Voortzetting van de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2011 (32500) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
maandag 22 december 2014
kalender

1.

Tekst

Sprekers

Minister Rutte
De heer Noten (PvdA)
De heer Werner (CDA)
De heer Kox (SP)
De heer De Graaf (VVD)
De heer Thissen (GroenLinks)
De heer Schuurman (ChristenUnie)
De heer Holdijk (SGP)
De heer Engels (D66)
De heer Koffeman (PvdD)
De heer Ten Hoeve (OSF)
De heer Yildirim (Fractie-Yildirim)
Minister Rutte

Aan de orde is de voortzetting van:

  • de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2011 (32500).

De beraadslaging wordt hervat.

©

M. (Mark)  RutteMinister Rutte: Voorzitter, hartelijk dank. Hartelijk dank ook aan de Kamer voor de uitgebreide discussie in eerste termijn. Daar zijn veel zaken uit naar voren gekomen waarop ik zo goed mogelijk zal proberen te antwoorden in mijn eerste termijn.

Al met al valt er volgens mij vast te stellen dat de Kamer in haar eerste termijn heeft geconcludeerd dat het kabinet wel een regeerakkoord en een gedoogakkoord mag opstellen, althans dat de coalitiepartijen dat mogen, maar dat dit nog niet betekent dat ook de partijen in deze Kamer zich aan zo’n regeer- of gedoogakkoord gebonden voelen. Dat geldt zowel voor de partijen die aan de overkant onderdeel uitmaken van de coalitie als voor de oppositie en zo hoort het ook, vind ik, na acht jaar in de politiek actief te zijn geweest. Ik stel dat met genoegen vast. Het betekent ook dat wij als kabinet in deze Kamer zullen moeten knokken om steun te krijgen voor onze voorstellen. Het is geen vanzelfsprekendheid, zelfs niet bij CDA en VVD, dat er steun is voor die voorstellen. Dat is ook logisch, aangezien het akkoord is gesloten tussen de schragende fracties in de Tweede Kamer. De positie van deze Kamer is dus op zichzelf een heel logische.

Ik heb eigenlijk alle partijen hier horen zeggen – ook dit geldt niet alleen voor CDA en VVD, die schragend zijn voor de coalitie in de Tweede Kamer – dat zij voorstellen van het kabinet welwillend zullen bekijken. Alle woordvoerders hebben hier gezegd dat zij voorstellen van het kabinet zullen beoordelen op de inhoud. Een voorbeeld was de Winkeltijdenwet. Ook bij andere wetsvoorstellen kunnen soms opmerkelijke coalities tot stand komen. Zo zal het waarschijnlijk de komende tijd ook gaan. Dat doet niets af aan het feit dat zich hier een minderheidskabinet presenteert in uw Kamer. Dat hoort bij de normale gang van zaken tussen regering en Eerste Kamer. Ik ben blij met de constructieve basishouding van deze Kamer en stel die ook zeer op prijs. Een en ander dwingt ons wel om bij het opstellen van onze voorstellen zo veel mogelijk rekening te houden met de gevoelens en gedachten ook in deze Kamer, niet alleen bij CDA en VVD, maar bij alle fracties. Voor ons werkt dat dus normerend en verplichtend.

Om het maar in één zin samen te vatten: dit kabinet heeft een duidelijke ambitie, en wel om Nederland sterker uit de crisis te laten komen, maar eerst en vooral door de crisis heen te loodsen. Dat betekent de schatkistcrisis aanpakken en het betekent de noodzakelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat dit kabinet er alles aan doet om het land uiteindelijk sterker uit de crisis te laten komen. Het is een kabinet dat zegt: afspraak moet weer afspraak zijn. Dat betekent bijvoorbeeld op het terrein van veiligheid dat zaken moeten worden aangescherpt, dat de veiligheid moet worden vergroot in Nederland. Op het terrein van immigratie betekent het dat we zeggen: kansrijke mensen die naar Nederland komen met een doel, die goed opgeleid zijn en hier snel aan de slag kunnen, zijn hier meer dan welkom. Tegelijkertijd willen we de regels op het gebied van gezinsmigratie en asiel verder aanscherpen, om ervoor te zorgen dat mensen die hier naartoe komen ook daadwerkelijk in dit land snel een bestaan kunnen opbouwen. Dat geldt uiteraard niet voor die asielzoekers die echt op de vlucht zijn en die voor hun leven moeten vrezen.

Tot slot is dit kabinet er ten diepste van overtuigd dat de overheid krachtig en compact moet zijn. De overheid moet er voor de mensen zijn op alle terreinen waar mensen het niet zelf kunnen, maar de overheid moet niet in de weg zitten. Dat is de filosofie, in een paar zinnen samengevat, die ik heb geprobeerd in de regeringsverklaring neer te leggen in de Tweede Kamer.

Voorzitter. Er zijn door uw leden vragen gesteld over de formatie. Het waren zeven informatierondes en één formatieronde. Het heeft alles bij elkaar 127 dagen geduurd om dit kabinet tot stand te brengen. Daarmee is er geen record gebroken, al is het wel voor het eerst in de geschiedenis dat er in zo’n korte tijd zoveel informatierondes hebben plaatsgevonden. In die zin hebben vicepremier Maxime Verhagen en ik wel een record gebroken: we zijn er niet eerder in geslaagd om in zo korte tijd zo veel formatierondes te hebben in een formatie. Daar zijn we niet trots op, maar zo lopen de zaken.

