Verslag van een schriftelijk overleg inzake de relatie tussen de registraties van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Gemeentelijk Basisadministratie (GBA) en de beveiliging van geheime adresgegevens in de GBA - Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 18 september 2014
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2010–2011

27 859

Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

Nr. 46

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 11 juli 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de relaties tussen registratie van UWV en GBA en de beveiliging van geheime adresgegevens in de GBA.

De commissie brengt van dit overleg verslag uit door openbaarmaking van de gewisselde stukken.

De voorzitter van de commissie, Dijksma

De adjunct-griffier van de commissie, Hendrickx

1 Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), voorzitter, Beek, W.I.I. van (VVD), Staaij, C.G. van der (SGP), Koopmans, G.P.J. (CDA), Bochove, B.J. van (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), ondervoorzitter, Smilde, M.C.A. (CDA), Jansen, P.F.C. (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Brinkman, H. (PVV), Raak, A.A.G.M. van (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Dibi, T. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Elissen, A. (PVV), Monasch, J.S. (PvdA), Schouw, A.G. (D66), Marcouch, A. (PvdA), Boer, B.G. de (VVD), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Lucassen, E. (PVV), Verhoeven, K. (D66) en Grashoff, H.J. (GL).

Plv. leden: Dam, M.H.P. van (PvdA), Burg, B.I. van der (VVD), Dijkgraaf, E. (SGP), Sterk, W.R.C. (CDA), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Steur, G.A. van der (VVD), Knops, R.W. (CDA), Dijk, J.J. van (SP), Slob, A. (CU), Klaveren, J.J. van (PVV), Vacature S P, Ouwehand, E. (PvdD), Gent, W. van (GL), Kuiken, A.H. (PvdA), Fritsma, S.R. (PVV), Vermeij, R.A. (PvdA), Pechtold, A. (D66), Wolbert, A.G. (PvdA), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Taverne, J. (VVD), Bontes, L. (PVV), Hachchi, W. (D66) en Voortman, L.G.J. (GL).

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft ondergetekenden per brief d.d. 25 mei jl. (zie bijlagen 1 en 2) een aantal vragen gesteld over de relatie tussen de registraties van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Gemeentelijk Basisadministratie (GBA).

In deze brief geef ik, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) antwoord op de vragen die zijn gesteld. Tevens informeer ik u over de invulling van de toezeggingen omtrent de GBA die ik in het Algemeen Overleg over de modernisering van de GBA op 13 april jl. heb gedaan en in het Algemeen Overleg handhaving op 26 april jl. Alvorens in te gaan op de vragen schets ik eerst het algemene kader en ga ik in op de toezeggingen.

Algemeen kader en toezeggingen

De GBA heeft sinds 1 januari 2010 de wettelijke status van basisregistratie en moet door de hele overheid worden gebruikt. Als authentiek aangemerkte gegevens worden binnen de overheid gedeeld en nog maar eenmaal aan burgers gevraagd. Burgers zijn verantwoordelijk voor een tijdige en juiste inschrijving in de GBA. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit en actualiteit van de GBA. Bestuursorganen melden bij gerede twijfel over gegevens in de GBA terug aan de gemeente. Het is vervolgens aan de gemeente om deze meldingen te onderzoeken.

De bestuursorganen in de sociale zekerheid gebruiken de GBA volgens bovenstaande werkwijze.

GBA-adres in de sociale zekerheid

Ik heb in het Algemeen Overleg handhaving met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 april jl. toegezegd u te informeren over de mogelijkheid van het verplicht gebruik door het UWV van de GBA bij het verstrekken van de uitkeringen.

In antwoorden op eerdere Kamervragen over de kwaliteit van inschrijvingen in de GBA (met kenmerk 2011Z03490 en 2011Z03501) is aangegeven dat het uitgangspunt is dat een afnemer van de GBA zijn werkprocessen efficiënt inricht en daarbij gebruik maakt van gegevens uit de GBA en terugmeldt ingeval van gerede twijfel aan de juistheid van die gegevens. Vanuit de specifieke taakuitvoering van bestuursorganen is het mogelijk dat aanvullende of andere gegevens (zoals correspondentieadressen) worden vastgelegd. Dit geldt ook voor bestuursorganen in de sociale zekerheid.

De hoofdregel is dat bestuursorganen het GBA-adres gebruiken, maar in sommige gevallen moet hiervan worden afgeweken. Het GBA-adres bestaat uit het woonadres, dan wel bij het ontbreken daarvan uit het briefadres. Het gebruik van het briefadres is beperkt in de wet en is bedoeld voor burgers die geen vast woonadres hebben, zoals bij verblijf in een instelling.

Er zijn burgers die tijdelijk niet op het woonadres verblijven. Bijvoorbeeld vanwege problemen in de persoonlijke sfeer (echtscheiding, tijdelijke uithuisplaatsing bij huiselijk geweld), maar ook als iemand vanwege zijn werk tijdelijk ergens anders woont. In dit geval is het belangrijk dat bestuursorganen in de sociale zekerheid deze mensen weten te vinden. Het UWV en de SVB nemen dan naast het GBA-adres ook het correspondentieadres op in hun uitkeringsadministratie. Ook vanuit het oogpunt van dienstverlening is het soms gewenst dat bestuursorganen een aanvullend adres hanteren. Bijvoorbeeld bij de AOW komt het voor dat kinderen de post van hun ouders afhandelen. Tot slot kennen het UWV en de SVB niet-ingezetenen met recht op een uitkering (bijvoorbeeld WW in België of AOW in Spanje). Persoonsgegevens van niet-ingezetenen worden niet in de GBA bijgehouden.

Ik acht het daarom niet wenselijk het UWV en de SVB te verplichten in alle gevallen uitsluitend het GBA-adres te hanteren. Om praktische redenen kan er onder bepaalde omstandigheden een ander adres worden gehanteerd. Omdat het nooit zo mag zijn dat burgers zich – opzettelijk of onopzettelijk – onvindbaar maken voor de overheid, vind ik het wenselijk dat deze adressen door overheden aan elkaar kunnen worden doorgegeven. Zo wordt het adresonderzoek van andere overheden vergemakkelijkt en zal via terugmeldingen de kwaliteit van de GBA verbeteren. In het kader van het onderzoek naar de invoering van de GBA als basisregistratie zal de minister van BZK onderzoek doen naar de vraag in welke gevallen gebruikers ter vervulling van hun taak behoefte hebben aan het gebruik van een correspondentieadres naast het GBA adres. Deze uitkomsten bieden ook aanknopingspunten om te bezien hoe de informatieuitwisseling over correspondentieadressen tussen overheden kan worden vormgegeven. Over de uitkomsten daarvan wordt u nog dit jaar bericht.

