SITUATIE DER BEJAARDEN Bejaardenbeleid moet berusten op inzicht in en interpretatie van de positie der bejaarden in de huidige samenleving. Alleen op deze wijze kan men een situatie, waarvan men bepaalde aspecten minder gunstig acht, in een bepaalde richting wijzigen. Het aanbrengen van wijzigingen in de bestaande situatie impliceert, dat men een voldoende helder beeld moet hebben van een nog niet bereikte situatie die men als een vooralsnog na te streven ideaal ziet. Het streven naar dat ideaalbeeld door het nemen van de vereiste maatregelen, gebaseerd op inzicht in en interpretatie van de positie der bejaarden, zou men een beleidsfilosofie kunnen noemen. In het besef van de onmogelijkheid in kort bestek een totaal en volstrekt juist beeld van de huidige en van de ideale situatie te schetsen, zal in het navolgende getracht worden in hoofdlijnen beide situaties aan te geven. Daarbij zal ervan worden uitgegaan, dat de huidige en de toekomstige situatie van de bejaarden bepaald en beïnvloed worden door: -fysieke, sociaal-psychologische kenmerken van de bejaarden zelf en sociaalstructurele elementen van hun situatie; -de houding van de samenleving ten opzichte van de bejaarden; -maatregelen en voorzieningen van overheid en particulier initiatief. Bovenstaande groepen factoren werken in feite op elkaar in. Zij worden hier slechts kunstmatig en voor de duidelijkheid onderscheiden.

Nr. 1. Fysieke, sociaal-psychologische en sociaal-structurele kenmerken van de situatie der bejaarden Allereerst dient vast te staan wat men in dit verband onder 'bejaard zijn' verstaat. Hierover bestaat weinig eenstemmigheid, wanneer men althans de verplichte pensioneringsleeftijd, in Nederland meestal 65 jaar, buiten beschouwing laat. Het ontbreken van eenstemmigheid wordt -mede -veroorzaakt doordat: -de verschillende ouderdomsprocessen op verschillende tijdstippen aanvangen en bovendien zo traag verlopen, dat geen exacte fysiologische grens van het begin van het 'bejaard zijn' valt aan te geven. Daardoor kunnen er ook tegenstrijdigheden bestaan tussen de verschillende onderzoekresultaten over het begin van het verouderingsproces; -vaak moeilijk valt vast te stellen of de zogenaamde verouderingsprocessen het noodzakelijk gevolg zijn van het ouder worden of van min of meer toevallige ziekten.

A. Medischbiologische kenmerken van de veroudering Hoewel wellicht de meeste personen boven de 65 jaar op den duur gezondheidstekorten gaan vertonen, zijn die gebreken in de meeste gevallen niet van dien aard, dat normaal leven in zelfstandigheid onmogelijk wordt. On-danks alle gebreken blijft men buiten de intramurale verzorging. Mogelijke problemen worden -net als bij niet-bejaarden -door de huisarts of specialist -na eventuele korte opname -bestreden. Andere gevolgen van bepaalde fysieke tekorten kunnen althans gedeeltelijk worden weggenomen door instellingen van open bejaardenwerk.

B. Sociaalpsychologische kenmerken van de veroudering Alvorens meer uitgewerkte theoretische concepties die min of meer wetenschappelijk ondersteund worden, nader in beschouwing te nemen, kan nu reeds gesteld worden, dat bij het ouder worden veelal psychische verande-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

ringen optreden. Deze veranderingen kunnen zowel positief als negatief zijn ten opzichte van een juiste aanpassing aan de veranderde situatie en de werkelijkheid van het uiteindelijke levenseinde. Volgens Munnichs1-is de ontwikkeling in de jeugdraden sterk gebonden aan biologische factoren en vooral aan invloeden uit de directe omgeving, terwijl de volwassene en de oudere mens meer op zichzelf teruggeworpen is, hij of zij moet zich mentaal zien te schikken in zijn of haar eindigheid. In het navolgende zal blijken, dat deze aanpassing op verschillende manieren kan geschieden, mede onder invloed van de individuele voorgeschiedenis. Sociologisch bekeken betekent het bejaard worden in de meeste gevallen het verlies van: beroepsbezigheden (meestal alleen voor de man), opvoedingstaken vooral voor de vrouw (behalve gedeeltelijk ten aanzien van eventuele kleinkinderen), inperking van de kennissenkring door verlies van arbeid en sterven van generatiegenoten, het (soms) geweerd worden uit vrijwillige activiteiten in het verenigingsleven. Ook hier is sprake van een geleidelijk proces zoals bij de psychische veroudering. Het bovenstaande verdient een plaats in een breder theoretisch kader. Het is echter te betreuren, dat een eenduidig en algemeen aanvaarde wetenschappelijke theorie over de plaats der bejaarden in de samenleving niet voorhanden is. Wel zijn er verschillende theoretische uitgangspunten die ieder voor zich bepaalde situationele kenmerken interpreteren, zonder echter een totaalbeeld te kunnen verschaffen. Beziet men echter de verschillende uitgangspunten tezamen, dan ontstaat er een redelijk bruikbare interpretatie van de positie der bejaarden in de Westerse maatschappij.

De structureelfunctionalistische

opvatting

In deze opvatting wordt de maatschappij beschouwd als een sociaal systeem, opgebouwd uit rollen, dat wil zeggen, normatief voorgeschreven gedrag, en posities waarbij die rollen behoren. Binnen dit systeem is juist de rol en positie van de bejaarde in de moderne tijd veranderd, onder meer door het verdwijnen van het driegeneratiegezin, door de verplichte pensionering en de langere levensduur. Hierdoor wordt de bejaarde als het ware gedesocialiseerd, van posities en de daarbij behorende rollen beroofd. Zo ontstaat een bepaalde feitelijke en mentale isolatie en daardoor behoefte aan hulp. Deze behoefte aan hulp kan niet meer door de familie worden opgevangen, zodat de gemeenschap met allerlei voorzieningen moet inspringen. De bejaarden zijn hierdoor tot een probleemgroep geworden. Tegen bovenstaande theorie kan worden ingebracht, dat de situatie niet zo zwart is als deze wordt afgeschilderd, ook al kunnen bepaalde tendensen niet worden ontkend. Uit onderzoek in Nederland en in het buitenland 2 is gebleken, dat de meerderheid der bejaarden met hun familieleden regelmatig intensief contact onderhoudt. Geografische gescheidenheid vormt daarvoor geen onoverkomelijke barrière. Er bestaat zoiets als 'intimiteit op afstand '3 . Hoewel het belang van familierelaties moeilijk kan worden overschat en moet worden toegegeven, dat deze voor de meeste bejaarden nog functioneren, vormt dit type relaties niet de hele leefwereld der bejaarden. Bejaarden beleven hun positieverandering in familie en maatschappij op een bepaalde wijze. Hoe dit beleven er uitziet (of er uit zou moeten zien) proberen de volgende theorieën aan te geven:

* De noten zijn verzameld achterin, na de bijlagen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

a. De disengagementtheorie 4 Volgens aanhangers van deze theorie doorlopen bejaarden noodzakelijk een proces van 'losmaking'. Vooral rollen die verband houden met werk en de daarmee verband houdende contacten verminderen sterk. Rollen met een minder actieve en meer emotionele inhoud blijven over. Indien bejaarden gelukkig -dat wil zeggen aangepast aan hun situatie -willen leven, dan moeten zij dit 'losmakingsproces' positief aanvaarden. Als kritiek op deze theorie geldt, dat lang niet alle bejaarden zo'n losmakingsproces doormaken en minder actief worden. Het lijkt erop, dat Cummings en Henry een bij bepaalde bejaarden zich voordoend proces van losmaking generaliseren tot een algemeen patroon van de gehele categorie en het bovendien ook nog als een positief proces beschouwen. Er kwamen dan ook reacties:

b. De activiteitentheorie s Deze theorie ontkent niet, dat activiteiten en rollen wegvallen, maar stelt voorop de noodzakelijkheid van vervanging ervan. Verlies van beroepsactiviteiten moet gecompenseerd worden door vrijetijdsrollen en -activiteiten. Gebeurt dat niet, dan beleven bejaarden hun situatie als negatief. Ook hier lijkt het gevaar aanwezig, dat een bepaald type actieve bejaarden ten voorbeeld en als norm voor minder actieve typen wordt gesteld. Hoewel er zeker bejaarden zijn, die rollen-en activiteitenverlies niet betreuren en niet op de voorgeschreven wijze compenseren, zijn er natuurlijk ook bejaarden die dit verlies compenseren met vrijetijdsrollen en -activiteiten. Op deze benadering kwam een sociaal-psychologische reactie, en in dit geval een Nederlandse, van Munnichs. Munnichs relativeert de betekenis zowel van de disengagementtheorie als van de activiteitentheorie en neemt een tussenpositie in die hij noemt:

c. Engagement at a distancetheorie Munnichs constateert een 'verbondenheid op afstand'. Na aanvankelijke losmaking (disengagement), waarin de verouderende man en vrouw een nieuw psychosociaal evenwicht proberen te vinden in een aanvaarding van de eindigheid, treedt -als die aanvaarding eenmaal geslaagd is -een hernieuwd engagement op. Dit engagement (verbondenheid) heeft dan echter een meer gedistantieerd karakter: men doet mee en men leeft mee, maar op afstand. Deze benadering, die ook internationaal veel erkenning heeft gevonden, biedt naar de mening van ondergetekenden een bruikbaar theoretisch uitgangspunt voor het huidige bejaardenbeleid, gericht op bevordering van een zo lang mogelijke zelfstandige woon-en leefwijze.

De maatschappijkritische

benadering

De tot nu toe besproken theorieën benaderen de problematiek in zekere zin vanuit de bejaarden. Er bestaat evenwel ook een min of meer neo-marxistische visie, die de problemen rondom de bejaarden plaatst in het kader van opvattingen over de maatschappij als zodanig. Volgens de Amerikaan Marcuse is de huidige Westerse maatschappij ééndimensionaal, wantzij is bijna geheel op technologie en produktie gefixeerd en gebaseerd. In een dergelijke samenleving is feitelijk geen ruimte voor bejaarden, daarzij een onproduktieve categorie vormen. De bejaarden zijn uitgeschakeld en desnoods subject van een zo efficiënt -lees: goedkoop -mogelijke verzorging. In Nederland wordt door Milikowski ook een dergelijke visie verbreid. Hij ziet -kort gezegd -de bejaarden als een uitgebuite en onderdrukte klasse. Dit blijkt dan uit hun concrete levensomstandigheden (geringer inkomen, slechtere huisvesting etc.) en een geringere maatschappelijke invloed. Milikowski meent, dat de meeste bejaardenproblemen samenhangen met deze Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

lageklassepositie. Voor de bejaarden die er financieel goed aan toe zijn, bestaan dan ook veel minder problemen. Indien Milikowski gelijk heeft, zou het bejaardenprobleem alleen door radicale veranderingen (van kapitalisme naar socialisme) oplosbaar zijn. AI-leen op die manier zouden volgens hem de kenmerken van bejaarden, zoals inactiviteit, isolatie, vervreemding en verzorgingsbehoeftigheid -mede door hun eigen participatie -moeten worden bestreden.

Conclusie Niet ontkend kan worden, dat veroudering noodzakelijkerwijs fysieke en psychische gevolgen heeft, hoewel omvang en ernst van deze gevolgen onder invloed van preventieve -en curatieve -maatregelen vaak zullen kunnen worden verminderd. Het lijkt er echter op, dat vooral de sociaal-psychologische kenmerken van de veroudering voor een deel maatschappelijk bepaald zijn. Als zodanig zullen zij ten dele door veranderingsprocessen beïnvloedbaar zijn. Hoe dit gebeurt of zal moeten en kunnen geschieden komt in volgende hoofdstukken aan de orde, waarbij impliciet gebruik zal worden gemaakt van de verschillende theoretische uitgangspunten. Men moet zich daarbij realiseren dat deze theoretische uitgangspunten, hoe verdienstelijk zij op zich ook zijn, niet de totale maatschappelijke werkelijkheid omvatten waarbinnen de overheid haar beleid kan voeren.

Nr. 2. De houding van de samenleving ten opzichte van de bejaarden Bij een bespreking van de houding van de samenleving ten opzichte van de bejaarden kan onderscheid gemaakt worden tussen: -opvattingen en houdingen van de bevolking en het (georganiseerd) bedrijfsleveneen -effecten van maatregelen en voorzieningen die door overheid en particulier initiatief worden getroffen.

Opvattingen en houdingen van de bevolking en het (georganiseerd) bedriifsleven In onderzoek werd aangetoond, dat zelfs een controlegroep van vrij goed geschoolde personen die zich in hun beroep niet met bejaarden bezighielden, een negatiever beeld van en negatievere opvattingen over bejaarden hadden dan een groep functionarissen van verschillend niveau, werkzaam in diverse vormen van bejaardenwerk. Als de eerste groep reeds relatief vaak van mening was, dat bejaarden ongezellig zijn, niet met geld kunnen omgaan, geen volwaardig sexueel leven (kunnen) hebben, kinds en gierig worden, dan mag men veronderstellen, dat het gewone publiek in nog sterkere mate negatieve (voor)oordelen ten opzichte van bejaarden zal hebben. Hoewel landelijk representatief onderzoeksmateriaal hierover niet beschikbaar is, zijn er aanwijzingen, dat velen het bejaard zijn associëren met invaliditeit en verzorgingsbehoeftigheid, gering inkomen, verminderde geestelijke vermogens, apathie etc. Wellicht zijn deze stereotypen mede veroorzaakt door het feit dat het grote publiek zich pas door overheidsmaatregelen als de Noodwet Ouderdoms Voorzieningen (later AOW) en de alom verrezen verzorgingstehuizen en bejaardenwoningen van de omvang van het bejaardenprobleem bewust is geworden. Men is dan geneigd deze maatregelen en voorzieningen als noodzakelijk voor alle (of de meeste) bejaarden te beschouwen, hetgeen een niet verantwoorde generalisatie is. Een andere bron van vooroordeel is de algemene 'waarde'diegehecht wordt aan jong, produktief en vitaal zijn. Dezedrie begrippen worden onderling geassocieerd: wie niet jong is, is dus niet produktief en niet vitaal. Absolutering van deze waarden gaat ten koste van andere Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

waarden die daardoor op de achtergrond raken. Film, mode en -ten delereclame lijken hiertoe bij te dragen. Ook in verenigingsverband manifesteert zich vaak de opvatting, dat personen van 65 jaar en ouder uit bestuursfuncties geweerd (zouden moeten) worden. Sommige politieke partijen lijken informeel (meestal niet statutair) minder geneigd zich in vertegenwoordigende lichamen door personen van 65 jaar en ouder te laten representeren. Deze tendensen wijzen toch op een gering vertrouwen in de mogelijkheden en capaciteiten van ouderen, terwijl gefundeerde bewijzen, dat dit voor meer dan een minderheid der bejaarden zou gelden, ontbreken. Ook het bedrijfsleven vertoont tekenen van een relatief lage waardering van de beroepscapaciteiten van oudere werknemers. Deels wordt dit veroorzaakt door de verplichte pensione'ing bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het lijkt erop, dat deze verplichting aanleiding geeft tot de opvatting, dat vlak voor, maar zeker na die leeftijd geen behoorlijke arbeidsprestatie geleverd kan worden. Onderzoekswijst er echter op dat gebrek aan vertrouwen in de capaciteiten van oudere werknemers veelal ongefundeerd is en voor zover er toch bepaalde capaciteitstekorten zijn, zijn deze veelal door om-en bijscholing te verhelpen. Tegelijkertijd ontwikkelt zich de tendens bij het bedrijfsleven steeds eerder te spreken van zogenaamde oudere werknemers. Volgens sommigen is daar al sprake van na het veertigste jaar. Het is duidelijk, dat problemen ontstaan wanneer deze 'ouderen' bij bedrijfssluitingen en fusies op de arbeidsmarkt verschijnen en dan moeilijk herplaatsbaar blijken.

Maatregelen en voorzieningen die door overheid en particulier initiatief worden getroffen In volgende hoofdstukken zal aandacht worden besteed aan maatregelen en voorzieningen die ten behoeve van bejaarden zijn en worden getroffen. In het kader van dit hoofdstuk wordt een korte terugblik gegeven op de grote lijnen van het gevoerde beleid van de overheid en het particulier initiatief. Dat beleid was (noodzakelijkerwijs) jarenlang geconcentreerd op de situatie van de meest kwetsbare groep van de bejaarden. Ook het beleidsplan, neergelegd in de Nota Bejaardenbeleid 1970, ging nog daarvan uit. In concreto betekende dit aanvankelijk stimulering van de bouwvan intramurale voorzieningen zoals verpleeghuizen en verzorgingstehuizen, en een inkomensbeleid door middel van de AOW. Naarmate de geplande maatregelen en voorzieningen werden gerealiseerd, ontstonden er mogelijkheden voor een breder beleid, dat wil zeggen gericht op de gehele categorie der bejaarden. Zo ontwikkelde zich de extramurale sector, die natuurlijk nooit geheel had ontbroken, mede ten behoeve van bejaarden die niet in een directe noodsituatie verkeerden. Deze ontwikkeling heeft het voor overheid en particulier initiatief niet eenvoudiger gemaakt, want de bestrijding van acute materiële nood vereist minder analyse van de levensomstandigheden der bejaarden dan een totaal bejaardenbeleid. In deze levensomstandigheden is de laatste tijd meer inzicht ontstaan door direct of indirect door diverse overheden gefinancierd onderzoek. Met name kan gewezen worden op het onderzoek naar de leefsituatie van de Nederlandse bevolking van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarvan de resultaten in februari 1975 zijn gepubliceerd en op het leef-situatie-onderzoek bij bejaarden, dat mede onder invloed van de parlementaire behandeling van de Nota Bejaardenbeleid 1970 aan het CBS wordt opgedragen. Ten behoeve van de zelfstandig wonende bejaarden is er dus sprake van een accentverlegging in het beleid. Voor wat betreft de meest kwetsbare categorieën onder de bejaarden is er sprake van een evaiuatie, regulering en bijstelling van kwantiteit en kwaliteit Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

van intra-en extramurale voorzieningen. Verbetering van de toegankelijkheid en de landelijke spreiding zijn hierbij kernpunten.

Nr. 3. Achterstand van bejaarden in vergelijking tot andere bevolkingscategorieën Evenals in de Nota Bejaardenbeleid 1970 is het beleid dat in deze nota wordt uiteengezet, erop gericht ongewenste situaties op te heffen en maatschappelijke deprivaties terug te dringen. Uitgaande van de fundamentele gelijkwaardigheid en gelijkgerechtigdheid der individuen dient het beleid van overheid en particulier initiatief erop gericht te zijn te streven naar een zodanige spreiding van macht, bezit en kennis, dat maatschappelijke achterstand die bejaarden ten opzichte van de overige volwassenen vertonen, voor zover mogelijk wordt opgeheven. Dit streven houdt zowel een welvaartsbeleid (materiële kant) als een welzijnsbeleid (immateriële kant) in. Een nadere verklaring van het sociologische begrip 'deprivatie', dat met enig voorbehoud kan worden vertaald door 'achterstand', maakt dit duidelijk. Deprivatie noemt men het verschijnsel, dat bepaalde groepen van de bevolking door historisch bepaalde en structurele factoren van de aanwezige maatschappelijke goederen en mogelijkheden minder verkrijgen dan vergelijkbare groepen. Nadere ontleding van deze definitie leidt tot de vraag om welke goederen en mogelijkheden het hier gaat en op het bestrijden van welke vormen van deprivatie het beleid van overheid en particulier initiatief moet zijn gericht. De volgende vormen van deprivatie kunnen worden onderscheiden:

7. Consumptieve deprivatie Het is een feit, dat de bejaarden gemiddeld over een lager inkomen beschikken dan de werkende volwassenen. Weliswaar kan worden gesteld dat bejaarden vaak in bepaalde opzichten minder kosten hebben -de zorg voor (kleine) kinderen ontbreekt veelal en kosten die met de uitoefening van een beroep samenhangen, behoeven in vele gevallen niet meer te worden gemaakt -, maar dit verklaart niet geheel de bestaande financiële achterstand. De geringere financiële armslag van de bejaarden wordt veroorzaakt door het feit, dat pensioenen altijd beduidend lager zijn dan het voormalige inkomen -althans voor hen die vóór het 65ste jaar werkzaam waren -en door de slinkende waarde van spaargelden en levensverzekeringen die niet geïndexeerd zijn. Deze financiële situatie werkt niet alleen door in vermindering van de mogelijkheden tot het aanschaffen van materiële goederen, maar vermindert ook de mogelijkheden tot volwaardig deelnemen aan hetgeen zich in de sociaalculturele sfeer in de samenleving afspeelt: uitgaan, vakantie etc, de 'versiering' van het leven dus. Natuurlijk wordt deze consumptieve deprivatie slechts voor een deel veroorzaakt door de verminderde financiële draagkracht. Andere oorzaken kunnen zijn: -een verminderde vitaliteit en validiteit; -een ander waardepatroon dan jongere generaties, hetgeen bepaalde vrijetijdsactiviteiten buiten smaak en gezichtsveld doet vallen; -onvoldoende bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen van allerlei aard. Een inkomensbeleid alléén kan dus niet ai deze belemmeringen die consumptieve deprivatie veroorzaken, opheffen. Wel kunnen financiële belemmeringen worden weggenomen door verhogingen der pensioenen, structurele verbetering van de AOW, subsidiëring van voorzieningen opdat deze voor bejaarden financieel beter bereikbaar worden, invoering van een landelijk paspoort voor bejaarden etc. Binnen het bouwbeleid valt in dit verband te

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

denken aan het geven van bouwvoorschriften ten aanzien van de toegankelijkheid van gebouwen. Uit het voorgaande blijkt, dat via een inkomensbeleid tevens ook een participatiebeleid gevoerd kan worden, hetgeen -uitgaand van de geldigheid van de engagement at a distancetheorie (Munnichs) en van de activiteitentheorie (zie hfdst. I, par. 1) -de integratie van bejaarden in de maatschappij duidelijk bevordert. Zoals hierboven werd gesteld, kan een inkomensbeleid niet alle belemmeringen in de consumptieve sfeer opheffen. Gegeven het feit dat bejaarden vaker in oudere -en vaak slechtere -woningen leven dan jongere bevolkingscategorieën kan, in het kader van het woningbouwbeleid getracht worden het aanbod van aangepaste of gerenoveerde woningen en specifieke bejaardenwoningen te vergroten. Zo kan ook woondeprivatie als een vorm van consumptieve deprivatie worden bestreden.

2. Relationele deprivatie Bejaarden kunnen -evenals anderen -lijden aan een subjectief en/of objectief tekort aan emotioneel bevredigende relaties. Er zijn tenminste twee kanten aan dit probleem te onderscheiden: -een objectief (te) geringe contactfrequentie (vereenzaming of isolatie); -een subjectief, vanuit de bejaarde gezien, te gering aantal bevredigende relaties (eenzaamheidsgevoelens). De subjectieve vorm, dus de waardering van contacten, kan los staan van de objectieve contactfrequentie. Een maatstaf voor een objectief bevredigende norm van contactfrequentie is overigens moeilijk te geven. Het is duidelijk, dat de overheid en particuliere instanties, gezien de noodzakelijke bescherming van de privésfeer, hier slechts voorwaarden kunnen scheppen, waardoor de mogelijkheden contacten aan te gaan of te verstevigen, worden bevorderd. Het overige is individuele verantwoordelijkheid, behalve wellicht wanneer er sprake is van medische oorzaken voor het ontbreken van relaties. Deze individuele verantwoordelijkheid is niet beperkt tot de bejaarden zelf, hier ligt ook een taak voor de familie van de betrokken bejaarde. Onderzoek in Nederland en daarbuiten wijst uit, dat over het algemeen deze verantwoordelijkheid wordt aanvaard en in praktijk gebracht. Gevallen van totale relationele verwaarlozing leidend tot tragedies als het na weken of maanden vinden van een stoffelijk overschot -hoe zelden dit ook voorkomt -worden mede veroorzaakt door de anonimiteit waarin men vooral in steden kan leven. Hier ligt een verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel, niet als abstractie, maar voor ieder individueel lid daarvan. In samenwerking met de diverse overheden heeft het particulier initiatief voorwaarden geschapen, waardoor deze relationele deprivatie (isolatie) althans gedeeltelijk kan worden opgeheven. Hierbij valt te denken aan dienstencentra, wijkposten, f riendlyvisiting, sociale raadslieden, gezinsverzorging etc. Naast hun overige taken hebben deze voorzieningen dus ook relatiestimulering als neventaak. Via allerlei relaties participeert de bejaarde in de samenleving en wordt hij daarin geïntegreerd. Ook tehuisbewoners kunnen echter geïsoleerd van de maatschappij leven. Het is daarom gelukkig, dat steeds meer tehuizen en dienstencentra hun ruimte beschikbaar stellen voor activiteiten, waaraan ook door niet-bewoners c.q. niet-bejaarden kan worden deelgenomen. Deze openheid naar de samenleving, die de behoefte aan rust en veiligheid van de bejaarden niet hoeft te bedreigen, zou nog meer bevorderd kunnen worden. Voor wat betreft het voorkomen van tragedies die door langdurige vereenzaming kunnen ontstaan, moeten wellicht mechanische alarmeringssystemen worden beproefd en vervolgens in de praktijk gebracht. Systematische signalering van (potentiële) noodgevallen kan ook worden geregeld door middel van friendlyvisiting en telefonische hulpdiensten. Het laatste wordt

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

belemmerd door het feit dat vele bejaarden nog niet over een telefoon beschikken. Overigens wordt erop gewezen, dat technische alarmsystemen nimmer de voordelen van zowel spontane als georganiseerde tussenmenselijke contacten kunnen vervangen. Deels ligt de oorzaak van 'contactarmoede', althans voor wat betreft bejaarde mannen, in het verlies van de werkkring. Hierdoor verliezen sommigen een deel van hun contacten, hun tijdvulling en hun status. Een min of meer apathische levenshouding kan daarvan het gevolg zijn. Hierin ligt mogelijk een argument voor invoering van geleidelijke pensionering. De terugtreding uit het arbeidsproces wordt dan over een aantal jaren gespreid. In het buitenland lijken hiermede goede ervaringen te zijn opgedaan. Men kan zich geleidelijk aan de situatie aanpassen.

3. Invloedsdeprivatie Het is duidelijk, dat bejaarden in tegenstelling tot categorieën als bij voorbeeld werknemers en werkgevers nauwelijks een pressiegroep vormen. Natuurlijk worden veel belangen behartigd door de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid en door de -in het COSBO samenwerkende -bejaardenbonden. Toch lijkt directe politieke en maatschappelijke invloed van de 1,3 miljoen bejaarden geringer dan hun aantal zou rechtvaardigen. De meningen en wensen van de ouderen raken onvoldoende bekend en gehonoreerd. Dit geldt zeker voor het merendeel van de bejaarden dat zich niet wenst te identificeren met organisaties die op basis van het leeftijdsaspect namens de bejaarden spreken. Het is discutabel in hoeverre hier -afgezien van de eerdergenoemde juridische vormgeving van de bevoegdheden van bewonerscommissies -een taak ligt voor de (rijks)overheid. Eerder zou gedacht moeten worden aan particuliere organisaties, bijvoorbeeld uitgaande van de vakbeweging die haar gepensioneerde oud-leden zou kunnen organiseren.

4. Kennisdeprivatie Ondanks hun levenservaring zullen de meeste bejaarden van nu ten aanzien van formele kennis achterstaan bij jongere generaties, waarvan de scholingsgraad door de grotere mogelijkheden hoger is. Deze achterstand zal in vele gevallen leiden tot een moeilijker de weg weten te vinden in de technisch en administratief steeds ingewikkelder worden-de maatschappij. Dit kan resulteren in een onvoldoende gebruik maken van de bestaande voorzieningen en diensten, dus tot een geringere efficiency van het (mede) voor bejaarden bestaande apparaat. Het algemeen beleidsdoel moet zijn hier bedoelde lacunes in kennis op te sporen en vervolgens op te vullen. Hier ligt een voorlichtende taak voor een veelheid van instanties, die zich overigens vaak hiermee reeds bezighouden: -Radio en vivian de TV is in opdracht van de rijksoverheid de functie van de Algemene Bijstandswet, met name ten aanzien van de problemen der bejaarden in een serie programma's toegelicht. Verschillende omroeporganisaties kennen regelmatig terugkerende bejaardenprogramma's, die deels echter van verstrooiende aard zijn. Het lijkt aan te bevelen -mede wegens de indringende aard van de omroepmedia -te komen tot een meer planmatige voorlichtingscampagne, waarin de verschillende kanten van de bejaardenproblematiek in hun samenhang duidelijk en eenvoudig worden belicht. -De pers: Het ten aanzien van de radio en TV opgemerkte geldt m.m. ook voor de pers. Dit medium lijkt bijzonder geschikt voor (veelvuldig herhaalde) voorlichting ten aanzien van financiële regelingen (AOW, ziektekostenverzekering, pensioenen, belasting en dergelijke). Daarnaast biedt vooral de lokale pers mogelijkheden concrete voorlichting te geven ten aanzien van adressen, openingsuren etc. van talloze voorzieningen, zoals de sociale dienst, sociale raadslieden, dienstencentra, instellingen

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

van maatschappelijk werk en gezinsvoorlichting. Dit ontslaat deze instellingen overigens niet van de verplichting tot het leveren van een eigen voorlichtingsinspanning. -Diverse instellingen: Gemakkelijk bereikbare instellingen waar bejaarden toch regelmatig komen, zoals postkantoren, uitvoeringsorgaan van sociale verzekeringswetten en secretarieën, zouden in hal of wachtkamer geiegenheid tot persoonlijke en/of 'papieren' voorlichting kunnen geven over allerlei ook buiten hun beleidsterrein liggende zaken. -Organisaties van en ten behoeve van bejaarden: Dergelijke organisaties zoals het COSBO en de AFB vervullen een voorlichtende taak, ook naar het grote publiek. Hoe goed deze voorlichting ook geregeld moge zijn, toch blijft verbetering en uitbreiding van deze activiteiten mogelijk. -Het georganiseerde bedrijfsleven, de vakbeweging: Een beter organisatorisch kader voor voorlichting over pensioneringsproblemen, voorbereiding op de pensionering en de problematiek van de oudere werknemer lijkt moeilijk denkbaar. Hier en daar worden al initiatieven op dit terrein ontplooid. Zolang deze taken nog niet als een normale activiteit van het bedrijfsleven worden gezien, rust op de rijksoverheid de plicht dit inzicht te doen ontstaan. Ten slotte kunnen al deze vormen van voorlichting vooroordelen en stereotypen die bij het grote publiek ten aanzien van het bejaard zijn heersen, doen verminderen. Tot nu toe is uitsluitend gesproken over mogelijkheden om bepaalde gegevens aan bejaarden door te spelen. De bejaarde speelt hierbij als het ware een passieve rol. Fundamentele aanpak van kennisdeprivatie van de bejaarden van morgen vereist meer dan voorlichting alleen. Het streven moet erop gericht zijn deze deprivatie te voorkomen. Een middel daartoe zou kunnen zijn de zogenaam-de éducation permanente (voortdurende vorming). Een aanzet in deze richting wordt onder andere reeds gegeven door volkshogescholen, het sociaal-cultureel groepswerk voor bejaarden en de adviezen van de Commissie Open School (zie Hoofdstuk VII, par. 6).

5. Lichamelijke en geestelijke validiteit Vele bejaarden zijn lichamelijk en psychisch in minder goede conditie dan jongeren. Toch is deze achterstand van wezenlijk ander karakter dan de andere vormen van deprivatie. Zij is namelijk voor een belangrijk deel inherent aan het verouderingsproces als zodanig, terwijl de overige vormen van deprivatie veel meer maatschappelijk bepaald worden. De validiteitssituatie van een zeer klein deel der bejaarden eist intramurale verzorging. Een ander klein deel zou bij aanwezigheid van de juiste hulp (gezinsverzorging, dagverpleging etc.) zelfstandig kunnen blijven wonen. Dit soort constateringen -gecombineerd met de beleidswens bejaarden zolang dat redelijkerwijs mogelijk is zelfstandig te laten wonen -heeft geleid tot stimulering van de groei van de gezinsverzorging en zal in de toekomst moeten leiden tot een meer uniform indiceringssysteem ten aanzien van de behoeften aan diverse voorzieningen resulterende in een rechtvaardiger opnemingsbeleid, en uiteindelijk -op de iets langere duur -tot een betere provinciale en (mede) daardoor landelijke planning van voorzieningen en van de noodzakelijke omvang van diverse personeelscategorieën. Het uiteindelijke beleidsstreven blijft gericht op bevordering van de participatie en dus integratie van de bejaarden in de maatschappij, ook voor de intramuraal verzorgden c.q. verpleegden. Dit laatste kan bij voorbeeld door de bevoegdheden van bewonerscommissies in tehuizen juridisch te onderbouwen. Verschillende van bovenstaande problemen zijn door de Centrale Commissie voor de Bejaardenoorden en haar subcommissies in studie genomen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

6. Deprivatie ten aanzien van gezondheidszorg Er zijn aanwijzingen dat bejaarden in bepaalde opzichten minder medisch preventief toezicht en zorg genieten dan andere bevolkingscategorieën. Voor zuigelingen, kleuters, schoolkinderen en werknemers bestaan mechanismen die leiden tot vroegtijdige signalering van gezondheidsproblemen. De meeste bejaarden vallen niet onder dergelijke automatische controlesystemen, terwijl zij zelf vaak niet in staat zijn hun gezondheidsproblemen vroegtijdig te herkennen. Onderzoek, onder meer van Tonino heeft namelijk uitgewezen, dat het eigen positieve of negatieve oordeel van bejaarden weinig zegt over de objectieve gezondheidstoestand. Waarschijnlijk geldt deze constatering echter ook voor niet-bejaarden, maar die beschikken over structuren als consultatiebureaus, schoolartsen, bedrijfsgeneeskundige diensten en dergelijke, zodat hun positie minder risicodragend is. Overheid en particulier initiatief staan nu voor de taak in de gesignaleerde lacunes te voorzien. In Nederland hebben Tonino, Fuldauer en anderen op deze noodzakelijkheid gewezen. De organisatorische problemen van een gestructureerde opsporing, bijvoorbeeld door huisartsen en consultatiebureaus die periodiek alle bejaarden in een regio onderzoeken, zijn echter moeilijk te overschatten.

HOOFDSTUK II. DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN VAN BELANG VOOR HET BEJAARDENBELEID Nr. 1. Demografische gegevens en de planning van het bejaardenbeleid Sinds het verschijnen van de Nota Bejaardenbeleid 1970 zijn twee rapporten gepubliceerd die een bijdrage kunnen leveren tot een duidelijker inzicht in de demografische ontwikkelingen en de daarmee verbonden kwantitatieve aspecten van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van bejaarden. Deze rapporten zijn: 'De toekomstige Nederlandse Bevolkingsontwikkeling na 1972', een uitgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek, 's-Gravenhage (Staatsuitgeverij) 1973, alsmede het'Interimrapport van de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk', uitgegeven in 1974 door het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. De demografische gegevens zijn uiteraard van groot belang voor het beleid. Het toenemende aantal bejaarden in de gehele bevolking heeft invloed op tal van terreinen. Maar de ware betekenis ervan valt niet zonder meer en direct uit deze gegevens af te leiden. Als het percentage bejaarden tussen 1975 en 2000 stijgt van 10,71 tot 12,15 dan mag daaruit niet zonder meergeconcludeerd worden, dat de pensioenpremie navenant zal moeten stijgen. Die wordt immers opgebracht door de werkende bevolking die -als we de leeftijdsperiode van 20 tot 65 jaar de produktieve fase noemen -stijgt van 55,07% in 1975 tot 60,34% in 2000. Het aantal plaatsen in verzorgingstehuizen zal ook niet moeten stijgen in verhouding met de stijging van het aantal bejaarden. Immers, van het aantal bejaarden in de leeftijdscategorie van 75-79 jaar bevond zich (in 1970) 11 % in bejaardenoorden en van de bejaarden boven 85 jaar 29%. Daartussen 1975 en 2000 het indexcijfer (1975 = 100) stijgt tot 140 voor de 75-79 jarigen en tot 178 voor boven 85-jarigen,zal een groter aantal plaatsen in bejaardenoorden in 2000 nodig zijn dan voortvloeit uit de groei van alle 65-plussers, waarvan het indexcijfer in 2000 129 bedraagt. Als dan bovendien blijkt, dat de opnamebehoefte voor mannen anders ligt dan voor vrouwen en het percentage vrouwen boven 65 jaar stijgt van 57 tot 60 (boven de 85 van 60 naar 70) en van de mannen daalt van 43 tot 40 (boven Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

18 de 85 van 40 naar 30) dan is daardoor correctie nodig. Ook het gehuwd zijn blijkt van invloed te zijn op de opnamebehoefte en dan is relevant, dat bij voorbeeld het percentage bejaarde vrouwen die alleen staan, tussen 1975 en 2000 oploopt van 59 tot 64. Grote invloed op de toekomstige behoefte aan plaatsen in bejaardenoorden heeft ook de ontwikkeling van de hulp-en dienstverlening aan bejaarden die zelfstandig wonen. Men denke hierbij onder andere aan de ontwikkelingen in het kader van de gezinsverzorging (zie hfdst. VIII, deel A). Daarnaast zullen uit de werkzaamheden van de commissies ex art. 6j van de Wet op de Bejaardenoorden belangrijke gegevens beschikbaar komen, niet alleen voor de planning van de behoefte aan plaatsen in bejaardenoorden, maar weilicht ook voor de planning van andere voorzieningen voor bejaarden. Zolang deze gegevens ontbreken, is een planning waarvan men in redelijkheid mag verwachten, dat deze zal aansluiten op de toekomstige behoefte, niet goed mogelijk. Bij de planning van bejaardenoorden geldt dan bovendien nog, dat -naast de reeds genoemde factoren -rekening moet worden gehouden met de huidige en toekomstige spreiding in het land, op de toekomstwaarde van bestaande tehuizen en dergelijke. Samenvattend kan worden gesteld, dat bij het trekken van conclusies uit de hierna volgende demografische gegevens niet aan bovenstaande opmerkingen mag worden voorbijgegaan. Deze gegevens worden dan ook alleen in deze nota opgenomen om enig algemeen inzicht en illustratie te geven. Bestudering van de in deze paragraaf opgesomde, zeer uiteenlopende onderwerpen die vooreen juiste planning in onderling verband moeten worden gebracht, zal afzonderlijk moeten geschieden en zal in de toekomst ook worden ondernomen.

Nr. 2. Enige demografische gegevens ter illustratie In deze paragraaf wordt uitgegaan van de CBS-publikatie 'De toekomstige Nederlandse bevolkingsontwikkeling na 1972'. In deze publikatie worden twee alternatieven ontwikkeld, die gebaseerd zijn op onderling verschillende veronderstellingen: Alternatief A: Hierbij veronderstelt het CBS, dat het vervangingsniveau een limiet van 1 zou bereiken, dat wil zeggen dat elke vrouw die huwt op een leeftijd lager dan 50 jaargemiddeld 2,14 kinderen krijgt. Alternatief B: Hierbij zijn de consequenties nagegaan van een ontwikkeling, waarbij de gemiddelde gezinsgrootte enigszins beneden het vervangingsniveau zal komen. Aangezien de daadwerkelijke ontwikkeling van het aantal geboorten sinds die prognose zelfs nog lagere aantallen laat zien dan alternatief B, is het zeker verantwoord van deze laatste -en laagste -schatting B vooralsnog uit te gaan. Overigens maakt deze keuze niets uit ten aanzien van het absolute aantal bejaarden, daar de nieuwste ontwikkelingen in de geboorteaantallen pas lang na het jaar 2000 een rol gaan spelen. De keuze is echter wel van invloed op het percentage bejaarden in de gehele bevolking. Bij beschouwing van hierna volgende percentuele gegevens dient daarmee dus rekening te worden gehouden.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

1. Berekende toekomstige ontwikkeling van enige bijzondere leeftijdsgroe pen volgens alternatief B

7.1. In absolute aantallen (x 1000)

Tabel 1

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

0-19 20-34 35-64 65+

4637,6

4558,1

4308,2

4236,9 3199,1

3421,4

3512,0

3296,24265,2

4479,0

5263,0

5996,4 1452,0

1569,8

1748,5

1870,6

Totaal

13553,9

14028,3

14831,7

15400,1

Conclusies -in de komende 5 jaar (tot 1980) groeit de totale Nederlandse bevolking tot 14028 300, dat wil zeggen met bijna V2 miljoen mensen. -in de komende 5 jaar (tot 1980) groeit het aantal bejaarden tot 1 569 800, dat wil zeggen met bijna 11800 0 personen.

1.2. Procentuele verdeling van de Nederlandse bevolking over 4 leeftijdsgroepen volgens alternatief B

Tabel 2

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

0-19 20-43 35-64 65+

34,22

32,49

29,05

27,51 23,60

24,39

23,68

21,40 31,47

31,93

35,48

38,94 10,71

11,19

11,79

12,15

Totaal

100%

100%

100%

100%

Conclusies -Vanaf 1975 is een geleidelijke daling aanwijsbaar van die leeftijdsgroepen die grotendeels tot de niet-produktieven gerekend kunnen worden. Dit zijn de groepen 0-19 jaar en 65 jaar en ouder. In 1975 is dit nog 44,93%, in 1980 43,68%, in 1990 40,84% en in het jaar 2000 39,66%. -De produktieve leeftijdsgroepen (20 t/m 64) vertonen daardoor een tegengestelde ontwikkeling. Hun percentage stijgt 55,07% (1975), 56,32% (1980), 59,16% (1990), en in het jaar 2000 60,34%. -Een en ander zal zeker van invloed zijn op de premiedraagkracht en de mogelijkheden van de personeelsvoorziening in de bejaardensector.

2. De ontwikkeling binnen de categorie 65+ tot 2000

2.1. In absolute cijfers (x 1000)

Tabel 3

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

65-69

512,9

531,5

599,9

599,1 70-74

403,7

434,4

437,4

493,6 75-79

279,4

310,0

345,6

389,8 80-84

163,0

183,7

221,2

222,7 85+

93,1

110,4

144,3

165,5

Totaal

1452,1

1569,8

1748,4

1870,6

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

2.2. Percentuele ontwikkeling

Tabel 4

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

65-69

35,32

33,85

34,31

32,02 70-74

27,80

27,67

25,02

26,39 75-79

19,24

19,75

19,77

20,83 80-84

11,23

11,70

12,65

11,91 85+

6,41

7,03

8,25

8,85

Totaal

100%

100%

100%

100%

Conclusie -Opvallend is de (tot 1990) sterke absolute en relatieve groei in de leeftijdsgroepvan 80 jaar en ouder. Terwijl zij tussen 1975 en 1980 relatief toeneemt van 17,64% der bejaarden tot in 1980 18,73%, neemt zij van de absolute groei van 11770 0 (1975-1980) 38000, dat wil zeggen bijna '/s voor haar rekening. Gezien het feit dat juist deze oudste categorieën een grotere behoefte aan intramurale verzorging hebben, zal alleen hieruit een grotere vraag naar opneming resulteren.