Uiteindelijk heeft dat proces geleid tot een minderheidskabinet dat in de Tweede Kamer gedoogd wordt door één partij, namelijk de PVV, een partij waarmee wij afspraken hebben gemaakt in het gedoogakkoord op een aantal zaken die de PVV belangrijk vindt, zoals de ouderenzorg en het veiligheidsbeleid. Omgekeerd heeft de PVV gezegd: wij zijn in ruil voor die afspraken bereid om het kabinet te steunen en om in ieder geval de plannen van dit kabinet te steunen, waarmee het de overheidsfinanciën weer gezond wil maken. Dat is heel simpel samengevat de deal – als ik het maar even in goed Nederlands mag zeggen – die we gesloten hebben.

De heer Kox (SP): Voorzitter. Dit was de uitkomst en dus was dit de best mogelijke uitkomst, zullen we dan maar zeggen. De minister-president moet er echter zeker over nagedacht hebben dat we nog nooit eerder met een minderheidskabinet zijn begonnen en al zeker niet met een kabinet dat in deze Kamer geen meerderheid achter zich heeft. We hebben het nog nooit gedaan. Dat wil niet zeggen dat het per definitie riskant is. Omdat we het echter nooit eerder gedaan hebben, zouden er redenen kunnen zijn om te zeggen: het is toch een enigszins riskant experiment. Hoe beoordeelt de minister-president dit? Immers, hij had natuurlijk het liefst een full-fledged meerderheidskabinet gehad. Dat hadden we allemaal het liefst gehad, maar het zat er niet in. Wat zijn volgens hem de risico’s van een minderheidskabinet?

Minister Rutte: Voorzitter. Dat zullen we over vierenhalf jaar weten. Hopelijk pas over vierenhalf jaar. Ik ga proberen de heer Kox met iets meer dan slechts één zinnetje te bedienen. Ook voor mij geldt dat je, als er verkiezingen zijn geweest, vanuit de traditie ervan uitgaat dat zich een kabinet gaat vormen dat kan rekenen op een normale parlementaire meerderheid. Daar zijn de eerste formatierondes ook op gericht geweest. De formatie is echter gelopen zoals die is gelopen. Uiteindelijk is dat niet mogelijk gebleken, althans is onderzoek daarnaar niet voldoende kansrijk gebleken om te komen tot een normaal meerderheidskabinet, en dat heeft geleid tot deze constructie.

Er zitten twee bijzonderheden aan deze constructie. Het is een minderheidskabinet, dat is bijzonder. En ten tweede is het ook nog eens een minderheidskabinet dat, voor zover het de steun heeft van een derde partij, met die partij erbij in de Tweede Kamer kan rekenen op een meerderheid van één zetel. Over het laatste zijn al heel veel dingen gezegd. Is een kabinet met een kleine meerderheid bij het tegenhouden van moties van wantrouwen stabieler of minder stabiel dan een kabinet dat kan bogen op een ruime meerderheid in de Tweede Kamer? Dat is nog maar de vraag. Je zou immers ook kunnen zeggen dat een heel kleine meerderheid juist leidt tot scherpte. In die zin zullen we zien hoe dit uitpakt in de praktijk.

Tot nu toe bevalt het goed en komen de verschillende coalitiepartijen aan de overzijde hun afspraken na. Er is wel eens wat aan de hand in die partijen, dat zie ik ook wel, maar grosso modo komt men de afspraken na en zijn de zetels er. Zowel ten positieve als ten negatieve komt men de afspraken na. Het bijzondere van een minderheidskabinet is dat het ook spannend is. Een voorbeeld is dat ik nu met de collega’s van Buitenlandse Zaken en Defensie achter de schermen werk om te kijken of we een meerderheid kunnen krijgen voor de door ons gewenste missie in Afghanistan. We willen daar doorgaan met het opleiden van politie. Daar is geen meerderheid voor, althans niet automatisch, want de partij die ons gedoogt, moet daar nog een finaal standpunt over innemen, maar staat niet te trappelen. Daarom zoeken we echt naar de steun van andere partijen. Dat is nieuw, maar het kan wel degelijk werken. Dat kan ook het parlementaire debat verlevendigen, in de Tweede alsook in de Eerste Kamer. Er zitten echt ook kansen in. Na 50 dagen is mijn conclusie dat het feit dat er voor deze constructie is gekozen, niet ten nadele hoeft te komen van de stabiliteit. De toekomst zal uitwijzen of het ook zo is.

De heer Noten (PvdA): Ik heb een heel korte praktische vraag. Ik hoor de minister-president zeggen: we weten het over vierenhalf jaar. Waarom over vierenhalf jaar? Is dit kabinet voornemens om een jaar langer te blijven zitten dan gebruikelijk is?

Minister Rutte: Ja, voorzitter. Dat is het geval.

De heer Noten (PvdA): En u ziet daar ook mogelijkheden toe?

Minister Rutte: Ja.

De heer Noten (PvdA): Zou u dat willen toelichten?