Opsporen groep «Vertrokken onbekend waarheen»

Indien een burger naar het buitenland gaat en voornemens is het komende jaar daar voor langer dan 8 maanden te verblijven dan is hij verplicht zich uit te schrijven bij de GBA en het eerste adres in het buitenland waar hij gaat wonen te melden. Er is een groep die binnen Nederland verhuist of naar het buitenland verhuist en dit – opzettelijk of onopzettelijk – niet doorgeeft aan de gemeente («Vertrokken onbekend waarheen», afgekort als VOW). Een deel van deze groep ontvangt een uitkering van het UWV of de SVB.

Alhoewel we hier niet kunnen spreken van uitkeringsfraude of onrechtmatig handelen van het UWV of de SVB, acht ik dit toch een onwenselijke situatie. De kans op adresfraude is namelijk aanwezig, doordat burgers aan verschillende overheidsorganisaties verschillende adressen kunnen doorgeven. Ik acht het niet acceptabel dat mensen zich onvindbaar kunnen maken voor de overheid en tegelijkertijd wel een uitkering van diezelfde overheid ontvangen.

Ik zal daarom het UWV en de SVB verzoeken de groep uitkeringsgerechtigden, die in de GBA als «Vertrokken onbekend waarheen» staan geregistreerd, aan te schrijven en hen mede te delen dat de uitkering wordt gestopt als zij hun registratie bij de gemeente niet binnen redelijke termijn op orde brengen. Er zal ook een terugmelding aan de gemeente worden gedaan. Bij nieuwe aanvragen wordt de uitkering niet in behandeling genomen als mensen in de GBA geregistreerd staan als «Vertrokken onbekend waarheen». Voorts ben ik voornemens te regelen voor alle uitkeringsgerechtigden met deze status dat de uitkering tijdelijk wordt opgeschort totdat de registratie in de GBA op orde is.

In de nadere uitwerking van bovenstaande zal bekeken worden hoe rekening wordt gehouden met omstandigheden die buiten de macht van de burger liggen.

In de zomer van 2011 start de minister van BZK een onderzoek naar de status «Vertrokken onbekend waarheen» (VOW). In het najaar 2011 zal de minister van BZK u berichten over de resultaten en eventuele aanvullende maatregelen.

Bijdragen bestuursorganen aan verbeteren kwaliteit GBA

Bestuursorganen dragen bij aan de verbetering van de kwaliteit van de GBA door bij gerede twijfel over het GBA-adres terug te melden aan de gemeente. Gerede twijfel kan ontstaan door eigen onderzoek of in het contact met de burger. Na de melding stelt de gemeente vast of het adres wel of niet gewijzigd moet worden of dat nader onderzoek noodzakelijk is. Gemeenten kunnen ook op eigen initiatief, als burgers voor hen onvindbaar zijn, een onderzoek instellen en op individuele basis gegevens opvragen bij andere overheidsorganisaties.

Bij een deel van de uitkeringen is wettelijk vastgelegd dat het adresgegeven van invloed is op recht, duur of hoogte van de uitkering. De SVB en de gemeenten beoordelen in het kader van bijvoorbeeld de AOW, Anw en de WWB nadrukkelijk de feitelijke leefsituatie omdat het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding van invloed is op de hoogte van de uitkering (bv samenwonende ouderen). Bij gemeenten is het adres tevens van belang om te bepalen welke gemeente de uitkeringsaanvraag in behandeling dient te nemen. In de praktijk zal het UWV minder vaak tot gerede twijfel komen, omdat het UWV op basis van wetgeving voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA, Ziektewet) geen aanleiding heeft een adresonderzoek in te stellen. Een uitzondering is de Toeslagenwet waarbij het UWV wel de leefsituatie beoordeelt.

Tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de modernisering GBA op 13 april jl. heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegd in het kader van de evaluatie van het actieplan Kwaliteit GBA vier onderzoeken uit te voeren, te weten de Momentopname Kwaliteit GBA 2011, het onderzoek GBA als basisregistratie inzake gebruik en terugmelden, het onderzoek inzake «Vertrokken onbekend waarheen» (VOW) en het onderzoek inzake de GBA en de burgerlijke stand. Op basis van de uitkomsten van de onderzoeken zal de minister van BZK nog dit jaar bekijken of het noodzakelijk is een pakket aan maatregelen te presenteren om de betrouwbaarheid van de GBA op het gewenste niveau te krijgen. Specifieke aandacht wordt besteed aan het aantal afnemers dat terug moet melden, het aantal terugmeldingen en het onderstrepen van het belang hiervan.

De minister van BZK heeft eerder aangekondigd dat in het wetsvoorstel Basisregistratie Personen een bepaling zal worden opgenomen die als grondslag kan dienen om een uitwisseling of vergelijking van gegevens tussen registraties binnen de overheid mogelijk te maken (Kamerstukken II 2010/11 27 859, nr. 42). Vooruitlopend op het nieuwe wettelijke regime ben ik voornemens het mogelijk te maken dat bij het UWV bekende adresgegevens periodiek worden vergeleken met de GBA om adressen van personen met de GBA-status «Vertrokken onbekend waarheen» op te sporen en deze ter facilitering van gemeenten terug te melden. Dat neemt echter de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten op dit punt niet weg.

Onderzoek Amsterdam

Ik heb in het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de modernisering van de GBA op 13 april jl. toegezegd u te informeren over het resultaat van het overleg over de aanpak van de bestandsvergelijking tussen de GBA en de polisadministratie.