3. De groei der leeftijdscategorieën in indexcijfers

Nog sprekender dan in paragraaf 2 blijkt de groei der oude en oudste Nederlanders indien de aantallen van 1975 op 100 worden gesteld en de ontwikkeling van alle leeftijdscategorieën in 1980,1990 en 2000 daarin wordt uitgedrukt. 3.1. Groei van alle leeftijdsgroepen in indexcijfers (1975 = 100) Tabel 5

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

0-19 20-34 35-64 65+

Totaal

100

103,50

109,43

113,62

Conclusie Indien men de 65+-categorie steeds vergelijkt met de totaalindex dan blijkt haar sterkere groei, hoewel in 1990 en 2000 de toename van de 35 -64-categorie relatief groter blijkt dan die van 65 + .

3.2. Ontwikkeling binnen de categorie 65+ in indexcijfers (1975 = 100)

Tabel 6

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

65-69 70-74 75-79 80-84 85+

Totaal

100

108,11

120,42

128,83

Conclusie Binnen de groep bejaarden groeien de twee oudste categorieën, vooral 85 jaar en ouder, relatief veel sterker dan de totale bejaardenbevolking. Dit werd ook reeds aangetoond in paragraaf 2.

100

98,29

92,90

91,36100

106,95

109,78

103,04100

105,01

123,39

140,59100

108,11

120,42

128,83

100

103,63

116,96

116,81100

107,60

108,35

122,27100

110,95

123,69

139,51100

112,70

135,71

136,63100

118,58

154,99

177,77

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

4. De getalsverhoudingen mannenvrouwen in de Nederlandse bevolking

Totaal Totaal

Totaal

Daar deze getalsverhouding allerminst statisch is en zij vooral voor de bejaarden van betekenis is voor diverse verzorgingsbehoeften, heeft het zin deze getalsverhoudingen in absolute cijfers en in procenten uit te werken.

4.7. Groeiend getalsmatig overwicht der vrouwen. Absolute aantallen mannen en vrouwen in 1975,1980, 1990 en 2000 (x 1000)

Tabel 7

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

M

V

M

V

M

V

M

V

0-19 20-34 35-64 65+

2371,7 1651,4 2113,4621,9

2265,9 1547,6 2151,9830,2

2330,9 1751,9 2243,3652,5

2227,7 1669,4 2235,7917,5

2204,0 1789,5 2666,9699,9

2104,21712,5 2596,9 1048,5

2168,9 1679,0 3036,1753,5

2067,9 1617,22960,21117,2

6758,4

6795,6

6978,6

7050,3

7360,3

7462,1

7637,5

7762,5

Conclusie -Tot de leeftijd van 35 jaar zijn er altijd iets minder vrouwen dan mannen. -Alleen in 1975 vertoont de leeftijdsgroep 35 -64 een klein vrouwenoverschot, later ontstaat een klein mannenoverschot. -In de leeftijdsgroep 65+ zal een steeds groter getalsmatig overwicht der vrouwen ontstaan: in 1975 208000 méér vrouwen dan mannen, in 1980 265 000, in 1990 ± 349 000 en in het jaar 2000 zijn er bijna 364 000 méér.

4.2. Aantallen mannen en vrouwen binnen de verschillende cohorten in de leeftijdsgroep 65+ (x 1000)

Tabel 8a

Lee ftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

M

V

M

V

M

V

M

V

65-69

230,4

282,5

237,5

294,0

265,7

334,2

276,3

322,8 70-74

173,5

230,2

182,3

252,1

180,8

256,6

205,8

287,8 75--79

114,8

164,6

122,4

187,6

130,2

215,4

145,4

244,4 80-84

65,8

97,2

69,5

114,2

76,8

144,4

76,1

146,6 85+

37,4

55,7

40,8

69,6

46,4

97,9

49,9

115,6

621,9

830,2

652,5

917,5

699,9

1048,5

753,5

1117,2

4.3. Percentuele opbouw van de categorie 65+ naar leeftijdsgroep en geslacht

Tabel 8b

l_ ref tijdsgi oep

1975

1980

1990

2000

M

V

M

V

M

V

M

V

65-69

2970 74

27,5

24,5

2675 79

20,5

18,5

20,5

2280 84

11,5

13 85+

6,5

6,5

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100% N.B. Zie tabel 4 voor de percentuele indeling in leeftijdsgroepen in de categorie 65+ als totaliteit.

Conclusie Binnen de categorie 65+ is bij mannen en vrouwen geen groot verschil in relatieve opbouw naar leeftijdsgroep.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Uit tabel 8a is echter gebleken dat de groep bejaarde vrouwen aanmerkelijk groter van omvang is dan de groep bejaarde mannen.

Aantal mannen en vrouwen per leeftijdsgroep, absoluut (x 1000) en relatief

Tabel 8c

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

abs.

%m %v

abs.

%m %v

abs.

%m %v

abs.

%m %v

65-69 70-74 75-79 80-84 85+

521,9 41

59403,7 43

57279,4 41

59163,0 40

60 93,1 40

531,5 45

55434,4 42

58310,0 39

61183,7 38

62110,4 37

599,9 44

56437,4 41

59345.6 38

62221.2 35

65144.3 32

599,1 46

54493,6 42

58389.8 40

60222,7 35

65165,5 30

Totaal

1452,1

1870,7

1570,0 41,5 58,5

1748,4 40 Conclusie Ter verkrijging van een juist inzicht in welke leeftijdsgroep en welk geslacht zich de groei relatief het meest manifesteert, dienen de onder volgende tabellen.

Groei van de bejaarde bevolking per leeftijdsgroep en geslacht in de periode 1975-1980

Tabel 9

Leeftijdsgroep

Groei

Waarvan man

Waarvan vrouw 1975-1980

abs.

%

abs.

%

65-69

18600

7100

11500

62 70--74

30700

8800

21900

71 75--79

30600

7600

23000

75 80+

38000

7100

30900

Totaal

11790

30600

87300

Groei van de bejaarde bevolking per leeftijdsgroep en geslacht in de periode 1980-1990

Tabel 10

Leeftijdsgroep

Groei 1980-1990

Waarvan man

Waarvan vrouw

abs.

%

abs.

%

65-69 70-74 75-79 80+

68 400 3 000 21501-71400

28200 I 500' 7 800 12900

41 -50 22 18

40 200 4 500 21501-58500

59 150 78 82

Totaal

17840

47400

13100

1 Absolute daling.

Groei van de bejaarde bevolking per leeftijdsgroep en geslacht in de periode 1990-2000

Tabel 11

Leeftijdsgroep

Groei

Waarvan man 1990-2000

Waarvan vrouw

65-69 70-74 75-79 80+

800 + 56200 + 44200 + 22700

abs.

%

abs.

%

10600

-21501-25000

31200

56 15200

29000

66 2 800

19900

Totaal

12230

53600

68700

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Conclusie Vooral in de periode 1975-1990 wordt de groei der bejaarde bevolking voornamelijk veroorzaakt door de groei van het aantal vrouwen. Hun aandeel in die groei bedraagt bijna 74%. In de periode 1990-2000 gaat dit beeld iets veranderen, de vrouwen nemen nog slechts 56% der groei voor hun rekening. In de leeftijdsgroep vanaf 75 jaar blijven de vrouwen echter veel sterker in aantal toenemen.

5. Bejaarde vrouwen naar leeftijd en burgerlijke staat

De burgerlijke staat van alle bejaarden, dat wil zeggen mannen en vrouwen, is niet bekend. Het CBS heeft alleen de B.S. van vrouwen boven 65 uitgerekend.

De burgerlijke staat van vrouwen boven 65 jaar in 1975,1980, 1990 en 2000. Absolute aantallen (x 1000) en percentueel

Tabel 12

Burgerlijke staat

1975

1980

1990

2000

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

Ongehuwd

97,5

101,6

97.5

87,6

8 Gehuwd

337,5

354,6

383,5

397,9

36 Weduwe

377,6

439,3

537,8

596,4

53 Gescheiden

17,6

921,9

29.8

35,6

Totaal

830,2

100%

917,4

100%

1048,6

100%

1117,2

100%

Conclusie Het is duidelijk dat het aantal alleenstaande vrouwen, ook door hun oververtegenwoordiging in de oudere leeftijdsgroepen, hoog is en nog steeds hoger wordt. Indien wij ongehuwden, weduwen en gescheiden vrouwen tezamen als waarschijnlijk alleenstaand beschouwen dan klimt dit percentage als volgt: 1975: 59%, 1980: 61%, 1990: 63%, 2000: 64%. Hieronder zal nagegaan worden in welke leeftijdsgroepen zich deze categorieën alleenstaanden bevinden.

5.1. Burgerlijke staat en leeftijd van bejaarde vrouwen in 1975 Absolute aantallen (x 1000) en percentueel

Totaal

Tabel 13

Leeftijdsgroep

Ongehuwd

Gehuwd

Weduwe

Gescheiden

Totaal

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

65-69

31,5

159,8

84,3

6,9

282,5

21501-74

26,9

102,6

95,6

5,0

230,2

21501-79

19,3

52,1

89,8

3,4

164,6

21501-84

12,1

18,9

64,5

1,7

97,2

100 85+

7,5

13,5

4,1

7,5

43,4

0,6

55,7

100

97,3

12%

337,5

41%

377,6

45%

17,6

2%

830,2

100%

Conclusie Naarmate vrouwen ouder worden zijn zij vaker alleenstaand. Van de groep 65 -69 is 43% alleenstaand (dat wil zeggen ongehuwd, weduwe of gescheiden) van de groep 80 jaar en ouder is dat méér dan 80%. We zagen reeds dat van de totale groep bejaarde vrouwen 59% alleenstaand is. Tevens bleek ons uit tabel 8a dat van de groep 80 jaar en ouder ± 60% vrouw is.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

5.2. Burgerlijke staat en leeftijd van bejaarde vrouwen in 1980 Absolute aantallen (x 1000) en percentueel

Tabel 14

Leeftijdsgroep

Ongehi ind

Gehuwd

Weduwe

Gescheiden

Totaal

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

65-69

29,3

164,7

91,9

8,1

294,0

21501-74

28,1

107,8

109,9

6,3

2,5

252,1

21501-79

22,0

56,4

105,2

4,1

187,6

21501-84

13,4

20,8

77,6

2,3

114,2

100 85+

8,8

4,9

54,7

1,1

1,5

69,6

100

Totaal

101,6

11%

354,6

39%

439,3

48%

21,9

2%

917,5

100%

Conclusie Indien men ongehuwden, weduwen en gescheiden vrouwen als waarschijnlijk alleenstaand beschouwt valt ook hier op dat bij stijgende leeftijd het percentage alleenstaanden sterk oploopt: 65-69 jaar: 44%, 70-74 jaar: 57%, 75-79 jaar: 70%, 80-84 jaar: 82%, 85 + : 93%.

5.3. Burgerlijke staat en leeftijd van bejaarde vrouwen in 1990 Absolute aantallen (x 1000) en percentueel

Tabel 15

Leeftijdsgroep

Ongehi ind

Gehuwd

Weduwe

Gescheiden

Totaal

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

65-69

26,6

185,8

111,6

10,3

334,2

21501-74

21,9

8,5

107,2

119,8

7,6

256,6

21501-79

21,4

60,6

127,3

6,1

215,4

21501-84

16,1

23,8

16,5

100,9

3,7

2,5

144,4

100 85+

11,5

6,1

78,2

2,1

97,9

100

Totaal

97,5

9%

383,5

37%

537,8

51%

29,8

3%

1048,5

100

Conclusie Indien ongehuwden, weduwen en gescheiden vrouwen in 1990 tezamen als waarschijnlijk alleenstaanden worden beschouwd valt ook hier op dat bij stijgende leeftijd het percentage alleenstaanden sterk oploopt: 65-69 jaar: 44%, 70-74 jaar: 58%, 75-79 jaar: 72%, 80-84 jaar: 83,5%, 85 + : 94%.

5.4. Burgerlijke staat en leeftijd der bejaarde vrouwen in het jaar 2000 Absolute aantallen (x 1000) en percentueel

Totaal

Tabel 16

Leeftijdsgroep

Ongehuwd

Gehuwd

Weduwe

Gescheiden

Totaal

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

abs.

%

65-69

22,2

179,6

110,2

10,9

322,8 100 70-74

21,7

7,5

119,8

136,9

47,5

9,4

287,8 100 75-79

19,4

68,2

149,2

7,7

244,4 100 80-84

12,5

23,7

106,1

4,4

146,6 100 85+

11,8

6,6

94,0

3,2

115,6100

87,6

8%

397,9

36%

596,4

53°/

35,6

3%

1117,2

100

Conclusie Ook in het jaar 2000 blijkt bij stijgende leeftijd het percentage waarschijnlijk alleenstaande vrouwen op te lopen: 65-69 jaar: 44%, 70-74 jaar: 58%, 75-79 jaar:72%,80-84jaar:84%,85+:94%.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

5.5. Een vergelijking van het percentage 'alleenstaande' vrouwen in 1975, 1980, 1990 en 2000

Tabel 17

Leeftijdsgroep

1975

1980

1990

2000

65-69

43%

44%

44%

44% 70-74

55%

57,5%

58%

58% 75-79

68%

70%

72%

72% 80-84

80%

82%

83,5%

84% 85+

92,5%

93%

94%

94%

Totaal

59%

61%

63%

64%

Conclusie Voorzover nu kan worden voorzien treedt na 1990 géén relatieve groei meer op van het aantal alleenstaande vrouwen (ongehuwden, weduwen, gescheiden).

6. Algemene samenvatting

1. In de komende 5 jaar groeit de Nederlandse bevolking tot 14028 300, dat wil zeggen van 1975 tot 1980 met bijna Va miljoen mensen. In 1980 is 11,19% van de bevolking 65 jaar of ouder. 2. In 1980 vormen de niet-produktieven tezamen bijna 44% der bevolking. Het aandeel der produktieven blijft ook daarna stijgen. 3. De oudste categorie 80+ groeit relatief en absoluut van 17,64% der bejaardenin 1975, tot 18,73% in 1980. 4. Veel méér vrouwen bereiken de hoogste leeftijdsgroepen dan mannen. 5. Van het totale aantal bejaarde vrouwen is een groeiend percentage waarschijnlijk alleenstaand (ongehuwd, weduwe of gescheiden) in 1975: 59%, in 1980: 61%, in 1990: 63%. Gegevens over de burgerlijke staat van bejaarde mannen ontbreken. Daar zij echter geconcentreerd zijn in de 'jongere groepen' zullen zij in veel mindere mate alleenstaand zijn.

HOOFDSTUK III. BEROEPSKRACHTEN EN VRIJWILLIGERS Nr. 1. De personeelsvoorziening in het bejaardenwerk

1. Inleiding Steeds duidelijker is gebleken dat in het bejaardenwerk niet volstaan kan worden met aandacht te vragen voor de vorm en de kwantiteit der voorzieningen, maar dat ook de kwaliteit der voorzieningen van het allergrootste belang is voor een goed bejaardenbeleid. Deze kwaliteit wordt zo niet geheel dan toch in zeer hoge mate bepaald door de deskundigheid van de in het bejaardenwerk werkzame personeelsleden. Daarom mag in deze Nota een hoofdstuk over de personeelsvoorziening en de daarmee verband houdende opleidingszaken niet ontbreken. In het navolgende zal dan ook getracht worden een schets te geven van de huidige situatie en de te verwachten ontwikkelingen, terwijl tevens gepoogd wordt aan te geven op welke wijze vraag en aanbod in deze sector berekend en wellicht op elkaar afgestemd kunnen worden.

2. De ontwikkeling tot dusver Het bejaardenwerk is in de loop der jaren uitgegroeid tot een bedrijfstak met een zeer belangrijke maatschappelijketaak. Dat blijkt onder andere daaruit, dat een snel stijgend aantal bejaarden op de diensten van het bejaardenwerk -in en buiten tehuizen -is aangewezen, dat jaarlijks grote bedragen wor-

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

den omgezet en dat de huisvesting van bejaarden een belangrijke rol speelt in de sector van de bouwnijverheid. Het blijkt ook uit de steeds duidelijker wordende behoefte aan voldoende deskundig personeel voor de vervulling van een groeiend aantal verschillen-de functies in het bejaardenwerk. Deze ontwikkeling op het terrein van het bejaardenwerk is zo stormachtig geweest, dat deze tot dusver maar in zeer beperkte mate is verlopen volgens een van te voren min of meer uitgestippeld beleid. Er is veelvuldig sprake van improvisatie; er is getracht voor de belangrijkste problemen een voorlopige oplossing te vinden. In de praktijk zijn echter mede dank zij die improvisatie enkele nieuwe functies in het bejaardenwerk ontstaan: de bejaardenhelpster, de bejaardenverzorgster, de kaderfunctie in het bejaardenoord en de gezinshelpster bij bejaarden. Daarnaast zijn zowel binnen het extra-als intramurale bejaardenwerk verschillende functies te vinden, niet specifiek gericht op de bejaarde, zoals bij voorbeeld de verzorgingsassistente, de verpleegkundige, de inrichtingsassistente, de fysiotherapeut, bezigheidstherapeuten andere (voor functie-omschrijvingen zie bijlage 1). De opleidingen specifiek toegespitst op het bejaardenwerk worden onder auspiciën van de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid verzorgd door de Landelijke Stichting Opleidingen Bejaardenwerk (LSOB), welke Stichting door fusie in april 1973 is ontstaan van de Stichting Katholieke Opleiding Bejaardenwerk, de Stichting Opleidingen Bejaardenzorg en de Stichting Protestantse Opleidingen Bejaardenzorg. De opleidingen tot bejaardenhelpster in bejaardenoorden en gezinshelpster bij bejaarden vormen hierop een uitzondering en wel als volgt: -de opleiding tot bejaardenhelpster in bejaardenoorden vindt voor wat betreft het theoretische gedeelte plaats aan de scholen voor het lager huis-houd-en nijverheidsonderwijs. Het praktijkgedeelte wordt verzorgd door de LSOB onder auspiciën van de AFB; -de zogenaamde oriënteringscursussen voor gezinshelpster bij bejaarden worden gegeven onder auspiciën van de AFB en de Centrale Raad voor Gezinsverzorging. Deze cursussen worden niet uitsluitend door de LSOB verzorgd, maar ook door A-instellingen voor de gezinsverzorging. In juni 1974 is besloten ook voor de opleiding tot bejaardenverzorgster in bejaardenoorden nieuwe mogelijkheden te gaan creëren. Dit heeft geresulteerd in een toezegging van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, dat in 1975 gestart kan worden met een 5-tal experimentele opleidingen tot bejaardenverzorgende, die worden aangehaakt aan scholen voor gezinsverzorgsters. Momenteel is overleg gaande tussen verschillende participanten om te komen tot het opzetten van nieuwe en andere scholingsvormen. Te denken valt hier onder andere aan de scholing voor functionarissen werkzaam in het gecoördineerd bejaardenwerk, de cursussen voor directies werkzaam in verzorgingstehuizen en de opleiding tot bejaardenverzorgster in de wijk. De gezamenlijke inspanning heeft tot gevolg gehad dat in de periode van 1965 t/m 1973 door de AFB ± 7600 diploma's voor bejaardenhelpster en ± 3900 diploma's voor bejaardenverzorgster werden uitgereikt, terwijl ± 100 directieleden of adjunct-directieleden de kadercursus hebben gevolgd. Wat betreft de gezinshelpster bij bejaarden werden vanaf 1969 t/m 1973 door de LSOB 700 cursussen verzorgd. Aan iedere cursus werd door ± 25 gezinshelpsters deelgenomen.

3. Te verwachten ontwikkelingen Alhoewel vastgesteld mag worden, dat veel is bereikt, moet tegelijkertijd geconstateerd worden dat tot dusver meestal is gedacht in termen van opleidingsproblemen en cursusprogramma's, terwijl steeds duidelijker naar voren komt, dat het organiseren van allerlei trainingen slechts één element is

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

in de personeelsvoorziening en dat het punt bereikt is, waarop een meer integrale aanpak van deze problematiek noodzakelijk is geworden. Wil immers op goede wijze vorm gegeven kunnen worden aan een bejaardenbeleid, waarin de verschillende onderdelen op elkaar afgestemd zijn, dan zal vanuit ideeën omtrent de gewenste ontwikkeling van de plaats en algemene doelstelling van de verschillende werksoorten, de wenselijke inhoud en gerichtheid van de diverse categorieën van functies binnen het bejaardenwerk aangegeven moeten worden. Dit betekent dat vanuit organisatiemodellen functiemodellen ontwikkeld zullen moeten worden. Uitsluitend langs die weg zal het mogelijk zijn niet alleen inzicht te krijgen in de wenselijke inhoud van diverse categorieën van functies, maar ook het onderling verband tussen verschillende functies te bepalen. Daarom is het ruimere referentiekader van een organisatiemodel onontbeerlijk. Alleen dan kunnen ook de verhoudingen tussen diverse functies in kwantitatieve zin bepaald worden, op grond waarvan in principe bepaald kan worden hoeveel functies van een bepaald type voorkomen c.q. nodig zijn en dus hoe groot de totale vraag naar een bepaald type personeel is of zal worden. Op grond van het voorgaande moet in twee richtingen verder geredeneerd worden. Aan de ene kant moet men vanuit het ontwikkelde beeld van een serie typefuncties, verbonden door organisatiemodellen, komen tot de bepaling van een salarisstructuur. Daarin kunnen de relatieve zwaarte, de daaraan verbonden verantwoordelijkheden en dergelijke tot uitdrukking worden gebracht. Daarop wordt hier niet verder ingegaan. Het is echter zeer duidelijk ook een aspect van de personeelsvoorziening. Dit is mede van belang omdat het beloningssysteem een rol speelt bij de carrièrevorming en loopbaanplanning in een bepaalde bedrijfstak. Aan de andere kant dient men vanuit de functiemodellen te komen tot een bepaling van de eisen, waaraan moet worden voldaan om die functies behoorlijkte kunnen vervullen. Daarbij speelt dan de opleiding, de bevordering van deskundigheid, een rol in zoverre deze van belang is om mensen de gelegenheid te bieden aan dergelijke eisen te gaan voldoen. Dan dienen dus opleidingsprogramma's -getoetst aan de doelstellingen -te worden ontworpen. Daarna dienen voorwaarden te worden geschapen om geregelde opleidingen te organiseren en uit te voeren met het benodigde aantal leerlingenplaatsen. Daarbij dient aandacht te worden gegeven aan de juiste spreiding van die opleidingen, aan het geven van voldoende informatie en voorlichting daarover aan aspirant-cursisten enz. In het voorgaande is slechts globaal een aantal van de meest in het oog springende activiteiten genoemd, die noodzakelijk zijn voor het ontwikkelen van een personeelsvoorziening. Het spreekt vanzelf, dat personeelsvoorziening, zoals hier opgevat, niet kan blijven staan bij de actualiteit van het hier en nu, maar dat denken op langere termijn daarbij onontbeerlijk is. Onder andere via het aspect planning en ontwikkeling in de personeelsvoorziening stuit men op verbindingen met andere fundamentele zaken zoals de algemene taakstelling van het bejaardenwerk, de structurele vormgeving daarvan, de kwaliteitsbewaking, de doelmatigheidsbevordering enz.

4. Noodzakelijk uit te voeren taken In het bestek van deze nota wordt hier volstaan met de opsomming en waar mogelijk uitwerking van die takencomplexen, die in het kader van een geïntegreerde aanpak van de personeelsvoorziening bejaardenwerk in elk geval niet verwaarloosd mogen worden.

z De verkenning en ontwikkeling van de vraag naar en het aanbod van personeel Uit de demografische gegevens (zie hoofdstuk II) is gebleken dat het aandeel van de bejaarden in de Nederlandse bevolking zowel absoluut als procentueel zal stijgen van 10,71% in 1975 tot 12,15% der bevolking in het jaar 2000.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Rekening houdend met deze demografische gegevens, en met de ontwikkelingen in de dienstverlening, kan verwacht worden, dat een steeds toenemende vraag zal ontstaan naar gekwalificeerd personeel.

A. De vraag naar personeel Het zal noodzakelijk zijn na te gaan wat het bovenomschrevene betekent voor de personeelsvoorziening in het bejaardenwerk. Daartoe dienen vanuit te ontwikkelen modellen prognoses opgesteld te worden van de te verwachten kwantitatieve aspecten, omdat mede daardoor een inzicht kan worden verkregen in de omvang van de behoefte aan opleidingen. Het opstellen van een dergelijke prognose vraagt om goede contacten van de plannende instantie met de instellingen voor het bejaardenwerk en met de diverse overheden. Van belang daarbij zal zijn de bevordering van een zodanige (personeels) registratie bij deze instellingen, dat gegevens beschikbaar komen over het feitelijke personeelsbestand, leeftijdsopbouw, verloop en dergelijke. Daarnaast en gedeeltelijk op basis daarvan zal ook bij de diverse instellingen een (personeels)beleid op langere termijn bevorderd moeten worden. Dit kan dan resulteren in gegevens over de toekomstige behoeften aan bepaalde typen personeelsleden. Een personeelsbeleid op langere termijn is echter alleen mogelijk in een organisatie, die voortdurend aandacht besteedt aan het concretiseren, bewaken en bijstellen van de eigen doelstellingen en aan het aanpassen daaraan van de eigen organisatie. Voor de functie van bejaardenverzorgende is reeds getracht een (voorlopige) prognose op te stellen (zie bijlage 2). Deze prognose is zeker voor verbetering vatbaar en heeft dan ook geen absolute betekenis. Daar het hier echter gaat om een opleiding die binnen afzienbare tijd zal worden gegeven in het kader van het reguliere onderwijs lijkt het van belang de discussie over de omvang zo spoedig mogelijk op gang te brengen. Van belang is bovendien om op korte termijn te komen tot de vaststelling van de behoefte aan: -verzorgend en verplegend personeel ten behoeve van de verzorgingstehuizen en verpleeghuizen. -verzorgend en verplegend personeel ten behoeve van thuiswonende bejaarden, derhalve voornamelijk personen werkzaam in de gezinsverzorging en de wijkverpleging. -deskundige functionarissen ten behoeve van het gecoördineerd bejaardenwerk. -maatschappelijk werkenden ten behoeve van de commissies als bedoeld in artikel 6j van de Wet op de Bejaardenoorden. -sociocultureel geschoold personeel. -opleidingen en verdere scholing in dienstverband van genoemd personeel. Indien in het voorgaande gesproken wordt over het benodigde personeel, worden hiermede niet alleen bedoeld de uitvoerende, maar ook de leidinggevende functies als bij voorbeeld directies in bejaardenoorden. Nodig zal zijn inzicht te verkrijgen in de taak en functie van de directie van een bejaardenoord ten einde ook hiervoor kwaliteitseisen te kunnen opstellen. Ook zal bij eventuele prognoses ruimte gelaten dienen te worden voor mogelijke nieuwe functies, waarvan de vraag nu nog niet te bepalen is (bij voorbeeld sociotherapeuten werkzaam in bejaardenoorden). Tegelijkertijd met het opstellen van eerderbedoelde prognose zal getracht dienen te worden inzicht te krijgen in het te verwachten aanbod van personeel in het bejaardenwerk.

B. Aanbod van personeel Het opstellen van een prognose ten aanzien van een te verwachten aanbod van personeel lijkt voorshands nog moeilijker dan eerdergenoemde prognoses.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Alhoewel uit de demografische gegevens is gebleken, dat vanaf 1975 een langzame stijging wordt verwacht in het procentuele aandeel van de produktieve leeftijdsgroepen (zie hoofdstuk II) kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid een mogelijk groter aanbod van personeel na 1975. Aangezien het hier namelijk gaat om een 'bedrijfstak', die tot nu toe voor een groot deel gedragen wordt door vrouwelijke arbeidskrachten zal onder andere rekening gehouden moeten worden met de invloed die de combinatie van verlenging van de leerplicht, het invoeren van een tweede vormingsdag, de totstandkoming van het zogenaamde participatieonderwijs en de tendens tot het huwen op jongere leeftijd, op het aanbod heeft. Weliswaar kan gesteld worden, dat steeds meer gehuwde vrouwen (onder andere door de gezinsverdunning) opnieuw terug willen keren in het arbeidsproces, maar deze terugkeer is onder andere afhankelijk van: -de mogelijkheid die het bedrijf biedt tot parttime arbeid. -de aanwezigheid van een voldoende opvang voor schoolgaande kinderen. -de mogelijkheid tot het volgen van een opleiding (eventueel creëren van een tweede opleidingsweg). Hiernaast dient inzicht verkregen te worden in de motivatie van gehuwde vrouwen om opnieuw arbeid te gaan verrichten en in verband hiermede in eventuele factoren, die bepalend zouden kunnen zijn voor de wens om in deze sector te gaan werken. Ook zal in verband met de te stellen prognose bezien dienen te worden hoe de relatie is tussen het opleidingsniveau van de toekomstige huisvrouw ten opzichte van het opleidingsniveau van de huidige huisvrouw. Het formuleren van het bovenstaande leidt vanzelf tot de vraagstelling op welke wijze ingespeeld zal kunnen worden op maatschappelijke ontwikkelingen, waarbij dienstverlenende beroepen niet langer specifiek zijn voorbehouden aan vrouwen, maar ook voor mannen zijn opengesteld. Immers een goed personeelsbeleid zal rekening houden met deze ontwikkelingen en een daarop afgestemd arbeidsmarktbeleid trachten op te bouwen. Naast voornoemde problematiek, die zich m.n. afspeelt op het uitvoeren-de vlak, dient nagegaan te worden welk aanbod verwacht kan worden voor de meer leidinggevende functies. Hierbij dient onder andere gedacht te worden aan kaderfuncties in het gecoördineerd bejaardenwerk, functies die voortvloeien uit de gewijzigde Wet op de bejaardenoorden en de kaderfuncties in het intramurale bejaardenwerk. Vanuit daartoe ontwikkelde functiemodellen kan wellicht bezien worden vanuit welke opleidingen een aanbod voor deze functies te verwachten is. Heel duidelijk is dat voor het totstandbrengen van een koppeling tussen vraag en aanbod visie en kennis omtrent het bejaardenwerk van zeer grote betekenis is. Een bevredigende afstemming kan eerst bereikt worden, wanneer tussen beide zijden overeenstemming bestaat over de te vervullen taken en functies. Wellicht kan hier een opleidingsinstituut als intermediair fungeren. In die gevallen waarin geen overeenstemming bestaat zal wellicht bijsturing of bijscholing noodzakelijk zijn.

/z Het leggen en onderhouden van verbindingen tussen het georganiseerde bejaardenwerk en de daarvoor uit een oogpunt van personeelsvoorziening relevante

opleidingsinstituten

Dit is een taak, die bijna als vanzelf voortvloeit uit het voorgaande en de reeds eerder gedane constatering, dat in het bejaardenwerk in een betrekkelijk korte tijd een vrij groot aantal werksoorten is ontstaan, waarin een groot aantal verschillende functies wordt vervuld. Aangenomen mag worden, dat deze differentiatie haar eindpunt nog niet heeft bereikt. Ten einde hierop zo flexibel mogelijk te kunnen inspelen lijkt het niet gewenst een stelsel van opleidingen te ontwerpen, waarin zo vroeg mogelijk gekozen kan c.q. moet worden voor een bepaalde specialisatie in de richting dienstverlening. Veeleer zal gewerkt dienen te worden aan 'gerontologise-Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

ring' van allerlei bestaande opleidingen, die mede voor de personeelsvoorziening van het bejaardenwerk van belang zijn. Waar nodig kunnen deze meer algemeen gerichte opleidingen dan gevolgd worden door meer specifieke vormen van training. Zo is er nu reeds een tendens aanwijsbaar in de richting van een basisopleiding voor verzorgende beroepen, waarin waarschijnlijk op den duur ook de opleiding tot bejaardenverzorgende zal worden opgenomen. Deze opleiding tot verzorgende beroepen zal dan deel uitmaken van het algemeen onderwijsbestel en worden verzorgd door opleidingsinstituten vallend onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Die ontwikkeling is positief te waarderen, mits er maar voor gezorgd wordt, dat die er niet toe leidt, dat het georganiseerde bejaardenwerk in zijn verschillende vormen en de opleidingen die personeel leveren voor dat bejaardenwerk, van elkaar vervreemden. Een duidelijk contact tussen het georganiseerde bejaardenwerk en het onderwijs voor de sector bejaardenwerk zal moeten worden gerealiseerd. Daarbij gaat het er met name om dat de opleidingsinstituten in hun opleidingsprogramma's voorzover mogelijk inspelen op de behoeften en de ontwikkelingen in het bejaardenwerk -kwalitatief en kwantitatief. De praktijkinstellingen dienen op zodanige wijze met opleidingsinstituten samen te werken, dat de kwaliteit van de opleiding gewaarborgd wordt en zijn toepassing vindt in de praktijk van het werken met bejaarden. Met name op het punt van de praktijkstage is een goede samenwerking onontbeerlijk.

//z De verkenning van diverse soorten opleidingen en trainingen Aangezien deze verkenning tot dusver de meeste aandacht heeft gekregen laat zich al een aantal soorten van taken onderscheiden. Deze zijn: -het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van experimentele opleidingen op beperkte schaal. Een voorbeeld hiervan is de kadercursus voor directies van bejaardenoorden; -het organiseren en uitvoeren van opleidingen in het kader van de Wet op het Voortgezet Onderwijs, ter voorziening in de behoefte aan personeel voor functies in het bejaardenwerk (bij voorbeeld de opleiding tot bejaardenhelpster of bejaardenverzorgende). Hierbij gaat het om opleidingen die reeds een min of meer gestandaardiseerde vorm hebben gekregen; -het organiseren en uitvoeren van praktijkopleidingen, zoals een verdere scholing in dienstverband, waarbij het hoofdaccent ligt op het (verder) bekwamen van mensen voor specifieke functies in het bejaardenwerk. Bezien zal moeten worden of een uitsplitsing van taken zoals in het bovenstaande is aangegeven zal moeten worden uitgebreid of dat hiermee voldoende mogelijkheden tot opleidingen voor het bejaardenwerk zijn aangegeven.

5. Verantwoordelijkheden, taken en competenties Een belangrijke praktische vraag is voorts in hoeverre men kan verwachten, dat de bovengenoemde takencomplexen zo snel en zo effectief mogelijk zullen kunnen worden uitgevoerd, en welke eventueel reeds bestaande instituten en organisaties nieuw zich aandienende taken met succes op zich zullen kunnen nemen. De Minister van CRM draagt, vanuit zijn coördinerende taak ten aanzien van het bejaardenwerk, verantwoordelijkheid voor de aanwezigheid van voldoende deskundig personeel in het bejaardenwerk op die plaatsen waar dat nodig is. Vanuit die verantwoordelijkheid tracht het Ministerie ook de algemene voorwaarden te scheppen voor een goede personeelsvoorziening. Voorzover het daarbij het middel van subsidiëring hanteert moet het er op toezien, dat deze personeelsvoorziening op de meest efficiënte wijze geschiedt en dat de daarbij gehanteerde prioriteiten in overeenstemming zijn

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

met de prioriteiten, die in feite worden gegeven bij de verdere ontwikkeling en uitbouw van het bejaardenwerk. In de pioniersfase van het bejaardenwerk ontbraken krachtige nationale samenwerkingsverbanden van instellingen op het terrein van het bejaardenwerk. Dat daarin nu duidelijk verandering komt blijkt uit het optreden van de organisaties op landelijk niveau zoals de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid en haar componenten bij voorbeeld de Stichting Landelijke Samenwerking Bejaardentehuizenorganisaties (LSB) en de Landelijke Stichting Opleidingen Bejaardenwerk (LSOB). De landelijke organisaties op het terrein van het bejaardenwerk en de Stichting die zich bezighoudt met de opleidingen op dit terrein, zullen gezamenlijk zorg dienen te dragen voor een goede ontwikkeling van de personeelsmarkt. Voorzover het de bejaardenoorden betreft zal de Minister van CRM in het kader van de Wet op de Bejaardenoorden ongetwijfeld duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve eisen gaan stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zodat de personeelsformatie van de bejaardenoorden een harde en duidelijke zaak wordt. De LSOB is, gezien haar geschiedenis en haar gerichtheid het meest georiënteerd op de opleidingsarbeid. Hierboven werd deze arbeid onderverdeeld in 3 sub-complexen: -ontwikkelingswerk; -uitvoeren van meer uitgewerkte opleidingen; -geven van praktijkopleidingen. Deze 3 elementen hebben tot dusver soms wat door elkaar heen gelopen. Het zal nodig zijn ze in de toekomst duidelijker te onderscheiden. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden, dat de taken van de LSOB in de sfeer van het uitvoeren van reeds gestandaardiseerde opleidingen zullen teruglopen door de 'overdracht' van deze opleidingen aan het onderwijssysteem in het kader van de Wet Voortgezet Onderwijs, waardoor de opleiding (althans de theoretische) zal geschieden aan scholen voor voortgezet onderwijs. Wellicht zal langs deze weg meer tijd vrijkomen voor het opleidingsinstituut om zich te bezinnen op de twee andere taken. De LSOB zal zich met name ten aanzien van ontwikkelingswerken praktijkscholing dienen af te vragen op welke wijze zij de geschiktheid hiervoor, indien aanwezig, kunnen behouden en zo niet aanwezig, kunnen verkrijgen. Ten aanzien van de praktijkscholing dient bedacht te worden dat het in de toekomst noodzakelijk zal zijn de maatschappelijke relevantie van eventuele verdere scholingen in dienstverband te laten aantonen door instellingen, die behoefte hebben aan verdere praktijkopleiding van hun medewerkers.

6. Te nemen maatregelen Zoals in het vorenstaande is uiteengezet zal in de komende vijf jaar, wil een goed bejaardenwerk tot stand gebracht worden, veel aandacht besteed moeten worden aan ontwikkelingen op het gebied van opleidingen en personeelsproblematiek. Hierbij zullen ook de ontwikkelingen, zoals die nu plaatsvinden bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en onder andere verwoord zijn in het eindrapport van de structuurcommissie MHNO-MSPO nauwlettend gevolgd dienen te worden. Gewerkt wordt aan een zodanige overlegsituatie tussen de beide departementen van CRM en O&W, dat een voldoende afstemming bereikt wordt tussen theorie-ontwikkeling en praktijkveld. Er zal vanuit een visie op het bejaardenbeleid inzicht verkregen moeten worden in de taken en functies welke uitgeoefend zullen moeten worden en de daarbij behorende bekwaamheden. Prognoses zullen opgezet dienen te worden en instituten, welke opleidingen verzorgen zodanig aangepast qua functie en taken dat aan de vraag naar adequaat opgeleide krachten meer

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

dan tot op heden voldaan kan worden. Daarbij zal onder andere aandacht besteed moeten worden aan de omstandigheid dat: 1. De opleiding tot bejaardenhelpster welke plaatsvindt binnen het kader van het LAND in de toekomst wellicht via het leerlingstelsel zal gaan plaatsvinden. 2. De opleiding tot bejaardenverzorgende via een nog te ontwikkelen opleiding gaat plaatsvinden volgens de Wet op het Voortgezet Onderwijs (MSPO). De eerste vijf experimenten gaan in september 1975 van start. 3. De hoogste prioriteit moet worden toegekend aan a. het tot stand komen van adequate opleidingen voor zittende of toekomstige directieleden van verzorgingstehuizen. Hierbij kan gedacht worden aan: -kadercursussen welke als een vorm van een verdere scholing in dienstverband worden gegeven aan reeds in dienst zijnde directieleden; -een opleiding, ten minste op het niveau van het hoger beroepsonderwijs, welke meer specifiek opleidt tot een functie op directieniveau in een verzorgingstehuis. b. een vorm van bijscholing voor functionarissen werkzaam in het gecoördineerd bejaardenwerk. Dit speciaal om tegemoet te komen aan de wensen van de functionarissen zelf. Hiernaast zal op bestuurlijk terrein aandacht gevraagd worden voor: a. de opstelling van een algemene maatregel van bestuur, waarin zowel kwalitatieve als kwantitatieve eisen te stellen met betrekking tot directie-en personeelsleden werkzaam in bejaardenoorden zullen worden vastgelegd; b. het opstellen van richtlijnen ten aanzien van zowel kwalitatieve als kwantitatieve eisen, te stellen met betrekking tot de verschillende functionarissen werkzaam in het kader van het bejaardenwerk ten behoeve van zelfstandig wonende bejaarden.

Nr. 2. Medisch specialisme voor de behandeling van ouderdomsziekten In de medische wereld is er sprake geweest van de instelling van een nieuw medisch specialisme voor de behandeling van ouderdomsziekten, de geriatrie. Tot dusver is het Centraal College voor de Erkenning en Registratie van Medisch Specialisten er nog niet toe overgegaan om zulk een nieuw specialisme in het leven te roepen. Het college heeft in langdurige en herhaalde besprekingen overwogen dat de behandeling van ouderdomsziekten in de verschillende afdelingen van ziekenhuizen thans in handen is van internisten, neurologen en verschillen-de andere soorten specialisten; het vormen van een nieuw specialisme zou tot een nieuwe grensafbakening en overlappingen aanleiding geven. Aan de andere kant bestaat er de overtuiging dat er voor de behandeling van ouderdomsziekten in de verpleeghuizen en voor de behandeling buiten de inrichtingen, onopgeloste problemen zijn die de aandacht behoeven. Me-de in verband hiermede heeft het genoemde Centrale College onlangs besloten een commissie in te stellen om het vraagstuk van het specialisme geriatrie opnieuw in overweging te nemen. De overheid is in de commissie met een adviserend lid vertegenwoordigd.

De verpleegkundige in de geriatrie Detabelopblz. 34 geefteen overzicht van de opbouw van het verplegend personeel in de bejaardenoorden 1.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Opbouw van het verplegend personeel Fulltime

Parttime

%

abs.

%

abs.