Minister Rutte: Ja. Het staatsrecht voorziet erin dat als de verkiezingen in juni zijn, dat dan de eerstvolgende te voorziene verkiezingen na vijf jaar zijn. Dat was ook zo bij Lubbers III. Het kabinet trad aan in 1989 – uw partij zat er ook in – en heeft geregeerd tot 1994, dus vijf jaar. Ik zie u schrikken, maar ik vrees toch dat dit gewoon de feiten zijn.

De heer Noten (PvdA): Nee, u ziet mij niet schrikken, helemaal niet. Ik geloof er verder sowieso niet in, maar ik wilde het graag even weten.

De voorzitter: Ik dacht dat u verheugd keek!

Minister Rutte: Ik ben aan de overzijde op 17 november in het debat bij de begroting van Algemene Zaken ook nader ingegaan op de gang van zaken bij de kabinetsformatie. Er zijn hier door verschillende fracties vragen gesteld, ook over de rol van het staatshoofd in de kabinetsformatie. Mijn constatering daar herhaal ik hier graag, ook om te bezien of dat ook hier in goede aarde valt, dat de rol van de Koningin in de formatie, hoewel niet direct samenhangend met het lidmaatschap van de regering van de Koningin, uiteindelijk ook in deze formatie weer buitengewoon nuttig is gebleken en dat de formatie ordelijk is verlopen. Er was één onordelijk moment, op de beroemde dinsdag toen de formatie van CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV vastgelopen leek en zich toch weer herstelde, terwijl de Koningin nog aan het consulteren was over het feit dat die was vastgelopen. Dat was op zijn zachtst gezegd een rommelig beeld, maar goed, dingen liepen ook daar zoals zij liepen. Daarin is de Koningin niets te verwijten. Een feit is dat iedere keer als er een informateur werd aangesteld de aanstelling van die informateur zijn basis vond in de adviezen van de meerderheid van de partijen in de Tweede Kamer, en uiteraard van de drie adviseurs die het dichtst bij de Troon staan, waaronder uzelf, voorzitter, maar die worden nooit openbaar. Maar in ieder geval vonden zij hun basis in de adviezen van de fractievoorzitters, dan wel besloot de Koningin zelf om een tussenstap te zetten met een tusseninformateur, twee keer de heer Tjeenk Willink en één keer de heer Lubbers, om haar te adviseren over het vervolg van de formatie. Dan hoeft die aanstelling geen basis te vinden in de advisering van fractievoorzitters, want dan is juist die aanstelling er om te komen tot een advisering aan de Koningin over de meest gewenste volgende stap in het formatieproces. Dus wat dat betreft is mijn conclusie dat het ook in deze formatie buitengewoon plezierig was dat de Koningin beschikbaar was voor deze belangrijke rol. Nogmaals, een rol die verder in het staatsrecht niet formeel verankerd ligt, maar waarvan wij moeten vaststellen – althans, ik heb dat opnieuw vastgesteld – dat die het proces zeer heeft bevorderd.

Dan de vraag of dit een meerderheidskabinet is of niet, een aantal van u heeft er ook over gesproken. Dit is geen meerderheidskabinet. Het is een minderheidskabinet, maar wel een bijzonder minderheidskabinet, namelijk omdat wij waar het gaat om vragen van moties van wantrouwen, zolang wij de afspraken in het gedoogak-koord naleven, in principe kunnen rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer, en op een aantal bijzondere beleidsterreinen ook op die meerderheid kunnen rekenen. Voor al het overige werk als minderheidskabinet in de Tweede Kamer, in ieder geval op dit moment in de Eerste Kamer – en afhankelijk van de verkiezingsuitslag van 2 maart misschien ook nog langer, wat ik natuurlijk niet hoop maar wat die verkiezingsuitslag zal moeten uitwijzen – moeten zoeken naar meerderheden.

De heer Engels (D66): Ik weet niet of de ministerpresident nog iets naders gaat zeggen over de kabinetsformatie of al was overgegaan naar een volgend punt.

Minister Rutte: Ik was nu klaar met de formatie.

De heer Engels (D66): Dan heb ik – dat voelt u natuurlijk wel aankomen – nog een vraag. Ik heb namens mijn fractie gevraagd naar de formele politieke ministeriële verantwoordelijkheid voor de kabinetsformatie. Dat zijn geen staatsrechtelijke regels die worden toegepast. Maar wij hebben dan een procedure waarin het staatshoofd een rol vervult, terwijl het zittende kabinet demissionair is, dus de ministeriële verantwoordelijkheid is behoorlijk relatief. Dat is ook de reden dat de minister-president formeel na afloop die hele verantwoording neemt. Ik heb aangegeven dat mijn fractie de indruk heeft dat dat niet expliciet is gebeurd. Ik had ook gevraagd of u erop wilt reageren of u dat wel heeft gedaan of dat alsnog wilt doen. Want dat sluitstuk moet formeel eigenlijk nog wel plaatsvinden, puur op staatsrechtelijke gronden.

Minister Rutte: Voorzitter. Ik meende dat bij implicatie gedaan te hebben bij het debat over de regeringsverklaring, bij de regeringsverklaring zelve en voor zover daar onduidelijkheid over was bij het debat over hoofdstuk 1, de begroting Algemene Zaken en Koninklijk Huis. Maar ik wil graag van deze gelegenheid gebruik maken om voor zover dat niet duidelijk is dan ook hier nog een keer expliciet de volledige ministeriële verantwoordelijkheid te nemen voor het verloop van de formatie, zoals dat ook de aantredend minister-president betaamt.