De polisadministratie wordt gevuld met gegevens uit de loonaangiften van werkgevers. In de aangeleverde gegevens zitten ook adresgegevens die werknemers hebben opgegeven, maar dit zijn niet per se woonadressen zoals in de GBA. Het UWV slaat deze gegevens op maar overschrijft de adresgegevens van ingezetenen met het adres uit de GBA in het kader van het overheidsbrede gebruik van de GBA. Voor de bestandsvergelijking met de GBA wordt gebruik gemaakt van adresgegevens uit de oorspronkelijke loonaangifte, zoals aangeleverd door werkgevers.

De gemeente Amsterdam heeft het UWV verzocht om een omvangrijke gegevenslevering uit de polisadministratie. Er is inmiddels overeenstemming tussen de gemeente Amsterdam, het UWV en het Inlichtingenbureau (die de bestandsvergelijking uitvoert) over de onderzoekswijze en de gegevensset. Amsterdam heeft laten weten het onderzoek uit te willen voeren in twee fasen. Het doel van het onderzoek is het opschonen van de adresregistratie in de GBA van Amsterdam mede ten behoeve van het opsporen van mogelijke fraude.

De eerste fase betreft een volledig geanonimiseerde vergelijking van de polisadministratie en de GBA van Amsterdam, uitgevoerd door het Inlichtingenbureau. Er worden in deze fase nog geen gegevens op persoonsniveau geleverd tussen Amsterdam en het UWV. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) zal van deze bestandsvergelijking schriftelijk op de hoogte worden gesteld. Uit de eerste fase wordt duidelijk wat de onderzoekswaardige categorieën persoonsgegevens zijn waarnaar Amsterdam nader onderzoek kan uitvoeren.

Op basis van de in de eerste fase geconstateerde adresverschillen, waarbij richting wordt verkregen voor aard, omvang en oorzaak, stelt Amsterdam een plan op voor de tweede fase. Het gaat er dan om dat persoonsgegevens vanuit de onderzoekswaardige categorieën ook daadwerkelijk op persoonsniveau door Amsterdam worden beoordeeld, waarbij wordt bezien of er sprake is van een terechte of onterechte afwijking van het GBA. Dit plan wordt voor akkoord aan het CBP voorgelegd. Ik ben bereid het UWV daar alle benodigde gegevens voor te laten verstrekken.

Ik verwacht dat het onderzoek deze zomer van start gaat. Ik zal op basis van de onderzoeksresultaten bezien of structurele gegevensuitwisseling (naast de genoemde terugmelding bij VOW) noodzakelijk en gewenst is.

Antwoorden op de vragen van de vaste commissie

1 en 2

Is de door het UWV naar de Gemeente Amsterdam ingenomen positie als zouden er niet meer dan 5000 gevallen onderzoekswaardig zijn nog te handhaven na de onthullingen van RTL Nieuws?

Hoe valt te verklaren dat in de 5000 volgens het UWV onderzoekswaardig gevallen geen enkele van de 8500 Amsterdamse spookuitkeringsgerech-tigde voorkomt, terwijl het UWV aan de gemeente Amsterdam wel melding maakt van 62 500 Amsterdammers die wel in de loonaangifte voorkomen maar niet in de GBA bekend zijn?

Zoals aangegeven ben ik bereid om alle benodigde gegevens door het UWV te laten verstrekken op basis van een door Amsterdam opgesteld plan van aanpak dat is geaccordeerd door het CBP. Afhankelijk van het moment dat de bestandsvergelijking wordt gemaakt en afhankelijk van de groep die wordt bekeken, verschillen de getallen.

In aanloop naar het verplichte gebruik van de GBA per 1-1-2010 is onder andere de aansluiting tussen de GBA en de UWV-administraties verbeterd. Dit kan leiden tot verschillen bij bestandsvergelijking per periode. Op basis van het onderzoek naar adresverschillen tussen de polisadministratie en de GBA zullen aard, omvang en oorzaak van de geconstateerde verschillen duidelijk worden.

3

Het UWV meldt in haar reactie op de onthullingen van RTL Nieuws dat de kwaliteit van de gegevens in de GBA sinds 2010 aanzienlijk is verbeterd. Waarop baseert zij deze bewering en wat is haar bijdrage geweest aan deze veronderstelde kwaliteitsverbetering?

Met ingang van 1-1-2010 heeft de GBA de wettelijke status van basisregistratie en daarmee geldt wettelijk het verplicht gebruik van de GBA voor de gehele overheid. Dit gebruik draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van gegevens in de GBA. Alle bestuursorganen, inclusief het UWV, dragen hieraan bij.

4

Het UWV meldt in haar reactie op onthullingen van RTL Nieuws dat zij landelijk 4900 personen kent die niet in de GBA zijn vermeld. Tegelijk rapporteert zij medio oktober 2010 aan de gemeente Amsterdam dat er volgens de loonaangifte 62 500 personen in Amsterdam zouden wonen die niet in de GBA voorkomen. Dat getal van 62 500 komt vrijwel overeen met de onderbouwde telling van 64 068 personen die het UWV in september 2009 aan de gemeente Amsterdam heeft verstrekt. Is de minister ook van mening dat dit suggereert dat het getal van 4900 personen landelijk niet klopt en dat de telling van 8500 personen voor Amsterdam alleen betrouwbaarder is?

In het antwoord op de vragen 1 en 2 heb ik aangegeven dat de getallen verschillen afhankelijk van het moment van bestandsvergelijking en de groep die wordt bekeken. Daarom acht ik het van belang dat de gemeente Amsterdam en het UWV gezamenlijk vaststellen welke gegevens dienen te worden meegenomen in het onderzoek.

5

Staan de 4900 bewoners die een uitkering ontvangen in het geheel niet bij

enige gemeente geregistreerd zoals door het UWV wordt gesuggereerd?

Voor de personen die in de GBA als «Vertrokken onbekend waarheen» zijn vermeld geldt dat de bijhouding wordt opgeschort, maar de gegevens niet worden verwijderd en altijd behouden blijven in de GBA. De gemeente van inschrijving behoudt het informatiebeheer over de persoon. De systematiek van verplicht gebruik en terugmelden is erop gericht om deze personen zo snel mogelijk wel opnieuw met een bekend adres in de GBA in te schrijven.

Het UWV heeft aangegeven dat van de 1,3 miljoen uitkeringen die op landelijk niveau door het UWV worden verstrekt er 4900 uitkeringen zijn verstrekt aan mensen die in januari 2011 als «Vertrokken onbekend waarheen» in de GBA stonden vermeld.