Verpleegkundigen in het bezit diploma A Ziekenverpleging

41,8

1092

53,9

697 In opl. voor diploma Ziekenverpleging

3,6

2,3

30 Gediplomeerde ziekenverzorgsters

28,6

745

11,4

148 In opl. voor diploma Ziekenverpleging

6,4

168

4,2

55 Overige

19,6

511

28,2

354

Totaal

100

2609

100

1294

Naast gediplomeerde verpleegkundigen A en ziekenverzorgenden blijkt in de geriatrische en psychogeriatrische sector behoefte te bestaan aan verpleegkundigen die in deze sector verder zijn geschoold. Er bestaan thans twaalf opleidingsmogelijkheden voor de specialisatie verpleegkundige in de geriatrie. Deze specialisatie is tot op heden niet erkend. In het kader van het beraad inzake de specialisaties in verpleging, zal de Centrale Raad voor de Volksgezondheid onder meer het onderwerp 'de verpleegkundige werkzaam in de geriatrische en psychogeriatrische sector' behandelen. De uitgangspunten aan de hand waarvan de afzonderlijke specialisaties worden bestudeerd zijn neergelegd in het basisrapport betreffende specialisatie in de verpleegkunde (Centrale Raad voor de Volksgezondheid, 5 augustus 1974 ).

Nr. 3. Vrijwilligerswerk en burenhulp Vanuit de berichtgeving uit de wereld van de dienstverlening en ook vanuit het beleid zou men de indruk kunnen krijgen dat contactlegging, verzorging en dienstverlening ten behoeve van bejaarden een zaak is die uitsluitend via gesubsidieerde professionele organisaties tot stand komt. Voorzover deze misvatting bestaat wordt zij mede in stand gehouden door het feit dat een landelijke inventarisatie van hulp door familie en verwanten, spontane burenhulp, georganiseerde burenhulp en andere georganiseerde vrijwilligersactiviteiten tot nog toe niet heeft plaatsgevonden. In 1968 vond door het Nimawo een verkennend onderzoek plaats naar georganiseerde burenhulp ten bate van bejaarden Vijfentwintig gemeenten werden geselecteerd uitsluitend op basis van hun verschil in urbanisatiegraad en regionale spreiding. Zelfs bij eerste steekproef van geringe omvang werd geconstateerd dat, op enkele plattelandsstadjes na, hulpdiensten die men als georganiseerde burenhulp kan aanduiden overal aanwezig zijn. Daar deze verkenning slechts gericht was op een zeer specifiek segment van het totale vrijwilligerswerk, mag worden verondersteld dat de totaliteit van de vrijwillige dienstverlening van spontane individuele hulp tot en met de vrijwillige dienstverlening in verenigingsverband, kwantitatief een zeer belangrijk onderdeel vormt van de totaliteit aan dienstverlening en verzorging-Ook het gecoördineerd bejaardenwerk (zie hoofdstuk VI) steunt voor een aanzienlijk deel op het werk van vrijwilligers. Hun inbreng kan een breed veld beslaan. Hierbij valt te denken aan bestuurslidmaatschappen, het verstrekken c.q. aan huis bezorgen van maaltijden, het medeorganiseren van ontspannings-en voorlichtingsactiviteiten, enz. Bij de werving en bij de voorlichting en instructie van de vrijwilligers kan een stichting bejaardenwerk een belangrijke rol vervullen, mede als dienstverlenend instituut voor aan-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

gesloten instellingen, die zich met een deelaspect van het bejaardenwerk bezighouden en die om inschakeling van vrijwilligers vragen. Ook bejaarden zelf kunnen bijdragen tot de oplossing van de geschetste problemen. De inschakeling van bejaarde vrijwilligers, zowel in de praktijk als in het bestuurlijk vlak van bijvoorbeeld het gecoördineerd bejaardenwerk dient daartoe voortdurend te worden bevorderd. Een dergelijke inschakeling van de bejaarden zelf verhoogt bovendien het aanzien van het werk en geeft gelegenheid hun uitgebreide ervaring die vaak gepaard gaat aan veel vrije tijd, nuttig te maken in het voordeel van andere bejaarden. Daarnaast kan het deelnemen aan de werkzaamheden in het kader van het gecoördineerd bejaardenwerk aan de ingeschakelde personen het gevoel van verantwoordelijkheid en acceptatie, dat door de pensionering bij sommigen in het gedrang gekomen is, hergeven. Zonder afbreuk te doen aan de georganiseerde vormen van vrijwilligerswerk mag toch worden verondersteld dat voor zelfstandig wonende bejaarden die behoefte hebben aan contacten en handreikingen, de hulp-en contactmogelijkheden in hun onmiddellijke woonomgeving van groot belang geacht moeten worden. De realiteit dwingt tot de erkenning dat vrijwilligerswerk en spontane dienstverlening niet gemist kunnen worden, net zo min als de professionele vormen van hulp-en dienstverlening. Vanuit deze erkenning is het wellicht dienstig een aantal knelpunten te signaleren. De professionele dienstverlening heeft veelal een meer zakelijk karakter dan de vrijwillige. De eerste vorm heeft veel meer het karakter van een dienstverlening waar men recht op heeft, zodat het welzijn van de hulpontvanger niet wordt benadeeld door misplaatste gevoelens van verplichte dankbaarheid en afhankelijkheid. Gevoelens die als een potentieel gevaar aanwezig zijn in de relaties tussen vrijwilligers en bejaarden. Ook de continuïteit en de regelmaat van de contacten en diensten die de hulp vanuit de professionele wereld aanbiedt, zijn een normaal aspect van het werk van deze organisaties en onderdeel van de doelstelling. Daar staat tegenover dat, zeker bij de vrijwillige hulpverlening door de buurt gegeven vanuit de juiste mentaliteit, de mogelijkheden tot blijvende vriendschappelijke relaties en de integratie in het sociale leven van buurt en wijk een betere kans kunnen krijgen. Een knelpunt bij het leggen van contacten en verkrijgen van hulp door bejaarden van buren blijkt te zijn, dat veel bejaarden zich bezwaard voelen door het feit niets 'terug te kunnen doen'. Over dit aspect van de 'wederkerigheid' in het geven en ontvangen van hulp en het aangaan van contacten in buurtsituaties zijn recent belangwekkende gegevens beschikbaar gekomen in het academisch proefschrift 'Contact en controle tussen buren '3 . Mede van belang voor dit aspect van het bejaardenwerk is een aantal conclusies uit dezelfde studie te weten: Het contact is gering binnen naar leeftijd heterogene groepen, dit geldt zowel voor intieme contacten als voor hulp. Ook heterogeniteit van sociale status speelt een rol; waar deze aanwezig is bestaan weinig hulpcontacten. Verder werd geconstateerd dat juist personen die 'hulpbehoeftig' respectievelijk 'contactbehoeftig' waren, weinig burenhulp en burencontact ontvingen. Over het georganiseerde vrijwilligerswerk dienen ook nog enkele opmerkingen te worden gemaakt. Er is nog steeds te weinig samenwerking tussen de professionele dienstverleners en de vrijwilligersorganisaties, hoewel via de dienstencentra en de projecten gecoördineerd bejaardenwerk hierin duidelijk verbeteringen aanwijsbaar zijn. Deskundige begeleiding en administratieve ondersteuning van het vrijwilligerswerk wordt door vele professionele dienstverlenende organisaties nog te weinig gegeven. Anderzijds bestaat de indruk dat sommige georganiseerde vrijwilügersverbanden te wei-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

nig gebruik maken van de hulp en begeleiding die zij van de professionele dienstverleners zouden kunnen ontvangen. Maar een van de grootste problemen vormt het samenbrengen van vraag en aanbod van die bejaarden die contact en hulp wensen te ontvangen en vrijwilligers die bereid zijn zich daarvoor in te zetten. Van de hieronder onder a„ b. en c. geschetste activiteiten die als experimenten vanuit het Ministerie van CRM zijn gesubsidieerd wordt verwacht dat zij meer inzicht zullen verschaffen in de oplossing van deze en aanverwante problemen. De omvang van enerzijds het groeiende totaal aan hulp-en dienstverlening aan zelfstandig wonende bejaarden, en anderzijds de bejaardenpopulatie en het bestand van vrijwilligersorganisaties maakt het gewenst dat meer inzicht wordt verkregen in onder meer de bereidheid van de professionele werksoorten om vrijwilligers in te schakelen; de bereidheid van vrijwilligers om met de bestaande organisaties samen te werken; de taakafbakening tussen het werk van vrijwilligers en professionele krachten; de bereidheid van bejaarden zich op enigerlei wijze door vrijwilligers te laten assisteren; de bereidheid en de wens van bejaarden om zelf als vrijwilligers te werken en ten slotte de begeleiding en ondersteuning die vrijwilligersverbanden behoeven. Daarbij moet zeker rekening gehouden worden met de voorkeur van veel vrijwilligers voor een niet-gebonden vorm van hulpverlening 3. De meest bekende activiteiten van vrijwilligers vinden overwegend plaats binnen de volgende kaders: -Binnen instellingen op het gebied van de maatschappelijke dienstverlening; hier worden vrijwilligers door beroepskrachten bij het uitvoerend werk betrokken of vervullen zij een functie op bestuurlijk gebied. -Binnen instellingen die op het uitvoerend vlak vrijwel alleen vrijwillige activiteiten kennen, zoals de vrouwenverenigingen. -Binnen samenlevingsvormen die een minder vaste structuur hebben en/of een minder duurzame structuur, zoals allerlei soorten van burenhulp, hulp door groepen jongeren. Er kan worden geconstateerd dat het vrijwilligerswerk in ontwikkeling is. Deze ontwikkeling is echter niet zozeer aan te tonen aan de hand van kwantitatieve gegevens welke betrekking hebben op toename van aantallen vrijwilligers binnen de boven aangeduide kaders; veeleer dient de aandacht te worden gevestigd op veranderende ideeën omtrent mogelijkheden van samenwerking tussen vrijwilligers en beroepskrachten, tussen allerlei groepen vrijwilligers en voorts op veranderende ideeën omtrent datgene wat door de bejaarden zelf kan worden gedaan. Door beroepskrachten wordt het eigen karakter van het vrijwilligerswerk thans weer meer onderkend. Herwaardering van persoonlijke inzet bij menselijke problematiek en ervaringen dat dit soort hulp blijkt bij te dragen tot gevoelens van zich welbevinden, hebben hiertoe geleid. De bovengenoemde veranderende ideeën zijn zichtbaar aan het volgende: -De dienstencentra komen meer en meer in contact met vrijwilligersorganisaties. Zo hadden bijvoorbeeld in 1974 49 afdelingen van de UW contacten met een dienstencentrum. -Samenwerking tussen beroepskrachten en vrijwilligers komt thans (nog) vooral tot uiting in de hieronder aangegeven (nieuwe) vormen van georganiseerde burenhulp. Ten aanzien van de samenwerking binnen de instellingen zijn er wel initiatieven te signaleren, maar er is veelal nog sprake van onduidelijkheid aangaande taakafbakening en voorts aangaande opvang en begeleiding. -De vele en verspreide initiatieven van vrijwilligers tot vormen van hulp, onder andere burenhulp, hebben mede aanleiding gegeven tot het subsidiëren van experimenten om duidelijkheid te verkrijgen ten aanzien van de mogelijkheden tot het coördineren van vrijwilligerswerk en tot het koppelen van vraag en aanbod van vrijwilligers.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

a. In Arnhem en Tilburg zijn zgn. 'vrijwilligerscentrales' opgericht. Weliswaar zijn de gegevens hieromtrent recent beschikbaar gekomen, maar de sector bejaardenwerk was ondergebracht bij de sector maatschappelijke dienstverlening, zodat over vrijwilligers ten aanzien van bejaarden geen afzonderlijke gegevens beschikbaar zijn gekomen. De indruk bestaat echter dat bij bejaarden veel behoefte bestaat aan hulp op het niveau van hand-en spandiensten. b. Daarnaast werd de Aktie Graag Gedaan, een landelijk bureau met plaatselijke afdelingen, als experiment gesubsidieerd. In plaatselijke afdelingen van de Aktie Graag Gedaan vinden instellingen op het gebied van het welzijnswerk (beroepskrachten) en vrijwilligersorganisaties een samenwerkingsvorm om op georganiseerde wijze burenhulp mogelijk te maken. Als initiatiefnemers tohet oprichten van een afdeling blijken diensteneentra belangrijk te zijn. Gegevens over hulp speciaal aan bejaarden ontbreken echter ook hier. Eind 1974 waren er 20 plaatselijke afdelingen van Aktie Graag Gedaan. c. Voorts werd de Stichting Werkwinkel, die samenwerkt met de NOS, als ex-periment gesubsidieerd. De Stichting Werkwinkel heeft twee maal in haart.v.-programma het open bejaardenwerk aan de orde gesteld; in totaal meldden zich 236 mensen als vrijwilliger. Ten aanzien van bevordering van sociale participatie van bejaarden kan worden geconstateerd dat weliswaar soms in dienstencentra, sociëteiten en binnen diverse organisaties een thema als 'initiatiefname, beslissing en/of uitvoering door de bejaarden zelf' aan de orde wordt gesteld, maar dat er nauwelijks kan worden verwezen naar gegevens over omvorming van duidelijke behoeften tot concrete verwezenlijking in de praktijk. Medio september 1975 zal men het geheel aan resultaten van het sub a„ b. en c. vermelde kunnen overzien. Als eerste stap tot het verkennen van mogelijkheden om tot een gecoördineerd beleidshandelen ten aanzien van het vrijwilligerswerk te komen, is besloten tot het instellen van een ambtelijke projectgroep binnen het Ministerie van CRM. Deze groep wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van alle betrokken beleidsafdelingen en krijgt een gedelegeerde verantwoordelijkheid om het thema vrijwilligers als een algemene zaak te behandelen. Door het feit dat de secretaris van de projectgroep vrijgesteld is van andere activiteiten, wordt gegarandeerd dat op intensieve wijze informatie kan worden verzameld en dat vrijwilligersprojecten en -experimenten kunnen worden beoordeeld en/of geïnitieerd.

HOOFDSTUK IV. DE INKOMENSPOSITIE VAN BEJAARDEN A. DE ONTWIKKELING VAN DE INKOMENSPOSITIE Sedert de indiening bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 29 september 1970 van de Nota Bejaardenbeleid 1970 (Gedrukte Stukken Zitting 1970-1971 -10934) hebben rondom de inkomenspositie van de bejaarden niet onbelangrijke verdere ontwikkelingen plaatsgevonden, die in het kader van de Tweede Nota Bejaardenbeleid zeker vermelding verdienen.

Nr. 1. De AOW-pensioenen

Sedert het uitbrengen van de Nota Bejaardenbeleid 1970 hebben de pensioenbedragen ingevolge de Algemene Ouderdomswet een sterke stijging ondergaan. Dit is enerzijds het gevolg van het in de AOW neergelegde aanpassingssysteem, waarbij de pensioenbedragen zijn gekoppeld aan de algeme-Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

ne loonontwikkeling en anderzijds het gevolg van enkele structurele verhogingen van de pensioenbedragen. De bij wet van 9 juli 1970 (Stb. 350) per 1 januari 1970 gerealiseerde structurele verhoging van de pensioenbedragen met 3% werd tot stand gebracht als een eerste aanzet tot de oplossing van het pensioenvraagstuk. Bij deze gelegenheid werd voor de AOW-pensioengerechtigden voorts en wel met ingang van 1 mei 1970 een vakantie-uitkering ingevoerd ter grootte van 6% van het bedrag van het ouderdomspensioen. Bij wijze van overgangsmaatregel bedroeg de vakantie-uitkering in 1970 3%. Deze vakantie-uitkering is een structurele verbetering, buiten de wettelijk voorgeschreven aanpassingen aan de loonontwikkeling om. Een volgende structurele verhoging van de AOW-pensioenen kwam tot stand bij wet van 24 december 1970 (Stb. 648). De aanleiding hiertoe was gelegen in de ontwikkeling in het bedrijfsleven met betrekking tot het verlenen van een uitkeringineens (de zogenaamde f 400 uitkering). De toenmalige regering stelde zich op het standpunt dat de financiële tegemoetkoming ten behoeve van onder meer de AOW-pensioengerechtigden niet achterwege kon blijven. Daarbij werd een structurele verhoging verkozen boven een uitkeringineens terwille van het blijvend karakter van een zodanige verhoging. De omvang van deze verhoging werd afgestemd op het bedrag van de extrapremieontvangsten, welke de uitkeringineens in het bedrijfsleven naar schatting zou opleveren, neerkomende op 2%. Bij de wet van 26 januari 1972 (Stb. 43) werden met ingang van 1 januari 1972, de aanpassingssystemen welke voorkomen in de diverse sociale verzekeringswetten en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag gecoördineerd. Als gevolg hiervan worden de AOW-pensioenen als regel tweemaal per jaar op vaste data, namelijk op 1 januari en 1 juli herzien. Deze herzieningen zijn dan gebaseerd op de ontwikkeling van het indexcijfer der lonen over de periode 30 april tot en met 31 oktober, respectievelijk 31 oktober tot en met 30 april daaraan voorafgaande. Hierbij zij opgemerkt dat dit nieuwe aanpassingssysteem zodanig is dat de nieuwe pensioenbedragen steeds ruim een maand vóór de ingangsdatum bekend zijn, waardoor de uitvoeringsorganen in staat zijn het verhoogde pensioen in het algemeen reeds in dezelfde maand als waarin de verhoging ingaat, uit te betalen. Tevens behoren de moeilijkheden, die verbonden waren aan verhogingen van de AOW-pensioenen met terugwerkende kracht, zoals voordien het geval was, in verband met verrekening met reeds genoten bijstand ingevolge de ABW of verrekening met een ander pensioen tot het verleden. Ter voorkoming van een mogelijk nadeel voor de AOW-pensioengerechtigden als gevolg van een geringere aanpassingsfrequentie -tot 1 januari 1972 vond immers herziening plaats zodra het indexcijfer der lonen een afwijking van 3% vertoonde -werden de ouderdomspensioenen bij de invoering van dat systeem, dus per 1 januari 1972 structureel met 1 % verhoogd. Een verbetering van de pensioenrechten van duurzaam gescheiden leven-de echtparen werd verwezenlijkt bij de wet van 26 januari 1972 (Stb. 65;-Van 1 januari 1972 af ontvangen duurzaam gescheiden levende echtgenoten, ook wanneer zij niet van tafel en bed gescheiden zijn en die beiden 65 jaar of ouder zijn, het volle AOW-pensioen voor ongehuwden en niet als voordien het geval was, de helft van het gehuwdenpensioen. Deze maatregel is vooral van betekenis voor de gevallen, waarin één van beiden dan wel beide echtelieden in een inrichting zijn opgenomen en genezing niet te verwachten valt. In het regeerakkoord van het Kabinet-Biesheuvel van 21 juli 1971 werd het beleidsvoornemen vastgelegd om in de periode van 1 juli 1971 tot en met 1 juli 1975 het AOW-pensioen voor gehuwden op te trekken tot het besteedbare minimumloon. Als gevolg van dit voornemen zijn de AOW-pensioenen bij wet van 13 december 1972 (Stb. 703) met ingang van 1 januari 1973 structureel met 4% verhoogd.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Voorts moge naast genoemde structurele verhogingen nog melding wor den gemaakt van de bijzondere tussentijdse verhoging van de AOW-pensioenen per 1 mei 1974 met 3,5%. Deze verhoging hield verband met enerzijds het aan de werknemers verleende voorschot op de prijscompensatie en anderzijds de structurele verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 april 1974 met 2,5% en de voorgenomen verhoging van de wettelijke minimumvakantiebijslag van 6 tot 7%. Met ingang van 1 januari 1975 is aan de bejaarden die alleen of nagenoeg alleen op het AOW-pensioen zijn aangewezen, een extra reductie op de premie voor de ziekenfondsverzekering voor bejaarden verleend van f 18 per maand. Ten slotte zij vermeld dat per 1 april 1975 de AOW-pensi oenen tussentijds zijn verhoogd met 3,7%. Deze verhoging hield verband met enerzijds een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 1,7% per 1 april 1975 en anderzijds de tijdelijke verlaging van de tarieven voorde loon-en inkomstenbelasting. In onderstaand overzicht is de ontwikkeling weergegeven van de AOW-pensioenen (per jaar) en de daarbij behorende vakantie-uitkering sedert 1 januari 1970.

M.i.v.

Ongehuwden

Vakantie-uitkering

Gehuwden

Vakantie-uitkering

1-1-1970

f 3888

f

5 520 1-2-1970

4032

mei 1970 f 114,95

5724

mei 1970 f 163,17 1-8-1970

4194

5 952 1-12-1970

4326

6 138 1-1-1971

4506

6 390 1-3-1971

4554

mei 1971 f 256,59

6456

mei 1971 f 364,05 1-8-1971

4824

6 840 1-11-1971

5016

7 110 1-1-1972

5070

mei 1972 f 292,23

7182

mei 1972 f 414,18 1-7-1972

5364

7 596 1-1-1973

5910

mei 1973 f 329,82

8370

mei 1973 f 467,10 1-7-1973

6204

8 784 1-1-1974

6606

9 354 1-5-1974

6840

mei 1974 f 377,34

9684

mei 1974 f 534,30 1-7-1974

7314

10356 I-1-1975

7698

10908 I-4-1975

7986

11316

Reële toeneming netto AOW-uitkeringen sinds 1970 '

Ongehuwden

Gehuwden

1970

100

100 1971

109,5

109,21972

112,7

112,4 1973

120,9

120,5 1974

127,1

126,8

1 Bruto AOW-uitkering minus premie bejaardenziekenfonds, gedefleerd met een prijsindex van de gezinsconsumptie.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Uit dit overzicht blijkt dat in de periode 1970-1974 de reële toename van de netto AOW-uitkeringen ongeveer 27% is geweest. Dit is naar verhouding een zeer aanzienlijke stijging. Het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking steeg namelijk van 1970 tot en met 1974 ruim 8%, terwijl het reëel vrij beschikbaar inkomen van de modale werknemer (gehuwd, met twee kinderen en een inkomen juist beneden de laagste premiegrens van de sociale verzekeringen) in dezelfde periode steeg met 9%. Dit betekent dat een bestaande relatieve achterstand in inkomens van bejaarden in versneld tempo is ingelopen. Dit stemt tot grote voldoening, gezien de waarde die dit Kabinet hecht aan verkleining van verschillen in inkomen. Door de verhogingen van de AOW-pensioenbedragen en het verschillen-de verloop van de aftrekposten op het bruto AOW-pensioen enerzijds en het bruto minimumloon anderzijds heeft het netto AOW-pensioen voorgehuwden -met inbegrip van de vakantie-uitkering -sedert 1 juli 1973 inmiddels ongeveer het niveau van het netto wettelijk minimumloon voor een echtpaar zonder kinderen (inclusief de vakantiebijslag) bereikt.

Nr. 2. De nettonetto problematiek De nettonetto problematiek omvat de coördinatie van het netto minimumloon, de netto AOW-en AWW-uitkeringen, de bijstandsnormbedragen en de laagste uitkeringen van de werknemersverzekeringen, eveneens op netto basis. In januari 1974 bracht een interdepartementale werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Sociale Zaken, Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Financiën en Algemene Zaken over dit vraagstuk de nota inzake de nettonetto problematiek uit. In deze nota wordt geconstateerd, dat in de afgelopen jaren het beleid erop gericht is geweest de netto AOW-uitkering voor gehuwden en de netto bijstandsuitkering voor gehuwden gelijk te doen zijn aan het netto minimumloon. In de vorige paragraaf is hierop in het kader van de structurele verhoging van 4% per 1 januari 1973 al gewezen. Als gevolg van de indexeringssystematiek en het verschil in sociale premies en belasting groeiden de netto AOW-uitkering en het netto minimumloon bovendien automatisch naar elkaar toe. Aangezien de bijstandsnormen gerelateerd zijn aan het netto mini-mumloon, bereikte de netto AOW-uitkering ook het niveau van de netto bijstandsuitkeringen voor gehuwden. In onderstaande tabel zijn de netto AOW (inclusief vakantiegeld, minus de bejaardenziekenfondspremie), de nettobijstandsnorm (inclusief de vakantie-uitkering en gemiddelde huur) en het netto minimumloon opgenomen.

Medio

Netto minimunrv

AOW geh.

Bijstand echtpaar loon

zonder kinderen

1968

f

5540

f

4628

f

5 189 1969

5951

5187

5 572 1970

6705

5905

6 270 1971

7440

7001

6 949 1972

8157

7766

7610197 3

9015

8982

8 388 1974

10708

10599

10708

Voor 1971 lag het AOW-inkomen vooreen echtpaar beneden de bijstandsnorm voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Bejaarden die naast hun AOW geen (of nauwelijks een) pensioen hadden, kwamen in aanmerking voor een aanvullende bijstandsuitkering voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Doordat de AOW nagenoeg gelijk is aan de bijstandsnorm, zijn de bejaarden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten normaliter niet meer op de bijstand aangewezen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Indien de huidige indexeringssystematiek gehandhaafd blijft, zou de kans groot zijn dat de netto AOW-uitkering boven het netto minimumloon en de bijstandsnorm zou uitgroeien. Op 21 juni 1974 hebben de Ministèren de Staatssecretaris van Sociale Zaken aan de Sociaal-Economische Raad een advies gevraagd inzake herziening van het indexeringsmechanisme van het wettelijk minimumloon en daarmede samenhangende problemen. Wat de AOW-uitkeringen (en ook de AoW-uitkeringen) betreft, stellen de bewindslieden dat naar hun mening het in de Nota inzake de nettonetto problematiek aanbevolen aanpassingsmechanisme moet worden ingevoerd. De essentie daarvan is: dat de netto halfjaarlijkse aanpassingen van de AOW-en de AoW-uitkeringen moeten worden gerelateerd aan de ontwikkeling van het netto minimumloon op grond van de halfjaarlijkse aanpassingen. Stijgt als gevolg van de halfjaarlijkse aanpassing het netto minimumloon met x% dan zouden ook de netto AOW-en AwW-uitkeringen met x% moeten stijgen. Wat bijzondere verhogingen betreft, kan het volgende worden vermeld. In de voornoemde adviesaanvrage wordt een systeem voorgesteld, waarbij de factoren die leidden tot de bijzondere verhogingen van het wettelijk minimumloon per 1 januari 1973 en 1 april 1974 in het halfjaarlijkse aanpassingsmechanisme van het mini-mumloon worden geïncorporeerd. Dergelijke verhogingen zouden derhalve in de toekomst ook automatisch in de AOW-uitkeringen tot uitdrukking komen. Wat eventuele structurele verhogingen betreft, deelden de Minister en de Staatssecretaris mee, dat de regering niet bij voorbaat wil uitsluiten, dat er in de toekomst doorslaggevende redenen kunnen zijn om een specifieke structurele verhoging van het minimumloon voor te stellen zonder dat deze (direct) leidt tot overeenkomstige verhogingen van de AOW/AWW-uitkeringen, de bijstandsuitkeringen en de minima in de sociale verzekeringen. AI-vorens daaromtrent een beslissing te nemen zou -vanwege de inkomenspolitieke aspecten -een en ander eerst bekeken moeten worden in het kader van een inkomenspolitiek. De thans nog van kracht zijnde noodmaatregel die er op gericht is bejaarden die uitsluitend of vrijwel uitsluitend AOW genieten, buiten de belastingheffing naar het inkomen te houden, leidt tot gevolgen die noch fiscaal, noch inkomenspolitiek te verdedigen zijn. Deze gevolgen worden met name zichtbaar indien neveninkomsten worden genoten van meer dan f 400 (sinds 1 januari 1975: f 600). Alsdan moet niet alleen inkomstenbelasting worden betaald over die neveninkomsten zelf, doch ook over dat deel van de AOW dat de belastingvrije som (inclusief bejaardenaftrek) overschrijdt. Omdat over dit laatste bedrag geen loonbelasting is geheven, moet de belasting daarover worden 'ingehaald' in de aanslag inkomstenbelasting. Het totaal van die aanslag wordt daardoor in verhouding tot het bedrag van de neveninkomsten hoog. Die aanslag en de ten gevolge van de neveninkomsten meer verschuldigd wordende premie voor de bejaardenziekenfondsverzekering vergen tezamen bij naar verhouding bescheiden neveninkomsten zelfs méér dan het bedrag van die neveninkomsten zelf. Het resultaat is dat na be-lasting-en premieheffing de bejaarde met bescheiden neveninkomsten minder overhoudt, dan de bejaarde die alleen AOW heeft. De regering zal met voorstellen komen om deze onevenwichtige situatie met ingang van 1 januari 1976 tot oplossing te brengen.

Nr. 3. Oudedagsvoorzieningen in het hedrijfs en beroepsleven en bij de overheid Met betrekking tot deze materie kan worden opgemerkt, dat zich sinds 1970, het jaar waarin de Nota Bejaardenbeleid uitkwam, ten aanzien van de be-drijfs-en beroepspensioenen belangrijke ontwikkelingen hebben voorgedaan. Met name moge worden genoemd het ontstaan van nieuwe pensioenregelingen alsmede belangrijke verbeteringen in bestaande pensioen-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

voorzieningen. Deze ontwikkelingen kunnen deels worden toegeschreven aan het initiatief van de overheid, deels aan particulier initiatief. a. De overheid heeft door middel van enkele wettelijke maatregelen de basis gelegd om te komen tot betere en ruimere mogelijkheden voor het treffen dan wel continueren van pensioenvoorzieningen. Deze wettelijke maatregelen zijn de navolgende: -De Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, (Stb. 1972, 400) in werking getreden op 1 september 1972. Deze wet maakt het mogelijk, dat het deelnemen in een door beroepsgenoten op basis van vrijwilligheid vastgestelde beroepspensioenregeling door de Minister van Sociale Zaken verplicht wordt gesteld, indien daarom door een of meer voor de betrokken tak van beroep voldoende representatieve organisaties van beroepsgenoten wordt verzocht. Genoemde wet strekt zich uit tot het beroep in het algemeen, zodat behalve voor de zelfstam dige beoefenaars van een vrij beroep onder meer ook voor beroepsbeoefenaars, die hun werkzaamheden uitoefenen in een andere rechtsvorm dan als natuurlijk persoon (bij voorbeeld die van een maatschap), beroepsbeoefenaars, die in dienst zijn van andere beroepsbeoefenaars, en zelfstandige ondernemers de mogelijkheid openstaat om in collectief verband tot een verplichte pensioenregeling te komen. Aan deze collectieve regelingen wordt meer en meer behoefte gevoeld, omdat er voorzieningen zijn in een pensioenregeling -als voorbeeld moge worden genoemd de aanpassing van ingegane pensioenen aan de kosten van levensonderhoud -welke gemakkelijker in collectief verband tot stand gebracht kunnen worden. Bovendien gelden ten aanzien van de voor een pensioenregeling verschuldigde premies fiscale faciliteiten. Ervaringen met deze wet opgedaan -inmiddelszijn beroepspensioenregelingen verplicht gesteld voor huisartsen, medische specialisten, tandartsen, apothekers, onafhankelijke raadgevend actuarissen en vroedvrouwen -hebben geleerd, dat zij een heilzame werking heeft ten aanzien van reeds oudere beroepsgenoten, die niet ver meer van de 65-jarige leeftijd verwijderd zijn: in die zin heilzaam, dat ook voor deze reeds oudere beroepsgenoten nog pensioenvoorzieningen konden worden getroffen, waartoe zij als individu niet in staat geacht konden worden. -Met ingang van 1 januari 1973 is krachtens de wet van 16 november 1972, Stb. 612, de regeling van de fiscale oudedagsreserve voor zelfstandigen in werking getreden. Deze regeling beoogt het maatschappelijk verschijnsel, dat ondernemers vanwege de financieringsbehoefte van hun onderneming, binnen de eigen onderneming voor de oude dag sparen, fiscaal te begeleiden. De begeleiding houdt in dat bij zelfstandigen van 18 tot 65 de belastingheffing over een deel van de winst wordt verschoven naar de toekomst. De oudedagsreserve geeft het totale bedrag aan winst weer waarover de heffing van inkomstenbelasting is uitgesteld. De oudedagsreserve kan niet groter zijn dan het aanwezige ondernemingsvermogen. De regeling van de oudedagsreserve wordt geleidelijk ingevoerd. Naar de opzet van de wet bedraagt vanaf 1976 de toevoeging aan de reserve 10% van de winst met een minimumtoevoeging van f 569 en een maximumtoevoeging van f 8529 De bedragen van de minimum-en maximumtoevoeging worden jaarlijks met behulp van de automatische inflatiecorrectie aangepast. In het kalenderjaar waarin de ondernemer 65 jaar wordt, moet de oudedagsreserve worden afgerekend tegen het bijzondere tarief van 20% tot 50%, dan wel worden omgezet in een stamrecht (zijnde een recht op lijfrente). De ondernemer kan ook vóór zijn 65ste jaar de oudedagsreserve geheel of gedeeltelijk omzetten in een stamrecht. De zelfstandige die na het bereiken van de 65 jarige leeftijd zijn onderneming voortzet, heeft nog de mogelijkheid te kiezen voor een gespreide afwikkeling van de reserve in ten hoogste 5 jaar, belast naar het normale tarief.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

4?

Het behoeft geen betoog dat het instituut van de oudedagsreserve een belangrijke maatregel is in het kader van de oudedagsvoorziening van zelfstandigen. Ook voor de zelfstandige ondernemers, die hun bedrijf voor het 65ste jaar moeten beëindigen, zijn de mogelijkheden voor het treffen van een oudedagsvoorziening verbeterd door een daartoe in het kader van de Algemene Bijstandswet getroffen regeling. Deze rijksgroepsregeling vrijlating oudedagsvoorziening bijzondere groepen is van toepassing op ex-zelfstandigen en ook op langdurig werkloze werknemers van 50-65 jaar, die wel over vermogen beschikken maar weinig of geen pensioenrechten hebben. Voor beide groeperingen geldt, dat zij weinig mogelijkheden hebben om weer in het arbeidsproces te worden opgenomen en derhalve (veelal na een bedrijfsbe-eindigings-of werkloosheidsuitkering) een beroep moeten doen op bijstandverlening. Aangezien het aanwezige vermogen, vrijkomend bij bedrijfsbeëindiging of bij voorbeeld in de vorm van een eigen huis, voor deze oudere gewezen zelfstandigen of werknemers in feite het karakter heeft van een oudedagsvoorziening, wordt dit in het betreffend besluit op gelijke voet gesteld met de oudedagsvoorzieningen, die bij een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappijen zijn ondergebracht. Dit betekent dat binnen zekere grenzen de aanwezigheid van dit vermogen bij de verlening van bijstand buiten beschouwing blijft. Boven de algemene vrijstelling van een bescheiden vermogen die in het kader van de ABW geldt (thansf 10000 voor gehuwden) kunnen de genoemde groepen daardoor een extra vermogen voor de periode na het 65ste jaar reserveren ter aanvulling op de AOW-uitkering. b. Met betrekking tot het particulier initiatief kan worden opgemerkt, dat als gevolg van een steeds grotere pensioenbewustheid de werkgevers en werknemers er in toenemende mate naar streven om de pensioenvoorzieningen in structurele zin optimaal te maken dat wil zeggen het pensioenniveau te relateren aan het laatstgenoten loon. Pensioenregelingen welke bij een volledige carrière een pensioen opleveren, dat met inbegrip van de AOW-uitkering 70% van het laatstgenoten arbeidsinkomen bedraagt, nemen, met name in de laatste jaren, in aantal toe. Bovendien is het streven er steeds meer op gericht om de ingegane pensioenen door middel van de overrente, winstdeling, omvangskortingen, dotaties enz. zoveel mogelijk aan te passen aan de kosten van levensonderhoud. c. De regering heeft zich geconfronteerd gezien met specifieke moeilijkheden ten aanzien van de mijnwerkerspensioenen als gevolg van de mijnsluitingen. Dit heeft ertoe geleid, dat na diepgaand overleg met de mijnpensioenfondsen bij de wet van 31 oktober 1973, Stb. 523, houdend maatregelen met betrekking tot de financiering van de pensioenvoorzieningen van de steenkolenmiinindustrie, aanzienlijke bedragen zijn toegezegd. Voor het jaar 1975 bedraagt de overheidsbijdrage circa 58 min. Mede met behulp van de overheidssteun konden de pensioeninkomens van gewezen mijnwerkers beneden 65 jaar meer dan waardevast worden gehouden. Daar ten aanzien van de fondspensioenen van boven 65-jarige gewezen mijnwerkers, die dit pensioen naast de AOW-uitkering ontvangen, eveneens verbeteringen konden worden doorgevoerd, zijn de totale pensioeninkomens van deze groep eveneens meer dan waardevast gebleven. Niettemin geldt voor oud-mijnwerkers -evenals trouwens voor vele gepensioneerden, die in andere bedrijfstakken dan de mijnindustrie werkzaam zijn geweest -nog een ernstig pensioenprobleem als gevolg van een onvolledige pensioencarrière. d. Het is overigens de uitdrukkelijke wens van de regering en het bedrijfsleven om te komen tot een pensioenwet voor werknemers, waarbij iedere werknemer aanspraak zou kunnen maken op een pensioen, dat in een redelijke verhouding zal staan tot zijn laatstgenoten loon en dat na ingang tenminste waardevast zal worden gehouden. De regering heeft reeds bij eerdere gelegenheden tot uitdrukking gebracht, dat zij de bevordering van een Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

zodanige wet als een van de hoofdpunten van haar beleid beschouwt. Richtsnoerzal daarbij zijn het in april 1971 in de Stichting van de Arbeid bereikte principeakkoord, volgens hetwelk men uiteindelijk zal moeten komen tot een ouderdomspensioen, dat inclusief de AOW-uitkering 70% van het laatstgenoten brutoarbeidsinkomen bedraagt. De besprekingen terzake in de Stichting van de Arbeid verkeren thans in een vergevorderd stadium. Het Kabinet hoopt zo spoedig als mogelijk is voorstellen voor wettelijke maatregelen terzake aan het parlement voor te leggen. Het vorenstaande toont aan dat op het gebied van beroeps-en bedrijfspensioenen sedert 1970 belangwekkende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Daardoor kan worden gesteld dat voor vele (toekomstige) bejaarden het pensioenprobleem minder nijpend is dan tot voor een aantal jaren het geval was. Gezien de huidige ontwikkelingen hoopt het Kabinet dat deze problematiek in de komende jaren zal worden opgelost. Ten slotte nog een korte opmerking over de overheidspensioenen, dat wil zeggen de pensioenen van ambtenaren, militairen en spoorweg beambten. Sedert 1970 hebben de bedragen hiervan verhoudingsgewijs dezelfde verhogingen ondergaan als de salarissen van het rijkspersoneel. Dit is een gevolg van het beginsel van welvaartsvastheid, krachtens hetwelk de genoem-de pensioenen worden aangepast aan de wijzigingen in de bezoldiging van het rijkspersoneel. Ten aanzien van de overheidspensioenwetten als zodanig hebben zich sinds 1970 geen fundamentele ontwikkelingen voorgedaan.

Nr. 4. Individuele pensioenvoorzieningen

a. De individuele ouderdoms ("lijfrente) verzekeringen die bij particuliere maatschappijen zijn afgesloten kwamen aan de orde in de brief van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken van 30 januari 1974 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Zitting 1973-1974, nr. 11134). Naar aanleiding van mondelinge vragen uit de Tweede Kamer inzake het doorgeven van de voordelen van de hoge rentestand aan polishouders van levensverzekeringen is -zoals uit de brief blijkt -door de Ministervan Economische Zaken een onderzoek ingesteld. Een zo ruim mogelijke toepassing van de winstdeling op basis van de bedrijfsresultaten in de levensverzekeringsbranches ten gunste van individuele polishouders werd door de bewindslieden van belang geacht. Geconstateerd werd, dat de individuele en de collectieve winstdelingssystemen principieel anders gestructureerd zijn. Tevens werd cijfermatig geïllustreerd dat ervoor de periode 1959-1972 beduidende uitkeringsverschillen in de individuele en collectieve winstdelingsbedragen zijn, die niet gemakkelijk verklaard kunnen worden. Zij spraken zich wat betreft de individuele verzekeringen uit voor winstdeling in de vorm van bijschrijving op het verzekerd bedrag. Deze vorm komt tegemoet aan de doelstelling van het pensioenbeleid, om, zoveel dat mogelijk is, naar waardevastheid van oudedagsvoorzieningen te streven. Bij gemeenschappelijke beschikking van genoemde Minister en Staatssecretarissen van 20 augustus 1974 (Nederlandse Staatscourant van 5 september 1974, nr. 172) is een interdepartementale commissie in het leven geroepen, welke is belast met het uitbrengen van een advies over de wijze waarop het doorgeven van voordelen van de hoge rentestand aan polishouders van levensverzekeringen door overheidsmaatregelen kan worden bevorderd, alsmede over de wijze waarop de overheid anderszins de belangen van deze polishouders kan bevorderen. , _ .

De ontwikkeling van de uitkeringen in de afgelopen jaren wordt in onder-' Betreft alleen de binnenlandse verzekerings-

a

a

K

' maatschappijen en zowel de individuele ais de staand staatje weergegeven. Bij de beoordeling van deze opstelling moet collectieve verzekeringen.

er wel rekening mee worden gehouden dat de genoemde cijfers alle lijfren-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

ten omvatten. Die, welke vergelijkbaar zijn met een ouderdomspensioen, maken er een -onbekend -onderdeel van uit:

Lijfrenten die tot uitkering zijn gekomen

Jaar

Aantal lopende

Totaal polissen'

uitkeringen

1969

36298

f 277,8 min. 1970

31012

304,4 min. 1971

37361

335,7 min. 1972

38774

385,4 min. 1973

35968

426,9 min.

Bron: Verslagen van de Verzekeringskamer ingevolge de Wet op het levensverzekeringsbedrijf over de jaren 1970, 1971, 1972, 1973 en 1974.