Dan een ingewikkelder onderwerp, althans een precair onderwerp, namelijk de rol van de Eerste Kamer in die kabinetsformatie, omdat het mij natuurlijk past om hier met grote bescheidenheid over te spreken. Het is allereerst namelijk een aangelegenheid, zo zou ik oordelen, die u zelf aangaat. Ik heb ook met respect geluisterd naar het debat daarover. Ik heb natuurlijk gezien dat er verschillende opmerkingen zijn gemaakt tijdens de formatie en dat er ook een brief is gestuurd door een aantal fracties aan de toen zittend informateur. Ik zou het eigenlijk bij die constatering willen laten, omdat het volgens mij toch in de eerste plaats een zaak is van de Eerste Kamer zelve om te beslissen welke rol men wel of niet wil spelen.

Ik wil er wel over zeggen dat het kabinet in mijn wijze van zien in de eerste plaats moet kunnen rekenen op een coalitie die steun geeft aan een regeerakkoord, in ons geval ook een gedoogakkoord van één partij extra in de Tweede Kamer. Inderdaad, zoals ik in het begin al zei, zelfs de in de Tweede Kamer als coalitiepartijen te boek staande partijen in uw Kamer zullen niet automatisch steun geven aan de uitvoering van dat regeerakkoord.

De heer Thissen (GroenLinks): De brief die toen op initiatief van collega Engels is gestuurd aan de toenmalige informateur ging over de opdracht die die informateur had gekregen van de Koningin, namelijk om te zoeken naar wegen voor een kabinet dat kon rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Hier heerst een beetje het misverstand, ook in de discussie die wij met collega Werner hebben gehad, dat de fracties die die brief hebben ondertekend solliciteerden naar een rol om betrokken te worden in de formatie. Niets was minder het geval. Wij gaven de toenmalige informateur de hint: in uw opdracht staat dat er moet worden gestreefd naar een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Dat is inclusief de Eerste Kamer. Vandaar dat wij die brief hebben geschreven, en vandaar dat wij het van belang achtten dat de informateur op enig moment aan dat onderwerp aandacht zou besteden,

want dat zou met een minderheidskabinet wel eens problematisch kunnen zijn. Ik zeg hier in alle eerlijkheid bij dat dat met een variant van paars – door sommigen paars-plus, door mij paars-beter of paars-groen genoemd – exact hetzelfde was geweest. Dan hadden wij denk ik ook dat signaal moeten afgeven. Dat zeg ik voor alle evenwicht en balans.

Minister Rutte: Sterker nog, dan hadden wij nog een zetel minder gehad in die variant.

De heer Thissen (GroenLinks): Maar misschien wel wat meer kwaliteit, dat zou kunnen, dat weten wij niet!

Minister Rutte: Kijkt u nog eens wat er om mij heen zit!

De zaak is dat een kabinet dat aantreedt, zoals ook een aantal van u heeft gezegd, zich presenteert aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, niet aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal, en dat daarmee in de Eerste Kamer noch de coalitie- noch de oppositiepartijen op voorhand gebonden zijn aan het regeerakkoord. Dat is de situatie waarin ook mijn betoog begon. Daar hoort volgens mij ook bij dat er voor de Eerste Kamer tijdens de formatie geen in de staatsrechtelijke verhoudingen voorziene rol is bij de vorming van zo’n kabinet. Natuurlijk heeft dit kabinet het doel om te komen tot een zo vruchtbaar mogelijke samenwerking met deze Kamer, vanzelfsprekend. Daar gaan wij ook ons best voor doen, zoals ik ook al in mijn inleiding zei. Ik merkte ook van uw kant de uitgestoken hand, zowel van oppositie- als van coalitiepartijen, om daaraan te werken. Maar een formele positie van de Eerste Kamer is er simpelweg niet.

De heer Tjeenk Willink heeft dat overigens ook in zijn tweede eindverslag nog eens uiteengezet. Dat heeft hij mede geschreven op basis van een gesprek met uw voorzitter, maar het uiteraard voor zijn rekening nemend, want het was zijn eindverslag. Ik kan mij in zijn woorden vinden.

De heer Noten (PvdA): De minister-president heeft natuurlijk absoluut gelijk dat die formele positie er niet is. De heer Thissen geeft ook terecht aan dat wij nooit geclaimd hebben om in een onderhandelingspositie terecht te moeten of willen komen. Maar politiek gezien – en dat zegt toch ook iets over de mate waarin u straks mogelijkerwijze in staat bent wel of niet fatsoenlijk het land te besturen – is er toch een vraagstuk op het moment dat u echt fundamenteel niet kunt rekenen op een meerderheid in deze Kamer als het gaat om belangrijke wetgeving, waaronder bijvoorbeeld begrotingen. Dus als het zo zou zijn dat wij in een situatie terechtkomen waarin de Kamer niet meer in staat is om door u ingediende begrotingen goed te keuren, op grond van haar politieke afwegingen, mede bepaald door de samenstelling op dat moment, dan wordt het land toch buitengewoon moeilijk bestuurbaar, lijkt me. De politieke implicatie die dat heeft, is heftig. Daarover moet u toch hebben nagedacht, want dit is een vraagstuk dat dan ook bij u aan de orde is.