6

Heeft het correspondentieadres/postbusadres waarover in het artikel wordt gesproken een officiële status conform de GBA (briefadres) of gaat het om zelf ingestelde correspondentieadressen?

In het nieuwsbericht d.d. 12 mei 2011 «Reactie UWV op berichtgeving «spookburgers» door RTL Nieuws» geeft het UWV aan dat iemand bij het UWV een ander adres kan opgeven dan het eigen adres, bijvoorbeeld een correspondentieadres of een tijdelijk verblijf- of verpleegadres. Het gaat hier om door het UWV zelf ingestelde adressen.

7

Kan het zo zijn dat, indien een burger geen vast adres heeft, een status van een niet actueel ingeschreven zijn krijgt? Met andere woorden, kan een burger die in Nederland verblijft rechtmatig niet ingeschreven zijn in de GBA?

In de wet GBA is de inschrijvingsplicht gerelateerd aan een bepaalde termijn van verblijf in Nederland, waarbij het redelijke vermoeden bestaat dat dit verblijf een bepaalde bestendigheid heeft. De betrokkene is verplicht zich binnen vijf dagen in te schrijven in de GBA als hij verwacht tenminste vier maanden in Nederland te verblijven (Wet GBA artikel 65). Indien de betrokkene geen vast woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te kiezen. Het kan zijn dat een betrokkene wel rechtmatig in Nederland verblijft maar niet voldoet aan het criterium van bestendigheid van verblijf en om die reden niet in de GBA wordt ingeschreven. Daarnaast zijn er in de Wet GBA uitzonderingen (zoals ambassadepersoneel, zie artikelen 32 en 33 van de Wet GBA) vastgelegd op het principe dat iedereen die gedurende een bepaalde tijd rechtmatig in Nederland verblijft als ingezetene in de GBA wordt opgenomen. Deze uitzonderingen houden verband met de bijzondere verblijfsrechtelijke status van deze personen.

8

Is, nu er aanwijzingen zijn dat de administratie van het UWV ernstige tekortkomingen vertoont, het UWV nog de aangewezen partij om mede te bepalen welke van de 131 000 personen met afwijkende adressen door de Dienst Persoonsgegevens Amsterdam onderzoekswaardig zijn? Wordt op deze wijze niet de schijn gewekt dat er sprake is van een doofpotoperatie?

Zoals hiervoor aangegeven is het mogelijk dat er verschillen zijn tussen de polisadministratie en de GBA. Het bestaan van verschillen is dan op zichzelf ook geen aanwijzing dat de administratie van het UWV tekortkomingen vertoont.

De gemeente Amsterdam en het UWV hebben de afgelopen maanden intensief overleg gevoerd over de aanpak en over de te onderzoeken doelgroep. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat het UWV hierin geen aangewezen partij is en ik wijs enige suggestie van een doofpotaffaire dan ook van de hand.

9 en 10

Kan de minister aangeven waarom de gesprekken tussen het UWV, het

Inlichtingenbureau en SZW enerzijds en de gemeente Amsterdam

anderzijds zoveel tijd kosten, terwijl de oorspronkelijke gegevenslevering

door het UWV niet meer dan enkele uren werk vergde?

Gegeven dat de initiële rapportage aan de gemeente Amsterdam in

september 2009 slechts enkele uren werk vergde, kan de Minister

aangeven waarom het zo moeilijk lijkt te zijn om deze analyse overnieuw

te doen voor de situatie sinds 2010 en voor geheel Nederland? Dus kan de

minister aangeven hoeveel mensen er volgens het UWV in Nederland

wonen, die niet zijn ingeschreven in de GBA?

Het eerdere onderzoek ging in eerste aanleg om een statistische vergelijking, die redelijk eenvoudig te maken is. Het vervolgonderzoek gaat niet alleen om een statistische vergelijking maar om aanvullend onderzoek op persoonsniveau en hiervoor gelden ook strengere eisen voor wat betreft de bescherming van persoonsgegevens. Dit onderzoek kost derhalve meer tijd dan de initiële bestandsvergelijking.

Het gegeven of iemand in Nederland woont betrekt het UWV uit de GBA, waarin het woonadres is vastgelegd. Niet-ingezetenen worden niet in de GBA ingeschreven. Een deel van hen heeft een arbeids- of uitkeringsverhouding in Nederland en komt derhalve via de loonaangifte van de werkgever of uitkeringsinstantie in de polisadministratie. Uit de bestandsvergelijking tussen de polisadministratie en de GBA van Amsterdam zal Amsterdam op persoonsniveau beoordelen of sprake is van terechte of onterechte afwijking van de GBA.

11

Hoe staat het met de toezegging dat de Kamer zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de onderhandelingen tussen het UWV, het Inlichtingenbureau en SZW enerzijds en de gemeente Amsterdam anderzijds?

Met deze brief informeer ik u ook over de toezegging in het AO modernisering GBA van 13 april. Zoals aangegeven (bij «Onderzoek Amsterdam» eerder in deze brief) is inmiddels overeenstemming bereikt tussen de gemeente Amsterdam, het UWV en het Inlichtingenbureau over de onderzoekswijze en gegevensset. Het CBP wordt nog betrokken. Ik verwacht dat het onderzoek deze zomer van start gaat.

12

In haar officiële reactie op de berichtgeving van RTL nieuws schrijft het UWV: «het UWV wijst burgers bij de inschrijving op hun plichten ten aanzien van de GBA door middel van foldermateriaal van het Agentschap BPR.» Gegeven dat de juistheid van een adres van belang is voor de uitkeringsverzorging en voor de vaststelling van de rechtmatigheid van uitkeringen, geeft het UWV hier niet aan dat zij wanpresteert door te volstaan met het neerleggen van folders waarin mensen op hun wettelijke verplichtingen worden gewezen, terwijl het UWV in hoge mate in staat is om deze verplichtingen af te dwingen danwel overtredingen terug te melden aan BPR?

Voor het UWV is de rechtmatigheid van de uitkering meestal niet gekoppeld aan het adresgegeven. Afnemers van de GBA waaronder het UWV kunnen een juiste inschrijving in de GBA niet afdwingen. Bij gerede twijfel wordt teruggemeld aan de gemeente. De gemeente onderzoekt en kan ook tot ambtshalve inschrijving overgaan.