' Het aantal uitkering ontvangende personen is onbekend. 2 Inclusief de uitkeringen aan buitenlandse polishouders.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het totaal aan uitgekeerde renten van 1969 tot 1973 een stijging vertoonde van ca. 54%. Deze stijging is minder groot dan die van de AOW, waarvan het totaal uitgekeerde bedrag in dezelfde periode met 81 % steeg. Bevordering van de winstdeling zou zeker een bijdrage kunnen leveren om het relatieve belang van de levensverzekeringsmaatschappijen in de oudedagsvoorzieningen nietten achterte doen blijven.

b. Ouderdomswet 1919 (VOV) In de Ouderdomswet 1919 (VOV) is de verzekering geregeld van vrijwillige ouderdomsrenten. Per 1 januari 1974 waren ruim 85000 personen in het genot van een VOV-rente, welke varieerde van f 3 tot f 20 per week en gemiddeld f 5 per week bedroeg. Een gunstige factor bij deze verzekering is de hoge rentestand gedurende de laatste jaren. Aangezien de VOV niet ten doel heeft winst te maken, doch een verzekering af te sluiten tegen een dekkende premie, werd het redelijk geacht dat de mogelijkheid werd geopend om de VOV-verzekerden van de hoge rentestand mee te laten profiteren. In verband hiermede is bij Koninklijk besluit van 29 september 1970 (Stb. 480) een wijziging van het Tariefbeslu it VOV tot stand gebracht, waarbij is geregeld, dat op de premies voor de VOV een korting wordt toegestaan in ver band met de hoogte van de rentestand. Over de jaren 1970 tot en met 1972 is deze korting vastgesteld op 121/2%, over de jaren 1973 en 1974 op 20% en voor het jaar 1975 op 25% van de premies en koopsommen over die jaren. Aan de hoogte van de ingevolge de Ouderdomswet 1919 af te sluiten ouderdomsrenteiseen maximum gesteld van f20 per week. Gezien deze beperking en de omstandigheid, dat ook anderszins de verzekeringsmogelijkheden van deze wet ver achter zijn gebleven bij die, welke de particuliere verzekeringsmaatschappijen kunnen bieden, kan de huidige Ouderdomswet 1919, naar algemeen inzicht, niet bevredigend worden geacht. Over deze problematiek is onlangs een nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. De bedoeling hiervan is tot een beslissing te komen ten aanzien van de vraag of de VOV -op basis van verruimde verzekeringsmogelijkheden -dient voort te bestaan, dan wel moet worden opgeheven.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Nr. 5. Fiscale maatregelen voor bejaarden Voorde loon-en inkomstenbelasting geldt voor de bejaarden naast de belastingvrije voet een bejaardenaftrek. Deze bejaardenaftrek heeft sinds 1970 de volgende ontwikkeling ondergaan:

Kalenderjaar

Bejaardenaftrek voor

gehuwden

ongehuwden

1970

f 1040

f 520197 I

1040

520197 2

1088

544 1973

1860

1116 Loonbelasting 1974 per 1-1-1974

1953

1368 per 1-7-1974

2077

1455 Inkomstenbelast ng 1974 (gem. bedrag)

2015

1412 Loonbelasting 1975 per 1-1-1975

2149

1505 per 1-4-1975

2193

1536 Inkomstenbelast infl 1975 (gem. bedrag)

2182

1528

Het totaal van de belastingvrije voet en de bejaardenaftrek was over de jaren 1970 en 1973 zodanig, dat degenen die uitsluitend of vrijwel uitsluitend op het AOW-pensioen aangewezen waren geen loon-of inkomstenbelasting waren verschuldigd. De relatief sterke stijging van 1972 op 1973 is hierdoorte verklaren. Overigens is vanaf 1972 de automatische inflatiecorrectie op de bedragen van toepassing. Ditzelfde effect werd voor de jaren 1971, 1972, 1974 en 1975 door het treffen van een bijzondere wettelijke voorziening bereikt en wel bij de wet van respectievelijk 15 december 1971 (Stb. 735), van 19 december 1973 (Stb. 635) en van 19 december 1974 (Stb. 779). Het ligt in de bedoeling, dat de definitieve regeling van de belastingheffing over de AOW-uitkeringen zijn beslag krijgt bij de introductie van maatregelen, die nodig zijn in het kader van de nettonetto problematiek (zie par. 2). Bij de invoering van de in de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad inzake herziening van het indexeringsmechanisme van het wettelijk minimumloon en daarmede samenhangende problemen voorgestelde systematiek voor de aanpassing van de AOW-uitkeringen, heeft belastingheffing voor de AOW-trekkenden geen nadelige consequenties. De voorgestel-de aanpassing is immers een nettoaanpassing: eventuele belastingverhogingen voor deze categorie resulteren derhalve alleen in verhoging van de bruto bedragen.

Nr. 6. Algemene Bijstandswet

Voorzoverzijn inkomsten de bejaarde niet in staat stellen om in de kosten van het bestaan te voorzien, heeft deze op grond van de Algemene Bijstandswet recht op een aanvullende bijstandsuitkering. In paragraaf 1 van dit hoofdstuk werd de ontwikkeling van de AOW-pensioenen geschetst. Door de structurele verhoging van de AOW-pensioenen zijn de AOW-uitkeringen voor zowel gehuwden als alleenstaanden vanaf 1971 op ongeveer gelijk niveau als de bijstandsnormen voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten komen te liggen (zie tabel par. 2 van dit hfdst.). De thuiswonende bejaarden zullen derhalve geen bijstand meer nodig hebben voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, behalve in geval van een ontoereikend inkomen (onvolledige AOW-uitkering) of hoge woonkosten. Weliswaar kan men veelal in aanmerking komen voor een individuele huursubsidie (zie in dit verband hoofdstuk V), maar in die gevallen dat deze regeling niet van toepassing of ontoereikend is, zal men op aanvullende bijstand zijn aangewezen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Naast de algemene bestaanskosten/normale gezinsu itgaven kunnen er bijzondere uitgaven zijn in verband met medische en sociale voorzieningen bij voorbeeld huishoudelijke hulp, dieetvoeding, verpleging thuis en in bepaalde gevallen telefoonkosten. Indien dit noodzakelijke bestaanskosten zijn kan -afhankelijk van de inkomenssituatie -bijzondere bijstand worden verleend.

Tabel I. Aantal periodieke bijstandsuitkeringen aan thuiswonende bejaarden (x 1000)

Jaar

Totaal

Aantal

Aantal aantal

uitkeringen

uitkeringen uitkeringen

voor algemene

voor bijzondere bestaanskosten

bestaanskosten

1971

95,1

68.8

26,31972

99,3

54,2

45,11973

98,2

42,0

56,2

Tabel II. Periodieke bijstand aan thuiswonende bejaarden (in min. gld.)

Jaar

Totaal

Algemene

Bijzondere periodieke

periodieke

periodieke bijstand

bijstand

bijstand

bedrag %

bedrag

%

bedrag

%

1971

84,4

100

45,8

38,6

461972

88,2

100

37,7

50,6

571973

93,3

100

32,8

60,5

Uit tabel II blijkt dat de bijstandsuitgaven voorde algemene bestaanskosten in de periode 1971-1973 zijn teruggelopen met 28%. De bijstandsuitgaven voor de bijzondere bestaanskosten zijn met 56% gestegen. Het aandeel van de bijzondere bijstand in de totale periodieke bijstand aan thuiswonende bejaarden is toegenomen van 46% in 1971 tot 65% in 1973. Deze tendens zet zich in 1974 niet meer voort in verband met de optrekking per 1 juli 1974 van de bijstandsnorm voor gehuwden tot het niveau van het netto minimumloon (vervallen van de 5% marge). Tengevolge daarvan stijgt met name de bijstandsverlening aan bejaarden in verband met hoge woonkosten, waardoor het aandeel van de bijstand voor algemene bestaanskosten niet verder afneemt, maar eerder iets toeneemt. De ontwikkeling van de bijstandsuitgaven voor de bijzondere bestaanskosten is afhankelijk van de prijsstijgingen, de loonontwikkeling en de uitbreiding van overheidsvoorzieningen (bij voorbeeld subsidie aan instellingen van gezins-en bejaardenzorg). Het aantal periodieke bijstandsuitkeringen voor bijzondere bestaanskosten is in de periode 1971-1973 met ruim 100% gestegen. Gezien de stijging van de bijstand voor bijzondere bestaanskosten met 56% neemt de gemiddelde hoogte van deze uitkeringen af. De kosten van bijstand voor gezinsverzorging bedragen volgens een onderzoek bij de gemeenten voor 1974 naar schatting 18,5 min. gulden, voor gezinshulp aan bejaarden door gesubsidieerde instellingen en 31,5 min. gulden voor particuliere huishoudelijke hulp. Totaal zijn de uitgaven dus ca. 50 min. gulden. Per 1 januari 1974 bedroegen de aantallen bejaarden, die voor deze hulp een beroep op de bijstand moesten doen:

gesubsidieerde instellingen:

23265 overige instanties of personen:

18052

Totaal

41317

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

In het kader van de Algemene Bijstandswet is de Rijksgroepsregeling vrijlating oudedagsvoorziening bijzondere groepen (ex-zelfstandigen en langdurig werklozen) tot stand gekomen. Hierop is in het kader van de verbetering en uitbreiding van de pensioenvoorzieningen reeds ingegaan in par. 3 van dit hoofstuk.

Nr. 7. Inkomen van bejaarden uit loon, winst en vermogen

a. Algemeen

In dit hoofdstuk zijn tot dusverre voornamelijk de pensioeninkomens behandeld. Een drietal andere belangrijke bronnen van inkomen van bejaarden zijn echter winst uit onderneming, inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen. Dit blijkt uit de statistiek Inkomensverdeling 1967 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De hierin opgenomen cijfers zijn de meest recente die op het ogenblik beschikbaar zijn. Ondanks hun ouderdom geven zij echter waarschijnlijk ook voor dit moment nog een globale indicatie omtrent de inkomensbronnen van bejaarden.

Inkomens uit winst, loon, vermogen en pensioen van bejaarden in 1967, vergeleken met die van personen van 15 t/m 59 en van 60 t/m 64 jaar Aantal personen per inkomenscategorie in procenten van de betrokken leeftijdsgroep Bedrag per hoofd van de betrokken groepen (in guldens)

70 jaar

65-69 en ouder jaar

60-64 jaar

15-59 jaar

70 jaar

65-69 en ouder jaar

60-64 jaar

15-59 jaar

Bedrag per hoofd in % van de gewogen gemiddelde AOW-uitkering voor gehuwden en ongehuwden (f 3748)

70 jaar

65-69 en ouder jaar

Inkomen uit;

Winst Loon Vermogen Pensioenen 2

7,1 4,6 32,8 49,2

14,6 20,6 37,4 55,3

20,7 52,5 33,4 24,0

11,0 78,5 14,8 5,1

7 046 6 087 2 804 2 938

9 979 8 068 2 375 3 361 13 850 12866 2 210 5 741 16 438 9 766 1 0723798 I88,0162,4 74,8 78,4

266,2215,2 63,4 89,7

Totaa I :

93,7

127,9

130,6

109,4

' Exclusief gehuwde vrouwen. 2 Exclusief AOW/AWW/IW-uitkeringen; degenen die alleen een AOW-uitkering hebben zijn dan ook niet in deze tabel begrepen. 3 In deze opstelling komen dubbeltellingen voor. Diverse personen hebben meer dan één inkomensbron. De inkomensstatistiek 1967 omvat ± 80% van de bevolking van 65 jaar en ouder. De resterende ± 20%, die niet in de statistiek is opgenomen, had alleen inkomen uit AOW-pensioen.

De daling van de deelneming aan het arbeidsproces, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, die in het tweede gedeelte van deze par. uitvoerig aan de orde zal komen, komt ook hier tot uitdrukking. Zowel het gemiddelde inkomen uit winst als dat uit loon ligt voor de 65-jarigen en anderen lager dan voor de 15-59-jarigen en de 60-64-jarigen. Binnen de groep bejaarden zet deze dalende tendens zich voort, hetgeen onder andere op toenemende parttime arbeid zou kunnen wijzen. Inkomen uit vermogen blijkt in de leeftijdsgroepen vanaf 60 jaar door relatief ruim tweemaal zoveel mensen te worden genoten als in de leeftijdsgroep van 15t/m 59 jaar. Het bedrag per hoofd vertoont ook een stijging met de leeftijd. De inkomens uit pensioenen blijken voor de 'oudere' bejaarden van iets geringere betekenis ts zijn dan voor de bejaarden van 65 t/m 69 jaar. Oorzaken hiervan zouden de geldontwaarding, Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

waaraan de pensioenen van de oudere groep naar alle waarschijnlijkheid niet volledig zijn aangepast, en het minder verbreid bestaan van pensioenvoorzieningen in de actieve periode van de 70-jarigen en ouderen kunnen zijn.

Procentuele verdeling naar sociale groepen van de in de vermogensstatistiek 1968 opgenomen vermogens en procentuele verdeling van de personen, behorend tot de diverse sociale groepen, over de bevolking

Sociale groepen

Procentuele

Procentuele verdeling

verdeling vermogens

personen

Zelfstandigen

38,5%

10,0% Directeuren NV

17,9%

0,8% Werknemers

9,3%

71,1% Gepensioneerden

30,7%

17,4% Zonder beroep

3,6%

0,7%

De werknemers hebben een relatief gering aandeel in het totale in de statistiek opgenomen vermogen. De zelfstandigen en de directeuren NV hebben daarentegen een relatief groot aandeel. Verwacht kan derhalve worden, dat de inkomsten uit vermogen van 65-jarigen en ouderen vooreen groot deel bij (voormalige) leden van de groepen zelfstandigen en directeuren NV terecht zullen komen.

b. Beroepsarbeid door bejaarden

De omvang van de beroepsbevolking bestaat voor het overgrote deel uit personen, die in leeftijd variëren van 20 tot 64 jaar. Zowel de jongeren als de ouderen (65 jaar en ouder) nemen na de tweede wereldoorlog in steeds geringere mate deel aan het arbeidsproces. Voor de jongeren speelt hierbij met name na 1960, de toegenomen onderwijsdeelneming een rol. Het is waarschijnlijk, dat de teruggang in de beroepsdeelneming bij bejaarden voor een belangrijk deel is toe te schrijven aan de invoering van de Noodwet Ouderdomsvoorziening in 1947, maar vooral aan de Algemene Ouderdomswet in 1957, die voor velen de financiële noodzaak wegnamen om te blijven werken. De toenemende deelneming in andere pensioenvoorzieningen versterkte deze ontwikkeling. Desondanks behoorden in 1971 nog circa 100 000 bejaarden tot de beroepsbevolking, hetgeen overeenkwam met ruim 2% van de totale beroepsbevolking. Dit was in 1947 nog 3,8%. Naast het financiële motief, dat vermoedelijk voor velen van hen toch nog een rol speelt, zullen eveneens het verlangen om een (zinvolle) bezigheid te hebben en de wens nog niet maatschappelijk uitgeschakeld te zijn, belangrijke motieven zijn om een beroep te blijven uitoefenen. In de tabel op blz. 50 is met behulp van de volkstellingsgegevens globaal de ontwikkeling van de bejaarde beroepsbevolking vanaf de tweede wereldoorlog weergegeven. Hieruit blijkt dat de omvang van de beroepsbevolking van bejaarde mannen vrij sterk is afgenomen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Bevolking en beroepsbevolking van 65 jaar en ouder

Bevolking 65+

Beroepsbevolking

Beroepsbevolking in % totale bevolking van 65 jaar en ouder

65 jaar en ouder in 1x1000)'

% overeenkomstige bevolkingsgroep

mannen vrouwen

mannen vrouwen

mannen vrouwen

1947

6,8

7,4

116

35,5

6,31960

8,2

11,9

19,8

2,6 1971

8,5

10,4

--

12,5

1 Exclusief personen in loondienst met Bron: CBS, Volkstelling 31 mei 1947, een gedeeltelijke werkweek.

31 mei 1960 en 28 februari 2 Betrouwbare gegevens nog niet beschikbaar.

1971.

Het in de tabel geschetste beeld van de beroepsbevolking is echter onvolledig. Personen in de afhankelijke beroepsbevolking met een gedeeltelijke werkweek zijn buiten beschouwing gelaten. Voor de jaren 1947 en 1960 zijn hiervoor geen afzonderlijke gegevens bekend. In 1971 werden 12600 bejaarden (ca. 8500 mannen en 4100 vrouwen) meteen gedeeltelijke werkweek geteld. De keuze van de 65-jarige leeftijd als ingangsdatum van pensionering is betrekkelijk willekeurig. Enerzijds blijft een deel van de bevolking fulltime of parttime deelnemen aan het arbeidsproces, anderzijds stopt een belangrijk deel van de bevolking met werken vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In de periode 1960-1971 is het deel van de mannelijke bevolking in de leeftijdsklasse van 50-65 jaar dat niet meer tot de beroepsbevolking behoorde toegenomen van 8,9 tot 14%. Door vergelijking van de beroepsdeelnemingspercentages van mannen tussen 60 en 65 jaar met die van bejaarden wordt een indicatie verkregen in welke mate het bereiken van de 65-jarige leeftijd de beroepsbevolking doet afnemen (zie tabel).

Beroepsbevolking in % van de totale bevolking voor enkele leeftijdsklassen (mannen)

Leeftijdsgroep

1960'

1971

50 -54

96,8

92,4 55 -59

93,4

86,5 60-64

80,7

73,5 65 jaar en ouder

19,9

12,5

' Exclusief personen met een gedeeltelijke Bron: CBS, Volkstelling 1960, 1971 werkweek.

Het moment van terugtrekking uit het arbeidsproces ligt voor de zelfstandigen meer gespreid dan voor de loontrekkenden, waarvoor de grens ter afsluiting van de werkzame periode grotendeels ligt bij de 65-jarige leeftijd. Een illustratie daarvan geeft onderstaande tabel, waarin de samenstelling van de beroepsbevolking ten tijde van de Volkstelling 1960 (voor 1971 zijn de gegevens niet beschikbaar) -onderscheiden naar enkele leeftijdsklassen -is opgenomen. Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Beroepsbevolking van mannen en vrouwen onderscheiden naarzelfstand'h gen en niet-zelfstandigen, voor enkele leeftijdsklassen (Volkstellingsgegevens 1960)

50-54

55-59

60-64

65-69

70-75

75 jaar jaar

laar

jaar

jaar

jaar

en ouder

Zelfstandigen (x 1000) Mannen

82,2

72,4

55,5

32,5

15,5

7,4 Vrouwen

7,8

7,7

5,8

3,2

1,5

0,9

Nietzel fs tan digen (x 1000) Mannen

209,3

175,3

123,7

26,5

7,9

2,4 Vrouwen

44,4

32,3

17,6

5,4

1,9

0,8

Bron: CBS

Zelfstandigen hebben in het algemeen meer vrijheid in het bepalen van het moment van terugtreding. Dit hangt onder meer af van hun financiële positie. Daarnaast geven faciliteiten van het ontwikkelings-en saneringsfonds aan kleine zelfstandigen mogelijkheden voor vervroegde terugtreding. Bovendien wordt het moment waarop men ophoudt zijn beroep uit te oefenen vaak bespoedigd door de generatiedruk. Deze is voor kleine zelfstandigen (met name in de landbouw) na 1960 echter geringer geworden door de gedaalde interesse van jongeren om in het bedrijf op te volgen. Daarentegen heeft het regelmatig optrekken van de AOW-uitkeringen waarschijnlijk de beëindiging van de beroepsuitoefening op of omstreeks de 65-jarige leeftijd bevorderd. Doordat de gegevens van de Volkstelling 1971 omtrent de aard van de door personen van 65 jaar en ouder verrichte werkzaamheden nog ontbreken, wordt volstaan met een globaal beeld te schetsen op grond van de gegevensvan de Volkstelling 1960. De aard van de beroepsarbeid van de bejaarden vertoont vrij grote afwijkingen van de in dit opzicht voor de totale beroepsbevolking geldende verhoudingen. Dit houdt uiteraard verband met de aanmerkelijk sterkere afvloeiing van personen in loondienst dan van zelfstandigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Van de mannelijke beroepsbevolking van 65 jaar en ouder was dan ook niet minder dan 60% bedrijfshoofd tegen slechts 18% van de totale beroepsbevolking (in 1971 respectievelijk 54% en 14%). Dit brengt mee dat het beroepenpatroon van werkende bejaarden in sterke mate wordt bepaald door dat van de zelfstandigen onder hen. Het beroepenpatroon van bejaarde bedrijfshoofden week in 1960 niet opvallend af van dat van alle bedrijfshoofden te zamen. Van hen was 42 % werkzaam als hoofd van een agrarisch bedrijf, 23% in de commerciële beroepen (overwegend winkeliers en detailhandel niet in winkels) en 18% in ambacht en industrie. De nog werkende vrouwen van 65 jaar en ouder waren voor zover bedrijfshoofd vooral winkelierster (43%), hoofd van een agrarisch bedrijf (16%) of van een dienstverlenend bedrijf, zoals pensionhoudster (20%). Van de bejaarde mannen in loondienst werkte ten tijde van de Volkstelling 1960 ca. de helft als arbeider in de sector ambacht en industrie. Bovendien waren zij sterk vertegenwoordigd in de sector leidinggevend personeel (directeuren VIs) in de commerciële sector, de agrarische sector en onder de dienstverlenende beroepen. Te zamen omvatten zij 35% van de in loondienst werkende bejaarde mannen tegen slechts 16% van de loon-en salaristrekkenden onder de gehele beroepsbevolking. In hoeverre de beroepsstructuur van bejaarden zich heeft gewijzigd vanaf 1960 valt door het ontbreken van de betreffende gegevens van de Volkstelling 1971 vooralsnog niet na te gaan. Slechts voor wat betreft de beroepsbevolking in de land-en tuinbouw zijn enige gegevens beschikbaar.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

In 1970 waren ca. 16000 bejaarden (grotendeels mannen) in de land-en tuinbouw werkzaam. Dit betekende in deze bedrijfsklasse in de periode 1960-1970 een teruggang met ca. 40%, terwijl de totale beroepsbevolking van 65 jaar en ouder met omstreeks 25% afnam. De bejaarde beroepsbevolking in de land-en tuinbouw bestond in 1970 voor driekwart uit zelfstandigen (1960 ruim 80%). De daling van het aantal bejaarden in deze sector dat deelnam aan het arbeidsproces had daardoor grotendeels betrekking op bedrijfshoofden.

Nr. 8. Enkele statistische gegevens In de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd in tabel VII, opgenomen op pag. 11, een overzicht gegeven van de aantallen ouderdomsuitkeringsgenietende personen van 65 jaar en ouder en de totale uitkeringsbedragen. Ten einde inzicht te geven in de sedertdien plaatsgevonden hebbende ontwikkeling volgt hieronder eenzelfde tabel met de nieuwe zo recent mogelijke gegevens. Volledigheidshalve zij vermeld dat in de gegevens van de be-drijfs-en ondernemingspensioenfondsen de pensioenen van weduwen boven 65 jaar niet, bij de overige uitkeringen wel zijn opgenomen.

Aantal uitkerings-

Totale jaarl ijkse genietenden l x 1000) uitkeringsbedragen (x f 1 min.)

1968

1973

1968

1973

Algemene Ouderdomswet

1006

1141

3905

8362 Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ambtenaren)

± 150

t 193

±850

± 1540 Bedrijfspensioenfondsen

203'

263'

132

246 Ondernemingspensioenfondsen

57'

70'

191

379 Ouderdomswet 1919

21 Invaliditeitswet

+ 650

+ 800

±90

± 100 Algemene Bijstandswet: 1. in tehuizen

86"

149

569" 2. zelfstandig wonenden

75"

92"

1 Waaronder dubbeltellingen.

of worden afgekocht -nog worden 2 Betreft ondernemingspensioenfondsen, gehonoreerd. waarvan de premiereserve eigen rekening " Bron: CBS-kwartaalstatistiek (aantallen f 1 000 000 of meer (1968) c.q.

eind 4e kwartaal), f 5 000 000 of meer (1973) bedraagt.

5 In verband met het ontbreken van 1 Het betreft hier de inmiddels gegevens met betrekking tot de leeftijd van geliquideerde Invaliditeitswet 1919, elders verzorgden zijn hier alleen bejaardenwaarvan de in het verleden opgebouwde oorden vermeld, aansprakenvoor zover deze niet zijn In de Nota Bejaardenbeleid 1970 (pag. 11, l.k.) werd gesteld, dat wegens het ontbreken van representatieve gegevens, geen scherp beeld van de financiële positie van de bejaarden kon worden gegeven. Daarbij werd melding gemaakt van de Volkstelling 1971, waarvan de resultaten ook voor de inkomenspositie van de bejaarden inzicht zou kunnen verschaffen. Helaas is in de verwerking van de gegevens van deze volkstelling vertraging opgetreden, zodat de resultaten -ook voor wat de bejaarden betreft -nog niet bekendzijn. De Nota Bejaardenbeleid 1970 stelde voorts dat de hoogte van het inkomen van grote invloed is op de omstandigheden, waarin bejaarden verkeren. Daarom werden de sociaal-economische omstandigheden van de bejaarden als één van de te onderzoeken onderwerpen genoemd. Bij onderzoek op dit terrein zouden onder meer de kenmerken van het consumptiepatroon dienen te worden bestudeerd.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

De mogelijkheid en wenselijkheid om een éénmalig budgetonderzoek uitsluitend gericht op bejaarden, te doen instellen is onder andere aan de hand van een proefonderzoek (uitgevoerd door het CBS) bestudeerd. Gezien echter de termijn van verwezenlijking van de resultaten voor te nemen beleidsbeslissingen en de kosten is besloten een zodanig budgetonderzoek niet te doen instellen. Echter, in 1976 of 1977 zal het Centraal Bureau voor de Statistiek starten met een zogenaamd continubudgetstatistiek, waarin de bejaarden als een aparte categorie zullen worden opgenomen. Hierdoor zal inzicht kunnen worden verkregen in de ontwikkeling van de bestedingspatronen van de huishoudens van bejaarden. Doordat ook andere categorieën dan bejaarden in het onderzoek betrokken zullen worden, is bovendien vergelijking daarvan met de categorie bejaarden mogelijk. Bedacht dient echter te worden, dat een budgetonderzoek slechts de wijze signaleert, waarop een gegeven inkomen besteed wordt. Wil men de voor een redelijk levensonderhoud noodzakelijke hoogte van bepaalde minimumuitkeringen vaststellen, dan zou vervolgens een normatief budget moeten worden opgesteld. Het opstellen hiervan is echter een zodanig arbitraire zaak, dat een verantwoorde uitkomst nauwelijks denkbaar is. Bovendien verkeren bejaarden in zeer diverse situaties. De mogelijkheden tot zelfverzorging variëren sterk, wat een even zo grote variatie in de kosten van levensonderhoud betekent en dus een even zo grote verscheidenheid in normatieve budgetten.

Nr. 9. Slotopmerkingen

Zoals uit het bovenstaande moge zijn gebleken, zijn er in de laatste jaren maatregelen van verschillende aard getroffen die tot resultaat hebben gehad, dat zowel de financiële positie van de huidige bejaarden als de vooruitzichten van hen, die nu nog tot de actieve beroepsbevolking behoren, aanmerkelijk zijn verbeterd. Deze verbeteringen, waarvan het optrekken van de netto AOW-uitkering tot het niveau van het nettominimumloon zeker niet in de laatste plaats genoemd moet worden, hebben ertoe geleid dat de situatie in Nederland, vergeleken met vele Westeuropese landen,zeer goed genoemd kan worden. Niettemin is hiermee de pensioensituatie niet voor alle categorieën bejaarden gelijkwaardig geworden. Met name bestaan ertussen zelfstandigen en werknemers nog steeds verschillen in mogelijkheden om pensioenvoorzieningen te treffen. De regering wil deze beschouwing over de inkomenspositie van bejaarden dan ook niet afronden zonder een atweging van de pensioenposities van zelfstandigen enerzijds en werknemers anderzijds. Daarbij zal de aandacht -behalve op de verschillen tussen de huidige bejaarden -vooral gericht zijn op de uiteenlopende mogelijkheden, die er voor zelfstandigen en werknemers bestaan om door middel van (al dan niet collectieve) voorzieningen een goed pensioen opte bouwen. Daarbij valt op, dat beide categorieën een sterke overeenkomst vertonen in die zin, dat zowel bij zelfstandigen als bij werknemers een grote diversiteit in pensioensituaties bestaat. Deze verschillen worden, globaal genomen, veroorzaakt door het al of niet (gedeeltelijk) waardevast of welvaartsvast zijn van het pensioen, de verhouding tot het inkomen en de looptijd van de voorzieningen, die mede bepalend is voor de pensioenrechten, die men opgebouwd kan hebben. In het volgende zal hiervan eerst een beeld worden geschetst voor de werknemers en vervolgens voor de zelfstandigen.

Werknemers

De werknemers kunnen naar hun pensioensituatie worden onderscheiden in de volgende categorieën.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

A. Degenen, die vallen onder een van de bij de wet voor ambtenaren, militairen en spoorwegpersoneel getroffen pensioenvoorzieningen Ca. 20% van de werknemers valt onder bedoelde regelingen. Deze zijn naar hun niveau als goed aan te merken. De hoogte van het ouderdomspensioen voor het overheidspersoneel wordt vastgesteld aan de hand van een drietal factoren te weten: 1°. de middelsom van berekeningsgrondslagen; 2°. diensttijd; 3°. het tarief. De middelsom van berekeningsgrondslagen komt neer op het gemiddelde salaris van de twee kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van pensionering. Het tarief houdt in dat voor elk dienstjaar -tot een maximum van 40 jaren -het pensioen 13/4% van vorenbedoelde middelsom bedraagt. Het maximumpercentage bedraagt dus 70. Indien de middelsom beneden een bepaald niveau blijft dan wordt voor een deel van deze middelsom een percentage aangehouden van 2. Op het aldus berekende ouderdomspensioen wordt een deel van het pensioen, waarop aanspraak bestaat krachtens de Algemene Ouderdomswet gekort: de zogenaamde inbouw. Het AOW-pensioen wordt, voor zover het geacht kan worden betrekking te hebben op de ambtelijke diensttijd, aangemerkt als een deel van het overheidspensioen. Aangezien het systeem van de AOW is, dat het AOW-pensioen wordt opgebouwd in 50 jaren (van 15e tot 65e jaar) a 2% wordt per dienstjaar 2% van het AOW-pensioen ingebouwd hetgeen bij een maximumpensioen van 40 jaren neerkomt op een korting van maximaal 40 x 2% = 80% van het AOW-pensioen. Het totale pensioeninkomen bij een diensttijd van 40 jaren is dan ook hoger dan 70% van het ambtelijk inkomen als gevolg van het vrijlaten van 20% van het AOW-pensioen. Waar deze 20% van het AOW-pensioen voor iedere gepensioneerde gelijk is, is het percentage waarmede het maximum van 70% wordt overschreden hoger naarmate het ambtelijke salaris lager is. Over 1973 bedroegen de gemiddelde uitbetaalde pensioenbedragen (ex-clusief AOW):

voor ambtenaren (ABP)

f 8780 voor militairen

f 10380 voor spoorwegpersoneel

f 6840

B. Werknemers, die deelnemen in een bedrijfs-of ondernemingspensioen-regeling Deze regelingen variëren -voor wat het niveau betreft -van regelingen, welke vergelijkbaar of nagenoeg vergelijkbaar zijn met de onder A. bedoelde voorzieningen, tot regelingen, welke slechts geringe pensioenbedragen opleveren. Dikwijls wordt de omvang van het ouderdomspensioen uitgedrukt in of afgeleid van een percentage -veelal gelegen tussen V2 en 13/4-van het jaarloon, betrekking hebbend op de volle diensttijd, dan wel van het jaarloon betrekking hebbend op de laatste 3, 5 of 10 jaren of zelfs van het laatstgenoten jaarloon, een en ander vermenigvuldigd met het aantal deelnemersjaren. Daarbij wordt bij een lage procentuele pensioenopbouw als regel geen of slechts een bescheiden franchisebedrag in verband met de AOW-uitkering op he'. jaarloon in mindering gebracht; naarmate de procentuele pensioenopbouw hoger is, wordt in het algemeen een hogere franchise in aanmerking genomen. Over het geheel bezien leiden de ondernemingspensioenregelingen tot hogere pensioenen dan de bedrijfspensioenregelingen. Ongeveer 30% van de werknemers neemt deel in een bedrijfspensioenfonds. Door de bedrijfspensioenfondsen werd over 1973 een gemiddeld bedrag aan ouderdomspensioen uitbetaald van f 935. In ondernemingspensioenregelingen, welke zijn ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds, wordt door circa 10% van de werknemers Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

deelgenomen. Over 1973 bedroeg het gemiddeld door ondernemingspensioenfondsen uitbetaald bedrag aan ouderdomspensioen f 5420. Daarnaast neemt een groot aantal werknemers deel in en ontvangen vele bejaarden een pensioen uit hoofde van een ondernemingspensioenregeling, welke niet is gerealiseerd door middel van een fonds, doch door met verzekeringsmaatschappijen of op basis van de Ouderdomswet 1919 gesloten verzekeringsovereenkomsten, dan wel -na verkregen ontheffing ingevolge de Pensioen-en spaarfondsenwet -door de werkgever in eigen beheer wordt gehouden. Het overgrote deel van de bedrijfs-en ondernemingspensioenregelingen is van te recente datum -het particuliere pensioenwezen is eerst in de jaren sedert de tweede wereldoorlog meer daadwerkelijk tot ontwikkeling gekomen -om voor de huidige postactieve werknemers reeds tot een volledige pensioenopbouw te hebben kunnen leiden.

C. Werknemers, voor wie geen aanvullende, uit hun dienstbetrekking voortvloeiende pensioenvoorziening geldt Voor vele werknemers geldt naast de regeling ingevolge de AOW geen van bovengenoemde aanvullende pensioenvoorzieningen. Onbekend is hoevelen van hen zelf op een andere wijze voorzieningen treffen met het oog op een postactief inkomen naast het AOW-pensioen (bij voorbeeld lijfrenteverzekeringen, vermogensvorming).

Zelfstandigen

Voor zelfstandigen bestaan er de volgende mogelijkheden tot het treffen van pensioenvoorzieningen:

A. Individuele

pensioenvoorzieningen Deze komen het meest voor en wel in de vorm van lijfrenteverzekeringen. Zij zijn niet waardevast, waardoor in de regel de uitkeringen relatief niet hoog zijn.

B. Beroepspensioenregelingen De eerste beroepspensioenregelingen werden in de loop van 1973 verplicht gesteld. Hoewel -zoals boven reeds werd opgemerkt -door bedoelde regelingen ook voor oudere beroepsgenoten, die de pensioenleeftijd reeds naderen, nog pensioenvoorzieningen konden worden gecreëerd, zal een meer volledig effect van deze nog recente regelingen zich pas op langere termijn doen gelden. Door circa 3% van de actieve zelfstandigen wordt thans deelgenomen in een beroepspensioenregeling.

C. Bedrijfspensioenfondsen Ongeveer 3% van de actieve zelfstandigen is in een bedrijfspensioenfonds opgenomen. Indien in een bedrijfstak voor werknemers een bedrijfspensioenvoorziening geldt, kan de deelneming daarin namelijk mede worden opengesteld voor zelfstandigen. Dit is tot dusver geschied in de metaalnijverheid, de bouwnijverheid, het schildersbedrijf en de houthandel. De bij de betreffende fondsen voor zelfstandigen geldende pensioenvoorwaarden zijn vergelijkbaar met die, welke voor werknemers van kracht zijn. Uit het vorenstaande blijkt, dat slechts een relatief gering aantal actieve zelfstandigen aan een collectieve pensioenregeling deelneemt. Dit geldt des te meer voor de huidige bejaarde zelfstandigen, gezien het feit, dat de beroepspensioenregelingen van recente datum zijn. Door het ontbreken van cijfers is het moeilijk een juiste schatting te maken van het aantal zelfstandigen, dat een individuele pensioenregeling heeft getroffen. Voor een juiste afweging van de pensioensituatie van werknemers en zelfstandigen is het echter niet voldoende om -voor wat de zelfstandigen betreft -uitsluitend de deelname in specifieke pensioenregelingen in de beschouwing te betrekken. Immers, het is gebruikelijk, dat veel zelfstandigen Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

de investering in hun winkel, bedrijf of praktijk beschouwen als de basis voor hun inkomen na beëindiging van hun beroeps-of bedrijfsuitoefening, dat wil zeggen erop rekenen dat zij met de opbrengst van overdracht of liquidatie van bedrijf of praktijk zich een aanvullend inkomen voor de oudedag kunnen verwerven. Dit verschijnsel wordt mede veroorzaakt door de onmogelijkheid voor vele zelfstandigen om gedurende hun actieve periode een aanzienlijke som gelds aan hun bedrijf te onttrekken als reservering voor een pensioen. Gezien het bij uitstek individuele karakter van dit verschijnsel is het verklaarbaar, dat kwantitatieve gegevens hierover ontbreken. De regering ondersteunt deze vorm van pensioenvoorziening door middel van de wet inhoudende de regeling van de fiscale oudedagsreserve voor zelfstandigen. Zoals reeds eerder is uiteengezet in dit hoofdstuk maakt deze regeling het mogelijk, dat zelfstandigen een pensioenreserve opbouwen zonder dit geld aan hun bedrijf te behoeven onttrekken. Toch moet hierbij aangetekend worden dat deze vorm van pensioenvoorziening zekere risico's inhoudt. De zekerheid, dat op het moment van bedrijfsbeëindiging de opbrengst zo groot is als waarop men gerekend had of voldoende is voor een adequaat inkomen na de pensionering is afhankelijk van structurele en conjuncturele omstandigheden van de economie op dat moment. De wens of zelfs de noodzaak zoveel mogelijk geld in eigen bedrijf te investeren is naar de mening van de ondertekenaars tevens één van de belangrijkste oorzaken voor de geringere belangstelling voor collectieve specifieke pensioenregelingen. Daarbij komt nog, dat vaste premies -gezien de variatie, die in de jaarlijkse bedrijfsresultaten kunnen voorkomen -voor veel zelfstandigen bezwaarlijk kunnen zijn. Uiteraard gelden ook hier de algemene moeilijkheden, die gepaard gaan met invoering van collectieve pensioenregelingen. Het is zelfs niet ondenkbaar, dat voor zelfstandigen deze moeilijkheden versterkt worden, doordat hun onderlinge verhoudingen -meer dan bij werknemers het geval zal zijn -eerder door hun concurrentiepositie dan door hun solidariteitsgevoel gekenmerktzijn. De geringe deelname in collectieve regelingen voor zelfstandigen houdt op zich dan ook niet in, dat de pensioensituatie voor de huidige zelfstandigen slecht is. Voor velen van hen is de oudedagsvoorziening beter dan uit de officiële regelingen blijkt. Voor zelfstandigen en werknemers, die een inkomen hebben ter hoogte of in de buurt van het minimumloon en die geen aanvullende pensioenvoorziening hebben, is de pensioensituatie gelijk. Nu de netto gehuwden AOW-uitkeringerrhet niveau hebben bereikt van het netto minimumloon voor gehuwden zonder kinderen, krijgen zij een pensioen, dat gelijk of slechts weinig lager is dan hun laatstgenoten netto inkomen. Beziet men dit in het kader van de huidige norm, dat een goede pensioenvoorziening inclusief AOW-uitkering 70% van het laatstgenoten bruto inkomen moet zijn, dan kan geconcludeerd worden, dat voor deze groep in die zin eigenlijk geen pensioenprobleem bestaat. Een definitieve oplossing van het pensioenvraagstuk voor werknemers, waarnaar in het bedrijfsleven wordt gestreefd -in de vorm van een algemeen pensioen, dat, inclusief AOW, 70% van het laatstgenoten brutoloon zal bedragen en waardevast zal zijn -wordt door de ondertekenaars van deze nota van zeer groot belang geacht. Naar hun oordeel dient aan de verwezenlijking van een dergelijke pensioenregeling grote prioriteit te worden gegeven. Hoewel voor zelfstandigen een eindoplossing van het pensioenvraagstuk in deze vorm nog niet in zicht is, ligt -mede door de verbeterde mogelijkheden om zowel collectief als individueel pensioenvoorzieningen te treffen -de weg open naar een met die van werknemers meer vergelijkbare pensioenpositie.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

B. MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN OUDEREN Nr. 1. Flexibele, geleidelijke en vervroegde pensionering Tijdens de behandeling van de Nota Bejaardenbeleid 1970, waarin aandacht werd besteed aan enkele vormen van pensionering, werd de toezegging gedaan de verschillende aspecten van één en ander aan een studie te onderwerpen. Het betrof hier met name flexibele, geleidelijke en vervroegde pensionering.

1. Flexibele pensionering

Hoe langer hoe meer komt de laatste jaren de gedachte naar voren, dat aan het individu de keuze moet worden gelaten om zelf -binnen bepaalde grenzen -het tijdstip van zijn pensionering te bepalen. De achtergrond van deze gedachte is, dat een collectief geldende pensioengerechtigde leeftijd te weinig rekening kan houden met de wensen van het individu. Een dergelijke keuze tot eerdere dan wel latere pensionering noemt men flexibele pensionering. Er kan naar onze mening alleen gesproken worden van flexibele pensionering, wanneer de mogelijkheid tot het maken van de keuze om al dan niet te blijven werken aanwezig is. Hieronder kunnen ook de gevallen gerekend worden waarin het werk (al of niet om gezondheidsredenen) zwaar valt en waar een eerder pensioen verlichting kan brengen maar geen dwingende noodzaak is. Echter, het sluit de gevallen uit waarin men noodgedwongen eerder moet ophouden met werken, bijvoorbeeld bij beroepen waarin een functioneel leeftijdsontslag geldt of waar de gezondheidstoestand tot volledige arbeidsongeschiktheid leidt.