Minister Rutte: In mijn rol als onderhandelaar heb ik dat natuurlijk overwogen. Ik heb daarbij overwogen dat zich feitelijk twee coalities aandienden na de verkiezingen, gezien de opstelling van verschillende fracties in het formatieproces, namelijk een paarse – groen, beter, plus – variant, dan wel de variant die nu zich heeft gepresen- teerd in de Kamer en die nu de algemene beschouwingen voert in de Eerste Kamer. Beide varianten konden niet rekenen op een meerderheid in de Eerste Kamer. Er was nog een andere variant denkbaar, maar die bleek politiek niet haalbaar vanwege in ieder geval de blokkerende positie van één partij die dat niet wilde. Dat was een variant door het midden. Die had hier wel een meerderheid gehad in deze Kamer. Maar nogmaals, die liet zich niet vormen omdat één partij, daarvoor cruciaal, niet beschikbaar was, althans niet op dat moment en niet op die plaats en in die fase. Daarmee bleven er feitelijk twee mogelijkheden over, beide een minderheid. Ik heb zelf als staatssecretaris in een vorig kabinet ook altijd zeer goede ervaringen gehad in deze Kamer met het feit dat hier het debat op de inhoud wordt gevoerd, dat de kwaliteit van wetgeving wordt geproefd en dat er natuurlijk ook een eigenstandige politieke afweging is. Ik wijs op het debat dat de Eerste Kamer in 1990 heeft gevoerd – de heer Schuurman heeft er nog aan deelgenomen – met fractievoorzitter Kaland van het CDA over de bijzondere positie van de Eerste Kamer in het staatsrecht. Ik heb nog even teruggebladerd en de heer Schuurman is de continue factor sinds 1990. Ook in dat debat zie je dat uiteindelijk Kamer en kabinet, toen onder leiding van Ruud Lubbers, zich erop ″geeignet″ hebben, het erover eens zijn geworden, dat er zowel een wetskwaliteitsafweging plaatsvindt als, uiteindelijk, een politieke afweging.

De afweging die ik en de samenwerkende partijen hebben moeten maken, is dat wij ons realiseren dat er geen automatische meerderheid is voor ons werk in de Eerste Kamer en dat dit betekent dat wij in onze voorstellen vanzelfsprekend rekening zullen moeten houden met de gevoelens die in de Eerste Kamer leven. Wij kunnen niet zeggen: we hebben 52 zetels in de Tweede Kamer achter ons staan, hoi, hoi! Nee, wij zullen echt moeten zoeken naar meerderheden in de Tweede Kamer maar ook in de Eerste Kamer. Daarmee moeten wij rekening houden. Dat zullen we dan ook doen. Omgekeerd ben ik heel blij met de opstelling van de heer Noten in zijn eerste termijn. Hij zei dat zijn fractie de voorstellen zal beoordelen op hun inhoud. Meer kan ik niet van hem vragen.

De heer Noten (PvdA): Tot slot, voorzitter. Natuurlijk beoordelen wij de voorstellen op hun inhoud. De minister-president herinnert zich wellicht nog dat mijn fractie een aantal jaren geleden, toen hij hier de Wet werk en bijstand verdedigde, voor die wet heeft gestemd, terwijl onze collega’s aan de overzijde daar niet blij mee waren. Hij was daar toen wel blij mee.

Minister Rutte: Zeer.

De heer Noten (PvdA): In die zin heeft deze Kamer haar eigen verantwoordelijkheid en durven wij dergelijke keuzes en beslissingen te nemen. Dat is een feit. Ik zie de minister-president nu met vreugde terugdenken aan dat moment.

Minister Rutte: 15 van de 19.

De heer Noten (PvdA): Inderdaad, zo was het.

Ik realiseer mij ook dat die andere optie, die al dan niet politiek haalbaar was, hetzelfde probleem met zich had meegebracht. De minister-president moest kiezen tussen twee kwaden, dat is wat hij eigenlijk zegt. Toch blijft het een probleem. Mocht het zo zijn – ik hoorde de minister-president hier eerder niet op reageren – dat het probleem ook na de verkiezingen voortduurt, dan moet de minister-president zich de vraag stellen of hij nog in staat is om bestuurlijke continuïteit te garanderen. Ik breng dit punt als een constatering. De ministerpresident kan nu nog hopen dat een dergelijke situatie zich niet voordoet.

Minister Rutte: Laat ik heel scherp antwoorden. Elk kabinet wordt geconfronteerd met een nieuwe situatie na verkiezingen. Ieder kabinet kan, terwijl het voor de Statenverkiezingen kon rekenen op een meerderheid in de Eerste Kamer, na die Statenverkiezingen te maken krijgen met een minderheid daar. Wij hopen daar natuurlijk niet op en hebben zelfs goede hoop dat wij een meerderheid van de kiezers kunnen overtuigen ons te steunen, zodat ook in de Eerste Kamer zich een meerderheid constitueert. Dat is echter voor na de verkiezingen. Deze situatie geldt voor ieder kabinet en is bij dit kabinet niet anders dan bij een ander. Het verschil is dat tot juni volgend jaar, dus totdat de Staten de Eerste Kamer kiezen, wij te maken hebben met een minderheidspositie in deze Kamer. Nogmaals, daarom heb ik meegewogen dat ik de Eerste Kamer ken als een Kamer die niet automatisch uitsluitend langs coalitie- en oppositielijnen stemt, maar die naar de inhoud van voorstellen kijkt. Als ik zeg dat ik een hand uitsteek naar andere partijen in de Tweede Kamer, moet ik dat nog steviger doen naar de Eerste Kamer, omdat wij in al onze wijsheid niet meer dan 52 zetels in de Tweede Kamer hebben en niet meer dan 35 in de Eerste Kamer. In beide gevallen is dat een minderheid. In de Tweede Kamer is er in een aantal gevallen nog de steun van de PVV. Die steun is hier niet, want de PVV zit niet in de Eerste Kamer.