Zoals aangegeven acht ik het niet acceptabel dat mensen zich onvindbaar kunnen maken voor de overheid en tegelijkertijd wel een uitkering van diezelfde overheid ontvangen. Ik zal daarom het UWV en de SVB verzoeken de groep uitkeringsgerechtigden, die in de GBA als «Vertrokken onbekend waarheen» staan geregistreerd, aan te schrijven en hen mede te delen dat de uitkering wordt gestopt als zij hun registratie bij de gemeente niet binnen redelijke termijn op orde brengen. Er zal ook een terugmelding aan de gemeente worden gedaan.

Bij nieuwe aanvragen wordt de uitkering niet in behandeling genomen als mensen in de GBA geregistreerd staan als «Vertrokken onbekend waarheen». Voorts ben ik voornemens te regelen voor alle uitkeringsgerechtigden met deze status dat de uitkering tijdelijk wordt opgeschort totdat de registratie in de GBA op orde is.

13

Hoe valt te verklaren dat het UWV, zoals gemeld door RTL nieuws, over heel 2010 slechts 20 terugmeldingen heeft gedaan – waarvan nul aan Amsterdam – terwijl andere afnemers duizenden terugmeldingen aan de GBA doen?

Het uitgangspunt is dat de authentieke gegevens van een basisregistratie zonder nader onderzoek kunnen worden gebruikt. Bestuursorganen melden terug bij gerede twijfel. Die gerede twijfel kan ontstaan uit eigen onderzoek van bestuursorganen, of in het contact met de burger. In de praktijk komt het UWV minder vaak tot gerede twijfel omdat het UWV op basis van wetgeving voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA, Ziektewet) geen aanleiding heeft een adresonderzoek in te stellen. Een uitzondering is de Toeslagenwet waarbij het UWV wel de leefsituatie beoordeelt. Bij de SVB en de gemeenten daarentegen is het adresgegeven direct van invloed op recht, duur of hoogte van de uitkering. De SVB en de gemeente beoordelen in het kader van bijv. de AOW, Anw en WWB nadrukkelijk de feitelijke leefsituatie omdat het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding van invloed is op de hoogte van de uitkering.

14

Waarom wil het UWV daarnaast de verschillen tussen de registratie van de polisadministratie en de GBA niet terugmelden aan de GBA om er daarmee voor te zorgen dat de gehele overheid kan beschikken over een actueel overzicht van personen die in Nederland wonen?

De gegevens in polisadministratie worden aangeleverd via de loonaan-gifte van de werkgever. Er hoeft daarbij geen sprake te zijn van een woonadres. Het UWV kan na verificatie vaststellen dat er verschillen zijn met de GBA. Het constateren van een verschil is echter niet hetzelfde als gerede twijfel op basis waarvan een terugmelding plaats kan vinden. Dat neemt niet weg, dat ik op basis van de resultaten van het onderzoek in Amsterdam zal bezien of structurele gegevensuitwisseling noodzakelijk en gewenst is. Ook ben ik zoals hiervoor aangegeven voornemens het mogelijk te maken dat bij het UWV bekende adresgegevens periodiek worden vergeleken met de GBA om adressen van personen met de GBA-status «Vertrokken onbekend waarheen» op te sporen en deze ter facilitering van gemeenten terug te melden.

15

Als het UWV omdat zij daartoe niet is verplicht geen adrescontroles

uitvoert en andere de GBA afnemers die dat wel doen en duizenden

adresverschillen aan Amsterdam terugmelden, ligt het dan niet in de rede

om te veronderstellen dat er sprake kan zijn van grootschalige fraude met

adressen?

Zoals hiervoor aangegeven houdt terugmelding verband met het bepalen van gerede twijfel. Het verschil in aantallen terugmelding is voor mij geen reden om te veronderstellen dat er grootschalige adresfraude met sociale zekerheidsuitkeringen is.

16

Is de minister voornemens om de relevante wetgeving danwel de UWV-procedures zodanig aan te passen dat de adresregistratie in de GBA wordt gevolgd? In de officiële reactie van het UWV staat: «Iemand kan bij het UWV een ander adres opgeven dan het eigen adres, bijvoorbeeld een correspondentieadres of een tijdelijk verblijf- of verpleegadres.» Het soort adres wordt naast het adres als zodanig geregistreerd in de uitkeringsystemen van het UWV. Het adres in de loonaangifte komt uit een UWV-uitkeringsysteem en is een van die adressen.

De GBA wordt verplicht gebruikt in de sociale zekerheid. Ik acht het niet wenselijk om het UWV en de SVB te verplichten in alle gevallen uitsluitend het GBA-adres te hanteren. Om praktische redenen kan er onder bepaalde omstandigheden een ander adres worden gehanteerd. Omdat het nooit zo mag zijn dat burgers zich -opzettelijk of onopzettelijk- onvindbaar maken voor de overheid, vind ik het wenselijk dat deze adressen door overheden aan elkaar kunnen worden doorgegeven. Zo wordt het adresonderzoek van andere overheden vergemakkelijkt en zal via terugmeldingen de kwaliteit van de GBA verbeteren.

17

Kan de minister een overzicht verstrekken van de soorten adressen die worden geregistreerd in de diverse uitkeringsystemen van het UWV en zodoende duidelijkheid verschaffen over de soorten adressen die de 8500 onbekende uitkeringsgerechtigden hebben opgegeven?

Het adres in de GBA wordt verplicht gebruikt in de sociale zekerheid voor personen die in Nederland wonen en dit adres kan bestaan uit het woonadres, dan wel bij het ontbreken daarvan uit het briefadres. Daarnaast worden in de sociale zekerheid andere adressen geregistreerd, namelijk verblijfsadressen en correspondentieadressen.

18

Het UWV heeft in zijn reactie op de berichtgeving van RTL nieuws de zaak afgedaan met de vaststelling dat zij niet verplicht is om een GBA adres te registreren en haar klanten slechts attendeert op foldermateriaal over de GBA. Van enige poging om een verklaring te geven voor het zeer hoge aantal onbekende uitkeringsgerechtigden is geen sprake geweest. Kan alsnog op korte termijn worden voorzien in een verklaring voor de genoemde aantallen spook-uitkeringsgerechtigden?