Bij de invoering van een flexibele pensioneringsleeftijd zou in theorie gedacht kunnen worden aan toepassing daarvan ten aanzien van: -alleen de naast de AOW bestaande aanvullende pensioenvoorzieningen; -alleen de AOW-pensioenen; -het AOW-pensioen met de aanvullende pensioenen tezamen. Het gemiddelde pensioen krachtens de aanvullende bedrijfspensioenregelingen bedroeg in 1973 ca. f935 (zoals in par. 9 vermeld). Het is niet aannemelijk dat in de reële hoogte van dit bedrag de laatste jaren substantiële verbetering is opgetreden. Gezien dit gemiddelde bedrag is het evident, dat de invoering van een flexibele pensioneringsleeftijd alleen ten aanzien van het aanvullende pensioen niet tot de mogelijkheden behoort. Met betrekking tot het AOW-pensioen is reeds in de Nota Bejaardenbeleid 1970 opgemerkt, dat het invoeren van een variabele pensioneringsleeftijd in de AOW noch uit uitvoeringstechnisch noch uit financieel oogpunt een eenvoudige zaak is. Bij een nadere bezinning op de invloed van flexibele pensionering op de AOW komen de volgende implicaties als belangrijkste naar voren: a. Allereerst rijst de vraag hoe hoog het ouderdomspensioen ingevolge de AOW zou moeten zijn bij vrijwillige pensionering vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Wordt er in die gevallen geen korting op het AOW-pensioen toegepast dan lijkt het waarschijnlijk dat massaal van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat dit tot ernstige consequenties in de premiesfeer zou leiden. Immers het aantal pensioengerechtigden neemt dan toe, terwijl het aantal actieven (premiebetalers) sterk zou afnemen. Sterke verzwaring van de socialepremiedruk wordt thans echter onwenselijk geacht. Bovendien is het mogelijk dat velen het als onrechtvaardig zullen ervaren wanneer bij vervroegde pensionering de AOW-uitkering even hoog zou zijn als bij pensionering op latere leeftijd. Een korting op het AOW-pensioen bij flexibele pensionering ligt dan ook gezien het vorenstaande in de rede. Denkbaar zou zijn een korting toe te passen overeenkomende met het opbouwsysteem van de AOW, i.c. 2% per jaar eerdere pensionering. Een der-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

gelijk systeem zou echter in vergelijking met het huidige meer kosten met zich brengen, aangezien niet alleen de uitkeringsduur van het pensioen langer wordt, maar ook de bijdrageduur (de actieve periode) wordt verkort. Dit zal leiden tot stijging van de AOW-premie. Een ander systeem zou zijn, uitgaande van een neutrale financiering, een berekening van de korting door zowel rekening te houden met de vermeerdering van het aantal pensioenjaren als met de vermindering van de actieve periode. Een dergelijke methode zou tot de volgende aanzienlijke kortingen leiden: bij pensionering op 64-jarige leeftijd ca. 7% en bij pensionering op 63-jarige leeftijd ca. 12%. De AOW-premie zou bij deze laatste methode geen wijzigingen behoeven te ondergaan. Uitgaande van deze methode zou in elk geval van latere pensionering op bij voorbeeld 66-jarige leeftijd c.q. 67-jarige leeftijd het AOW-pensioen met ca. 7% resp. met 14% kunnen worden verhoogd, b. Een ander belangrijk punt, dat bij vrijwillige vervroegde pensionering de aandacht verdient, is de vraag of er voor vervroegd gepensioneerden een arbeidsverbod moet worden ingesteld of dat op het (verlaagde) vervroegd pensioen de arbeidsinkomsten (wellicht gedeeltelijk) in mindering moeten worden gebracht. Een arbeidsverbod kan naar onze mening moeilijk in overweging worden genomen. Er bestaat namelijk thans voor de gepensioneerden ook geen enkele belemmering om beroepsarbeid te verrichten. Voor een korting van de arbeidsinkomsten op het vervroegde pensioen geldt hetzelfde. Het komt in het huidige systeem van ouderdomsvoorziening niet voor. Bovendien zou controle op het deelnemen aan beroepsarbeid door vervroegd gepensioneerden zeer lastig, zo niet ondoenlijk zijn en allerlei ongewenste situaties -creëren. Eén en ander betekent dat het voor kan komen, dat vrijwillig vervroegd gepensioneerden in loondienst werkzaam zullen zijn. De vraag rijst of in dergelijke gevallen op de vervroegd gepensioneerden de verschillende sociale verzekeringswetten van toepassing moeten zijn. Uit een oogpunt van concurrentie op de arbeidsmarkt dient deze vraag zonder meer bevestigend te worden beantwoord. Zouden zij niet verzekerd zijn dan zouden voor hen en door hen ook geen premies voor de diverse sociale verzekeringswetten behoeven te worden betaald, waardoor hetfinancieel aantrekkelijk zou zijn om vervroegd gepensioneerden in dienst te hebben. Zij zouden dan in een gunstiger arbeidsmarktpositie komen te yerkeren dan onder meer hun niet vervroegd gepensioneerde leeftijdsgenoten. Het ligt dan in de lijn dat ook op vervroegd gepensioneerden die daarnaast nog werken de sociale verzekeringswetten van toepassing zijn. Dit zou ook betekenen dat vrijwillig vervroegd gepensioneerden wel aan premieheffing worden onderworpen en dat zij in voorkomend geval onder andere aanspraak op een uitkering ingevolge de WW, WWV, ZWen WAO kunnen maken. Echter de huidige wetgeving gaat ervan uit dat bij de aanvang van het AOW-pensioen de aanspraken uit andere sociale verzekeringswetten in het algemeen een einde nemen. Daarbij is de pensioengerechtigde leeftijd in de AOW van 65 jaar een vast gegeven. Wanneer in dit gegeven flexibiliteit zou worden aangebracht zou ter wille van de coördinatie diezelf-de flexibiliteit in de andere wetten die hierbij aansluiten moeten worden gebracht. Dit zou een belangrijke ingreep betekenen. Het is wel duidelijk, dat het huidige systeem van coördinatie met alsdraaipunt de 65-jarige pensioenleeftijd in strijd zou zijn met het hierboven gestelde, namelijk, dat vervroegd gepensioneerden, die na hun pensionering in loondienst zouden blijven, vanwege de concurrentiepositie op de arbeidsmarkt verzekerd zouden moeten blijven ingevolge de diverse sociale verzekeringswetten. Uit het vorenstaande moge genoegzaam zijn gebleken, dat een inbouw van een variabele pensioenleeftijd in het bovenstaande sociale verzekeringsstelsel een zeer gecompliceerde zaak zou zijn.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Bij de invoering van een flexibele pensioneringsleeftijd zowel voor het AOW-pensioen als de aanvullende pensioenen zullen zich uiteraard ook de hiervoor aangegeven moeilijkheden en bezwaren voordoen, c. Ervan uitgaande, dat in geval van vrijwillige vervroegde pensionering er een korting op het ouderdomspensioen wordt toegepast, rijst onmiddellijk de vraag of degenen, die daarnaast geen of nauwelijks neveninkomsten hebben, vooreen aanvulling ten laste van de Algemene Bijstandswet in aanmerking kunnen komen. Dit zou weleens een groter beroep op de ABW tot gevolg kunnen hebben met alle financiële gevolgen daaraan verbonden. Maar bovendien zou een systeem dat ertoe zou kunnen leiden dat juist de financieel zwakkere bejaarden, die naast het AOW-pensioen geen of zo goed als geen neveninkonv sten hebben, onder het minimum van de volle AOW zouden komen, in strijd zijn met de doelstelling van de AOW. Resumerend kan ten aanzien van het vraagstuk van flexibele pensionering worden gesteld, dat een mogelijkheid daartoe op zich genomen zeker positieve kanten heeft. Uit het vorenstaande moge echter wel blijken, dat de moeilijkheden, die zouden moeten worden opgelost talrijk en groot zijn. Het lijkt derhalve moeilijk, mede omdat een bevredigend pensioenniveau op 65-jarige leeftijd thans nog verre van gemeengoed is, een systeem met een variabele pensioenleeftijd op korte termijn te verwezenlijken. Het perspectief op wat langere termijn zal uiteraard mede bepaald worden door de ontwikkeling ter zake van een aanvullende pensioenvoorziening voor het bedrijfsleven. 2. Geleidelijke pensionering Bij een systeem van geleidelijke pensionering gaat het om een fasegewijze verkorting van de arbeidstijd, gepaard gaande met een evenredige vervanging van inkomen uit arbeid door een uitkering. Een dergelijk systeem betekent niet alleen een verlichting van de dagelijkse arbeid maar biedt tegelijkertijd de oudere werknemers de mogelijkheid zich geleidelijk op de pensionering (meer vrije tijd) voor te bereiden. Veel van de hierboven met betrekking tot flexibele pensionering gesignaleerde problemen zullen zich in grote lijnen eveneens bij geleidelijke pensionering voordoen. Daarnaast spelen hier ook nog problemen van bedrijfsorganisatorische aard. Ten aanzien van geleidelijke pensionering moet dan ook dezelfde conclusie getrokken worden als ten aanzien van flexibele pensionering, namelijk dat op de korte termijn dit systeem moeilijk op grote schaal te verwezenlijken is. Niettemin is in sommige bedrijven c.q. bedrijfstakken een aanzet gegeven tot deze vorm van pensionering (bij voorbeeld in de grafische industrie, de havenbedrijven van Amsterdam en Rotterdam).

3. Vervroegde pensionering

Een algehele verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd zou niet alleen financieel grote moeilijkheden opleveren, zoals in het bovenstaande in verband met flexibele pensionering al is aangegeven, maar ook zal er in een dergelijk systeem evenals nu een vaste pensioenleeftijd zijn, waardoor met individuele behoeften geen rekening kan worden gehouden. Met name diegenen die nu niet eerder op zouden willen houden met werken zouden een (gedwongen) vervroegd pensioen zeker niet toejuichen. Deze vorm van pensionering lijkt, vergeleken met een systeem waarbij men zelf het tijdstip van pensionering kan bepalen dan ook een weinig aantrekkelijk alternatief voor het huidige systeem. Zoals in het bovenstaande reeds is aangegeven zal het moeilijk zijn op de korte termijn één van de drie besproken pensioenvormen te verwezenlijken. In verband met de mogelijkheden op langere termijn stelt het Kabinet zich voor overleg met het bedrijfsleven te voeren. Tevens is in de onlangs verschenen Nota inzake de Werkgelegenheid (februari 1975) aangekondigd dat Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

vervroegde pensionering op basis van vrijwilligheid door een drietal deskundigen nader zal worden bestudeerd.

Nr. 2. Andere maatregelen voor ouderen De omstandigheid dat een systeem van flexibele of geleidelijke pensionering op de korte termijn niet (op grote schaal) te verwezenlijken is, betekent niet dat de regering geen bijzondere aandacht zou willen schenken aan de oudere actieven, die in een moeilijke positie kunnen verkeren. Met het ouder worden gaat de last van de arbeid voor velen sterker drukken. Hierbij doen zich individueel grote verschillen voor. Het vinden van oplossingen voor deze problematiek vereist echter naar de mening van de regering bestudering en afweging in een ander kader. Ten eerste is het duidelijk dat oplossingen slechts in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven kunnen worden gevonden en verwezenlijkt. Ten tweede komen bij deze problematiek tal van vragen met betrekking tot de arbeidsverdeling en -organisatie, de arbeidsvoorwaarden en "Omstandigheden, de arbeidsmarkt en de sociale verzekeringen naar voren. De regering acht daarom behandeling van deze vraagstukken in het kader van de Nota Bejaardenbeleid niet wenselijk. Enerzijds zou de aandacht van de in deze nota primair aan de orde zijnde situatie van bejaarden worden afgeleid, anderzijds zou onvermijdelijk aan de complete problematiek van de oudere actieven geen recht kunnen worden gedaan. Volstaan moge worden op deze plaats te verwijzen naar de thans van kracht zijnde sociale verzekeringen. In tal van gevallen kan voor de oudere werknemer voor wie de arbeid een te zware belasting is geworden via Ziektewet en WAO een oplossing worden gevonden. Te zijner tijd zal de AAW hier soelaas kunnen bieden aan andere categorieën werknemers. Daarnaast mag worden gewezen op de taak van de bedrijfsgeneeskundige diensten met betrekking tot het opsporen van gevallen waarin oudere werknemers aan een te grote belasting blootstaan en het adviseren van maatregelen om deze belasting te verminderen. Ter verbetering van de financiële positievan de oudere langdurig werkloze werknemer, wiens kansen op werk wegens zijn leeftijd gering zijn te achten, gaan de gedachten uit naar verlenging van de uitkeringsperiode van de Wet Werkloosheidsvoorziening. In dit verband wordt een verlenging van de WWV-uitkeringsperiode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd overwogen. Aan de SER is in september 1974 onder andere over dit punt advies gevraagd. In april 1975 bracht de SER een positief advies uit, in die zin dat werklozen, die bij het verstrijken van de WWV-uitkeringsperiode 60 jaar of ouder zijn, recht hebben op een WW-uitkering tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

HOOFDSTUK V. HUISVESTING VAN BEJAARDEN A. ASPECTEN VAN DE WOONSITUATIE Alvorens in te gaan opde voor bejaarden getroffen of te treffen maatregelen is enig inzicht in de huidige woonomstandigheden niet overbodig. Momenteel kan in dit verband geen totaaloverzicht van de woonsituatie der Nederlandse bejaarden worden geboden. Naar verwachting zal het landelijk onderzoek naar de leefsituatie van bejaarden, waarvoor aan het CBS opdracht is verstrekt, een meer compleet inzicht kunnen geven. Op basis echter van grondmateriaal van het Leefsituatie survey dat in opdracht van het Sociaal en Cultureel Planbureau door het CBS in 1974 werd uitgevoerd, zijn althans indicaties voorhanden ten aanzien van: -ouderdom van de woning (tabel 1); -mate waarin wordt ingewoond en kwaliteit van de woning (tabel 2);

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

-woonverdieping en aanwezigheid van een lift (tabel 3 en 4); -satisfactie met de woonsituatie (tabel 5 en 6); -aantal vertrekken in de woning (tabel 7). In deze tabellen komt het specifieke van de situatie der bejaarden door vergelijking met andere leeftijdsgroepen tot uiting.

Nr. 1. Ouderdom van de woning

Tabel 1. Leeftijd, naar type woonsituatie en ouderdom van de woning, per leeftijdsgroep gepercenteerd

Leeftijds-

Totaal %

Eengez inswoning

Etagewoning

Overige woon--1919

1919-'44

na 1944

-1919

1919-'44

na 1944

situaties

4+ lager

5+ hoger

18-24

100

2025 34

100

9 35-44

100

6 45-54

100

8 55-64

100

1265 74

100

23 75 en ouder

100

45 Totaal %

100

8,5

16,1

39,6

3,1

5,4

11,8

1.7

13,8 Totaal absoluut

4807

405

777

1906

147

257

570

664

Conclusie Terwijl van alle volwassen Nederlanders van 18 jaar en ouder 11,6% in een woning van vóór 1919 woont, is dat voor de leeftijdsgroep 65-74 jaar 14% en voorde leeftijdsgroep 75 jaar en ouder 15%. In dat opzicht lijkt de situatie voor de bejaarden minder gunstig. Indien we de woningen uit de periode 1919-1944 bekijken, dan leeft daarin 21,5% der volwassen Nederlanders, maar 34% van de groep tussen 65 en 74 jaar en 23% van de groep van 75 jaar en ouder. Terwijl van alle volwassen Nederlanders 53,1 % in woningen van na 1944 woont, is dat van de groep 65-74 jaar slechts 29% en van de groep 75 jaar en ouder slechts 17%.

Nr. 2. Kwaliteit van de woning Tabel 2. Leeftijd van hoofdbewoners en inwonenden naar bouwtechnische toestand van de woning, per leeftijdsgroep gepercenteerd

Leeftijd

Totaal %

Hoofdbewoners

Inwoner iden

goed

matig

slecht

goed

matig

slecht

18-19

100

1 20-24

100

2 25-29

100

1 30-34

100

0 35-39

100

0 40-44

100

0 45-49

100

0 50-54

100

0 55-59

100

0 60-64

100

1 65-69

100

0 70-74

100

1 75 en ouder

100

Totaal

4693

3167

1072

199

152

24100%

67,4%

22,8%

4,2%

3,3%

1,7%

0,6%

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Op basis van het oordeel der enquêteurs en geënquêteerden is bij hoofdbewoners en inwonenden de kwaliteit in bouwtechnische zin ingedeeld in drie categorieën: 1. Woning is van goede kwaliteit of in ieder geval te verbeteren (goed). 2. Woning is van matige kwaliteit, maar nog wel te verbeteren/geen oordeel mogelijk/onbekend (matig). 3. Te vervangen woning (slecht).

Conclusie Van de totale steekproef woont 24,5% in een matige woning en 4,8% in een slechte woning. Van de leeftijdsgroep 65-69 woont 15% matig en 3% slecht, dus in vergelijking relatief gunstig. Van de leeftijdsgroep 70-74 woont 25% matig en 4% slecht, dus een ongeveer gelijke verdeling als in de totale volwassen bevolking. Anders ligt het bij de oudste leeftijdsgroep 75 en ouder. Hiervan woont 30% matig en 5% slecht, in vergelijking met de totale bevolking dus minder gunstig. Terwijl van de totale steekproef 5,6% inwonend is, ligt dat voor bejaarden iets meer ongunstig, namelijk 6% (65-69), 4% (70-74) en 9% (75 en ouder). Al lijkt de situatie voor de meeste bejaarden in dit opzicht mee te vallen, toch moet men beseffen, dat een matige of slechte woning vooreen bejaar-de meer moeilijkheden met zich brengt dan voor een niet bejaarde.

Nr. 3. Woonverdieping, lift

Aan alle respondenten werd gevraagd 'waar is het hoofdvertrek gelegen en heeft u een lift'? Vooral voor bejaarden is dit een belangrijke zaak.

Tabel 3. Plaats van het hoofdvertrek, naar bezit lift, voor bewoners van 65 t/m 74 jaar

Plaats van

Totaal

Lift

Géén lift hoofdvertrek

absoluut %

absoluut %

absoluut %

Souterrain + begane grond

293

100

0,3

292

99,7 1 t/m 4 etages

100

100

79 5 etages of hoger

100

100

--geen antwoord

100

100

Totaal

401

100

7,2

372

92,8

Tabel 4. Plaats van het hoofdvertrek naar bezit lift voor bewoners van 75 jaar en ouder

Plaats van

Totaal

Lift

Géén lift hoofdvertrek

absoluut %

absoluut %

absoluut %

Souterrain + begane grond

130

100

-

-

130

100 1 t/m 4 etages

100

68 5 etages of hoger

100

100

-geen antwoord

100

--

100

Totaal

202

100

9,5

183

90,5

Conclusie De situatie van bejaarden, woonachtig op de eerste t/m vierde etage kan zorgelijk zijn, indien een lift ontbreekt. Van de 150 geënquêteerden, in deze situatie, hebben er slechts 37 een lift, dat wil zeggen 24,6%. Hier is weinig aan te doen. In het verleden werden flatgebouwen tot een bepaald aantal etages in het algemeen zonder lift gebouwd.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Nr. 4. Woonsatisfactie

Op basis van de vraag 'in welke mate bent u tevreden met uw woonsituatie' werd woonsatisfactie gemeten.

Tabel 5. Leeftijd en satisfactie, per leeftijdsgroep gepercenteerd

Leeftijd

Totaal

Buiten-

Zéér

Tevreden

Tamelijk

Niet zo %

gewoon tevreden

tevreden

tevreden

tevreden

18-24

100

1225 34

100

1235 44

100

8 45-54

100

8 55-64

100

9 65-74

100

4 75 en ouder 100

Totaal absoluut

4631

712

1452

1482

558

427 (in %)

(100)

15,3

31,5

32,1

9.1

Conclusie Oudere mensen zijn méér tevreden dan jongeren met hun woning, hoewel de grote meerderheid van de totale bevolking al opvallend tevreden met de woning is. Er ligt natuurlijk een relatie tussen type woonsituatie en woonsatisfactie, zie tabel 6 hieronder.

Tabel 6. Satisfactie met woonsituatie, naar type woonsituatie en ouderdom woning, per woonsituatie gepercenteerd

c wen

Mate van

Totaal

Eengez inswoning

Etagewoi ïing

?

a ff o tevredenheid

%

" §

"o. c > -1919

1919-

na

-1919

1919-

na 1944

ai

b -o 0J

Tl c 1944

1944

1944

Badrijfs Tehuis/ inrichti Bej.

w. comple Wooncc voor

sti werken Inwone

M t/m 4 et. 5 of hoger

Ander

Buitengewoon

15,5

17 Zeer

31,5

17 Tevreden

32,0

26 Tamelijk tevreden 12,0

17 Niet zo tevreden

9,0

23 Percentage

100

100

100

100

100

100

10010

100 100 100 100 100 100

Totaal absoluut

4631

393

751

1847

141

241

557

139

17241

Conclusie Daartehuizen en inrichtingen voor79% en bejaardenwoningcomplexen voor het grootste deel door bejaarden worden bewoond kunnen we de tevredenheid met hun woonsituatie vergelijken met die in tabel 5. Dat wil zeggen vergelijking van de woonsatisfactie van alle bejaarden met die van 'intramurale' bejaarden. In beide gevallen is omstreeks 55% buitengewoon of zeer tevreden. Het percentage 'niet zo tevreden' in tehuizen (11%) is duidelijk hoger dan in bejaardenwoningen (5%) en ook duidelijk hoger dan het percentage bij de twee oudste groepen in tabel 5.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Nr. 5. Omvang van de woning

Tabel 7. Aantal vertrekken, inclusief keukens, en leeftijd van de hoofdbewoner

Aantal vertrekken

20-34

35-49

50-64

65 en ouder

Totaal

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

1 en 2

1.7

0,5

0,8

2,2

214

1.2 3

212

5,2

152

3,0

281

5,6

585

15,6

1230

6,7 4

686

16,8

547

10,3

824

16,5

810

21,6

2867

15,7 5

1982

48,4

2352

42,0

1948

38,6

1116

30,0

7398

40,5 6

808

20,0

1512

28,0

1157

22,5

698

18,6

4175

22,7 7 en meer

313

7,7

874

16,0

793

16,0

450

12,0

2430

13,2

Totaal

4068

100

5462

100

5043

100

3741

100

18314

100

Bron: Woningbehoefte onderzoek 1970

Conclusie Van de bejaarden bewoont een duidelijk groter deel, 17,8%, een kleine woning, dat wil zeggen 1 t/m 3 kamers (inclusief keuken), dan enig andere leeftijdsgroep. Daar in hun geval de gemiddelde gezinsgrootte ook duidelijk kleiner zal zijn, is hun achterstand kleiner dan op het eerste gezicht lijkt.

B. VOORZIENINGEN OP HET GEBIED VAN DE HUISVESTING Nr. 1. Differentiatie in de bejaardenhuisvesting De bejaarden vormen allerminst een homogene groep. Ten aanzien van de huisvesting lopen hun wensen en behoeften sterk uiteen. Het bejaard worden brengt zowel lichamelijk en geestelijk als sociaal veranderingen mede, waarvan tempo en richting individueel kunnen verschillen. De tijd, waarin het verzorgingstehuis als de oplossing bij uitstek van het huisvestingsprobleem van bejaarden werd beschouwd, ligt achter ons. Tussen de huisvestingsvormen van het verzorgingstehuis enerzijds en het blijven wonen in het vóór de 65-jarige leeftijd bewoonde huis anderzijds hebben zich enige vormen van voor bejaarden geschikte zelfstandige huisvesting ontwikkeld. Allereerst moet de min of meer aan verminderde validiteit aangepaste bejaardenwoning worden genoemd. Daarnaast heeft zich in steeds ruimere mate de serviceflat als huisvesting voor bejaarden aangeboden en in de laatste jaren ook de zogenaamde zorgwoning of aanleunwoning met facultatieve en gedeeltelijke verzorging door een belendend verzorgingstehuis. Als geschikte huisvestingsmogelijkheid voor valide bejaarden kan vanzelfsprekend ook de gewone woning dienen, mits voldoende comfortabel en voor bejaarden gunstig gelegen, en zo nodig enigszins aangepast. Het aanpassen door bejaarden van woningen, die zij reeds vóór hun 65ste jaar bewoonden, is door financiële overheidssteun gemakkelijker gemaakt. Er zijn een aantal elementen, waardoor huisvesting geschikt kan zijn voor bewoning door bejaarden: beknopte omvang en gunstige ligging van de woning; woontechnische aanpassing; collectieve voorzieningen en huishoudelijke hulp (service); de nabijheid en bereikbaarheid van extramurale algemene hulpverlening en tenslotte vaste verzorging. Zij worden toegepast met het oog op veiligheid, comfort en werkbesparing, in verband met verminderende validiteit, een toenemende behoefte aan hulp van derden en ten slotte het gedeeltelijk overlaten aan anderen van de verantwoordelijkheid voor eigen welzijn. Deze opsomming markeert een gang van algehele naar verminderde zelfstandigheid. Maar dit betekent niet, Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

dat alle bejaarden achtereenvolgens met de verschillende huisvestingsvormen te maken behoeven te krijgen. Met het oog op de handhaving van een zo groot mogelijke zelfstandigheid die als een groot goed wordt beschouwd en ervaren, wordt thans meer nadruk gelegd op het tot stand brengen van de woonvoorzieningen, die deze zelfstandigheid als grondslag hebben. Maar dit kon pas verantwoord de aandacht krijgen, nadat en naarmate voor de meest kwetsbare categorie, namelijk de verzorgingsbehoeftige bejaarden, voldoende of nagenoeg voldoende woonvoorzieningen met intramurale vaste verzorging gebouwd waren. Op de meeste plaatsen in Nederland zijn deze thans in kwantitatief toereikende mate ter beschikking gekomen. Exacte cijfers zijn niet altijd beschikbaar, onder andere omdat gegevens als de bezettingsgraad van verschillende vormen van huisvesting voor bejaarden nogal variëren. Naar schatting kan van de huisvesting van de bejaarden het volgende in de verdere tekst nader te specificeren beeld worden geboden:

1-1-1975

1-1-1970

72,5%

in gewone (inclusief kleine) woningen

bijna 82% 14%

in aangepaste bejaardenwoningen inclusief serviceflats

7,7% 9,5%

in verzorgingstehuizen (inclusief zonder rijkssteun gebouwde)

8,2% 4%

verblijvend in verpleeginrichtingen of in andere niet zozeer op alleen huisvesting gerichte instellingen (ziekenhuizen, hotels, pensions, verpleegkloosters, inrichtingen en dergelijke)

huizen 2,2%

Omdat in 1974 de normen enigszins anders zijn gekozen dan in 1970 zijn de kolommen niet zonder meer vergelijkbaar. Maar een toeneming van de huisvesting van bejaarden in de verschillende voor hen geschikt geachte woonvoorzieningen en een afneming van het gehuisvest zijn van bejaarden in gewone woningen mag met voldoende zekerheid geconstateerd worden. Door het huidige overheidsbeleid zullen deze tendensen zich voortzetten, met dien verstande dat de institutionele huisvesting in verzorgingstehuizen in omvang enigszins zal teruglopen en de huisvesting in zelfstandige woonvormen zal worden bevorderd, zoals nieronder nader zal worden toegelicht. In het hierna volgende zullen alle genoemde woonvormen aan een meer gedetailleerde beschouwing worden onderworpen, waarbij naast het beleid met betrekking tot de kwantiteit (bevordering of matiging van de nieuwbouw) waar nodig ook het beleid met betrekking tot de kwaliteit (vervanging of verbetering van het bestand) zal worden behandeld. Omdat het hier gaat om overheidsbeleid met betrekking tot de huisvesting van bejaarden, is bij de behandeling van de verschillende vormen van huisvesting een volgorde van afnemende overheidsbemoeienis aangehouden. Deze volgorde zou omgekeerd moeten worden als van de kwantitatieve betekenis van de verschillende huisvestingsvormen zou worden uitgegaan. Terwille van de overzichtelijkheid wordt hieronder een overeenkomstig overzicht gegeven van de huisvesting van de bejaarden, die bij voortzetting van het huidige beleid tegen het midden van de tachtiger jaren ongeveer zou uitkomen op: 63,5% in gewone (inclusief kleine) woningen; 25 % in aangepaste bejaardenwoningen inclusief serviceflats; 7% in verzorgingstehuizen; 4,5% verblijvend in verpleeginrichtingen of in andere niet zozeer op huisvesting gerichte instellingen.

Nr. 2. Bouwvan verzorgingstehuizen In de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd een matigingsbeleid aangekondigd met betrekking tot de gesubsidieerde bouw van verzorgingstehuizen voor Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

bejaarden in relatie tot een uitbreiding van de extramurale hulp en een meer zorgvuldige urgentiebepaling bij opneming van bejaarden in het verzorgingstehuis. De wens, de meest schrijnende nood op het gebied van huisvesting en verzorging te lenigen, gekoppeld aan de aanzienlijke steun van overheidswege voor het tot stand brengen van verzorgingscapaciteit, had in de zestiger jaren geleid tot een sterk toenemende produktie van deze institutionele vorm van bejaardenhuisvesting. Maar het inzicht in de waarde van zo groot mogelijke zelfstandigheid van bejaarden en een daaruit voortgekomen op gang gebrachte produktie van zelfstandige huisvestingsvormen en uitbreiding van de extramurale hulp zouden naar verwachting gaan leiden tot een verminderde druk van bejaarden tot opneming in verzorgingstehuizen. Een zorgvuldiger en algemeen toegepast opnemingsbeleid kan voorkomen, dat verzorgingstehuizen bejaarden opnemen, die (nog) geen verzorging behoeven. Ook de overweging, dat het huisvesten van bejaarden in verzorgingstehuizen voor de gemeenschap relatief hoge kosten medebrengt, heeft bij de beleidswijziging een rol gespeeld. Het is de taak van de overheid, door het verlenen van rijkssteun te bevorderen, dat voldoende bejaardenplaatsen van voldoende kwaliteit beschik baar zijn of komen in verzorgingstehuizen zonder winstoogmerk. Maar deze bevordering van rijkswege mag niet tot gevolg hebben, dat landelijk of plaatselijk verzorgingscapaciteit ontstaat, waaraan geen behoefte bestaat. Het matigingsbeleid is ten uitvoer gelegd door het beperken van de van rijkswege per jaar verleende steun voor het tot stand brengen van verzorgingstehuizen tot een gezamenlijke capaciteit van maximaal 5000 bedden, waarvan circa 600 bedden in de woningwetsector en 4400 bedden in de particuliere gesubsidieerde sector. Deze gesubsidieerde bedden bevatten het brutobestand, omdat deze behalve voor bejaarden ook voor inwonend personeel, de ziekenafdeling en eventuele logeergasten bestemd zijn. Destijds, en om redenen van vergelijkbaarheid tot voor kort, werd het aantal hierdoor gecreëerde plaatsen voor bejaarden in verzorgingstehuizen berekend op 90% van het bruto aantal bedden. Houdt men echter ook rekening met leegstand wegens wisseling van bewoners, met enkel bezette dubbelkamers, met plaatsreservering voor inziekenhuizen en inrichtingen tijdelijk opgenomen bejaarden en dergelijke situaties en gaat men derhalve uit van de gemiddelde volbezetting, dan lijkt een aftrek van 15% meer overeenkomstig de werkelijkheid. Het aantal bejaardenplaatsen in met rijkssteun gebouwde verzorgingstehuizen moet dan worden geschat op 85% van het bruto aantal bij de bouw gesubsidieerde bedden. In de jaren 1970 t/m 1974 zijn in met rijkssteun gebouwde of bij de verbetering uitgebreide verzorgingstehuizen bruto ter beschikking gekomen:

1970:

12130 bedden 1971:

12261 bedden 1972:

12212 bedden 1973:

6371 bedden 1974:

5416 bedden

totaal

48390 bedden Bron: CBS

Het totaal aantal bejaardenplaatsen in verzorgingstehuizen is per ultimo 1974 daarmede naar schatting op basis van de Nota Bejaardenbeleid 1970 op 108 000 +48390 = 156 390 (bruto) bedden minus 15% is 13293 0 gebracht. Dit aantal moet worden vermeerderd met vanaf 1970 gereedgekomen bejaardenplaatsen in ongesubsidieerd tot stand gekomen tehuizen, en verminderd met de vanaf 1970 zowel in de ongesubsidieerde als de gesubsidieerde sector voor bejaardenhuisvesting gesloten capaciteit, waardoor het aantal beschikbare bejaardenplaatsen in verzorgingstehuizen per ultimo 1974 gesteld zou kunnen worden op circa 9,5% van de bejaarde bevolking.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

De capaciteitsplanning voorzien in de Wet op de bejaardenoorden zal het mogelijk maken de huidige op het verlenen van rijkssteun gebaseerde schattingen te vervangen door een registratie van plaatsen in verzorgingstehuizen. In de Nota Bejaardenbeleid 1970 werden de jaarlijks met rijkssteun tot stand te brengen 5000 bedden in verzorgingstehuizen voor de helft of meer bestemd voor uitbreiding van verzorgingscapaciteit en voor de andere helft of minder voor vervanging van verouderde verzorgingscapaciteit. Een vervanging van maximaal 2500 gesubsidieerde bedden of maximaal 85 % daar-van = 2125 bejaardenplaatsen in verouderde tehuizen komt bij het huidige bestand neer op een tempo van circa 1,5% van de totale capaciteit per jaar. Ten minste een overeenkomstig tempo zou bij handhaving van bovengenoemde richtlijn gelden voor de uitbreiding van de verzorgingscapaciteit. De vraag kan gesteld worden, of dit tempo van uitbreiding ongewijzigd gehandhaafd moet worden. De uitbreiding van verzorgingscapaciteit zal allereerst in verband moeten worden gebracht met de jaarlijkse vermeerdering van de bejaarde bevolking. Mede in verband met gebeurtenissen van 65 jaren geleden -de eerste wereldoorlog en zijn nasleep -geven de prognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek over een aantal jaren sterk fluctuerende cijfers, met tot het jaar 2000 een langzaam afnemende stijging. Dit zou een aanwijzing zijn, dat het uitbreidingstempo langzaam afnemend zal moeten zijn. Een tweede factor, die per saldo eveneens in de richting van een verlaging van het uitbreidingstempo wijst, zou men de marktverwachting kunnen noemen. Volgens deze verwachting zullen allengs door verschillende oorzaken minder dan de huidige 9,5% van de bejaarden in verzorgingstehuizen opgenomen worden. De componenten van deze verwachting zijn: (1) meeren aantrekkelijke alternatieve huisvestingsmogelijkheden voor bejaarden; (2) een stringenter opnemingsbeleid in verzorgingstehuizen; en (3) daartegenover een toenemend percentage hoogbejaarden onder de bejaarde bevolking (zie hoofdstuk II) met een toenemende behoefte aan verzorging. Naar verwachting zullen de eerste twee componenten een verlaging, de derde component een verhoging van het opnemingspercentage bewerken. Als gevolg daarvan zou per saldo een geleidelijke daling van het opnemingspercentage verwacht kunnen worden. Omdat aantrekkelijke alternatieve huisvestingsmogelijkheden pas allengs ter beschikking komen en van een systematisering van het opnemingsbeleid voorlopig nog geen indicatieve resultaten kunnen worden verwacht is zowel op basis van plaatselijk onderzoek als op grond van praktijkervaringen voorlopig als werknorm gekozen voor een plaatselijk minimum van 7% kwalitatief voldoende plaatsen in verzorgingstehuizen, overal in den lande zo spoedig mogelijk te bereiken. Een daling tot dit peil staat los van de kwaliteit van de tehuizen en zou zich derhalve ook voordoen als deze over de gehele lijn optimaal zou zijn. Deze dalende tendens wordt reeds nu bevestigd door gegevens, die door de provinciale besturen met betrekking tot de bouw van te subsidiëren verzorgingstehuizen aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden voorgelegd. In de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Zeeland is de situatie zodanig, dat nog slechts weinige werkelijk urgente bouwprojecten voor verzorgingstehuizen door de provinciale besturen voor rijkssteun worden aanbevolen. In de provincies Gelderland en Limburg worden plaatselijke achterstanden snel ingehaald en komt de nadruk steeds meer te liggen op vervanging van verouderde capaciteit. In Noord-Brabant en Utrecht is nog een aanzienlijke verouderde capaciteit aan vervanging toe. In de meeste grotere steden en enkele landelijke districten van de provincies Noord-en Zuid-Holland zijn de achterstanden in verzorgingscapaciteit zowel kwantitatief als kwalitatief nog aanzienlijk. Waar en naarmate de vraag naar plaatsen in verzorgingstehuizen afneemt zal in verouderde of minder goed exploitabele tehuizen leegstand kunnen optreden. Het moderniseren of vervangen waar dit nodig en tegen verantwoorde kosten mogelijk is en voor het overige het sluiten van deze tehuizen Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

zal alle aandacht moeten krijgen. Maar een afnemende vraag zal ook gelegenheid bieden in verzorgingstehuizen enige plaatsen als reserve aan te houden voor opneming van spoedgevallen, waaronder uit ziekenhuizen en verpleeginrichtingen terugkerende bejaarden. Het aanhouden van reserveplaatsen kan wellicht ook voorkomen, dat men om voortijdige opneming in het verzorgingstehuis verzoekt uit angst, dat men door plaatsgebrek niet kan worden opgenomen op het moment dat zulks noodzakelijk is. Voorts zal in toenemende mate verzorgingscapaciteit beschikbaar komen voor verzorgingsbehoeftigen beneden de 65 jaar, voor opneming waarvan door de in te stellen commissies van deskundigen dezelfde normen moeten worden toegepast als voor gegadigden boven de 65 jaar. Om op den duur overcapaciteit en leegstand in verzorgingstehuizen te voorkomen, zal het uitbreidingstempo geleidelijk aan de daling van de behoefte moeten worden aangepast. Wegens de onzekerheden in de behoeftenverwachting kan hier geen strak plan voor de komende 25 jaren worden verstrekt. Wel kan een algemene indicatie voor die termijn worden gegeven. In het jaar 2000 zullen er naar verwachting ongeveer 1 870 600 bejaarden zijn. Indien men de alsdan aanwezige verzorgingsbehoefte bij bejaarden schat op tenminste 7% dan zullen er in het jaar 2000 ongeveer evenveel plaatsen in verzorgingstehuizen nodig zijn als heden in alle tehuizen (goed en slecht), tezamen beschikbaar zijn. Ongeveer de helft van de in 2000 nodige verzorgingscapaciteit zal afkomstig kunnen zijn van de momenteel beschikbare na 1965 (nieuwste Voorschriften en Wenken voor het ontwerpen van verzorgingstehuizen) gebouwde capaciteit plus de beschikbare grondig gemoderniseerde capaciteit van vóór 1965. De andere helft zal wegens veroudering in de komende kwart eeuw allengs moeten worden vervangen. Dat zal eensdeels kunnen geschieden door vervanging ter plaatse, andersdeels door sluiting van tehuizen met oprichting van nieuwe op plaatsen waar daaraan een grotere behoefte bestaat. Deze schattingen wijzen er op dat er in de komende kwart eeuw gemiddeld per jaar aan nieuwbouw van verzorgingstehuizen voornamelijk voor capaciteitsvervanging tezamen 2500 a 3000 bejaardenplaatsen per jaar moeten worden tot stand gebracht, dat is circa 3000 a 3500 gesubsidieerde bedden, als men geen rekening houdt met het bouwen van verzorgingstehuizen in de ongesubsidieerde sector. De huidige norm van 5000 gesubsidieerde bedden per jaar zal dus gemiddeld met ongeveer 30% moeten worden verlaagd. Het lijkt gewenst, dit geleidelijk, maar zonder uitstel ter hand te nemen. Als in deze laatste passage in dit verband gesproken wordt over capaciteitsvervangend dan is dat bedoeld in landelijk opzicht. Er zijn nog achterstandgebieden waar dus uitbreiding nodig is. Er zijn daarentegen elders gebieden waar het aantal bedden boven de norm ligt en inkrimping nodig is. Het gaat hier om een proces op langere termijn: deeerste tijd zal nog enige uitbreiding nodig zijn zonder dat dit inkrimping elders direct meebrengt. Omdat de kwalitatieve factor een sterke rol speelt, zal aan de plaatselijke vervanging, waar dat kwantitatief verantwoord is, voorlopig niet getornd mogen worden. De verlaging van de norm dient derhalve bij voorrang te worden gebracht ten laste van de capaciteitsuitbreidende bouw, die bovendien vrijwel zal worden gereserveerd voor de achterstandgebieden. Om met het volgen van deze indicaties een begin te maken zal vanaf 1976 de bouw van gesubsidieerde tehuizen met tenminste 10% worden beperkt. De te bouwen beddencapaciteit in de gesubsidieerde sector zal derhalve vanaf dat jaar op maximaal 4500 gesubsidieerde bedden per jaar worden gesteld. De vermindering zal gaan ten koste van de capaciteitsuitbreiding en dus de vervangingsmogelijkheden intact laten. Als gevolg van deze vermindering zal de jaarlijkse groei van de totale opnemingscapaciteit in de gesubsidieerde sector dalen van de huidige 2125 tot 1700 bejaardenplaatsen. Het Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

is de bedoeling, deze groei vooral te richten op randstadgebieden, terwijl de vervanging van verouderde tehuizen in een wijder gebied zal worden voortgezet in het huidige tempo van 2125 bejaardenplaatsen per jaar. Het ligt in het voornemen, over enige tijd tot een verdere vermindering van overeenkomstige omvang te besluiten. Overigens zal de plaatselijke behoefte aan bejaardenoorden meergedetailleerd worden neergelegd in de provinciale plannen voor de bejaardenoorden, vastgesteld overeenkomstig het terzake bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6c van de Wet op de bejaardenoorden. De rijkssteun voor de bouw, inclusief de vervangende bouw, zal op deze provinciale adviezen terzake -uiteraard binnen de financiële mogelijkheden van de rijksbegroting -gebaseerd zijn. Daarmede zal overigens een reeds enkele jaren gehanteerde procedure worden voortgezet en verder verfijnd. Het gaat hierbij om de geografische spreiding van de bouw van verzorgingstehuizen, zowel voor uitbreiding van de bestaande als voor vervanging van verouderde capaciteit. Hiertoe adviseren de provinciale besturen aan de hand van aan hen uitgebrachte adviezen van provinciale commissies de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening omtrent de urgentie van bij hem in te dienen bouwplannen voor verzorgingstehuizen. In die adviezen worden binnen de provincie de urgentie en de prioriteit bepaald en wordt meestal ook enig vooruitzicht gegeven in de plannen voor komende jaren. De provinciale adviezen gaan vergezeld van bepaalde door het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gevraagde gegevens, aan de hand waarvan de Minister dan de relatie tussen voorstel en behoefte kan aflezen. Vervolgens wordt door de Minister de interprovinciale prioriteit bepaald door onderlinge vergelijking van de door de provincies aanbevolen plannen. Daarna deelt hij schriftelijk aan de provinciale besturen mede, voor welke plannen in het lopende jaar rijkssteun in het vooruitzicht wordt gesteld. Van deze rijkssteun mag slechts gebruik worden gemaakt ten behoeve van projecten, waarvoor verklaringen van geen bezwaar krachtens de Wet op de bejaardenoorden zijn afgegeven. Deze rijkssteun wordt vaak over twee of zelfs drie achtereenvolgende jaren verdeeld, waardoor het mogelijk is op soepele wijze te reageren wanneer vele plannen tegelijk worden ingediend. Krachtens ministeriële toezegging geniet de bouw van tehuizen in de randstadsteden voorrang, zolang aldaar de achterstand in bejaardenverzorgingscapaciteit voortduurt, terwijl vervolgens ook aan provincies met relatief veel verouderde capaciteit enige voorrang wordt gegeven met betrekking tot vervangingsplannen waarvan de urgentie kan worden aangetoond en die plaatselijk kwantitatief verantwoord zijn. Buiten de provinciale aandelen in het landelijk totaal om wordt in zeer beperkte mate rijkssteun gereserveerd voor de bouw van verzorgingscapaciteit van nationale of interprovinciale betekenis bij voorbeeld voor gerepatrieerden, voor vegetariërs of voor blinden. De norm, welke voor de capaciteituitbreidende nieuwbouw van verzorgingstehuizen wordt toegepast, ia kwantitatief. Urgentie van een plan wordt zonder meer aanwezig geacht, als voor minder dan 7% van de bejaarden plaatselijk (of regionaal) een kwalitatief voldoende plaats in een verzorgingstehuis beschikbaar is. De regering is van mening dat een verantwoorde huisvesting en verzorging in niet-winstbeogende instellingen beter is gewaarborgd dan in tehuizen die op winst gericht zijn. Met name is bij de laatste de continuïteit minder verzekerd. Er zijn aanwijzingen dat de werking van de Wet op de bejaardenoorden de animo doet afnemen bij ondernemers om in deze sector door te werken dan wel te beginnen. Er is voor de regering geen aanleiding de algemene regelen die in het kader van de Wet op de bejaardenoorden getroffen zijn meer af te stemmen op de commerciële tehuizen, ook al brengt dat mee dat daardoor bijzondere aspecten van deze tehuizen in de ogen van de beheerders niet adequaat worden behandeld. Het lijkt dan ook voor de hand te Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

liggen dat er van wordt uitgegaan dat voor de bepaling van de capaciteit de huidige (en toekomstige) winstbeogende tehuizen niet meer zullen meetellen. Door sanering, waarbij de voorstellen vermeld in Hoofdstuk VIII, B, par. 3, van belang zijn, zal geleidelijk deze situatie bereikt worden. Vooralsnog dient uiteraard rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van capaciteit in de commerciële tehuizen, wil overcapaciteit vermeden worden. De normen voor vervangende bouw van verzorgingstehuizen zijn naast kwantitatief ook kwalitatief. Slechts als kwantitatief aan de betreffende verzorgingscapaciteit aantoonbare behoefte bestaat, kan vervanging met rijkssteun geschieden. Voorshands geniet de vervanging van vóór 1940 gebouw-de aantoonbaar verouderde tehuizen de voorrang, terwijl tussen 1940 en 1965 -het jaar van de nieuwe Voorschriften en Wenken met verbeterde normen voor verzorgingstehuizen -gebouwde 'pensiontehuizen' doorgaans met verbouwing kunnen volstaan. Daalt door de verbouwing de capaciteit beneden het uit exploitatie-oogpunt noodzakelijke minimum, dan wordt subsidiëring van uitbreiding tot dat minimum in den regel toegestaan. Verbetering van met rijkssteun gebouwde tehuizen kan worden gesubsidieerd naar anologie van de rijksbijdrageregeling voor de verbetering van particuliere woonhuizen (Beschikking geldelijke steun verbetering woningen en woonbuurten). Men hoort nogal eens de vraag stellen, of door het van toepassing zijn van de Voorschriften en Wenken voor het ontwerpen van verzorgingstehuizen voor bejaarden geen bevriezing tot uniformiteit bij de verzorgingstehuizen plaatsvindt. Het antwoord luidt, dat de Voorschriften en Wenken slechts een minimum betekenen, waar beneden geen rijkssteun voor de bouw kan worden verleend. Daarboven heeft men, met inachtneming van de aan het aantal bedden gebonden subsidiemogelijkheden, vrijheid in ontwerp en vormgeving. Een verhoging van het in deze Voorschriften en Wenken beoogde basisniveau ligt vooralsnog niet in het voornemen. Het Nederlandse verzorgingstehuis ligt kwalitatief op een hoog peil vergeleken met hetgeen omringende landen te zien geven. Wel zijn enige beperkte technische aanvullingen en verbeteringen van de Voorschriften en Wenken thans in voorbereiding. De vormgeving van het verzorgingstehuis als institutionele woonvoorziening met intramurale verzorging zal allengs moeten worden aangepast aan zich wijzigende omstandigheden. De aandacht verdient de steeds hoger wordende gemiddelde leeftijd van de bejaarde bewoners met het oog waarop faciliteiten voor meer intensieve groepsverzorging worden bepleit. Dit is onder andere een gevolg van een toeneming van het percentage hoogbejaarden onder de bejaarde bevolking, een selectiever opnemingsbeleid en het steeds méér en langer zelfstandig blijven wonen van de jongere bejaarden. Daartegen bestaan in beginsel noch bezwaren noch belemmeringen, mits deze faciliteiten van beperkte omvang blijven -zoals ook met de ziekenboeg in het verzorgingstehuis het geval is -opdat het verzorgingstehuis zichzelf kan blijven en geen verkapte verpleeginrichting wordt. Ook andere wijzigingen, vaak nog van experimentele aard, samenhangend met nieuwe opvattingen in de bejaardenzorg, dienen zich aan. Genoemd mogen worden het openstellen van verzorgingstehuizen voor verzorgingsbehoeftigen beneden de 65 jaar; de opdeling van de tehuisbevolking in kleinere groepen en de daarop af te stemmen bouwkundige vormgeving; het openstellen van verzorgingstehuizen naar de wijk in allerlei variaties. Voor verantwoorde vernieuwingen mogen geen belemmeringen worden geschapen. Mochten er toch problemen zijn, dan zal hiervoor bij de centrale overheid een welwillend gehoor bestaan.