Bij de vormgeving van voorstellen moeten wij dus al rekening houden met de gevoelens die er in de Eerste Kamer leven. Als wij autistisch zouden besturen en dik ingepakt in ons eigen gelijk voorstellen zouden doen, in de trant van ″kijk ons eens even mooie confessioneel-liberale voorstellen presenteren″, moeten wij niet raar staan te kijken als die uiteindelijk hier slechts kunnen rekenen op 35 stemmen. Daarmee zullen we dus rekening moeten houden. We zullen echt moeten luisteren naar gevoelens die leven in de Eerste Kamer. Voor mij is dat onderdeel van de levende democratie. De andere coalitie had hetzelfde gehad, zelfs nog met één zetel minder. De derde coalitie, nogmaals, die wel een meerderheid zou hebben gehad, liet zich niet organiseren.

De heer Engels (D66): Ik wil het onderwerp vruchtbare samenwerking afsluiten. Mijn fractie heeft opgemerkt dat de verwijzing in de brief van de informateur naar uitsluitend de formele rol en positie van de Eerste Kamer niet echt een antwoord is op de invulling van die vruchtbare samenwerking. Ik zou best met de ministerpresident willen vaststellen dat op basis van hetgeen hij nu heeft gezegd, zijn antwoord inhoudelijk is dat dit primair bij de Eerste Kamer ligt en dat wij in de toekomst moeten bekijken hoe dat zal gaan. Met andere woorden, dat niet een vaststaand antwoord kan worden gegeven. Dat is natuurlijk ook een antwoord, maar dan betreft het een reactie die in ieder geval verdergaat dan alleen maar verwijzen naar een formele positie. Dat was mijn punt. Het moest wel een politiek antwoord zijn, maar dat heeft de minister-president nu gegeven. Daarmee hebben wij nu duidelijkheid over hoe hij aankijkt tegen de vruchtbare samenwerking: hoopvol.

De voorzitter: De heer Kox, ook op dit punt.

De heer Kox (SP): Hoopvol is het in ieder geval wat de minister-president zegt. Hij kent zijn positie en weet dat hij daarom het beste charmant en verstandig kan zeggen dat hij moet zakendoen met deze Kamer en dat hij dus rekening met haar zal houden.

De minister-president vergat trouwens nog een andere variant, de Roemervariant. Die had in beide huizen een meerderheid: PvdA, GroenLinks, SP en CDA. Dat is ook mijn enige kans om ooit achter die tafel te komen natuurlijk, dus ik zit er wel een beetje mee dat die variant niet eens is geprobeerd, maar ik zie er andere collega’s zitten, dus dat komt nog wel een keer goed ...

De minister-president zegt dat hij met de Eerste Kamer moet weten om te gaan. De vraag doet zich voor hoe dit concreet zijn beslag zal krijgen. Dit is niet de Kamer van de moties, daarvoor moet je aan de overkant zijn; hier wordt slechts af en toe een motie aangenomen. We hebben onlangs een motie aangenomen over de hypotheekrenteaftrek. Ik denk dat er volgende week ook nog wel een aantal moties wordt aangenomen, maar het zullen er niet veel zijn. Ze zullen op de vingers van één hand zijn te tellen. Echter, over die motie over de hypotheekrenteaftrek heeft de minister-president eigenlijk al zo’n beetje gezegd dat zijn kabinet er niet aan kan beginnen. Hoe gaat het nu verder? Als de ministerpresident voortdurend over uitspraken van deze Kamer die hem oproepen tot iets anders dan hij oorspronkelijk van plan was, zegt ″die motie gaan wij niet uitvoeren″, gaat dat natuurlijk wringen. Hoe inventief gaat hij hiermee om? Stel dat wij hier straks vijf, zes moties voorleggen die 38 stemmen krijgen, kan hij toch niet van al die moties zeggen ″sorry, ik denk er anders over″? Althans, dan kan ik mij voorstellen dat de goede beginrelatie gaat wringen. Heeft de minister-president hierover nagedacht?

Minister Rutte: Ik heb de motie zo gelezen dat gevraagd wordt om een visie van het kabinet op de woningmarkt. Die visie komt er ook.

De heer Kox (SP): Maar hebt u gelezen dat een substantiële vermindering van de hypotheekrenteaftrek voor de allerhoogste inkomens onderdeel is van die visie? Dat is geen bijzin. Als u dat niet doet, terwijl u weet – u loopt al acht jaar mee in de politiek – dat dit ook de strekking van de motie is, is dat natuurlijk uw goed recht. Als er echter meer moties komen en u steeds zegt dat u niet gaan doen wat wij willen, dan kan er een moment komen waarop er een probleem ontstaat tussen deze minderheidsregering en deze Kamer. Of niet?