Het UWV heeft aangegeven dat van de 1,3 miljoen uitkeringen die op landelijk niveau door het UWV worden verstrekt er 4900 uitkeringen zijn verstrekt aan mensen die in januari 2011 als «Vertrokken onbekend waarheen» in de GBA stonden vermeld. Tweederde deel hanteert een correspondentieadres in Nederland. Eenderde deel hanteert een buitenlands adres.

19

Deelt de Minister de mening van de CDA fractie dat het grondig onderzoeken van de 131 000 ontbrekende en afwijkende Amsterdamse adressen ook in het een belang is van de gehele publieke sector, waaronder niet in de laatste plaats het UWV?

Ik waardeer het dat de gemeente Amsterdam en het UWV een eerste verkenning hebben uitgevoerd naar de vergelijking van de GBA met de polisadministratie om te bezien of hiermee aanvullend bijgedragen kan worden aan kwaliteitsverbetering. Bij de eerder geconstateerde verschillen hoeft het niet te gaan om fraude en/of uitkeringsgerechtigden, maar ik vind het van belang dat de verschillen worden geanalyseerd om eventuele fraude op te sporen. Het doel van het onderzoek is het opschonen van de adresregistratie in de GBA van Amsterdam mede ten behoeve van het opsporen van mogelijke fraude. De gemeente Amsterdam zal ten behoeve van het onderzoek een plan van aanpak voor akkoord aan het CBP voorleggen. Zoals toegezegd ben ik bereid het UWV daar alle benodigde gegevens voor te laten verstrekken. Ik zal op basis van die resultaten bezien of structurele gegevensuitwisseling noodzakelijk en gewenst is.

20 en 21

Het UWV plaatst GBA afnemerindicaties op alle personen die voorkomen in de loonaangifte, ook van mensen die geen relatie hebben met het UWV. Het UWV is sinds de invoering van de polisadministratie een van de grootste afnemers van de GBA. Welke reden heeft het UWV om van

mensen met wie zij geen relatie onderhoudt de GBA persoonsgegevens te registreren en hoeveel zijn het er?

Gegeven dat het UWV van alle personen in de loonaangifte de GBA gegevens overneemt, volgt daaruit niet de plicht om ontbrekende personen en personen van wie de (adres)gegevens afwijken geautomatiseerd terug te rapporteren aan de GBA?

Op grond van artikel 33 in de Wet SUWI verwerkt het UWV de gegevens in de polisadministratie. In ditzelfde artikel is opgenomen dat de GBA ter verificatie wordt geraadpleegd. Het UWV doet dit dus als beheerder van de polisadministratie. Aangezien adresgegevens afkomstig uit de loonaangifte geen woonadressen hoeven te zijn levert verificatie verschillen op, maar geen gerede twijfel. Het UWV overschrijft het adres uit de loonaangifte met het GBA-adres, aangezien overheidsorganen verplicht het GBA-adres moeten gebruiken. In de polisadministratie worden maandelijks circa 20 miljoen arbeids- en uitkeringsverhoudingen vastgelegd. Een deel daarvan betreft uitkeringsverhoudingen, waaronder ook de personen met wie het UWV een relatie heeft. In januari 2011 werden door het UWV 1,3 miljoen uitkeringen verstrekt.

In hoeverre een structurele uitwisseling van afwijkende adresgegevens uit de polisadministratie de kwaliteit van de GBA kan verbeteren, zal allereerst door nader onderzoek vastgesteld moeten worden. Het zonder meer geautomatiseerde terugmelden van verschillen gaat voorbij aan het begrip gerede twijfel. Het is belangrijk, vanuit de inzet van onderzoekscapaciteit van gemeenten en ook voor de goede omgang met persoonsgegevens, dat bij uitwisseling van gegevens zo precies mogelijk duidelijk is dat getwijfeld wordt aan de juistheid van de gegevens. In dat kader is het onderzoek tussen de adresverschillen van de GBA Amsterdam en de polisadministratie van belang.

22

Gegeven dat de polisadministratie ca. 600 000 mensen bevat die beschikken over een sofinummer en dat er na tien jaar proberen nog steeds geen Register Niet Ingezetenen bestaat, ligt het niet voor de hand dat de persoonsgegevens van deze personen regulier door het UWV worden teruggemeld aan BPR en dat BPR deze gegevens beschikbaar stelt aan de gemeenten waarin deze personen volgens de loonaangifte woonachtig zijn? Is, met andere woorden, het bestaan van een goed werkende polisadministratie niet een unieke kans voor BPR om de kwaliteit en de volledigheid van de bevolkingsadministratie snel te verbeteren?

Zogeheten niet-ingezetenen komen niet in de GBA voor en de inschrijvingsplicht van de GBA geldt voor deze personen niet. Daarom registreren alle bestuursorganen die contact onderhouden met niet-ingezetenen persoonsgegevens (waaronder adressen) in eigen administraties. In de toekomst worden niet-ingezetenen opgenomen in de nog te realiseren Registratie Niet-ingezetenen (RNI) die samen met de GBA de Basisregistratie Personen zal vormen. Of de gegevens van niet-ingezetenen uit de loonaangifte ook kunnen bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de GBA zal uit het onderzoek van Amsterdam blijken.

23

In hoeverre zijn de berichten waar dat het UWV de uit de GBA overgenomen persoonsgegevens beschikbaar stelt aan interne en externe afnemers zonder deze te informeren dat een adres de status «geheim» heeft?

Voor het antwoord op deze vraag wijs ik op de beantwoording van vragen over «geheime adressen» van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken d.d. 25 mei 2011 (met kenmerk 2011Z09551/2011D26939). Daarin is aangegeven dat er geen geheime adressen in de GBA zijn, maar dat er sprake is van het kunnen doen van een verzoek om de verstrekking van gegevens aan bepaalde derden te beperken. Overheidsinstanties krijgen de gegevens – indien zij daarvoor zijn geautoriseerd – wel, omdat zij in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taken de gegevens uit de GBA nodig hebben. Die gegevensverstrekking is immers het primaire doel van de GBA.