Het voornemen bestaat het met rijkssteun bouwen van te grote verzorgingstehuizen tegen te gaan. Voor ver gevorderde plannen zal voorlopig nog een uitzondering worden gemaakt, maar bij de opzet van nieuwe plannen zal hiermede gerekend moeten worden. Bij de bepaling van de optimale capaciteit van verzorgingstehuizen moet enerzijds rekening worden gehou-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

den met de benedengrens in verband met de exploitatie die volgens ervaring op ongeveer 60 bejaardenplaatsen kan worden gesteld. Anderzijds kunnen bij tehuizen met capaciteit van 200 of meer plaatsen massaliteits-en vervreemdingstendensen optreden, terwijl bij dergelijke capaciteiten de exploitatie eerder minder gunstig wordt. De optimale capaciteit zal in het algemeen dichter bij de benedengrens dan bij de bovengrens liggen. Bij de bepaling van de capaciteit zal bovendien rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijke mogelijkheden, de samenstelling van het personeel en het niveau van de behoefte aan verzorging.

Nr. 3. Bouw van woningen geschikt voor bejaarden De Nota Bejaardenbeleid 1970 onderscheidt binnen de categorie bejaardenwoningen enerzijds de aangepaste kleine woningen bestemd tot en metterdaad gebruikt als bejaardenwoning en uit dien hoofde een extra jaarlijkse rijksbijdrage in de exploitatiekosten van f 400 genietend, en de woningen in serviceflatgebouwen. Sindsdien is niet alleen volgens de toezegging het aantal dezer bejaardenwoningen, dat per jaar door nieuwbouw ter beschikking komt, door overheidsmaatregelen opgevoerd tot bijna het dubbele, maar er is ook een verbreding van het assortiment opgetreden en de bestaande plannen zullen een verdergaande differentiatie bevorderen. Bejaarden, die thans de door hen bewoonde gezinswoning, die hun te groot is geworden of te oncomfortabel, die ongunstig gelegen is of te veel trappenlopen vereist, willen verlaten voor een geschikte kleine woning, vinden naarmate de kwantitatieve achterstand wordt ingelopen, een steeds bredere keus van mogelijkheden. Allereerst de gewone kleine woningen met drie vertrekken of minder, waarvan de bouw door rijkssteun in steeds sterkere mate wordt bevorderd, en waarvan de voor hen gunstig gelegen en voldoende comfortabele woningen voor valide bejaarden geschikt zijn. De tot nog toe geringe beschikbaarheid van goede kleine woningen met lage huren in verhouding tot de vele gegadigden daarvoor, zal hier voorlopig nog de mogelijkheden voor bejaarden beperken. Maar bij voorrang voor hen gereserveerd zijn de min of meer aan verminderde validiteit aangepaste kleine woningen met de jaarlijkse extra rijksbijdrage in de exploitatiekosten van f 400, waarvan er in 1971,1972 en 1973 volgens gegevens van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ongeveer 15000 per jaar door nieuwbouw beschikbaar zijn gekomen. In 1974 is dit aantal teruggelopen tot circa 14000. De bejaardenwoningen zijn thans in verschillende mate en naar verschillende maatstaven aangepast, welke aanpassingen rekening houden met de mogelijkheid van verminderde validiteit van de bewoners. In het algemeen dient de aanpassing vier elementen te omvatten: (1) gunstige ligging en goede bereikbaarheid, op geringe afstand van openbare voorzieningen en voor bejaarden belangrijke hulpdiensten; (2) beperkte omvang van de woning, veilig, comfortabel en gemakkelijk schoon te houden; (3) interieur aangepast aan mogelijk verminderde validiteit; (4) aanwezigheid van een alarmsysteem. Naast de gewone kleine woningen en de kleine woningen metaanpassingen voor bejaarden (en mindervaliden) moet als derde type de servicewoning of serviceflat worden genoemd. De 'service' is op werkbesparing door gemeenschappelijke voorzieningen en huishoudelijke bediening gericht: een huismeester, maaltijdverstrekking, huishoudelijke hulp bij het onderhouden en schoonhouden van exterieur en gemeenschappelijke ruimten en desgewenst van het interieur van de woningen, en het ter beschikking zijn van gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten. Van deze vorm van huisvesting wordt in overwegende mate, namelijk voor bijna 90%*, door cbs-Onderzoek Bouwcentrum ;974.

jaarden gebruik gemaakt. Er zijn veel koopflats en een nog beperkt aantal Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

huurflats in een breed assortiment, doorgaans van een te ruime opzet voor overheidssteun en dan ook bedoeld voor bewoning door enigszins welgestelden. De geschiktheid van de serviceformule voor valide bejaarden kan worden erkend, doch deze houdt in den regel geen persoonlijke hulpverlening of verzorging in. Het zal gewenst zijn, dat ook bij de bouwvan serviceflats zonder uitzondering en volledig gerekend wordt met het inbouwen van de aangegeven aanpassingen voor bejaardenwoningen. Ook zal er méér dan tot nog toe met de bejaarde bevolking van serviceflats rekening gehouden moeten worden bij het organiseren van extramurale hulp-en dienstverlening. Thans woont naar schatting in servicewoningen circa 1% van de bejaarden. De indruk bestaat, dat aan deze woonvoorziening nog vooral behoefte bestaat in de huursector en dan met niet te hoge huurprijzen. Zowel in de particuliere gesubsidieerde sector als in de woningwetsector zou de bouw van serviceflats van bescheiden opzet gesubsidieerd kunnen worden volgens de regelingen voor bejaardenwoningen. Een snelle uitbreiding van de sector servicewoningen verdient overigens geen aanbeveling, als niet in een zelfde tempo extramurale organen kunnen worden opgericht voor hulp-en dienstverlening aan de in serviceflats wonende bejaarden. De hier en daar in serviceflatgebouwen op gang gebrachte intramurale verzorging kan de behoefte slechts tegen doorgaans relatief hoge kosten opvangen. Sterk stijgende verzorgingskosten bij veroudering van de bewoners kunnen de eigenaarsbewoners en huurders van serviceflats in financiële moeilijkheden brengen. Bij een niet-facultieve opzet van deze verzorging zal de serviceflat bovendien het verzorgingstehuis naderen en uit dien hoofde gebracht kunnen worden onder het regiem van de Wet op de bejaardenoorden en daarmede buiten de categorie van de zelfstandige woningen.

Dit laatste is in nog meerdere mate het geval met de als vierde type te noemen zorgwoningen of aanleunwoningen. Dit zijn kleine woningen die gelegen zijn naast een verzorgingstehuis, en waarvan de bejaarde bewoners facultatieve en gedeeltelijke verzorging genieten van dat verzorgingstehuis met de toezegging, dat zij, wanneer dat noodzakelijk zal zijn zullen worden opgenomen in dat tehuis. Indien deze verzorging méér dan bij uitzondering wordt verstrekt (ook buiten geval van ziekte of ongeval) kan de zorgwoning worden beschouwd als een onderdeel van het belendende verzorgingstehuis. Om de bouw van zelfstandige kleine woningen met betaalbare huren voor bejaarden te bevorderen, is een cumulatief systeem van steunmaatregelen van kracht. Allereerst leidt de huurtabel voor gesubsidieerde woningen, die medio 1975 van kracht is geworden, in de praktijk tot relatief lagere huurprijzen voor de kleine woningen dan voor de overige. Voor bejaardenwoningen beneden een bepaalde stichtingskostengrens wordt thans bovendien een extra rijksbijdrage van f 400 per jaar verleend. Deze jaarlijkse extra rijksbijdrage heeft zonder twijfel bevorderend gewerkt op de bouw van bejaardenwoningen en heeft geleid tot een druk op het huurpeil van deze woningen. Maar in de praktijk is ook gebleken, dat er bezwaren aan kleven. De bijdrage wordt verleend aan voor bejaarden bestemde en door bejaarden gehuurde kleine woningen. Wat de bestemming betreft wordt naar verschillende maatstaven en op vaak onvoldoende gronden plaatselijk bepaald of een kleine woning ook werkelijk geschikt is voor bewoning door bejaarden. Of de woning in feite door een bejaarde wordt bewoond wordt soms na de eerste verhuring niet meer gecontroleerd. Zo is de praktijk gegroeid, dat een bejaardenwoning een kleine huurwoning is met f 400 extra exploitatiesubsidie, maar dat de geschiktheid, laat staan de aanpassing aan verminderde validiteit, onvoldoende gewaarborgd is. In vele gevallen wordt het als een bezwaar gevoeld, dat praktisch dezelfde kleine woningen al of niet f 400 extra exploitatiesubsidie genieten naargelang zij al of niet bejaardenwoning heten. Het zou beter zijn, als het extrasubsidie beperkt zou worden tot die kleine woningen, die geschikt en van aanpassingen voorzien zijn voor gebruik door bejaarden en ook door minder validen bene-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

den de 65 jaar, hetgeen objectief aan de hand van criteria is vast te stellen. Daardoor zou naast een bestand aan normale kleine woningen een bestand beschikbaar zijn van aangepaste kleine woningen. Beide zouden bewoond kunnen worden door gegadigden van alle leeftijden, maar de aangepaste kleine woningen zouden bij voorrang moeten worden verhuurd aan minder validen, waartoe dan alle personen van 65 jaar en ouder formeel zouden worden gerekend. Een dergelijke regeling wordt thans voorbereid. Naast deze binding van het verlenen van de extra bijdrage aan het aangepast zijn van de woning en de uitbreiding van de voorrang voor deze woning tot de minder validen beneden 65 jaar wordt nog een derde wijziging voorbereid. Het gaat om de vervanging van de door inflatie steeds inwaarde dalende extra bijdrage van f 400 door het structureel lager stellen van het percentage van de stichtingskosten waarop de aanvangshuur van de woning wordt bepaald en waarop het subsidie is gebaseerd. De criteria voor geschiktheid en aanpassing, die als voorwaarden voor de subsidieverlening zullen gelden, zullen gebaseerd zijn op de vier eerdergenoemde elementen voor bejaardenwoningen. Het subsidie zal verder uitsluitend worden verleend bij de bouw of vernieuwbouw door niet-winstbeogende instellingen. De voordelen van deze wijzigingen kunnen worden omschreven als volgt: 1. de waardevastheid van de geschapen faciliteit wordt gewaarborgd; 2. de faciliteit wordt gebonden aan een objectief en gemakkelijk te constateren criterium (aanpassing); 3. behalve bejaarden zouden ook alleenstaande minder validen en minder validen in tweepersoonshuishoudens beneden de 65 jaar overal in den lan-de een voor hen geschikt bestand aan aangepaste kleine woningen met verlaagde huurprijzen beschikbaar vinden; 4. de faciliteit is aan de woning gebonden ongeacht de bewoner, hetgeen de flexibiliteit bevordert, maar de voorrang voor bejaarden (en minder validen) zou gehandhaafd blijven. Wat de financiering betreft kan voor de bouw van bejaardenwoningen door gemeenten en toegelaten instellingen een lening uit 's rijks kas worden ontvangen op voet van de Woningwet. Bovendien is er de mogelijkheid, dat de gemeente tot 100% van de stichtingskosten garant is voor rente en aflossing van leningen voorde bouwen bejaardenwoningen door toegelaten instellingen en door niet-winstbeogende instellingen voor bejaardenbouw. Deze financieringsfaciliteiten bevorderen niet alleen de bouw, maar leiden ook tot lagere exploitatiekosten en daardoor tot een lagere huur. Tijdelijk kan ook een merkbaar huurverlagend effect uitgaan van de huurgewenningsbijdrage. Deze, alsmede de eveneens mogelijke overheidsbijdrage in verhuis-en inrichtingskosten, die vanaf 1 juli 1975 haar algemeen karakter verliest, doch voor bejaarden gehandhaafd blijft, kunnen vooral ook voor bejaarden van belang zijn. Bejaarde huurders zijn immers relatief vaak bij rehabilitatieprojecten betrokken en worden dan als gevolg daarvan met een verhoogde huur geconfronteerd, waarin de overheid gedurende drie jaren een extra maar aflopend subsidie kan verstrekken. Het verhuizen naar een méér geschikte of aangepaste woning en ook de aanpassing of verbetering van de woning brengt kosten mede, die voor veel bejaarden bezwaarlijk kunnen zijn. De extra overheidsbijdragen maken deze bezwaren overkomelijk. De algemeen geldende regeling voor individuele huursubsidie maakt het bejaarden mogelijk, hoe laag hun inkomen ook is, een goede woning te betrekken zonder dat de woonlasten ondraaglijk worden. De bejaarden maken van deze regeling in aanzienlijke mate gebruik. Na de verbetering van de regeling per 1 juli 1975 zal dit nog in versterkte mate het geval zijn. De bouwbevorderende elementen in bovengenoemde maatregelen hadden ten doel, dat de in de Nota Bejaardenbeleid 1970 toegezegde bouw van 12000 aangepaste bejaardenwoningen per jaar tot stand zou worden gebracht. Bij de behandeling van de Nota Bejaardenbeleid 1970 in de Tweede Kamer in 1972 werd als beleidsvoornemen aangekondigd, dat ten minste 17000 voor bejaardenbewoning geschikte kleine woningen jaarlijks ter be-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

schikking zouden komen. In 1970 zijn 8416, in 1971 zijn 15139, in 1972 zijn 16807 (bron: CBS) met rijkssteun gebouwde specifieke bejaardenwoningen uit nieuwbouw gereedgekomen. Voor de jaren 1973 en 1974 zijn geen CBS-tellingen beschikbaar, doch op basis van de door het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening uitgegeven vergunningen kunnen deze gesteld worden op respectievelijk 15000 en 14000 specifieke bejaardenwoningen. In de sectoren normale kleine woningen en serviceflats, alsmede door vernieuwbouw zijn er jaarlijks ook nog een aantal voor bejaarden geschikte kleine woningen ter beschikking gekomen. De taakstelling van de Nota Bejaardenbeleid 1970 is derhalve gemiddeld ruimschoots gehaald; het beleidsvoornemen van 1972 zal naar redelijke schatting, mede door verbreding van het assortiment zijn verwezenlijkt. Per ultimo 1970 bedroeg het aantal specifieke bejaardenwoningen, na 1945 met rijkssteun tot stand gekomen, ruim 60000. Per ultimo 1974 bedroeg dit aantal naar schatting ruim 12000 0. In de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd een bezettingsgraad van 1,7 bewoners per bejaardenwoning aangenomen. Krachtens deze norm zouden thans ruim 200 000 (= ± 14%) bejaarden in dergelijke woningen gehuisvest zijn. Daar bij verbeterde hulpverlening vele bejaarden na het overlijden van hun partner in de bejaardenwoning blijven wonen, is er reden aan te nemen, dat de bezettingsgraad dichter bij 1,5 bewoner zal liggen. Daardoor zou dan naar schatting bijna 13% van de bejaarden per ultimo 1974 in specifieke bejaardenwoningen wonen. Dat is dus thans aanzienlijk méér dan in verzorgingstehuizen. Over de te stellen norm voor het aandeel der bejaardenwoningen in de totale bejaardenhuisvesting zijn de meningen sterk uiteenlopend geweest. In de Nota Bejaardenbeleid 1970 wordt over 30% gesproken. Naarmate meer bejaarden deze zelfstandige woonvorm hebben leren kennen en waarderen, zijn hun wensen in deze richting gegroeid. Met het oog op deze groei zijn maatregelen getroffen om de bouw van bejaardenwoningen blijvend te bevorderen. Daarbij zal op een eventueel teruglopen van de behoefte attent worden gebleven. In het licht van de huidige inzichten is de taakstelling, te bereiken tegen het midden van de tachtiger jaren en met het huidige beleid te verwezenlijken, gesteld op een kwart der bejaarde bevolking in aangepaste bejaardenwoningen inclusief servicewoningen. Om dit te verwezenlijken zullen jaarlijks gemiddeld 13500 van deze woningen uit nieuwbouw en vernieuwbouw ter beschikking moeten komen. Over tien jaar zal moeten blijken of méér dan een kwart van de bejaarden in een aangepaste bejaardenwoning gehuisvest wil zijn en in hoever de taakstelling met het oog daarop zal moeten worden gewijzigd. Par. 4. Aanpassing van het woningbestand Bijna driekwart van het bejaarde deel van de bevolking is thans gehuisvest in het brede assortiment van algemene woonvoorzieningen, veelal in gezinswoningen. Soms zijn hun kinderen of anderen bij hen inwonend of wonen zij zelf in bij hun kinderen of bij anderen. Enkelen genieten verzorging, meer kunnen op enige hulp rekenen, doch de meesten zijn op zichzelf of op elkander aangewezen, vooral wanneer zij alleen of samen in een normale gezinswoning gehuisvest zijn. En dat is dan niet zelden de woning, waarin zij als ouders hun gezinsfase hebben beleefd. Deze situatie lijkt wel aanvaardbaar, indien er althans voldoende geschikte aangepaste huisvestingsmogelijkheden voor deze bejaarden openstaan op het moment, dat het zelfstandig wonen in een normale woonvoorziening voor hen te zwaar zou worden. Zij zouden dan ter plaatse van hun voorkeur moeten kunnen kiezen tussen een geschikte kleine woning, een aangepaste bejaarden-of servicewoning of een plaats in een verzorgingstehuis. En dat is nu precies, waar het huidige huisvestingsbeleid voor bejaarden naar streeft: voldoende aangepaste huisvestingsmogelijkheden in een breed assortiment Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

overal in den lande voor elke bejaarde, die daaraan toe is. Dat is nog niet bereikt, maar op de weg daarheen zijn wij wel ver gevorderd zoals in het voorgaande is aangegeven. Met de thans aangewende middelen van rijkssteun en financieringshulp zal dit doel, vrijwel overal in Nederland waarschijnlijk met uitzondering van enige grote steden, in een jaar of tien verwezenlijkt kunnen zijn. Toch kan deze mogelijkheid tot doorschuiving naar beter aan hun omstandigheden aangepaste huisvesting voor vele bejaarden bij nader inzien geen algehele bevrediging schenken. De praktijk immers leert, dat voor de meeste bejaarden het verlaten van de vertrouwde woning, de straat, de buurt, de vrienden, de leveranciers, heel die vertrouwde omgeving een zware en trieste beslissing kan betekenen. Een indicatie voor hun gehechtheid aan de woning blijkt ook hun geringere verhuisgeneigdheid in vergelijking met andere leeftijdsgroepen (tabel 8).

Tabel 8. Leeftijd en verhuisgeneigdheid, per leeftijdsgroep (horizontaal) gepercenteerd

Leeftijd

Totaal

Verh uisgeneigdheic I 40

1 niet 2

9 wel

18-24

100

2 25-34

100

2 35-44

100

1 45-54

100

1 55-64

100

1 65-74

100

1 75 en ouder

100

Totaal absoluut

4646

1658 900 823 459 311 204 136

64 In %

100

19,4 17,7

6,6

4,3

2,9

1,4

Bron: Leefsituatie survey 1974, Sociaal en Cultureel Planbureau Conclusie Indien wede punten 1 t/m 3 tezamen als' niet verhuisgeneigd' beschouwen, en 4, 5 en 6 als 'neutraal terrein' en 7, 8 en 9 als 'wel verhuisgeneigd', dan is:

van het totaal

van de leeftijdsgroep 65-74

van de leeftijdsgroep 75 en ouder 73,1 % niet geneigd 20,6% neutraal 6,3% wel verhuisgeneigd 83% niet geneigd 13% neutraal 4% wel verhuisgeneigd 83% niet geneigd 15% neutraal 2 % wel geneigd Bejaarden zijn duidelijk nog minder 'verhuisgeneigd' dan de andere leeftijdsgroepen. Het betrekken van een qua ruimte, voorzieningen, hulp en verzorging meer aangepaste woning biedt niet alleen voordelen. Kleiner wonen houdt voor velen in een afscheid van huisdieren en hobbies, verzamelingen en geliefde meubelstukken. Bovendien kan daardoor de ouderlijke woning minder goed functioneren als het ouderlijk huis. De buurt verlaten veroorzaakt het losgemaakt worden uit een weefsel van connecties, functieverlies, het verloren gaan van veel gezelligheid. Het vooruitzicht opgeborgen te worden in identieke woondoosjes in een milieu van bejaarde lotgenoten trekt vele bejaarden niet aan. En zo wordt de beslissing, te verhuizen naar een van die met Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

zoveel zorg voor de bejaarden klaargezette woonvormen, door vele bejaarden zo lang mogelijk opgeschoven. Het moet daarom als een belangrijk onderdeel van het huisvestingsbeleid voor bejaarden beschouwd worden, de normaal wonende bejaarden te heipen, het zelfstandig wonen desgewenst zo lang mogelijk voort te zetten. Daarbij zullen de veiligheid en het comfort moeten worden verbeterd, de mogelijkheid tot het aantrekken van hulp moeten worden georganiseerd, de eenzaamheid en de risico's van alleenzijn moeten worden bestreden. Extramurale hulp-en dienstverlening speelt hierbij een uiterst belangrijke rol. Maar ook het huisvestingsbeleid zelf kan daartoe een bijdrage leveren, die hieronder in beschouwing zal worden genomen. De thans geldende overheidssteun voor de aanpassing van normale woningen aan bewoning door bejaarden kan worden verleend voor woningsplitsing, voor aanpassingen in verband met verminderde validiteit en voor aanleg van een centrale verwarming. Dit laat onverlet de aanpassing van woningen in het kader van een woningverbeteringsproject, waarvan door bejaarden bewoonde huizen een onderdeel uitmaken. Dit laatste is geen zeldzaamheid, omdat bejaarden naar verhouding veel in oude buurten wonen, zodat ook deze algemene regeling voor hen van groot belang kan zijn. De regelingen voor aanpassing van woningen aan de behoeften van bejaarden maken een onderdeel uit van de algemene regelingen voor woningverbetering. Volgens deze kan het rijk aan de gemeenten geldelijke steun verlenen op voet van de Woningwet krachtens de daartoe strekkende regelingen voor woningen van particuliere eigenaren en voor woningen vangemeenten en toegelaten instellingen. De regeling voor woningverbetering voor particuliere eigenaren, de Beschikking geldelijke steun verbetering woningen en woonbuurten, werd voornamelijk gebruikt voor aanpassing en verbetering van eigen woningen, omdat deze regeling aanvankelijk slechts van toepassing was op woningen van natuurlijke personen. Sinds mei 1974(circulaire MG 74-16van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) is de regeling tevens van toepassing verklaard op woningen van rechtspersonen. Hierdoor kunnen de bedoelde voorzieningen met geldelijke steun op voet van deze regeling nu ook bij voorbeeld bij huurwoningen van institutionele beleggers worden aangebracht. Krachtens de Beschikking geldelijke steun verbetering woningen en woonbuurten kan het rijk aan de gemeente in beginsel een bijdrage ineens verstrekken gelijk aan 28% van de verbeteringskosten. De gemeente moet deze rijksbijdrage bij uitkering aan de eigenaar van de woning verhogen tot ten minste 35% van de kosten. De rijksbijdrage is gebonden aan een maximum, dat medio 1975 f 3920 per woning bedroeg. Indien en voor zover echter de voorzieningen een voor huisvesting van een bejaarde bestemde woning betreffen en geheel of gedeeltelijk bedoeld zijn om de woning geschikt te maken voor de huisvesting van een bejaarde, geldt het hiervoor aangegeven maximum niet. Onder de te treffen voorzieningen kan worden opgenomen een centrale verwarmingsinstallatie. De rijksbijdrage voor deze voorziening is eveneens aan een maximum gebonden. Overheidssteun voor woningverbetering krachtens genoemde Beschikking wordt slechts verstrekt indien de woning niet voldoet aan redelijke eisen. Maar deze voorwaarde is niet van toepassing voor de aanpassing van voor bejaarden bestemde woningen. Deze aanpassing kan dus met overheidssteun ook aan overigens goede woningen worden aangebracht. Voor het verbeteren van particuliere woningen geldt voorts de Beschikking geldelijke steun rehabilitatie, die voor woningen voor bejaarden overeenkomstige faciliteiten kent. Indien de eigenaar van een particuliere woning niet in staat is de verbeteringskosten zelf te financieren, kan de gemeente een garantie verlenen op een terzake door de eigenaar aan te trekken geldlening.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

De regeling voor het verbeteren van woningen van toegelaten instellingen en van gemeenten bevat het verstrekken van rijkssteun aan gemeenten voor het complexgewijs verbeteren van woningen. Daarbij kunnen onder meer rijksleningen op voet van de Woningwet worden verstrekt voor aanleg van centrale verwarming in complexen naoorlogse woningen van toegelaten instellingen en gemeenten. Subsidie wordt daar echter niet voor verleend, tenzij het gaat om bejaardenwoningen: dan wordt in beginsel rijkssteun verstrekt aan de gemeente tot 35% van de kosten van aanleg. Ten slotte zijn ook de in de subsidieregeling voor woningverbetering voorkomende faciliteiten voor woningaanpassing ten behoeve van lichamelijk gehandicapten van toepassing op gehandicapte bejaarden. In deze gevallen kan dus in de aanpassingskosten worden voorzien door zowel de voor gehandicapten als voor bejaarden bepaalde faciliteiten.

Woningsplitsing Ten aanzien van de bijna driekwart van de bejaarden, die de gezinswoning blijven bewonen, wordt vermoed, dat in deze sector in niet onaanzienlijke mate niet-of nauwelijks gebruikte woonruimte aanwezig is. Vooral in vele rond de eeuwwisseling gebouwde wijken van grotere steden, waarvan de bevolking relatief veel ouderen telt, moet, zolang de op hulp van personeel berekende grote woningen nog niet in appartementen zijn opgedeeld, veel verborgen leegstand aanwezig zijn. De splitsing van particuliere woningen valt onder de Beschikking geldelijke steun verbetering woningen en woonbuurten. Krachtens deze Beschikking is de rijksbijdrage ten behoeve van woningsplitsing gesteld op 28% van de splitsingskosten, terwijl de gemeentelijke bijdrage 7% bedraagt. Ook op grond van de Beschikking geldelijke steun rehabilitatie kan subsidie worden verstrekt voor het splitsen van een woning. Daarbij kan hetzij een bijdrage ineens worden gegeven gelijk aan 35% van de splitsingskosten hetzij een in 10 jaar aflopende jaarlijkse bijdrage, waar-van de eerste gelijk is aan 7,5% van de splitsingskosten. De hierboven genoemde aanpassingen van de normale woningen hebben de strekking, de bejaarde bewoners in staat te stellen, langer zelfstandig in de vertrouwde omgeving te blijven wonen. Het komt helaas ook voor, dat bejaarde huurders de vertrouwde woning moeten verlaten, omdat de huur wordt beëindigd. Met het oog hierop is een wetsontwerp bij de Tweede Kamer aanhangig, dat extra huurbescherming beoogt bij onder andere hoge leeftijd en invaliditeit van de huurder of van bij hem inwonende gezinsleden.

Nr. 5. Spreiding, capaciteitsplanning en stedebouwkundige situering Met de bouw van voldoende woonvoorzieningen voor bejaarden met het juiste assortiment en met betaalbare huurprijzen is het probleem nog niet geheel opgelost. De bejaardenhuisvesting moet ook op de juiste plaatsen staan. Over de geografische spreiding en stedebouwkundige situering bestaat geen algehele overeenstemming. Met verve wordt gesteld, dat de bejaarden bij voorkeur in de binnenstad moeten wonen vanwege de gezelligheid en de nabijheid van vertier en voorzieningen. Anderen brengen naar voren, dat de bejaarden zich bij uitstek thuis voelen in de buitenwijken, waar zij tussen gezinnen in wonen en van frisse lucht kunnen genieten. Weer anderen zien de bejaarden gaarne wonen in centraal en bereikbaar gelegen natuurgebieden, zoals de Utrechtse Heuvelrug en de zuidelijke Veluwerand. Men hoort ook wel stellen, dat bejaarden vóór alles dicht bij hun kinderen en kleinkinderen huisvesting zoeken en dat derhalve ook de groeikernen, satellietsteden en gemeenten in de IJsselmeerpolders spoedig van Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

bejaardenhuisvesting moeten worden voorzien. Dan zijn er nog die bejaarden, die na hun pensionering in hun geboortestreek willen wonen, of bij gelijkgezinden of lotgenoten, zoals geestelijken, vegetariërs, repatrianten of gehandicapten, huisvesting zoeken. Ook hier moet gesteld worden, dat 'de bejaarden' niet bestaan. Gezorgd moet worden, dat in alle woongebieden van Nederland, maar dan óók in de binnensteden, bejaardenhuisvesting in breed assortiment ter beschikking komt, liefst met een kwantitatieve marge die aanvaardbaar is als de woonvoorzieningen ook voor andere bevolkingsgroepen gebruikt kunnen worden. Grote concentraties zijn evenzeer te vermijden als een zodanige verspreiding, dat onderlinge contacten worden bemoeilijkt en de organisatie van hulpverlening en dienstbetoon niet verwezenlijkbaar wordt. Stapelbouw behoeft niet per definitie vermeden te worden al schijnen de ervaringen met echte hoogbouw ook voor bejaarden soms minder gunstig te zijn. Vanwege het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden plaatselijke plannen en projecten getoetst aan de gezichtspunten van geografische spreiding en stedebouwkundige situering. Ten aanzien van alle woonvoorzieningen voor bejaarden moet nog eens de nadruk worden gelegd op het belang van kwantitatieve planning. Niet alleen dienen de voorzieningen overal verspreid te liggen tussen de normale huisvesting, in dorp en stad, in buitenwijk en binnenstad, maar ook behoort hun capaciteit aangepast te zijn aan de plaatselijke behoeften. Deze door plaatselijke (gemeentelijke en provinciale) besturen te peilen behoefte is in aanzienlijke mate dus niet uitsluitend afhankelijk van het aantal bejaarden ter plaatse en de te verwachten ontwikkeling van dit aantal in de komende jaren. Daarom kan de capaciteit van de plaatselijke bejaardenhuisvesting niet volledig gepland worden aan de hand van de plaatselijke bejaardenstatistiek, al zal deze een belangrijke indicatie kunnen geven. Een aanvulling zal moeten worden gezocht door onderzoek naar de werkelijke plaatselijke vraag. Ten aanzien van de geneigdheid, gebruik te maken van een specifieke bejaardenwoonvoorziening kunnen er verschillen optreden bij voorbeeld tussen Friezen en Limburgers of tussen randstedelingen en dorpsbewoners. Er kunnen ook in de loop van de tijd verschillen in voorkeur worden verwacht, bij voorbeeld een toenemende trek naar servicewoningen of een verminderde belangstelling voor bejaardenoorden. De te gebruiken kwantitatieve normen voor de verschillende vormen van bejaardenhuisvesting zullen derhalve naar plaats en tijd kunnen variëren. Vandaar dat bij plaatselijke planning van bejaardenhuisvesting niet alleen op grond van statistieken en vaste normen maar ook op grond van behoeftepeilingen moet worden gewerkt. En ook dan nog kan een plaatselijk tekort of overschot ontstaan en tot bijsturen nopen. Tekorten kunnen door nieuwbouw worden aangevuld. Een overschot aan een bepaald soort bejaardenhuisvesting kan opgevangen worden door dit soort ook te bestemmen voor de huisvesting van niet-bejaarde alleenstaanden of tweepersoonshuishoudens: niet-bejaarde verzorgingsbehoeftigen in verzorgingstehuizen, niet-bejaarde mindervaliden in aangepaste bejaardenwoningen, niet-bejaarden in voor valide bejaarden geschikte kleine woningen. Op deze wijze kan ook een eventueel isolement van de bejaarde bevolkingsgroep worden verminderd. Maar wel behoort daarbij de voorrang, die aan bejaarden ten aanzien van aangepaste bejaardenhuisvesting wordt gegeven, gehandhaafd te blijven. Van wezenlijke betekenis is de onderlinge capaciteitsafstemming tussen zelfstandige bejaardenhuisvesting en de voorzieningen voor extramurale hulpverlening. Het belang van het tijdig en in voldoende mate oprichten van projecten van open bejaardenwerk, wijkcentra, hulpposten, dienstencentra en dergelijke ten behoeve van bejaarden in zelfstandige bejaardenwoningen, serviceflats of in normale woningen is reeds beklemtoond. In het kader van de stedebouwkundige situering zal ook aandacht moeten worden geschonken, zowel aan de openbare verbindingen als aan een goed Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

voetgangersbereik tussen bejaardenhuisvesting en algemene voorzieningen, zoals het station, een postkantoor, een winkelstraat, een wandelpark. Tussen verzorgingstehuis en ziekenhuis behoort ook een goede verbinding per openbaar vervoer aanwezig te zijn. Geregeld bezoek van bejaarden aan de poliklinische afdeling van een ziekenhuis is geen uitzondering en maakt goede verbindingen noodzakelijk. Voor de situering van bejaardenhuisvesting moet een aantal evenwichten zorgvuldig in het oog worden gehouden. Concentratie van huisvesting is nodig om de organisatie van hulpverlening mogelijk te maken, maar om gettovorming te vermijden moet deze concentratie beperkt en verspreiding bevorderd worden. Evenwichten moeten ook gezocht worden tussen rust en levendigheid, mogelijkheden tot contact en tot zich terugtrekken, collectieve regelingen en persoonlijke voorkeuren. De beste oplossing voor dikwijls tegenstrijdige verlangens is een ruim assortiment van uiteenlopende en verschillend gesitueerde bejaardenhuisvesting, zodat met de wensen van de bejaarden zoveel mogelijk rekening kan worden gehouden.