Minister Rutte: Op dit punt zijn er twee smaken. Of de Eerste Kamer heeft al besloten wat zij wil. Dan zegt zij het kabinet: doe dit. Of zij vraagt het kabinet om een visie en zegt: denk daarbij aan. Als wij dan komen met die visie, zal de heer Kox daarin vermoedelijk lezen dat ik andere opvattingen heb over de hypotheekrenteaftrek dan sommige partijen in deze Kamer. We zullen echter proberen om onze visie te onderbouwen. Dan kunnen we er met elkaar een debat over voeren en bekijken of we elkaar kunnen overtuigen. Het gaat om een motie waarin het kabinet wordt gevraagd om een visie op de woningmarkt en om daarbij de kwestie van de hypotheekrenteaftrek te betrekken. Dat gaan we allemaal doen. In de motie staat echter niet: de Eerste Kamer spreekt uit dat de hypotheekrenteaftrek moet worden beperkt. Als dat het geval zou zijn, is het een opdracht aan de regering en moeten we daarop reageren.

De heer Kox (SP): Dan zijn we het eens, mijnheer de minister-president. Uit uw eerste commentaar begreep ik dat u had gezegd aan het tweede deel van de motie niet te zullen toekomen. Als u echter zegt het volledige onderzoek waar de Kamer om vraagt uit te voeren en dat we daarna erover kunnen praten, ben ik daar tevreden mee.

Minister Rutte: Ik kom zo meteen nog terug op dit onderwerp, want ik wil er nog iets meer over zeggen. We zullen langs een aantal aanvlieglijnen de zaak benaderen. Dat deze coalitie echter bepaalde opvattingen heeft over hypotheekrenteaftrek is bekend. Als ik zeg dat wij rekening houden met de gevoelens in deze Kamer, doen wij dat natuurlijk tegen de achtergrond van wat aan de overzijde de politieke realiteit is. Je probeert daar goed een positie in te kiezen en uiteindelijk onze eigenstandige politieke positie te markeren. De hypotheekrenteaftrek is zo’n gevoelig onderwerp, daarover hoeven wij elkaar niet in het ootje te nemen: we weten precies van elkaar hoe we erover denken. Dat neemt niet weg dat in samenhang met een grotere woningmarktvisie het heel logisch is dat we het nog eens heel goed onderbouwen en met elkaar het debat voeren. Die motie gaan wij dus uitvoeren. Maar nogmaals: de motie roept niet op om de hypotheekrenteaftrek te beperken, maar wel om dat aspect te betrekken bij de visie op de woningmarkt.

De heer Schuurman (ChristenUnie): Ik wil nog een vraag stellen over het minderheidskabinet, nog even afgezien van de gedoogpartner, want daarover komen we straks wel te spreken. Persoonlijk vind ik het jammer dat wij het gesprek met de informateur niet hebben gehad. Ik doel dan niet op een gesprek over de gedoogsteun maar een gesprek over de positie van een minderheidskabinet als zodanig. Ik heb niet voor niets in mijn bijdrage verwezen naar de Nacht van Wiegel en de Avond van Van Thijn, waarop kabinetscrises volgden. Mijn partij is beslist niet erg ingenomen met de weg die gegaan wordt met een nieuw kabinet waarvan de stabiliteit met vraagtekens moet worden omgeven. Ik kan mij een minderheidskabinet voorstellen dat behoorlijk stabiel kan functioneren, in de zin die de minister-president zojuist bedoelde. Is hij er echter van overtuigd dat wij altijd erop uit zijn om alles zo stabiel mogelijk met elkaar te regelen? Ik had eigenlijk daarover een discussie willen voeren met de informateur, om daar dan nu ook met elkaar over te praten. Nogmaals, ik zeg het vanuit bezorgdheid, want we hebben nu dan wel een kabinet, maar het is geen stabiel kabinet, gelet ook op de politieke uitspraken van de Eerste Kamer in het verleden.

Minister Rutte: Puur feitelijk stel ik vast dat niet de Eerste Kamer een verzoek heeft gedaan aan de informateur, een aantal fracties uit de Eerste Kamer heeft dat gedaan. Uiteindelijk heeft de heer Opstelten een gesprek gehad met de voorzitter van de Eerste Kamer. Zo is het gegaan. Anders ware het waarschijnlijk beter geweest om als Eerste Kamer een brief te sturen aan de informateur. Dan was het gesprek met uw Kamer er ook gekomen. Ik herinner mij ook dat wij dat bespraken. Toen vroeg nu minister, maar toen nog informateur de heer Opstelten: collega’s, hoe ga ik hiermee om? Wij concludeerden dat het ten minste moest leiden tot een gesprek met de voorzitter van de Eerste Kamer. Nee, ik zeg het verkeerd. Het was onder informateur Tjeenk Willink. Dat gesprek heeft ook plaatsgevonden. De zaak ligt er zoals die er ligt, mijnheer Schuurman. Ik kan het niet terugdraaien. Het is misschien wat flauw om het zo te zeggen, maar het was een brief van fracties uit de Eerste Kamer, geen brief van de Eerste Kamer. De brief had geen handtekening van de voorzitter.