Net als bij andere bestuursorganen verwerkt het UWV het signaal dat voor een GBA-gegeven een verstrekkingsbeperking is gevraagd door de burger zoals per geval noodzakelijk is, met inachtneming van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het UWV hanteert bovenstaande algemene lijn met betrekking tot geheimhouding waar het gaat om de verstrekking van persoonsgegevens aan derden.

Bijlage 1                                                 Aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 25 mei 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft in haar procedurevergadering van 19 mei jl. besloten u de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen.

Het UWV heeft in 2010 aan DPG Amsterdam aangegeven (voor brief UWV, zie bijlage) dat op een totaal van 131 000 personen met een ontbrekend of afwijkend GBA-adres niet meer dan 5000 personen kunnen worden gekwalificeerd als «voor eventueel nadere beschouwing interessant». In deze volgens UWV onderzoekswaardige gevallen ontbreken de 62 500 personen die volgens het UWV geen GBA-adres hebben, maar volgens hun werkgever of uitkeringsinstantie in Amsterdam wonen. Dat betekent dat de 8500 Amsterdamse uitkeringsgerechtigden die niet in de GBA zitten volgens het UWV geen van allen onderzoekswaardig waren. Dit geeft aanleiding tot de volgende vragen.

  • 1. 
    Is de door het UWV naar de gemeente Amsterdam ingenomen positie, als zouden er niet meer dan 5000 gevallen onderzoekswaardig zijn, nog te handhaven na de onthullingen van RTL Nieuws?
  • 2. 
    Hoe valt te verklaren dat in de 5000 volgens het UWV onderzoekswaardig gevallen geen enkele van de 8500 Amsterdamse spookuitke-ringsgerechtigde voorkomt, terwijl het UWV aan de gemeente Amsterdam wel melding maakt van 62 500 Amsterdammers die wel in de loonaangifte voorkomen maar niet in de GBA bekend zijn?
  • 3. 
    Het UWV meldt in zijn reactie op de onthullingen van RTL Nieuws dat de kwaliteit van de gegevens in de GBA sinds 2010 aanzienlijk is verbeterd. Waarop baseert het UWV deze bewering en wat is zijn bijdrage geweest aan deze veronderstelde kwaliteitsverbetering?
  • 4. 
    Het UWV meldt in zijn reactie op onthullingen van RTL Nieuws dat het landelijk 4900 personen kent die niet in de GBA zijn vermeld. Tegelijk rapporteert het medio oktober 2010 aan de gemeente Amsterdam dat er volgens de loonaangifte 62 500 personen in Amsterdam zouden wonen die niet in de GBA voorkomen. Dat getal van 62 500 komt vrijwel overeen met de onderbouwde telling van 64 068 personen die het UWV in september 2009 aan de gemeente Amsterdam heeft verstrekt. Bent u ook van mening dat dit suggereert dat het getal van 4900 personen landelijk niet klopt en dat de telling van 8500 personen voor Amsterdam alleen betrouwbaarder is?
  • 5. 
    Volgens het UWV ontvangen nu 4900 burgers in Nederland een UWV-uitkering zonder dat zij ingeschreven staan bij een gemeente en zij maken veelal gebruik van een correspondentie- of postbusadres. Het gaat daarbij volgens het UWV bijvoorbeeld om mensen in een uitkeringssituatie die hun huis hebben verkocht, bij familie of vrienden zijn ingetrokken en zich niet op dat nieuwe adres hebben ingeschreven.

Staan de 4900 bewoners die een uitkering ontvangen in het geheel niet bij enige gemeente geregistreerd, zoals door het UWV wordt gesuggereerd?

  • 6. 
    Heeft het correspondentieadres/postbusadres waarover in het artikel wordt gesproken een officiële status conform de GBA (briefadres) of gaat het om zelf ingestelde correspondentieadressen?
  • 7. 
    Kan het zo zijn dat, indien een burger geen vast adres heeft, een status van een niet actueel ingeschreven zijn krijgt? Met andere woorden, kan een burger die in Nederland verblijft rechtmatig niet ingeschreven zijn in de GBA?
  • 8. 
    Is, nu er aanwijzingen zijn dat de administratie van het UWV ernstige tekortkomingen vertoont, het UWV nog de aangewezen partij om mede te bepalen welke van de 131 000 personen met afwijkende adressen door de Dienst Persoonsgegegevens Amsterdam onderzoekswaardig zijn? Wordt op deze wijze niet de schijn gewekt dat er spreke is van een doofpotoperatie?
  • 9. 
    Kunt u uiteenzetten waarom de gesprekken tussen het UWV, het Inlichtingenbureau en SZW enerzijds en de gemeente Amsterdam anderzijds, zoveel tijd kosten, terwijl de oorspronkelijke gegevenslevering door het UWV niet meer dan enkele uren werk vergde?
  • 10. 
    Gegeven dat de initiële rapportage aan de gemeente Amsterdam in september 2009 slechts enkele uren werk vergde, kunt u uiteenzetten waarom het zo moeilijk lijkt te zijn om deze analyse opnieuw te doen voor de situatie sinds 2010 en voor geheel Nederland? Dus kunt u aangeven hoeveel mensen er volgens het UWV in Nederland wonen, die niet zijn ingeschreven in de GBA?
  • 11. 
    Hoe staat het met de toezegging dat de Kamer zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de onderhandelingen tussen het UWV, het Inlichtingenbureau en SZW enerzijds en de gemeente Amsterdam anderzijds?
  • 12. 
    In haar officiële reactie op de berichtgeving van RTL Nieuws schrijft het UWV: «het UWV wijst burgers bij de inschrijving op hun plichten ten aanzien van de GBA door middel van foldermateriaal van het Agentschap BPR.» Gegeven dat de juistheid van een adres van belang is voor de uitkeringsverzorging en voor de vaststelling van de rechtmatigheid van uitkeringen, geeft het UWV hier niet aan dat het onvoldoende presteert door te volstaan met het neerleggen van folders waarin mensen op hun wettelijke verplichtingen worden gewezen, terwijl het UWV in hoge mate in staat is om deze verplichtingen af te dwingen dan wel overtredingen terug te melden aan BPR?
  • 13. 
    Hoe valt te verklaren dat het UWV, zoals gemeld door RTL nieuws, over heel 2010 slechts 20 terugmeldingen heeft gedaan – waarvan nul aan Amsterdam – terwijl andere afnemers duizenden terugmeldingen aan de GBA doen?
  • 14. 
    Waarom wil het UWV daarnaast de verschillen tussen de registratie van de polisadministratie en de GBA niet terugmelden aan de GBA om er daarmee voor te zorgen dat de gehele overheid kan beschikken over een actueel overzicht van personen die in Nederland wonen?
  • 15. 
    Als het UWV – omdat zij daartoe niet is verplicht – geen adrescontroles uitvoert en andere GBA afnemers die dat wel doen duizenden adresverschillen aan Amsterdam terugmelden, ligt het dan niet in de rede om te veronderstellen dat er sprake kan zijn van grootschalige fraude met adressen?
  • 16. 
    Bent u voornemens om de relevante wetgeving dan wel de UWV-procedures zodanig aan te passen dat de adresregistratie in de GBA wordt gevolgd?