Nr. 6. Woonsituatie, huisvesting en voorzieningen in stadsvernieuwingsgebieden a. Woonsituatie van bejaarden in oude stadswijken Naar verhouding zijn in de oude stadswijken veel bejaarden gehuisvest. Terwijl zij namelijk van de landsbevolking 10,7% uitmaken, vormen zij in de betreffende wijken vaak 15 a 20% van de bevolking. Het geven van een landelijk beeld van de huisvestingssituatie van bejaarden in oude stadswijken, is gezien het ontbreken van betrouwbare en representatieve onderzoeksgegevens dienaangaande niet goed mogelijk. In het navolgende wordt dan ook slechts een aantal oorzaken van het ontstaan van de huidige situatie belicht, terwijl tevens enkele gevolgen voor de bejaarden van het wonen in de oude wijken aan de orde komen. Aan het ontstaan van de oververtegenwoordiging van de bejaarden in de oude wijken ligt een complex van oorzaken ten grondslag. Voor hen die zich reeds lange tijd geleden in hun woonplaats vestigden, was er meestal geen andere keus dan in denu oude -woonwijken te gaan wonen. Sommigen zijn weer uit deze gebieden vertrokken, anderen zijn er gebleven. Zij raakten aan hun buurt gehecht en bouwden er een netwerk van sociale contacten op. In de loop des tijds zijn de betreffende wijken door het -in verhouding tot nieuwere wijken -lagere huurpeil onder andere aantrekkingskracht gaan uitoefenen op bevolkingsgroepen met een gemiddeld laag inkomen. Tot deze laatsten moeten ook vele bejaarden worden gerekend, en zij raakten zodoende oververtegenwoordigd in de oude stadswijken. Indien men er van uitgaat dat onder oudere wijken worden verstaan wijken die grotendeels ouder zijn dan 50 jaar, dan mag men veronderstellen dat de woningen in deze wijken in meerdere of mindere mate tekorten zullen vertonen. Gezien hun vaak verminderde validiteit kunnen deze tekorten voor bejaarden bezwaarlijker zijn dan voor jongere leeftijdscategorieën. Te denken valt hierbij aan de slechte staat van onderhoud, onvoldoende sanitaire voorzieningen, steile trappen etc. Behalve gebreken aan de woningen zelf, is in vele oude wijken ook de woonomgeving voor bejaarden niet optimaal. Groenvoorzieningen in de directe omgeving ontbreken veelal en door structureel economische oorzaken dreigen meer en meer buurtwinkels te verdwijnen, terwijl de bejaarden voor de dagelijkse levensbehoeften veelal op deze winkels zijn aangewezen. Het bovenstaande kan er toe leiden, dat de bejaarden -met name de minder validen onder hen -in een onaanvaardbare situatie komen te verkeren.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Hieraan kan op diverse manieren tegemoet worden gekomen. Enerzijds zal de huisvestingssituatie van de bejaarden in de oude stadswijken moeten worden verbeterd, hetzij door nieuwbouw, hetzij door vernieuwbouw, terwijl hun ook het desgewenst vertrekken uit deze oude stadswijken aantrekkelijk wordt gemaakt door de overheidsbijdrage in de verhuis-en inrichtingskosten, zoals reeds eerder omschreven. Anderzijds zullen het opbouwwerk en andere hulpinstanties van maatschappelijk werk, bejaardenwerk etc. nog duidelijker hun werkterrein in de oude stadswijken moeten zoeken.

b. Huisvesting in de binnenstad

De oververtegenwoordiging van de bejaarden in de stedelijke gebieden die voor stadsvernieuwing in aanmerking (kunnen) komen, is in het voorgaande aan de orde geweest. Deze bejaarden wensen voor het overgrote deel zo mogelijk te blijven wonen in die gebieden. Dat stuit dan nogal eens op problemen. Bij krotopruiming moeten vaak bejaarden hun huis verlaten. Bij vernieuwing kunnen in eerste instantie de huishuren stijgen boven een voor bejaarden aanvaardbaar peil. Tijdelijk verblijf elders kan bij vernieuwbouw voor bejaarden ook een probleem vormen. Er kunnen thans voor dergelijke moeilijkheden plaatselijke regelingen worden getroffen, terwijl ook de huurgewenningsbijdrage en de overheidssubsidie voor verhuis-en inrichtingskosten verlichting van lasten kan brengen. Het levendig karakter en de nabijheid van velerlei vertier en voorzieningen maakt wonen in de binnenstad ondanks de eerdergenoemde bezwaren voor vele bejaarden aantrekkelijk. Mede hierom moet bij de stadsvernieuwing ex-tra aandacht worden gegeven aan het scheppen van geschikte huisvesting voor bejaarden, zowel door nieuwbouw als door vernieuwbouw. Wat de nieuwbouw betreft kan dat bijvoorbeeld geschieden bij het vullen van open gaten, al moet erkend worden, dat deze bouw op onregelmatige kavels, soms moeilijk bereikbaar is en met de eisen van aanpassing aan de omgeving tot relatief hoge kosten kan leiden. Maar hieruit behoeven in beginsel geen hogere huurprijzen voort te vloeien, omdat deze extra hoge kosten door subsidies kunnen worden opgevangen. In kleinere gaten kunnen huizen worden gebouwd, waarvan de eerste of de eerste twee bouwlagen voor bejaardenbewoning worden gereserveerd. In grotere gaten kan hetzelf-de geschieden, of kan een meergezinshuis van aangepaste hoogte en van enige omvang worden gebouwd met liften, zodat het geheel in bejaardenwoningen kan worden verdeeld. Combinatie in één gebouwvan bejaardenwoningen met gezinswoningen kan in het algemeen beter vermeden worden; een combinatie met woningen voor alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens van middelbare leeftijd en zonder kinderen ligt meer voor de hand. In de vernieuwbouw verdienen de aandacht de vele oude nog verbeterbare woningen van te geringe oppervlakte voor gezinsbewoning, die bij stadsvernieuwing worden aangetroffen. Na verbetering zijn dergelijke woningen zowel uit een oogpunt van accommodatie als van huurprijzen vaak bijzonder geschikt voor bejaardenwoning. Ook moet attent worden gebleven op de mogelijkheid van combinatie van te kleine woningen en splitsing van te grote woningen waarop krachtens de rehabilitatieregeling een subsidieverlening 'ad hoc' van toepassing is. Zo zijn soms éénkamerhofjeswoningen door samenvoeging en modernisering geschikt te maken voor bejaardenwoning, waartoe zij vaak eertijds ook zijn gebouwd. Dat bij dalende gemiddelde woningbezetting en vooral bij dalen-de behoefte aan grote woningen met 8 of meer kamers de woningsplitsing meer aandacht verdient, is reeds eerder vermeld. De verborgen leegstand in de binnensteden is voor het stadsleven ongun stig te achten. Door splitsing van grote woningen kan ook voorkomen worden, dat deze voor andere doeleinden dan bewoning worden bestemd, zoals Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

voor kantoren of bedrijven, waardoor de binnenstad ontvolkt geraakt en meer verkeer trekt. Grote kwalen behoeven grote remedies. Vooral in de randstad heeft deze strijdkreet bij grote behoefte aan bejaardenhuisvesting geleid tot grote verzorgingstehuizen en grote bejaardenflatgebouwen, en zelfs tot concentraties van dergelijke kolossale gebouwen. Nog steeds is in dit gebied de behoefte groot, maar gelukkig groeit het inzicht, dat grote gebouwen niet altijd de beste oplossing hiervoor bieden. Bij verzorgingstehuizen is, zoals hierboven reeds aangegeven, het niet te grote tehuis met eventuele eindfunctie een na te streven ideaal. Voor bejaardenwoningen zijn er in het kader van de stadsvernieuwing bij uitstek mogelijkheden tot spreiding, en daarmede tot het voorkomen van onpersoonlijke eenvormigheid en massaliteit en tot bevordering van de assortimentsverbreding.

c. Voorzieningen in

stadsvernieuwingsgebieden

In het voorgaande is reeds gewezen op problemen waarmee de bewoners -en in het bijzonder de bejaarden -van oude woonwijken te doen hebben. Ten aanzien van deze problemen bestaan reeds een aantal beleidsmaatregelen; de 'Notitie inzake de bijdrage van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk in het welzijnsbeleid in stadsvernieuwingsgebieden'. (Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13297, nr. 1, bijlage 1). Een speciale regeling voor stadsvernieuwingsgebieden en andere oude woonwijken kent dit Ministerie in een onderdeel van de Rijkssubsidieregeling Samenlevingsopbouw; deel D, opbouwwerk in Bijzondere Situaties, Hoofdstuk I, Oude Woonwijken. Op grond van deze regeling kunnen subsidies worden verleend voor het salariëren van opbouwwerkfunctionarissen meteen speciale taak ten aanzien van de stadsvernieuwing en de problemen in de oude woonwijken, en voorts voor activiteiten zoals voorlichting en sociaal onderzoek. Momenteel worden ongeveer 50 van deze opbouwwerkfunctionarissen gesubsidieerd. Deze regeling heeft ook mogelijkheden voor de verbetering van de woonomgeving in oude woonwijken, met name voor verbeteringen in de sociaal-culturele sfeer. Hiertoe behoren bij voorbeeld het aanleggen van groen-en kleine recreatieve voorzieningen (zoals zitbanken) en een zodanige herinrichting van een straat dat de woonomgeving aantrekkelijk wordt. Specifieke regelingen voor de bejaarden, met name de regeling voor dienstencentra c.q. projecten open bejaardenwerk en andere algemene regelingen van het Ministerie van CRM, zoals bij voorbeeld die voor het maatschappelijk werk, zullen met prioriteit toegepast worden in stadsvernieuwingsgebieden. Met name de Intradepartementale werkgroep Stadsvernieuwing zal de coördinatie binnen CRM verzorgen van alle beleidsmaatregelen welke relevant zijn voor stadsvernieuwingsgebieden. Ook het probleem van de bejaarden in deze gebieden is in deze werkgroep aan de orde.

C. ENIGE NADERE CONCRETISERING VAN DE RELATIEVE ACHTERSTAND VAN BEJAARDEN TEN AANZIEN VAN DIVERSE ASPECTEN VAN DE WONING De tabellen op blz. 82 en blz. 83 zijn afgeleid uit het steekproefonderzoek 'Woonbehoeften 1970', opgezet door het Ministerie van Volkshuisvestingen uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zoals bekend mag worden verondersteld richtte dit onderzoek zich op de huisvestingssituatie in het algemeen. Ondergetekenden gaan er echter van uit, dat de gevonden samenhangen in grote mate opgaan voor de bewoners in oude stadswijken. De gegeven cijfers dienen echter uitsluitend beschouwd te worden als probleemaanwijzend, als illustratief, daar uit het beschikbaar materiaal niet Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

kan worden afgeleid, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen oude stadswijken en andere situeringen.

Huurwaarde

Tabel 1. Huurwaarde der woning per jaar en leeftijd van de hoofdbewoner

Huur per jaar

20-34

35-49

50-64

65 en ouder

Totaal

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

Geen

0,5

0,6

0,7

0,3

0,5230

0,4

0,3

0,4

1,2

0,5230-480

209

5,1

224

4,0

353

7,0

372

10,0

1158

6,3480-840

680

16,2

827

15,0

1028

20,4

1012

27,2

3547

19,4840-1200

919

23,0

1515

27,6

1537

30,5

982

26,0

4953

27,0 1200-2040

1689

41,3

2078

38,0

1511

30,1

1003

27,0

6281

34,32040 2760

350

8,5

427

8,0

337

6,6

164

4,3

1278

7,0 2760 en hoger

195

5,0

341

6.3

221

4,3

152

4,0

909

5,0

Totaal

4068

100

5462

100

5043

100

3741

100

18314

100

Conclusie Uit deze tabel blijkt dat bejaarden vaker een relatief lage huur betalen. Nog duidelijker wordt dit als men de huurwaarden in laag, midden, en hoog indeelt en bejaarden vergelijkt met de totale groep.

65+

Totaal

Laag, minder dan f 840

39%

27% Midden, f 840-f 2040

53%

61% Hoog, méér dan f 2040

8%

12%

Voor zover een relatief lage huur samengaat met een relatief lage woningkwaliteit, blijkt ook hieruit dat bejaarden vaker in een relatief slechte woning leven dan overige leeftijdsgroepen.

Ouderdom van de woning

Tabel 2. Bouwjaar van de woning en leeftijd van de hoofdbewoner

Bouwjaar

20-34

35-49

50-64

65 en ouder

Totaal

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

Vóór 1906 1906 19301 93I-1945 1946 en later

273 354 310 2 586

7,6 10,0 8,7 73,7

354 587 517 3 476

7,3 12,0 10,6 71,0

423801 754 2 327

9,8 18,6 17,5 54,1

447 753 605 1 243

14,9 25,0 20,1 40,0

1 497 2 505 2 186 9 632

9,5 16,0 13,3 61,0

Totaal

2523

100

4934

100

4305

100

3048

100

15820

100

Conclusie Van de bejaarden woont een duidelijk groter deel in een oude woning, dan van de andere leeftijdscategorieën. Van de categorie 20-34 jaar woont 26,3% in een vóór 1945 gebouwde woning, van de categorie 35-49 jaar is dat bijna 30%, van de 50-64 jarigen is dat bijna 46% en van de bejaarden 60%. Als de kwaliteit van de woning omgekeerd evenredig is met de leeftijd van de woning dan blijkt ook hier de relatieve achterstand van de bejaarden.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Aanwezigheid van badgelegenheid Tabel 3. Aanwezigheid van badgelegenheid en leeftijd van de hoofdbewoner

Totaal

4568

100

5562

100

5043

100

3740

100

Badgelegenheid

20-34

35-49

50-64

65 en ouder

Totaal

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

Aanwezig Niet aanwezig

21501-53

8515

4 882 680

8713

38821 II

7822

2 186 1 554

5941

14266 4 048

7822

18314

100

Conclusie In 41 % der bejaardenhuishoudens ontbreekt een bad of doucheruimte. Het verschil met andere leeftijdsgroepen is alarmerend.

Aanwezigheid van w.c.

Tabel 4. Aanwezigheid en aard van de w.c. en leeftijd van de hoofdbewoner

Aard der w.c.

20-34

35-49

50-64

65 en ouder

Totaal

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

absoluut

%

Binnen woning met afvoer

3713

90,5

4917

89,5

4365

3140

16135

88 Binnen zonder afvoer

266

6,4

461

8,5

543

10.5

438

11,8

1708

9,3 Buiten woning

2,0

1.5

133

2,5

160

4,2

457

2,5 Niet aanwezig

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Totaal

4068

100

5462

100

5043

100

3741

100

18314

100

Conclusie Binnen de oudste categorie heeft men iets vaker een w.c. van slechte kwaliteit, dan binnen de 'jongere' categorieën. Van de bejaarden heeft nog ruim 4% een w.c. buiten de woning. Waarschijnlijk zal dit echter géén grotestadssituatie zijn, maar vooral op het platteland voorkomen.

HOOFDSTUK VI. SAMENWERKINGSVORMEN IN HET BEJAARDENWERK

Nr. 1. Inleiding

In het welzijnsbeleid voor bejaarden, zoals de regering zich dat voorstelt heeft de bevordering van de zelfstandigheid en de maatschappelijke integratie van de oudere medeburger een hoge prioriteit. Dit beleid komt onder meer tot uitdrukking in maatregelen en wetgeving, die erop gericht zijn de beëindiging van zelfstandige huisvesting van de bejaarde en de daarop volgende opneming in de een of andere vorm van geïnstitutionaliseerde huisvesting te binden aan een duidelijke indicatie. Hiermee wordt bereikt, dat opneming alleen plaatsvindt als de zelfstandige huisvesting niet meer gecontinueerd kan worden. Het spreekt voor zich dat bij een voldoende aanbod van diensten (open of extramuraal bejaardenwerk) in veel gevallen het moment van een opneming kan worden uitgesteld, wellicht zelfs voor veel bejaarden in het geheel vermeden zal kunnen worden. De behoeften van bejaarden zijn in beginsel even veelsoortig als die van niet-bejaarden. Het is dan ook niet mogelijk aan deze behoeften tegemoet te komen vanuit één soort voorziening. Het is ook onmogelijk, en ongewenst, dit te doen door gevarieerde, alleen voor bejaarden bestemde, voorzienin-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

gen. De bejaarden maken overwegend gebruik van de vele voorzieningen die ook voor niet-bejaarden beschikbaar zijn. Daar is nauwelijks iets tegen en alles voor. Maar dan is het wel nodig, in het bijzonder voor hen die extra hulp behoeven, dat deze voorzieningen ook werkelijk beschikbaar en bereikbaar zijn en zo op elkaar zijn afgestemd dat de bejaarden ervan verzekerd zijn dat zij zich daarop kunnen verlaten. Daarvoor zijn nodig samenwerking, coördinatie en gemeenschappelijke presentatie. Op veel plaatsen in het land zijn daartoe vormen van samenwerking in het bejaardenwerk tot stand gebracht. De gekozen vorm, en de fase waarin de samenwerking verkeert, zijn afhankelijk van een veelheid van plaatselijke factoren. Er zijn daarbij nogal wat variaties denkbaar en verwezenlijkt: gesloten circuit, samenwerkingsverband, projecten gecoördineerd bejaardenwerk, dienstencentra, enz. Of dit alleen maar verwarrend is, dan wel toch recht doet aan plaatselijke inzichten zal hierna kunnen blijken. Hoewel het frequent voorkomende gebruik van de term 'gesloten circuit' voor de veelheid van samenwerkingsvormen de duidelijkheid niet in alle gevallen bevordert, moeten wij toegeven dat de plaatselijk of regionaal gekozen samenwerkingsvormen vaak wel passen op de in die plaats of regio op dat moment aanwezige problemen en behoeften. Zo gezien zijn er de bekende spanningen tussen enerzijds de behoefte aan uniformiteit en duidelijkheid en anderzijds de ruimte die men behoort te laten voor het inzicht van de burgers en bestuurders in de naaste omgeving van al die voorzieningen die om samenwerking vragen. De regering zal in haar beleid een flexibele honorering van de gegroeide of in ontwikkeling zijnde samenwerkingsverbanden nastreven, waarbij uiteraard wel in alle gevallen aan een aantal grondvoorwaarden zal dienen te worden voldaan. In de navolgende paragrafen 2, 3 en 4 wordt met name aandacht besteed aan driesamenwerkingsbegrippen en drie samenwerkingsvormen: het gesloten circuit, het gecoördineerd bejaardenwerk en het samenwerkingsverband (dit laatste in relatie tot de commissies ex art. 6j van de Wet op de bejaardenoorden; dezen. indicatiecommissies). Globaal gezegd kan men het gesloten circuit zien a. als een aanduiding van een conceptie inzake ideale samenwerking, als een aanduiding van het gehele actieveld waarbinnen samenwerking van alle zorg-en dienstenverlening voor bejaarden idealiter zou dienen plaats te vinden, wil bewaarheid worden, dat ook de bejaarden optimaal aan welzijn toekomen, en b. als aanduiding van de ideale organisatiestructuur of -vorm voor het bereiken van het doel dat in de conceptie is vervat. Daarbij zijn dan twee zaken fundamenteel: het meedoen van alle betrokkenen moet volledig zijn, moet het geheel van die zorg-en dienstenverlening betreffen, en vervolgens: de samenwerkende partners moeten zich volledig, dus met opgeven van een stuk autonomie, gevoegd hebben in dat nieuwe organisatieverband. Wordt aan die twee voorwaarden niet voldaan, dan verdient een organisatie de benaming gesloten circuit niet. Het tweede samenwerkingsbegrip is het gecoördineerd bejaardenwerk. De organisatievorm daarvan is het project gecoördineerd bejaardenwerk dan wel het dienstencentrum. Het gecoördineerd bejaardenwerk is enerzijds te zien als fase op weg naar de ideale vorm van gesloten circuit, als groeimodel dus, anderzijds omvat het organisatievormen die permanent als zodanig kunnen blijven bestaan. Het is een groeimodel omdat de coördinatie hier op een meer vrijwillige basis tot stand komt zodat in feite weinig bevoegdheden aan de coördinerende instantie worden overgedragen door de verschillende voorzieningen en verder omdat aanvankelijk dikwijls een beperkter aantal voorzieningen deelneemt. Zo zullen bejaardenoorden soms en verpleeghuizen vaak ontbreken.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Het kan echter ook permanent als zodanig blijven bestaan na de vorming van een gesloten circuit. Immers een gesloten circuit omvat een vrij omvangrijk territoir, dat kan worden verdeeld in een aantal kleinere territoirs waarbinnen met name de ambulante voorzieningen samen kunnen werken in het kader van een project gecoördineerd bejaardenwerk of dienstencentrum. Het derde samenwerkingsbegrip en de daarop gebaseerde vorm is (de gedachte van) het samenwerkingsverband, gegroeid uit het opnemingsbeleid van de bejaardenoorden. Dit opnemingsbeleid dat in veel plaatsen van ons land van de grond komt, is in veel gevallen tevens een stimulans om te komen tot samenwerking in het bejaardenwerk, zoals dat in intra-en extramurale vorm tot ontwikkeling is gekomen. Het gestelde in de Wet op de bejaardenoorden heeft dit proces bevorderd. De commissies ex art. 6 j van de Wet op de bejaardenoorden krijgen tot taakeen oordeel uitte spreken over de wens van een bejaarde in een tehuis te worden opgenomen. Het is daarbij onvoldoende dat dit oordeel slechts een uitspraak zal zijn ten aanzien van de geuite wens. Daar is de bejaarde niet mee geholpen. Zou het oordeel van de commissie positief zijn dan garandeert dit nog geen opneming: in een tehuis kan (nog) geen plaats zijn. Maar in die wachtperiode zal de bejaarde zo goed mogelijk geholpen moeten worden, want niet voor niets heeft de commissie een intensieve hulpverlening, te geven door het bejaardenoord, nodig geacht. Maar ook als het oordeel negatief is geweest, is het waarschijnlijk dat de bejaarde een zekere mate van hulp behoeft. Hij zal immers niet voor niets opneming hebben gevraagd. In beide gevallen is het van belang dat de commissie ex art. 6 j W.B.O. haar adviezen ter kennis brengt aan die instellingen en instanties die voor een alternatieve voorziening zorg kunnen dragen (gezinsverzorging, wijkverpleging, huisvestingsinstanties en dergelijke). De Centrale Commissie voor de bejaardenoorden heeft bepleit de relaties tussen deze instellingen en instanties te structureren en te formaliseren door het aangaan van een samenwerkingsverband, dat overigens al hier en daarfunctioneert. Daar waar gecoördineerd bejaardenwerk dan wel een gesloten circuit aanwezig is zal het samenwerkingsverband hiermee geheel kunnen samenvallen dan wel er deel van uitmaken. In toenemende mate wordt op het niveau van de provincie, zowel bij de overheid als bij de dienstverleningsinstellingen, de noodzaak gevoeld om tot een onderlinge afstemming en coördinatie van het beleid te komen. Knelpunten zijn in dit verband de planning van de voorzieningen en het aspect van regionalisering. Deze zaak is nog volop in ontwikkeling (zie par. 5 van dit hoofdstuk). Te zijner tijd zal in een ruimer verband, in het kader van de beslissingen die genomen moeten worden met betrekking tot de problematiek die in de Knelpuntennota ' aan de orde is, het niveau tot de problematiek, de beleidsvoorbereiding, de planning, het onderzoek en de beleidsadvisering moeten worden bepaald. Thans zijn het veelal de Opbouworganen die hieraan mede aandacht schenken in overleg met onder andere de Raden voor de Volksgezondheid.

Nr. 2. Het gesloten circuit

Met de term 'gesloten circuit' worden vaak verschillende zaken aangeduid. Het oorspronkelijke begrip werd in 1965 geïntroduceerd door F.J.G. Oost-vogel in zijn artikel 'Het gesloten circuit van dienst-en zorgverlening'2en vervolgens uitgewerkt in zijn in 1968 gepubliceerde proefschrift, getiteld 'Verzorgingsbehoeften van bejaarden'. Heden ten dage ziet men dikwijls dat iedere vorm van beter op elkaar afstemmen in een organisatorisch verband van een aantal voorzieningen die (mede) voor bejaarden zijn bedoeld, als gesloten circuit wordt aangeduid.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

8b

In dit onderdeel wordt bij het hanteren van de term 'gesloten circuit' uitgegaan van de oorspronkelijke betekenis van de term, als een vergaande en duidelijk gestructureerde vorm van samenwerking.

A. Ontstaan van het begrip

In de tweede helft van de zestiger jaren werd van velerlei zijde de noodzaak beklemtoond van het tot stand brengen en sluitend maken van een keten van voorzieningen voor bejaarden. Op 21 en 22 mei 1969 werd in het conferentieoord 'Kerk en Wereld' te Driebergen aan dit onderwerp een studiebijeenkomst gewijd. Het curatorium van deze conferentie attendeerde gemeenten en andere hiervoor in aanmerking komende instanties op de noodzaak te komen tot experimentele gesloten circuits.

Belangrijk voor de gedachtenontwikkeling was tenslotte het Advies inzake gerontologie van de Gezondheidsraad, dat in 1971 werd aangeboden aan de Ministervan Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Achter de stelling dat gesloten circuits nodig zijn, ligt de constatering, dat de voorzieningen in Nederland met betrekking tot de noden en behoeften van de bejaarden voor verbetering vatbaar zijn. Sommige voorzieningen hebben te weinig capaciteit, kunnen onvoldoen-de hun clientèle bereiken of zijn onvoldoende toegerust om alle noden en behoeften van bejaarden te signaleren. Voor sommige daarvan zijn nog geen voorzieningen beschikbaar. Vanuit deze constatering komt men tot de noodzaak het voorzieningenpakket opnieuw kritisch te bezien en na te gaan of er in de keten (het circuit) misschien schakels ontbreken, te licht of te zwaar zijn uitgevoerd, dan wel niet goed op elkaar aansluiten. Met name het garanderen van de onderlinge afstemming der voorzieningen door middel van een sterke onderlinge coördinatie en samenwerking staat bij het gesloten circuit centraal. Hierbij rijst de vraag welke voorzieningen in deze functioneellogische en organisatorisch gesloten keten dienen te worden opgenomen. Hiertoe dient allereerst een definiëring van het begrip plaats te vinden.

B. Inhoud van het begrip

De verschillende opvattingen tenderen naar het volgende. Het gesloten circuit is een systeem van voorzieningen waarvan de elementen zodanig logisch en organisatorisch rpet elkaar zijn verbonden, dat het geheel in staat is de welzijns-en gezondheidsbehoeften van ouderen, althans voor zover dat redelijkerwijs vanuit instellingen en voorzieningen kan geschieden, integraal te behartigen. Dit is een welhaast ideaaltypische opvatting. Wij moeten al meteen beseffen, dat een gesloten circuit in deze opzet nog bijna nergens eenvormig en optimaal kan worden verwezenlijkt: de dichtheid van de bejaarde bevolking verschilt, de voorzieningen zijn niet overal in dezelfde mate aanwezig, de financiering verschilt vaak per voorziening, nomenclatuur is nog niet bepaald, de wet-en regelgeving verschilt en vooral: er is nog een grote vrijwilligheid om al of niet mee te doen in een samenwerkingsgeheel. Wij wijzen dan nog maarniet op een aantal 'kleinere' aspecten, zoals de wisselende continuïteit in de personeelsbezetting. Het lijkt echter verantwoord te zijn, de ideaaltypische opvatting van gesloten circuit verder tot uitgangspunt te nemen, telkens beseffend dat men het ter plaatse vermoedelijk met minder moet doen. In het gesloten circuit dient iedere nood door de meest geschikte voorziening te worden opgevangen. Als de voorziening die hiervoor het eerst is aangewezen ontbreekt, zal er op een centraal punt een andere oplossing moeten worden gezocht.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Behalve een logisch op elkaar volgen van voorzieningen, dient er ook een organisatorische koppeling plaatste vinden, teneinde het aspect vrijblijvendheid zoveel mogelijk terug te dringen en de overzichtelijkheid voor de 'consument' te bevorderen. Het lijkt ook een vereiste te zijn, dat de bejaarde niet zelf van de ene naar de andere voorziening wordt gestuurd of doorverwezen maar dat er één vast adres, instantie of dienstverlener wordt aangewezen om te dienen als verbindingsman of begeleider voor de hulpzoeken-de bejaarde.

C. Voorzieningen die tot een gesloten circuit gecombineerd kunnen worden In een gesloten circuit zullen over het algemeen gezondheidsvoorzieningen, voorzieningen van maatschappelijke dienstverlening, huisvestingsvoorzieningen en sociaal-recreatieve voorzieningen samenwerken.

1. Gezondheidszorg Extramuraal: huisarts, wijkverpleging, paramedische hulp. Intramuraal: verpleeghuis, psychiatrische inrichting, ziekenhuis.

2. Huisvesting Extramuraal: aangepaste woning, bejaardenwoning, serviceflat. Intramuraal: verzorgingstehuis.

3. Maatschappelijke

dienstverlening Maatschappelijk werk, gezinsverzorging en bejaardenhulp, vrijwilligerswerk, pastoraal en diakonaal werk.

4. Sociaalculturele en recreatieve voorzieningen Diverse vormen van vrijwilligerswerk. Meer Bewegen voor Ouderen, amateuristische kunstbeoefening enz. Als integraal onderdeel van het gesloten circuit wordt veelal een coördinerende staf gezien. Organisatorisch gekoppeld aan het gesloten circuit zullen ten behoeve van onderdelen van het werkgebied (wijken, dorpen, eventueel niet dichtbevolkte streken) de dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk functioneren. Vanzelfsprekend zal niet elke gemeente groot genoeg zijn voor een compleet gesloten circuit. Gedacht moet worden aan bepaalde regio's, waarbinnen het totale voorzieningenpakket beschikbaar is of zou dienen te zijn.

D. Karakteristieken van een gesloten circuit

1. Functiedefiniëring van de voorzieningen Indien men werkelijk van een gesloten circuit wil spreken, zal men de functie (taak) van iedere voorziening in concrete termen moeten definiëren. Dit zijn termen die men aan de lichamelijke, psychosociale en huishoudelijke situatie van de clientèle moet kunnen ontlenen. Voor iedere voorziening moet bepaald zijn voor welke graden van invaliditeit (lichamelijk, psychosociaal en huishoudelijk) zij een oplossing moet bieden. Idealiter moeten de voorzieningen hun aanbiedings-, toelatings-of opnemingseisen baseren op dezelfde meetlat: de mate van validiteit op de genoemde, te onderscheiden terreinen. ledere voorziening neemt als het ware een bepaald deel van de meetlat voor haar rekening. Op deze manier moet het tot op zekere hoogte mogelijk zijn iedere nood of behoefte aan een voorziening te 'koppelen'.

2. Bindende afspraken ten aanzien van het

doorstromingsbeleid Indien een bepaalde voorziening voor een bepaald type verminderde validiteit bestemd is, dient bij belangrijke verandering in deze validiteit een andere voorziening te worden verstrekt

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

3. Verlies van volledige autonomie der voorzieningen Het is duidelijk dat het onder 2 genoemde een einde maakt aan een bijna totale onafhankelijkheid en beschikkingsbevoegdheid van de afzonderlijke voorzieningen. De voorzieningen moeten elkaar, ook in de beleidspraktijk, gaan zien als samenwerkende delen van een systeem. Het is de vraag of hieraan kan worden voldaan zonder een centrale overkoepelende staf die bevoegdheid heeft over het gesloten circuit als geheel.

4. Organisatorische

voorwaarden Terformulering en vaststelling van doeleinden en middelen van een gesloten circuit, en om op te treden als werkgever ten behoeve van eerdervermel-de centrale coördinerende staf, zal een rechtspersoonlijkheid bezittend bestuurlijk orgaan opgezet moeten worden. De diverse in het werkgebied van het gesloten circuit aanwezige voorzieningen die zich kunnen verenigen met de in de statuten van een dergelijke rechtspersoonlijkheid neergelegde filosofie, zullen bestuurlijk vertegenwoordigd dienen te worden. Hierdoor worden bestuurlijk de voorwaarden geschapen voor het proces van voortschrijdende samenwerking op het uitvoeringsniveau.

E. Aandachtspunten bij de beantwoording van de vraag of een gesloten circuit mogelijk is Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaalde regio een gesloten circuit in de een of andere vorm mogelijk is zullen de volgende factoren in ogenschouw genomen dienen te worden.

7. Criteria bij de vaststelling van de territoriale omvang van het werkgebied van het gesloten circuit Hierbij kan men denken aan de afweging van de volgende, min of meer objectieve, indelingscriteria: -natuurlijke begrenzing (bij voorbeeld eiland Walcheren); -de voorgestelde regionalisatie van de gezondheidszorg 4; -nagestreefde intergemeentelijke samenwerking, c.q. gewestvorming; -het aantal bejaarden; -het verzorgingsgebied van het verpleeghuis; het verpleeghuis is de component waarvan relatief gezien het kleinste aantal bejaarden gebruik behoeft te maken en waarvan het verzorgingsgebied derhalve territoriaal het grootstezal zijn. Daarnaast dienen ook de volgende factoren in ogenschouw genomen te worden: -de innerlijke samenhang van de regio, c.q. het beleven daarvan door de bevolking; -de spreiding van (concentratie van) de bejaarden over het werkgebied; -levensbeschouwelijke gedifferentieerdheid en de daarmee samenhangen-de verzuiling.

2. Overige aandachtspunten -De mate waarin mogelijke participanten hechten aan de eigen autonomie. Dit hangt samen met de 'leeftijd' van instellingen en de vraag of het ontstaan c.q. blijven bestaan van een instelling in het verleden al dan niet gepaard is gegaan met moeilijkheden, offers, zich afzetten tegen andere groepen enz. Het is duidelijk dat instellingen die de eigen identiteit en de eigen autonomie erg belangrijk vinden, minder sterk geneigd zullen zijn samen te werken in een groter geheel. -Interne organisatie of samenwerking in een sector van het te vormen gesloten circuit. Naarmate een sector of werksoort in het bejaardenwerk intern hechter georganiseerd is, dan wel een goed georganiseerd samenwerkingsverband tot

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

stand heeft gebracht, zal de multidisciplinaire samenwerking hiervan een sterkere invloed ondervinden. -Personele unies. De samenwerkingsstructuur wordt versterkt indien personen in staat zijn gesteld, c.q. in staat gesteld worden de liaisonfunctie uitte oefenen vanuit een eigen discipline naar andere disciplines of rechtstreeks naar een centraal samenwerkingsorgaan. Uit ervaringen is gebleken dat men hiervoor tijd moet kunnen vrijmaken, waarvoor in taakomschrijving en personeelsbezetting ruimte geschapen moet lijnen -De wijze waarop de communicatie tussen potentiële participanten plaatsvindt. Indien reeds -al dan niet toevallig of informeel -frequente ontmoetingen plaatsvinden tussen personen met bestuurlijke bevoegdheden, dan wel uitvoerendefunctionarissen in het bejaardenwerk (bij voorbeeld functionarissencontact) kan men verwachten dat de bereidheid van de betrokkenen om tot een verdergaande samenwerking te komen aanwezig is. Het organiseren van periodieke communicatie tussen de initiatiefnemer van en de componenten in het tot stand te brengen gesloten circuit vraagt tijd en aandacht in elke fase van voorbereiding en uitvoering. Ter illustratie van het voorgaande wordt verwezen naar bijlage 3.

Nr. 3. Het gecoördineerd bejaardenwerk

A. Inleiding

Sinds de indiening van de Nota Bejaardenbeleid 1970 is het aantal projecten gecoördineerd bejaardenwerk en dienstencentra voor bejaarden snel toegenomen. Sneller dan in genoemde nota als geplande uitbreiding voorde periodetot 1975 werd aangekondigd (zie Inl.). Op grond van deze zeer snelle ontwikkeling kan gesteld worden, dat de coördinatie van voorzieningen voor bejaarden, zoals die in het kader van het gecoördineerd bejaardenwerk wordt gestimuleerd, in een uit de praktijk blijkende behoefte voorziet. Deze dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk worden beheerd door stichtingen die vaak verschillende benamingen hanteren. De naam Stichting Bejaardenwerk komt het meest voor en blijkt in de praktijk de minste weerstand op te roepen. In het navolgende zal deze naam worden gebruikt. Het gecoördineerd bejaardenwerk heeft als eerste taak de dienstverlening en activiteiten die speciaal of mede voor bejaarden zijn opgezet, overzichtelijk en optimaal toegankelijk te maken. Daartoe zal gestreefd moeten worden naar samenwerking tussen de diverse organisaties, instellingen en groepen die hun activiteiten geheel of mede op bejaarden richten. Alleen door middel van een dergelijke samenwerking kan een in onderdelen aaneensluitend geheel van voorzieningen tot stand gebracht worden ten behoeve van de bejaarden. Een belangrijk middel waarover het gecoördineerd bejaardenwerk beschikt om de gewenste samenwerking te bevorderen is het fungeren als platform waarop de verschillende organisaties, instellingen en groepen elkaar ontmoeten. In het bestuur van de stichting bejaardenwerk geschiedt dit door het aldaar samenbrengen van met name algemeen maatschappelijk werk, gezinsverzorging en bejaardenhulp, kruisverenigingen, vrijwilligersorganisaties en bejaardenorganisaties. Het gemeentebestuur participeert eveneens in vrijwel alle gevallen. Waarde stichting bejaardenwerk zich ten doel stelt te (gaan) fungeren als plaatselijk samenwerkingsverband (zie par. 4 van dit hoofdstuk, deel C) zullen ook de verzorgingstehuizen in het bestuur vertegenwoordigd zijn. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, de aanwezigheid van voorzieningen en de reikwijdte van de doelstellingen van de stichting, kan Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

men voorts onder meer vertegenwoordigers aantreffen van: opbouwwerk en buurt(huis)werk, huisartsenoverleg, kerken en andere levensbeschouwelijke organisaties, verpleeghuizen, woningbouwcorporaties en welfarewerk. Veelal zijn de genoemde typen voorzieningen niet uitsluitend bestemd voor bejaarden, maar voor de hele bevolking. Het is daarom nodig erop attent te blijven, dat de bejaarden er naar behoefte gebruik van maken. Daarnaast zullen de instellingen, organisaties en groepen rekening moeten houden met het feit dat een groot deel van hun clientèle bestaat uit bejaarden. Bovendien kunnen zo eventuele lacunes en doublures in de dienstverlening worden gesignaleerd en kan hierin in gezamenlijk overleg worden voorzien. Door het bovenstaande is de coördinerende taak van stichtingen bejaardenwerk gegeven. Met het bestuur van een stichting bejaardenwerk ontstaat er een aandachts-en coördinatiepunt, waarin alle voorzieningen en activiteiten op dezelfde wijze zijn verbonden, de één niet sterker dan de ander. Voor wat dit laatste betreft dient nog op één aspect te worden gewezen. Als een dergelijk aandachts-en coördinatiepunt wordt ondergebracht bij één van de participanten zal dit belemmerend werken op de coördinerende functie als zodanig. In enkele gevallen is het gecoördineerd bejaardenwerk ondergebracht bij bij voorbeeld een instelling voor Maatschappelijke Dienstverlening. Daarvoor golden dan plaatselijke omstandigheden als argument. Soms is deze koppeling aan een bepaalde termijn gebonden. Het beleid is erop gericht dergelijke situaties te beperken tot de gevallen waarin dit plaatselijk de beste oplossing wordt geacht en dan onder voorwaarden die er voor moeten zorgen dat de coördinerende functie wordt gewaarborgd. B. Het coördinatie-aspect De coördinatie vindt plaats zowel op het bestuurlijke als op het uitvoerende vlak. De communicatie tussen deze niveaus zal de bijzondere zorg dienen te hebben van de functionaris gecoördineerd bejaardenwerk, die immers -anders dan zijn collega's in de dienstverlening ter plaatse -vertegenwoordigers van de verschillende sectoren in het bejaardenwerk als bestuur heeft.

a. Beleidscoördinatie Door bestuursvertegenwoordigers van alle bij het bejaardenwerk in een bepaald gebied betrokken organisaties, instellingen én groepen te laten deelnemen in het bestuur van de stichting bejaardenwerk, wordt een belangrijke voorwaarde vervuld om te komen tot beleidscoördinatie, waarvan ten slotte de samenhang in de onderscheiden voorzieningen afhankelijk is. Gezien het belang dat aan deze coördinatie op bestuurlijk niveau moet worden gehecht, stelt artikel 4 van de Voorlopige Rijksbijdrageregeling dienstencentra bejaarden de hierboven genoemde bundeling van bestuurlijke krachten dan ook als voorwaarde. De indruk bestaat dat het bespreken van coördinatievraagstukken in besturen van stichtingen bejaardenwerk óver het algemeen redelijk tot zijn recht komt. Gezien echter het veelal nog informele en weinig gestructureer-de karakter van de coördinatie van verschillende besturen in een overkoepelend bestuur zal extra aandacht aan het feitelijke effect besteed moeten worden, met name als het gaat over terugkoppeling naar en voeding vanuit de achterban van de participanten. Praktijkvoorbeelden van beleidscoördinatie:

-Een woningbouwvereniging bouwt een complex bejaardenwoningen. Binnen de stichting bejaardenwerk maken de bestuursleden na overleg met hun Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

achterban afspraken om knelpunten in de dienstverlening te voorkomen bij de verplaatsing en herhuisvesting van bejaarden in een zekere concentratie. -Diverse sectoren in de dienstverlening maken in het bestuur van de stichting bejaardenwerk afspraken over het op elkaar afstemmen van functie-inhouden en werkgebieden van functionarissen, waardoor een efficiëntere en meer overzichtelijke dienstverlening voor de bejaarden ontstaat. -Verschillende vrijwilligersorganisaties werken samen om met defunctionaris gecoördineerd bejaardenwerk een huisbezoekproject op te zetten (bij voorbeeld om vereenzaming tegen te gaan, behoeften te signaleren en voorlichting te geven).

b. Coördinatie in het uitvoerend vlak De daadwerkelijke dienstverlening geschiedt door functionarissen en vrijwilligers van de verschillende instellingen, organisaties en groepen die zich in een bepaalde plaats bezighouden met een deel van het bejaardenwerk. De coördinatie op dit niveau is van zeer groot belang, omdat juist hier sprake is van rechtstreeks contact met de bejaarden. In het merendeel van de dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk is de samenwerking tussen de functionaris gecoördineerd bejaardenwerk en de dienstverleners groeiende. Bij nieuwe stichtingen vinden contacten tussen de functionaris gecoördineerd bejaardenwerk en de dienstverleners in eerste instantie plaats naar aanleiding van het spreekuur van de eerstgenoemde. De verwijzingen die het gevolg zijn van dit spreekuur zijn de eerste aanzet tot meeromvattende afspraken over betere onderlinge afstemming en helderheid over elkanders beroepsbeeld. De tweede fase is dan in de meeste gevallen een min of meer gestructureerdfunctionarissencontact waarin algemene werkafspraken worden gemaakt ten aanzien van de dienstverlening aan individuele bejaarden en ten aanzien van de gezamenlijke organisatie en presentatie van de dienstverlening als zodanig. De derde fase is dat alle hiervoor in aanmerking komende dienstverleners zich organiseren in wat men hometeams zou kunnen noemen, waarin alle vormen van dienstverlening worden gebundeld en waarbij het beroepsgeheim collegiaal wordt beleefd. Gesteld kan worden, dat fase 2 in een aanzienlijk aantal gevallen tot stand is gekomen. Van fase 3 kan dat nog niet worden gezegd. Verwacht mag echter worden dat het realiseren van de derde fase een ex-tra stimulans zal krijgen door het op gang komen van de commissies ex art. 6j van de Wet op de bejaardenoorden. Ook in de sociaal-culturele sfeer vindt coördinatie van allerlei activiteiten plaats ten einde voor de bejaarden een breed scala van mogelijkheden van zinvolle tijdsbesteding mogelijk te maken. Primair gaat het er daarbij om het geheel van activiteiten in een herkenbare en toegankelijke vorm dicht bij huis te presenteren. Het zijn vooral de vrijwilligers en de bejaarden zelf die in deze sector een belangrijke inbreng hebben. De versnippering in deze sector is altijd bijzonder groot geweest. Onderlinge contacten ontbraken veelal, waardoor gelijksoortige activiteiten op hetzelfde tijdstip werden georganiseerd. Bovendien bleek de variëteit van het aangebodene gering. De aanwezigheid van gecoördineerd bejaardenwerk gedurende een aantal jaren blijkt overal te hebben geleid tot een breder samengesteld en omvangrijker pakket van activiteiten. Deze ontwikkeling is in het najaar van 1974 gestimuleerd door het op grote schaal verspreiden van een circulaire inzake activiteiten in en vanuit dienstencentra en projecten gecoördineerd bejaardenwerk door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De in deze circulaire genoemde mogelijkheden zijn aan de praktijk ontleend en geven een goed beeld van de veelheid van activiteiten die in den lande worden verricht (zie bijlage 4).

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Praktijkvoorbeelden van coördinatie in het uitvoerende vlak: -Gecoördineerde dienstverlening na overleg in een functionarissencontact. Een huisarts signaleert bij een bejaarde met mobiliteitsproblemen een ernstig tekort aan sociale contacten onder meer door verkeerde huisvesting. De huisarts wendt zich tot de functionaris gecoördineerd bejaardenwerk. Deze brengt dit probleem in het functionarissencontact en het periodiek overleg met de afdeling huisvesting van de gemeentesecretarie. In het laatstgenoemde overleg kan bezien worden of een aangepaste huisvesting mogelijk is. In het functionarissencontact kan hij in overleg met daarin aanwezige dienstverleners en na overleg met de bejaarde zelf komen tot het opstellen van een dienstverleningsplan. Elementen daarvan kunnen zijn: regelmatig bezoek van iemand van de vrijwillige bezoekdienst, regelmatig vervoer naar een dienstencentrum of hulppost van een project gecoördineerd bejaardenwerk, eventueel hulpverlening thuis door een bejaardenhelpster van de gezinsverzorgingsinstelling. -Coördinatie in het aanbieden van sociaal-culturele voorzieningen. De functionaris gecoördineerd bejaardenwerk signaleert dat veel bejaarden zich niet aangetrokken voelen tot de traditionele vormen van tijdsbesteding als kaarten en biljarten. Hij brengt een aantal van deze bejaarden rond de tafel en stimuleert een gesprek over andere mogelijkheden van tijdsbesteding. Met medewerking van daartoe geëigende organisaties, deskundigen of vrijwilligers en door gerichte voorlichting wordt een aantal groepen gevormd van mensen met gelijke interessen, bij voorbeeld op het gebied van amateurtoneel, handwerken, vingerverven, cursus Engels, gespreksgroepen.