In de officiële reactie van het UWV staat namelijk: «Iemand kan bij het UWV een ander adres opgeven dan het eigen adres, bijvoorbeeld een correspondentieadres of een tijdelijk verblijf- of verpleegadres.» Het soort adres wordt naast het adres als zodanig geregistreerd in de uitkeringsystemen van het UWV. Het adres in de loonaangifte komt uit een UWV-uitkeringssysteem en is een van die adressen.

  • 17. 
    Kunt u een overzicht verstrekken van de soorten adressen die worden geregistreerd in de diverse uitkeringsystemen van het UWV en zodoende duidelijkheid verschaffen over de soorten adressen die de 8500 onbekende uitkeringsgerechtigden hebben opgegeven?
  • 18. 
    Het UWV heeft in zijn reactie op de berichtgeving van RTL Nieuws de zaak afgedaan met de vaststelling dat zij niet verplicht is om een GBA adres te registreren en haar klanten slechts attendeert op foldermate- riaal over de GBA. Van enige poging om een verklaring te geven voor het zeer hoge aantal onbekende uitkeringsgerechtigden is geen sprake geweest. Kan alsnog op korte termijn worden voorzien in een verklaring voor de genoemde aantallen spookuitkeringsgerechtig-den?
  • 19. 
    Deelt u de mening, dat het grondig onderzoeken van de 131 000 ontbrekende en afwijkende Amsterdamse adressen ook in het een belang is van de gehele publieke sector, waaronder niet in de laatste plaats het UWV?
  • 20. 
    Het UWV plaatst GBA afnemerindicaties op alle personen die voorkomen in de loonaangifte, ook van mensen die geen relatie hebben met het UWV. Het UWV is sinds de invoering van de polisadministratie een van de grootste afnemers van de GBA. Welke reden heeft het UWV om van mensen met wie zij geen relatie onderhoudt de GBA persoonsgegevens te registreren en hoeveel zijn het er?
  • 21. 
    Gegeven dat het UWV van alle personen in de loonaangifte de GBA gegevens overneemt, volgt daaruit niet de plicht om ontbrekende personen en personen van wie de (adres)gegevens afwijken geautomatiseerd terug te rapporteren aan de GBA?
  • 22. 
    Gegeven dat de polisadministratie ca. 600 000 mensen bevat die beschikken over een sofinummer en dat er na tien jaar proberen nog steeds geen Register Niet Ingezetenen bestaat,, ligt het niet voor de hand dat de persoonsgegevens van deze personen regulier door het UWV worden teruggemeld aan BPR en dat BPR deze gegevens beschikbaar stelt aan de gemeenten waarin deze personen volgens de loonaangifte woonachtig zijn? Is, met andere woorden, het bestaan van een goed werkende polisadministratie niet een unieke kans voor BPR om de kwaliteit en de volledigheid van de bevolkingsadministratie snel te verbeteren?
  • 23. 
    In hoeverre zijn de berichten waar dat het UWV de uit de GBA overgenomen persoonsgegevens beschikbaar stelt aan interne en externe afnemers zonder deze te informeren dat de een adres de status «geheim» heeft?

De commissie ontvangt graag uw antwoord op deze vragen.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Van der Leeden

Bijlage: Door UWV aan Amsterdam verstrekte adressenanalyse

Nota bene: wanneer de onderstaande analyse is uitgevoerd is niet bekend. Wel bekend is dat deze medio oktober 2010 aan DPG is verstrekt.

Bijlage 2                                                 Aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 24 mei 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken verzoekt u onderstaande vragen over beveiliging van geheime adresgegevens in de GBA bij het gebruik hiervan door verschillende (overheids)instanties te beantwoorden:

  • 1. 
    Kunt u uiteenzetten hoeveel mensen in Nederland een geheim adres hebben?
  • 2. 
    Op welke wijze zijn in de GBA geheime adressen geregistreerd of van een kenmerk voorzien?
  • 3. 
    Op grond van welke wettelijke bepalingen wordt bepaald aan welke (overheids)instanties geheime adresgegevens worden doorgegeven?
  • 4. 
    Welke (wettelijke) regels of protocollen worden of moeten worden gehanteerd bij het doorgeven van geheime adressen door de GBA?
  • 5. 
    Op welke wijze is gewaarborgd dat de overheidsinstanties, die geheime adressen in bezit hebben of krijgen, deze niet doorleveren aan derden of derde instanties, die hiervoor geen bevoegdheid hebben? Kan per instantie worden aangegeven op welke wijze dit wordt gewaarborgd?
  • 6. 
    Op welke wijze is geregeld dat binnen (overheids)instanties die geheime adressen krijgen aangeleverd, deze geheime adressen alleen worden gebruikt, of kunnen worden ingezien door die ambtenaren en/of medewerkers die dit, ingevolge hun taak, toegang tot deze informatie moeten hebben? Klopt het dat meer dan 50 000 ambtenaren en/of medewerkers van (overheids)instanties inzicht hebben in bestanden waarin geheime adressen staan?

De commissie ontvangt graag binnen twee weken uw reactie op deze vragen.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Van der Leeden

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

27859 - Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)
 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, neem dan contact op met René Wijne van ANP. U kunt hem telefonisch bereiken op 070 41 41 424.