C. Het organisatie-aspect

De Voorlopige Rijksbijdrageregeling dienstencentra bejaarden werd op 2 oktober 1967 gepubliceerd en werkte terug tot 1 januari van dat jaar. Veledienstencentra zijn sindsdien tot stand gekomen. Dienstencentra zijn accommodaties waarin dienstverlening aan en activiteiten voor bejaarden plaatsvinden, maar hebben ook een sterk coördineren-de functie. Reeds na enige tijd bleek, dat met name in plattelandssituaties het gewenst waste komen tot coördinatie van het plaatselijke bejaardenwerk, zonder dat de noodzaak bleek hierbij gebruik te maken van een centrale acconv modatie. Sinds 1968 wordt aan deze behoefte tegemoet gekomen door -op experimentele basis -voor een verlengbare termijn van steeds twee jaar een rijksbijdrage te verstrekken ten behoeve van zogenaamde projecten gecoördineerd bejaardenwerk. Eerdergenoemde rijksbijdrageregeling wordt hiervoor analoog toegepast. Al spoedig bleek ook in stedelijke situaties het project gecoördineerd bejaardenwerk een goede oplossing te kunnen zijn. Projecten gecoördineerd bejaardenwerk en dienstencentra onderscheiden zich qua taak en functie niet van elkaar. De verschillen die er zijn houden alleen verband met het ac-commodatie-aspect (zie deel D van deze paragraaf). Projecten kunnen een flinke regio dan wel een stad omvatten. Deze regionale of stedelijke projecten functioneren mede als overkoepeling van eventueel in het werkgebied aanwezige dienstencentra en/of projecten gecoördineerd bejaardenwerk met geringere actieradius. Wanneer er sprake is van een dergelijke overkoepeling wordt hiervoor de term meervoudig project gehanteerd. Naar analogie worden de dienstencentra en de 'gewone' projecten gecoördineerd bejaardenwerk wel aangeduid met de term enkelvoudig project. Een meervoudig project ressorteert tezamen met de daarin overkoepelde enkelvoudige projecten onder één stichting.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13463, nrs. 1-2

Omwille van de duidelijkheid en de eenheid van beleid verdient deze constructie de voorkeur boven federatieve vormen van samenwerking waarbij voordelen van het werkgebied aparte stichtingen blijven opereren. Wel is het nadrukkelijk de bedoeling, dat ten behoeve van elk overkoepeld enkelvoudig project een zogenaamde wijkcommissie gaat optreden die representatief is te achten voor het bejaardenwerk in het betreffende werkgebied en aan welke door het bestuur van de stichting verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn gedelegeerd. De aanpassing van de dienstverlening en de activiteiten aan de behoeften van de bejaarden is immers een proces dat van onderaf tot stand komt. Wijkcommissies geven door hun flexibele structuur van niet-rechtspersoonlijkheid bezittende groep de mogelijkheid tot een ruime vertegenwoordiging van de bejaarden zelf. Het voorgaande illustreert dat zich in het gecoördineerd bejaardenwerk ontwikkelingen hebben voorgedaan die vragen om ombouw en verbreding van de bestaande Voorlopige Rijksbijdrageregeling dienstencentra bejaarden. In dit kader zal tevens een nadere uitwerkingen verfijning van de nomenclatuur kunnen plaatsvinden.

D. Het accommodatie-aspect

Naast het dienstencentrum als oudste accommodatievorrn in het gecoördineerde bejaardenwerk zijn ook zogenaamde dépendances van diensteneentra, en -in het kader van projecten gecoördineerd bejaardenwerk -zogenaamde hulpposten mogelijk. In het navolgende zal het beleid dat met betrekking tot de drie genoemde typen accommodaties gevoerd wordt, nader uiteengezet worden.

a. Het dienstencentrum als accommodatie Het beleid was en is erop gericht een dienstencentrum als accommodatie in de wijk slechts dan tot stand te doen komen als vastgesteld is, dat er een zodanig gebruik van gemaakt kan worden door een voldoende aantal bejaarden, dat een dergelijk gebouw verantwoord geacht kan worden. Aanvankelijk werd voor de toepassing van de Voorlopige Rijksbijdrageregeling dienstencentra bejaarden gedacht aan ongeveer 450 bejaarden, die wonen in een straal van plm. 800 meter rond het dienstencentrum. De praktijk heeft uitgewezen, dat bij minimale hantering van dit criterium voor dergelijke dienstencentra geen reële functie aanwezig is. In plaats hiervan worden, toegespitst op het dienstencentrum, thans de volgende criteria gehanteerd: -uit ter plaatse te houden onderzoek moet blijken, dat de bestaande of binnen afzienbare tijd te realiseren accommodaties onvoldoende mogelijkheden bieden tot ontplooiing van het gecoördineerd bejaardenwerk; -aangetoond dient te worden, dat het geplande dienstencentru m redelijkerwijs gesproken bereikbaar is voor minimaal 1000 zelfstandig wonende bejaarden. Een bijzondere vorm is het dienstencentrum bij complexen bejaardenwoningen. Ten aanzien van deze ingebouwde dienstencentra werd aanvankelijk de aanwezigheid van 80 bejaardenwoningen als minimum gezien. Dit aantal kon geringer zijn als het centrum ook een eindfunctie vervulde. In de praktijk bleek de wijdere functie dan voorde bejaardenwoningen echter weinig tot zijn recht te komen. Deze ingebouwde dienstencentra dreigen daardoor eerder een bijdrage te leveren aan de isolering dan aan de integratie van de desbetreffende bejaarden in de samenleving. Bij principetoezeggingen op aanvragen om een rijksbijdrage ten behoeve van ingebouwde dienstencentra worden derhalve voorwaarden gesteld om bovenbedoelde ongewenste situaties tegen te gaan. Besturen en functionarissen hebben nogal eens het streven bij deze dienstencentra personeel in de verzorgende sfeer aan te stellen zoals conciërge-echtparen, huishoudelijke hulp of ziekenverzorgsters.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Verzoeken om deze functionarissen subsidiabel te stellen zijn niet gehonoreerd. Op deze wijze zou men taken van andere instellingen (gezinsverzorging, wijkverpleging) overnemen in plaats van deze te coördineren. Een andere bijzondere vorm is het dienstencentrum gecombineerd met een bejaardenoord. Het ligt voorde hand sommige voorzieningen, die in bejaardenoorden aanwezig zijn te gebruiken voor de zelfstandig wonende bejaarden. Daarbij dient echter bedacht te worden, dat deze voorzieningen niet zonder meer als dienstencentrum kunnen worden aangeduid. De zaak lijkt erg eenvoudig: ineen bejaardenoord zijn algemene ruimten voor recreatie, speciale ruimten voor Meer Bewegen voor Ouderen, voor pedicure enz. Er zijn ook vakkundige krachten aanwezig die bejaarden behulpzaam kunnen zijn. Een eenvoudige aanpak van de zaak lijkt te zijn het als dienstencentrum ter beschikking stellen van bepaalde delen van het bejaardenoord en daarvoor een rijksbijdrage ontvangen op grond van de genoemde Rijksbijdrageregeling. Toch blijkt deze aanpak in de praktijk niet zo eenvoudig, gezien diverse pogingen die op een mislukking zijn uitgelopen. Kennelijk zijn er belemmeringen aanwezig die het welslagen in de weg staan. Deze zijn onder meer: de doelstelling van het bejaardenoord is het bieden van huisvesting en verzorging aan verzorgingsbehoeftige bejaarden. Om deze doelstelling te realiseren heeft het tehuis een eigen structuur gevonden, die het tracht te bestendigen. Een belemmering is voorts het toch wel grote verschil tussen de verzorgingsbehoeftige bejaarden in het tehuis en de niet-verzorgingsbehoeftige ouderen buiten het tehuis. Verdere belemmeringen kunnen zijn de ligging, het karakter van de inrichting, vooroordelen, financiering, autonomie, geringe ervaring op het gebied van samenwerking en coördinatie. Dit alles neemt niet weg dat er wel degelijk ter zake mogelijkheden aanwezig zijn voor bejaardenoorden, die zich door hun ligging en voorzieningen daartoe lenen. Dit zou dan kunnen gebeuren als het bestuur van het tehuis participeert in het bestuur van een stichting bejaardenwerk, waarbij zowel ruimte beschikbaar gesteld kan worden als een aantal voorzieningen kunnen worden ingebracht, bij voorbeeld op het gebied van recreatie, Meer Bewegen voor Ouderen, vorming en voorlichting, verzorging van maaltijden.

b. Dépendances van dienstencentra en hulpposten van projecten gecoördineerd bejaardenwerk Op veel plaatsen in ons land zijn de concentraties van bejaarden niet van dien aard, dat een gebouw als een dienstencentrum geïndiceerd zou kunnen zijn. In deze gevallen en op plaatsen waar men het stichten van een dienstencentrum niet wenselijk acht, wordt vaak gewerkt met kleinere accommodaties, al dan niet permanent in gebruik en meestal ondergebracht in bestaan-de gebouwen. In relatie met een dienstencentrum gebruikt men voor deze accommodaties de aanduiding dépendances. In het kader van een project gecoördineerd bejaardenwerk spreekt men van hulpposten. Bij de verstrekking van de rijksbijdrage in de exploitatiekosten van deze accommodaties worden vergelijkbare criteria gehanteerd als hiervoor uiteengezet ten aanzien van de dienstencentra-accommodaties. De aantallen te bereiken bejaarden kunnen dan evenwel lager zijn.

c. De algemene functie van accommodaties ten behoeve van het gecoördineerd bejaardenwerk Met het oog op de wenselijkheid te bevorderen, dat de bejaarden zoveel mogelijk geïntegreerd zijn of blijven in de samenleving, dient er naar te worden gestreefd dat de in deze paragraaf genoemde accommodaties niet een ge-isoleerde of afgeschermde plaats in de samenleving gaan innemen.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Het mede openstellen van deze gebouwen voor vergelijkbare groepen met specifieke behoeften -bij voorbeeld lichamelijk gehandicapten en oudere werklozen -is een goede zaak. Bij de inrichting wordt hier rekening mee gehouden. Tijdens de parlementaire behandeling van de Nota Bejaardenbeleid 1970 werd gesteld, dat het dienstencentrum voor bejaarden wellicht een voorziening is, die met behoud van haar specifieke eigenschappen voor bejaarden, eenmaal een functie voor de hele samenleving zal kunnen gaan vervullen. Aanzetten hiertoe vindt men op vele plaatsen waar in het kader van het gecoördineerd bejaardenwerk gebouwen, of gedeelten daarvan worden geëxploiteerd. Met name de tijdsbestedingsactiviteiten blijken zich ook te lenen voor deelneming door groepen niet-bejaarden, zoals de twee hierboven genoemde. Hierbij dient men echter zorgvuldig te werk te gaan. De belangen en wensen van de bejaarden zullen primair moeten blijven. Intussen zal ten aanzien van de dienstencentra het beleid bepaald openstaan voor mogelijke ontwikkelingen in de richting van algemene welzijnscentra of ontmoetingscentra met dienstverlenende functies voor de hele bevolking. Een begin tot genoemde ontwikkeling is reeds te bespeuren in het toenemende gebruik dienstencentra te incorporeren in multifunctionele accorrv modaties. Ook in het kader van projecten gecoördineerd bejaardenwerk worden hulpposten veelal ondergebracht in centra met een algemene functie. Een zekere integratie van de voorzieningen zal door deze gemeenschappelijke huisvesting, naar men mag verwachten, tot stand komen. Deze ontwikkeling wordt de laatste jaren bewust gestimuleerd door het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Een Begeleidingsgroep Accommodaties coördineert het accommodatiebeleid van de verschillende sectoren van dit Ministerie. Het beleid ten aanzien van het gecoördineerd bejaardenwerk is er daarbij op gericht slechts dan nieuwbouw van dienstencentra, dépendances en hulpposten te accepteren, als is vastgesteld, dat het onderbrengen van dienstverlening aan en activiteiten voor bejaarden niet mogelijk is in bestaande of geplande ruimtelijke voorzieningen, zoals dorps-en wijkcentra, buurthuizen enz„ waarvoor door de verschillende sectoren van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk subsidie wordt verleend. In enkele gevallen is echter gebleken dat een dergelijke opzet tot problemen aanleiding kan geven. Gebleken is namelijk, dat vele bejaarden wel degelijk de behoefte hebben om onder elkaar te verkeren en als groep aanspreekbaar en actief te zijn. Zonder waarborgen voor een geheel eigen ruimte en zonder het maken van schriftelijk vast te leggen afspraken omtrent het (mede) gebruik van andere ruimten blijkt in de praktijk dat de groep ouderen onvoldoende tot haar recht komt en zich niet thuis voelt. In deze incidentele gevallen is te weinig nagedacht over de consequenties van de gekozen opzet. Eens te meer blijkt hieruit dat het betrekken van de bejaarden bij de plannen van evident belang is.

E. Het personeelsasper'

Het gecoördineerd bejaardenwerk stelt hoge kwalitatieve eisen aan de professionele krachten die in deze sector werkzaam zijn. De taak van de functionarisvan een dienstencentrum of de projectleider is veelomvattend en hooggekwalificeerd. Voor functionarissen van zogenaamde meervoudige projecten geldt dit in nog hogere mate. Als de functie goed wordt vervuld, omvat deze de elementen coördinatie en management, cultureel werk, opbouwwerk en maatschappelijk werk.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

Teneinde de functionaris in de gelegenheid te stellen de uitvoeringvan de coördinerende taak op adequate wijze te vervullen, wordt door met name de dienstencentra dan ook in toenemende mate gebruik gemaakt van de mogelijkheid voorde uitoefening van de uitvoerende taken in het gebouween medewerker aan te stellen. De ontwikkelingen naar stedelijke en regionale structuren en naar plaatselijke of regionale samenwerkingsverbanden, die de toekomstige commissie ex artikel 6 j van de Wet op de bejaardenoorden zullen omgeven, hebben voorts geleid tot een herwaardering van de functie. Gebleken is, dat het in de praktijk dikwijls bijzonder moeilijk is gekwalificeerde krachten aan te trekken. In de meeste gevallen blijkt de honorering het grootste struikelblok te zijn. Algemeen worden de huidige voor een rijksbijdrage in aanmerking komende salarissen als een onderwaardering van de genoemde functies gezien. Ten einde het gecoördineerd bejaardenwerk beter in staat te stellen deskundig personeel aan te stellen, zal binnenkort een verbeterde salarisregeling worden bekend gemaakt. Dit zal geschieden in de vorm van een wijziging van de Voorlopige Rijksbijdrageregeling dienstencentra bejaarden. De snelle ontwikkelingen van de laatste jaren, de aan de functionarissen gecoördineerd bejaardenwerk te stellen kwaliteitseisen, alsmede het ontbreken van een gerichte opleiding hebben geleid tot de wens een zogenaamde Verdere Scholing in Dienstverband te realiseren. Een door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ingestelde representatieve werkgroep coördineert een aantal regionale experimenten op dit gebied en werkt mede aan de hand van de opgedane ervaring aan de totstandkoming van een landelijke VISIE gecoördineerd bejaardenwerk. Bijzondere aandacht zal voorts moeten worden geschonken aan de begeleiding van functionarissen in het gecoördineerd bejaardenwerk. Deze begeleiding is een onderdeel van het takenpakket van de provinciale consulenten bejaardenwerk bij de provinciale opbouworganen (zie par. 5 van dit hoofdstuk, deel B). Ook andere functionarissen belasten zich soms met deze taak. In grootstedelijke situaties is het bijvoorbeeld mogelijk bij de hier werkzame stichtingen bejaardenwerk hiervoor een speciale kracht aan te stellen. De begeleiding vindt plaats in de vorm van individuele werkbesprekingen en regionale dan wel provinciale functionarissencontacten. Deze contacten blijken voor de vaak op eenmansposten opererende functionarissen een belangrijk middel te zijn tot uitwisseling van ideeën, blikverruiming en bevordering van deskundigheid.

Nr. 4. Samenwerkingsverband bij het opnemingsbeleid A. Doelstelling op langere termijn De autonomie van verschillende instellingen op het gebied van het opne-mings-en toelatingsbeleid is een van de grootste obstakels op de weg naar integratie van de zorg-en dienstverlening aan ouderen. Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van een optimale situatie met betrekking tot de opneming en het ontslag van de verzorgings-en verplegingsbehoeftigen zou zijn vervuld, indien in een bepaalde regio coördinatie daarvan in één centraal orgaan zou kunnen plaatsvinden. Daarin zouden de aanwezige ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, bejaardenwoningenexploiterende instellingen en de ambulantezorg-en dienstverlening vertegenwoordigd moeten zijn. ledere aanvraag tot opneming kan dan worden getoetst aan een in multidisciplinair overleg vastgestelde indicering. Naar aanleiding van het resultaat van de toetsing zullen afhankelijk van de geconstateerde behoefte deskundigen als maatschappelijk werkende, verpleegkundige, huisarts, ver-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

pleeghuisarts, specialist en in bijzondere gevallen psycholoog, revalidatiedeskundige of andere functionarissen moeten worden ingeschakeld. De voordelen van een dergelijke opzet boven de thans op de meeste plaatsen nog bestaande praktijk zou zijn dat een betrouwbaar overzicht van de bestaande behoeften kan worden verkregen. Daarenboven geldt als voordeel een efficiëntere en kwalitatief betere zorg-en dienstverlening aan de individuele bejaarde die om opneming verzoekt. In zo'n systeem dienen garanties ingebouwd te worden dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de cliënt. Het is duidelijk dat een dergelijk systeem niet alleen voor bejaarden zal behoeven te functioneren. Verwacht mag echter worden, dat vooral de bejaarde patiënten en bejaarde verzorgingsbehoeftigen baat zullen hebben bij een dergelijke opzet. Het integreren van het opnemingsbeleid voor deze leeftijdscategorie heeft dan ook prioriteit.

B. Het opnemingsbeleid bij bejaardenoorden Voor wat betreft de bejaardenoorden (verzorgingstehuizen) zijn reeds stappen gezet op weg naar de objectivering van de indicatiestelling voor opneming door middel van wijziging van de Wet op de bejaardenoorden. Dit kan een aanzet zijn tot een meeromvattend opnemingsbeleid als onder A. omschreven. In april 1972 werd het desbetreffende voorstel tot wijziging van de Wet op de bejaardenoorden in de Tweede Kamer behandeld. Een van de wijzigingen, die uitgebreid in de Tweede Kamer werd besproken was de invoeging van artikel 6j, waarbij wordt bepaald dat burgemeester en wethouders een commissie zullen instellen, die desgevraagd aan de bejaarde die opneming wenst, alsmede aan de houder van een bejaardenoord advies uitbrengt over de aard en de mate van de verzorging die voor de bejaarde noodzakelijk is. Tevens wordt vastgelegd, dat bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur nadere regelen kunnen worden gesteld met betrekking tot de opneming van bejaarden in bejaardenoorden. Ingevolge deze in de wet vastgelegde bepaling werd in februari 1974 door de Ministervan Cultuur, Recreatieen Maatschappelijk Werk aan de inmiddels ingestelde Centrale Commissie voor de Bejaardenoorden een concept-AMvB inzake de opneming van bejaarden in bejaardenoorden voorgelegd. De CC stelde een subcommissie in, die zich met dit onderwerp heeft beziggehouden en heeft onlangs advies uitgebracht aan de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. In de concept-AMvB is een systeem neergelegd, dat ten doel heeft de bejaarde, die om opneming in een bejaardenoord verzoekt, door het zeer zorgvuldig bezien van de aard en mate van de noodzakelijke verzorging, te adviseren. Daartoe is nagegaan welke factoren bepalend zijn voor de mogelijkheid of onmogelijkheid zich in het eigen milieu te handhaven. Gedacht is daarbij aan factoren die de lichamelijke, huishoudelijke, psychosociale en woonsituatie van de bejaarde bepalen, en de mate waarin deze factoren afwezig moeten zijn wil opneming in een bejaardenoord de beste oplossing zijn. De idee, dat het bejaardenoord slechts één voorziening is in een keten van voorzieningen heeft hierbij steeds centraal gestaan. Bij de opstelling van en de discussies over de concept-algemene maatregel van bestuur is het steeds de bedoeling geweest dat het te kiezen systeem aan de bejaarden een zo groot mogelijke waarborg moet bieden voor de effectuering van het advies. Dit geldt zowel voor een advies dat tot opneming strekt als voor een advies dat een andere vorm van dienstverlening aangeeft.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

C. De relatie tussen de commissie ex art. 6j van de Wet op de bejaardenoorden en een plaatselijk samenwerkingsverband voor het bejaardenwerk In de commissie die volgens de wet ingesteld moet worden, hebben deskundigen zitting, die in staat zijn de hierbovengenoemde factoren te beoordelen. Dit zullen in ieder geval een arts en een maatschappelijk werkende dienen te zijn. De commissie zal beperkt van piet zijn om de procedure voor de bejaar-de zo vlot en prettig mogelijk te laten verlopen. Bij de bepaling van de aard en mate van de verzorgingsbehoefte maakt de commissie gebruik van een bij ministeriële verordening vastgesteld formulier, waarin die factoren zijn opgenomen die voor het welbevinden van ouderen van belang zijn. Op grond van de door de commissie verzamelde gegevens en de in de AMB neergelegde criteria wordt advies uitgebracht aan de bejaarde en aan de houder van het in aanmerking komende bejaardenoord. Indien het advies niet tot opneming strekt wordt het tevens doorgestuurd aan de instellingen die op grond van hun doelstelling geacht worden aan dein het advies geconstateerde behoefte van de bejaarde tegemoet te kunnen komen, zoals gezinsverzorging, kruisverenigingen, bejaardenwoningenexploiterende instellingen, verpleeghuis en andere. Binnen dertig dagen wordt daarna door het bejaardenoord c.q. de instelling(en) als bovenbedoeld doorgegeven welke voorzieningen voor de bejaarde kunnen worden getroffen en binnen welke termijn. De commissie ex art. 6 j dient bij het opstellen van het advies het aanbod van de voorzieningen buiten beschouwing te laten. Hierdoor zal het na verloop van tijd mogelijk zijn voor het plaatselijke niveau vast te stellen of de behoefte aan en het aanbod van voorzieningen op elkaar aansluiten. Middels in de AMB inzake de opneming te regelen rapportage van de commissie ex art. 6 j van de Wet op de bejaardenoorden aan de provinciale overheid worden aldus bouwstenen aangedragen voor de op te stellen provinciale plannen (par. 2 van de Wet op de bejaardenoorden). Door gebruikte maken van een uniform, landelijk vragenformulier en door het buiten beschouwing laten van het aanbod van voorzieningen bij het opstellen van het advies wordt voorkomen, dat bejaarden in verschillende delen van het land niet dezelfde kansen zouden hebben op positieve advisering tot een bepaalde voorziening. Aangezien verwacht mag worden dat gesignaleerd tekort aan of overaarv bod van voorzieningen zal leiden tot uitbreiding dan wel sanering van het beschikbare pakket, wordt aldus een belangrijke bijdrage geleverd aan een meer op de behoeften afgestemde spreiding over het land van de voorzieningen op het gebied van de zorg-en dienstverlening. Op het moment dat de commissie ex art. 6 j advies heeft uitgebracht begint de taak van de bejaardenoorden en de andere instellingen, belast met zorg-en dienstverlening aan bejaarden. Deze zijn namelijk de aangewezen instanties om het advies van de commissie ex art. 6 j -in overleg met de bejaarde zelf -te realiseren. Indien een advies tot opneming strekt en het bejaardenoord, waarin de bejaarde wenst te worden opgenomen, bereiden in staat is tot opneming over te gaan, zal deze realisering geen moeilijkheden opleveren. Gecompliceerder is de situatie, indien: a. het advies tot opneming strekt, maar door plaatsgebrek in het bejaardenoord c.q. de bejaardenoorden ter plaatse, nog niet uitgevoerd kan worden (overbruggingsperiode); b. het advies niet tot opneming strekt, maar wel tot het aanbieden van een pakket van voorzieningen op het gebied van de dienst-en zorgverlening ten behoeve van zelfstandig wonende bejaarden (het zogenaamde open bejaardenwerk); Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

c. het advies niet tot opneming strekt, omdat voor de bejaarde in kwestie eerder gedacht dient te worden aan opneming in een verpleeghuis. In de gemeenten of regio's waar de voorzieningen voor de bejaarden reeds gebundeld zijn in de een of andere vorm van gecoördineerd bejaardenwerk, zal het overleg dat noodzakelijk is om aan de sub a, b, en c genoemde typen adviezen in een goede onderlinge afstemming gevolg te geven, minder problemen opleveren dan op plaatsen waar een dergelijke samenwerking (nog) niet tot stand is gekomen. Indien een dergelijke procedure de instemming van de betrokken instellingen heeft kan de commissie ex art. 6 j het advies uitbrengen aan een plaatselijk samenwerkingsverband, dat op zijn beurt zorg draagt voor een gecoördineerd aanbieden van de voorzieningen waartoe het advies strekt en voor de terugrapportering binnen de gestelde termijn naar de commissie ex art. 6j. Een plaatselijk samenwerkingsverband is een overlegstructuur van het intra-en extramurale bejaardenwerk. Op veel plaatsen zal dit de stichting bejaardenwerk zijn of zal deze daartoe kunnen uitgroeien. Verwacht mag worden, dat daar waar nog geen stichting bejaardenwerk aanwezig is, initiatieven zullen worden genomen om een dergelijke stichting op te richten dan wel een andere, wellicht minder geïnstitutionaliseerde vorm van samenwerking tot stand te brengen. Ook daar waar gecoördineerd bejaardenwerk aanwezig is zal overigens de behoefte ontstaan de samenwerking tussen de diverse schakels in de keten van intra-en extramurale voorzieningen voor bejaarden verder te intensiveren, waardoor de verschillen met de doelstellingen en de werkwijze van het gesloten circuit, zoals omschreven in par. 2, na verloop van tijd wellicht slechts marginaal zullen worden dan wel geheel zullen vervagen. In geen enkel geval zal de samenwerking in welke vorm dan ook er op neer mogen komen dat de bejaarde als het ware op de transportband wordt gezet en wordt doorgeschoven. Het gaat erom dat de bejaarde die om opneming verzoekt, een redelijke zekerheid krijgt dat hem of haar die voorziening wordt aangeboden die het meest in aanmerking komt.

D. Functionele en territoriale schaalvergroting bij het opnemingsbeleid Het hierboven geschetste streven naar een geobjectiveerd opnemingsbeleid en de hier direct mee samenhangende behoefte te komen tot gevorderde vormen van samenwerking en coördinatie, maken bezinning op zowel territoriale als functionele schaalvergroting noodzakelijk. Een argument van territoriale schaalvergroting is gelegen in de mogelijkheid de leden van de commissie ex art. 6 j werkzaam te doen zijn voor een zodanig aantal bejaarden, dat zij hieraan een volledige dagtaak hebben. De kwaliteit van het werk zal hierdoor positief worden beïnvloed. Een voorwaarde voor een optimale uitvoering van de adviezen van de commissieex art. 6j is de aanwezigheid in het werkgebied van de commissievan het totale pakket van zorg-en dienstverlening aan bejaarden. Ook hierin ligt een argument voor een territoriale schaalvergroting, die in vele gevallen de gemeentegrenzen zal overschrijden. Ten aanzien van de functionele schaalvergroting wordt gedacht aan een inschakeling van de commissie ex art. 6j ook voor verpleeghuizen..

E. Maatregelen

De regering stelt zich in eerste instantie voor een sub-commissie van de ln-terdepartementale Stuurgroep Bejaardenbeleid te belasten met een studie over het op elkaar afstemmen van indicatiesystemen van de diverse op elkaar aansluitende voorzieningen in het intra-en extramurale bejaardenwerk. Voorts zullen van de zijde van de departementen van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk vertegenwoordigers participeren in begeleidingscommissies van het experimentele gesloten circuit Walcheren en van eventuele nieuw aan te melden soortgelij-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

ke experimenten. Deze begeleidingscommissies zullen mede tot taak krijgen een studie te maken van de wijze waarop in deze gesloten circuits het opnemingsbeleid functioneert binnen het raam van een meer algemene integratie tussen open en gesloten bejaardenwerk. Aan de hand van aldus te verkrijgen nieuwe theoretische en praktische gegevens en een studie ten aanzien van de thans nog niet geharmoniseerde financieringsstelsels, zal de regering vorm geven aan het beleid ten aanzien van de in deze paragraaf aangeduide problematiek.

Nr. 5. Samenwerkingsmogelijkheden op provinciaal niveau A. Raden voor het bejaardenbeleid In het kader van de ontwikkelingen in het bejaardenbeleid en het bejaardenwerk in ruwweg het laatste decennium heeft zich ook op provinciaal vlak de noodzaak gemanifesteerd tot het bijdragen aan de realisering van een geïntegreerd welzijnsbeleid voor ouderen. In verband hiermee zijn in alle provincies -met uitzondering van Limburg, waar een afwijkende structuur is gevolgd in de vorm van het Provinciaal ln-stituut voor het Bejaardenbeleid -gevarieerd samengestelde raden of commissies ingesteld, wier taak voornamelijk bestaat in het adviseren van de provinciale overheid. Zij functioneren of functioneerden veelal naast, zij het wel in relatie tot, de Provinciale Commissies voor de Bejaardenoorden met hun specifieke toezichthoudende en controlerende taak ingevolge de Wet op de bejaardenoorden. Intussen is, onder meer door de toenemende interdependentie tussen het 'open' en het 'gesloten' bejaardenwerk -voorwaarde tot een werkelijk geïntegreerd welzijnsbeleid voor ouderen -en door de hiermee samenhangende behoefte om tot een geïntegreerde planning en regionalisering van voorzieningen te komen, in een aantal provincies een proces van herstructurering op gang gekomen. Doelstelling hierbij is het tot stand komen van een breed samengesteld orgaan, omvattende zowel algemene instellingen of provinciale koepels op het gebied van de maatschappelijke dienstverlening, de gezondheidszorg, de sociaal-culturele voorzieningen en de huisvesting, als het specifieke welzijnswerk voor bejaarden (intra-en extramuraal) en een vertegenwoordiging van de bejaarden zelf. In het licht van het bovenstaande zijn twee functies te onderscheiden: a. overkoepeling van het particulier initiatief op provinciaal niveau, mede inhoudende de coördinatie van voorzieningen, overleg, stimulering en het behartigen van gemeenschappelijke belangen; b. beleidsadvisering aan het provinciaal bestuur ten behoeve van de ontwikkeling van een geïntegreerd welzijnsbeleid op het provinciale niveau. Om redenen van efficiency en ten einde overlapping te voorkomen ligt het voor de hand beide functies te verenigen in één-niet noodzakelijk rechtspersoonlijkheid bezittende -provinciale raad voor het bejaardenbeleid. Deze zal nauwe relaties dienen te onderhouden met de Provinciale Commissie voor de Bejaardenoorden, alsook met het Provinciaal Opbouworgaan (bij voorkeur aanhaking hierbij) en in het bijzonder met de bij dit orgaan aangestelde provinciale consulent voor het bejaardenwerk.

B. Provinciale consulenten bejaardenwerk De in onderdeel A. geschetste ontwikkeling heeft er mede toe geleid dat in 1969 de eerste provinciale consulenten voor het bejaardenwerk zijn aangesteld. Deze consulenten werden 'aangehaakt' bij de provinciale opbouworganen. Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

100

Uit een in 1972 verricht ambtelijk evaluatie-onderzoek onder de toen aanwezigetien consulenten bleek dat de consulent zich in eerste instantie bezighield met de ontwikkeling en begeleiding van het (plaatselijke) gecoördineerde bejaardenwerk en relatief weinig aandacht kon besteden aan het intramurale bejaardenwerk. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat veel consulenten het op elkaar afstemmen van intra-en extramuraal bejaardenwerk in toenemende mate tot hun taak rekenen. De mogelijkheden hiertoe zijn aanwezig doordat praktisch alle consulenten zitting hebben in de provinciale commissie voor de bejaardenoorden en -waar deze aanwezig is -in de provinciale raad voor het bejaardenbeleid. Tevens is een aantal consulenten nauw betrokken bij de planning van voorzieningen voor bejaarden in de provincie. Verwacht mag worden dat na het in werking treden van het in de Wet op de bejaardenoorden gestelde met betrekking tot de provinciale plannen de betrokkenheid van de provinciale opbouworganen en de hierbij aangehaakte consulenten bejaardenwerk bij de planning zal toenemen. Zowel uit bovengenoemde ambtelijke evaluatie als uit de ervaringen opgedaan in de daaropvolgende jaren is gebleken dat de functie van provinciaal consulent zich heeft ontwikkeld tot een sleutelfunctie in de provincie. Bij introductie van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van het bejaardenwerk kan dit van eminent belang zijn. Dat bovengenoemde ontwikkelingen een taakverzwaring voor de consulenten tot gevolg hebben spreekt voor zich. Dit heeft ertoe geleid dat in zes a zeven provincies met instemming van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tweede consulenten zijn of worden aangesteld. De functie van de tweede consulent dient als geheel gelijkwaardig aan die van de reeds aanwezige consulent te worden gezien.

HOOFDSTUK VII. FACETTEN DER MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

Inleiding

In dit hoofdstuk zal getracht worden facetten en betekenis van het complexe begrip maatschappelijke integratie te schetsen. Gesteld wordt dat deze integratie van belang is voor het levensgeluk, daar het zowel bescherming biedt tegen vereenzaming (isolatie) als een mechanisme vormt ter signalering van dreigende noden. Gepoogd wordt vervolgens op basis van onderzoekgegevens een illustratieve benadering van de feitelijke situatie te geven. Geconstateerd wordt dat bejaarden ten aanzien van vele activiteiten in de culturele en sociaal-recreatieve sfeer ten opzichte van overige volwassenen een achterstand vertonen. Na analyse van mogelijke oorzaken van deze achterstanden, wordt getracht beleidsuitgangspunten en beleidsmogelijkheden te schetsen.

Nr. 1. Begrippendefiniëring

Hoewel verscheidene der hieronder vermelde begrippen voor velen wellicht nauwelijks verklaring behoeven, kan toch een duidelijke inhoudsbepaling misverstanden voorkomen. Onder maatschappelijke integratie zullen we verstaan 'het deelhebben aan intermenselijke contacten en aan het culturele leven van de betrokken samenleving'. Deze omschrijving roept verschillende problemen op. Er ontbreekt zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve norm, daar niet wordt gesteld bij welk aantal en kwaliteit van contacten en activiteiten van maatschappelijke integratie sprake is. Tevens mist men een definiëring van het begrip 'cultureel leven'. Het eerste probleem is in feite van normatieve aard. Anders dan in het geval van biologisch functioneren ontbreekt voor so-Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

101

ciaal functioneren een duidelijke norm om kwaliteit en kwantiteit van dit sociaal functioneren aan af te meten en daardoor te waarderen. Bij ontstentenis hiervan blijven als (pseudo)-normen over: -het subjectieve oordeel der betrokkenen (in casu de bejaarden); -het subjectieve oordeel van buitenstaanders; -een statistische vergelijking met andere leeftijdsgroepen of met de (niet bestaande) gemiddelde Nederlandse volwassene. Onder'cultureel leven'zal hier worden verstaan allerlei activiteiten met betrekking tot Kunst in de strikte zin, educatieve voorzieningen zoals die onder meer in het vormings-en ontwikkelingswerk tot uiting komen, alsmede activiteiten in de sportieve en recreatieve sfeer. Meer in het algemeen zou men kunnen spreken van normen en waarden in onze samenleving. Het zal duidelijk zijn dat de (mate van) maatschappelijke integratie niet eenvoudig meetbaar is. Indicatoren moeten gezocht worden in de beschikbare gegevens en in de subjectieve interpretatie van feitelijke situaties door ouderen. Immers er is een maatschappelijke integratie denkbaar waarbij het participeren zich niet uit in een concrete actieve deelname, maar veel meer in een zich geestelijk betrokken voelen bij de samenleving. Indien men een dergelijke vorm niet als maatschappelijke integratie zou erkennen, dan zou voor een deel der bejaarden, bij voorbeeld een deel der verzorgden en verpleegden, maatschappelijke integratie niet mogelijk zijn. Deze mentale betrokkenheid op de maatschappij is per definitie moeilijk meetbaar. Men zal daarbij vooral moeten afgaan op het oordeel van de bejaardezelf. De mate van participatie is bij benadering af te meten aan beschikbare gegevensover: -het al dan niet nog beroepsmatig werkzaam zijn (7,2% heeft nog een volledige dagtaak); -contacten met familieleden; -contacten met vrienden en kennissen; -bezoek aan tentoonstelling, schouwburg, bioscoop en dergelijke; -lidmaatschappen van verenigingen van allerlei aard; -activiteiten in levensbeschouwelijk verband; -overige recreatieve activiteiten, vakantiebesteding etc; -opvattingen, meningen en gedragingen der niet-bejaarden. Feitelijk kunnen alle activiteiten buiten die welke zich beperken tot het puur fysieke persoonlijke onderhoud, beschouwd worden als een indicator voor maatschappelijke integratie. Hoewel het wellicht mogelijk zal zijn te constateren dat bejaarden aan bepaalde activiteiten minder deelhebben dan jongere leeftijdsgroepen, lijkt het niet mogelijk vast te stellen wanneer een geestelijk min of meer gezond persoon niet maatschappelijk geïntegreerd is. Immers de persoonlijke beleving van de maatschappelijke betrokkenheid zal zich gemakkelijk aan beoordeling van derden onttrekken. Hoogstens zal men kunnen constateren dat een bepaalde leeftijdsgroep als collectiviteit gemeten aan bepaalde activiteiten minder geïntegreerd lijkt dan andere.

Nr. 2. De betekenis van maatschappelijke integratie voor bejaarden

a. Belemmerende factoren

leder lid van de samenleving ontleent aan het omgaan met andere leden een stuk zelfbevestiging en daardoor levensgeluk. Uitgaand van dit axioma moet men constateren dat door diverse oorzaken de meeste bejaarden een aantal mogelijkheden tot bevredigende relaties hebben verloren.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

102

De meerderheid der mannen en vele vrouwen hebben mèt de werkkring daarmee samenhangende activiteiten en relaties verloren. De meeste gehuwde vrouwen hebben door het vertrek van hun kinderen een groot deel van hun zorgende en opvoedende taak verloren, hoewel bemoeienissen met kleinkinderen dit enigszins kunnen compenseren. Een afnemende validiteit die de bewegingsvrijheid aantast, beperkt veelal in fysieke zin de mogelijkheden tot contactlegging en deelname aan het sociaalculturele leven ( = sociaal-culturele participatie). Een en ander wordt dan nog versterkt door het duidelijk verminderde aanzien die onze -op arbeid, jeugd en vitaliteit gefixeerde -samenleving aan de ouderdom verleent'. Dit alles gecombineerd met een relatief zwakke financiële positie en een gemiddeld geringere scholingsgraad maakt het niet verwonderlijk dat bejaarden aan allerlei activiteiten in de sociaal-culturele en recreatieve sfeer minder deelnemen dan jongere leeftijdscategorieën. Daarnaast mag niet vergeten worden dat vooral ook in een vroegere fase gefixeerde opvattingen en ervaringen van betekenis zijn. Deze opvattingen en ervaringen kunnen ervoor verantwoordelijk zijn dat aard en vorm van vele sociaal-culturele manifestaties (bij voorbeeld toneelstukken, films en dergelijke) deze generatie niet zullen aanspreken. Zij hebben niet geleerd 'behoefte' eraan te hebben zodat zij er nu niet van weten te profiteren. Bovendien moet de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat althans op een deel der bejaarden de disengagementtheorie in sterkere mate van toepassing is dan op de overigen. Er is dan sprake van een min of meer bewuste terugtreding en het nemen van afstand van vroegere behoeften en activiteiten.

b. Eenzaamheiden vereenzaming

Munnichs3en Schreuder wijzen erop dat voor bejaarden twee nadelige situaties dreigen, namelijk: -vereenzaming: een objectief proces waarbij het aantal sociale relaties afneemt; -eenzaamheid: een subjectief ervaren van zich alleen voelen en onvoldaan zijn over de aard der contacten. Het zal duidelijk zijn dat eenzaamheid als subjectief gevoelen niet behoeft samen te gaan met objectief constateerbare vereenzaming, hoewel dit vaak toch het geval zal zijn. De onder het begrip 'maatschappelijke integratie' vallende activiteiten en relaties krijgen vooral hun betekenis wanneer zij vereenzaming (isolatie) en eenzaamheid kunnen bestrijden. Afgezien daarvan zijn die activiteiten en relaties natuurlijk ook van belang als stimuli voor de individuele belangstelling, die mede het individuele weizijn kunnen bevorderen. Onderzoekers van verschillende disciplines wijzen op de relatie tussen het ac-tief-en geëngageerdzijn en tevredenheid met het bestaan 6. Zij tonen aan dat van activiteiten die tezamen met (of in aanwezigheid van) anderen geschieden een positieve invloed op het gevoel van eigenwaarde uitgaat. Indien de activiteiten van bejaarden in drie groepen onderverdeeld worden namelijk: -informele activiteiten: sociale interacties met familieleden, vrienden en buren; -formele activiteiten: sociale participatie informele vrijwillige organisaties (verenigingen, kerken en andere); -solitaire activiteiten: T.V. kijken, lezen, hobbies van individuele aard; dan blijken vooral de eerste twee vormen duidelijk bij te dragen tot het persoonlijk welbevinden. Bij dit alles mag de betekenis van de voorafgaande levensstijl en de persoonlijkheidskenmerken niet over het hoofd gezien worden. Afhankelijk Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 13463, nrs. 1-2

103

daarvan kan een individu zich welbevinden in een meer of minder teruggetrokken levensstijl. Er kan sprake zijn van een laag participatieniveau of van een meer actieve levensstijl met een hoog participatieniveau. Persoonlijkheidsken merken en voorgeschiedenis zijn dus factoren die het participatieniveau beïnvloeden. Gewezen moet nog worden op de heterogeniteit binnen de categorie der bejaarden, op de variatie in levensbeschouwing, in fysieke en sociale situatie, in persoonlijkheidstypen, allemaal zaken die generalisaties eigenlijk vrij dubieus maken. Toch mag men wel stellen dat bij een hoog activiteitenniveau méér kans op een gelukkige ouderdom bestaat dan bij een laag activiteitenniveau 56 ; ook voor de tijdige herkenning van behoeften en tekorten is dit van belang. Vooral actieve bejaarden maken immers deel uit van een vrienden-en kennissenkring al dan niet in verenigingsverband. Hun wegblijven bij activiteiten wordt opgemerkt, zodat de kans op signalering van noodsituaties groter wordt. Min of meer geïsoleerde bejaarden missen dit signaleringsmechanisme. Een ander positief kenmerk van een actief levenspatroon is het meer in beweging zijn, hetgeen bevorderlijk is voor de gezondheid (zie par. 6 van dit hfdst„ deel D, 3). Wat hierbij nu oorzaak en wat gevolg is, is minder belangrijk. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat maatschappelijke integratie de volgende positieve gevolgen kan hebben: 1. Een gelukkiger derde levensfase, mede door het besef nog deel uitte maken van de samenleving. 2. Een snellere signalering van noodgevallen. 3. Bevordering van gezondheid. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat niet in ieder individueel geval al deze drie positieve gevolgen zullen optreden. Een aan de individuele behoefte aangepast niveau van activiteiten verhoogt in ieder geval de welzijnsbeleving van het individu.