Nogmaals, ik denk dat het ook past in het staatsrecht zoals dat zich tot nu toe ontwikkeld heeft. Staatsrecht is levend, zei ik eerder al. De heer Engels vatte mij net samen op een manier waarvan ik dacht: daar ben ik het mee eens. Maar hij keek er zo glunderend bij dat ik toch wel even wil checken of wij het met elkaar eens zijn! Zoals ik het heb bedoeld te formuleren, kan de Eerste Kamer – dat kan ik mij zo voorstellen, maar daar ga ik helemaal niet over – zelf op ieder gewenst moment spreken over haar rol in allerlei processen aangaande bijvoorbeeld de kabinetsformatie. Het kabinet gaat die dialoog vanzelfsprekend graag aan.

De heer Engels (D66): Het ging ons om de plus op het formele antwoord, verwijzend alleen naar de positie. Nu hebben we een inhoudelijke discussie met een politieke dimensie. We weten nu hoe we de vruchtbare samenwerking moeten invullen. Ik zie geen licht tussen onze opvattingen. Dat staat inderdaad volkomen buiten opvattingen over de vraag of de Kamer betrokken wil worden in een procedure. Daar ging het volstrekt niet over. Het ging over dit aspect. Dat is nu opgehelderd en dat stemt mij tot vreugde.

De voorzitter: De minister-president vervolgt zijn betoog.

Minister Rutte: Voorzitter. De fractie van de SP vraagt wat ik ervan vind dat zij goede voorstellen zal steunen en slechte voorstellen zal afkeuren. Ik vind dat een verstandige keuze!

De heer Kox (SP): Andersom zou minder zijn. Het was een serieus aanbod en volgens mij ook de vaste gedragslijn van mijn fractie.

Minister Rutte: Zeker.

De heer Kox (SP): Wat ik in mijn inbreng heb proberen te schetsen, is dat wij hier in het verleden wetsvoorstellen hebben aangenomen die wij, als het alleen zou gaan om de kwaliteit van de wet, liever niet hadden aangenomen. Er was echter altijd sprake van politieke druk. Dat valt te begrijpen. Die druk is nu weg. U kunt niet zeggen: de partijen die mij steunen, moeten voor stemmen. Dan hebt u namelijk maar 35 stemmen. Wellicht wordt deze Kamer dan politieker, omdat we meer naar de inhoud van het wetsvoorstel kunnen kijken. U kunt ons uw argumenten geven, maar u kunt ons niet, vriendelijk gezegd, uw dreigementen geven. Dat kan in een meerderheidssituatie natuurlijk wel. Je kunt het een politiek voordeel noemen dat u hier elke keer een meerderheid moet overtuigen. U kunt niet meer zeggen: sorry hoor, maar u bent mijn coalitiepartner, dus u moet voor stemmen en dan haal ik een meerderheid. In het verleden hebben we nogal wat wetten aangenomen waar we met z’n allen toch eigenlijk wel wat kwalitatieve opmerkingen bij hadden. Dat zou dus een nieuwe situatie kunnen zijn. Hoe gaat u daarmee om?

Minister Rutte: Ik denk dat dit vooral een dialoog is tussen u en uw collega’s. Strikt genomen kan het kabinet ook in een minderheidspositie nog steeds zeggen: als dit wetsvoorstel het niet haalt ... Dat is in het verleden ook gebeurt. Ik wijs op het referendum, de Nacht van Wiegel, de kwestie van de gekozen burgemeester. Ik heb het nog even nageslagen naar aanleiding van de debatten die de heer Schuurman hier in 1989, 1990 heeft gevoerd en ook bij de grondwetswijziging van 1983. Niet iedereen is het erover eens dat het verstandig is dat een kabinet bij te veel gelegenheden het onaanvaardbaar uitspreekt over het al of niet aannemen van voorstellen. Daarmee breng je ook de Eerste Kamer in een bijzondere staatsrechtelijke positie, waar juist het debat in 1990 tussen de heer Schuurman, de heer Kaland en de heer Lubbers over ging. Feit is dat wij dat nog steeds kunnen doen, alleen heeft dat allereerst werking, als ze daar al gevoelig voor zijn, op 35 leden van uw huis; misschien ook wel op de heer Schuurman. Misschien is de heer Schuurman dan inmiddels zo enthousiast over het kabinet dat hij zegt: ik zou het zonde vinden als het opstapt. Of: dit is zo belangrijk, ik laat het kabinet zitten en ik ga toch maar akkoord. Dat dwingt ons, en dat is het belangrijkste, om met goede wetsvoorstellen te komen die deugdelijk in elkaar zitten en om rekening te houden met de gevoelens die hier mogelijk leven. Het stelt nog hogere eisen aan de kwaliteit van wetgeving.

Voorzitter. Ik heb nog een paar opmerkingen in mijn eerste blokje over het algemeen kabinetsbeleid. Ik kom straks te spreken over de ombuigingen en de economie. Er is natuurlijk een en ander gezegd over de gedoog-steunpositie. Ik loop er niet voor weg. Het is volstrekt duidelijk. Het fundamentele verschil van mening met de partij van Geert Wilders, de PVV, betreft de islam en de vraag of dat een religie is, zoals wij vinden, of een politieke ideologie, wat zijn opvatting is. Dat heeft ertoe geleid dat wij de op 30 juli uitgebrachte verklaring hebben opgesteld waarin staat dat wij met elkaar niet tot een kabinet kunnen komen, maar wel gaan bekijken of het mogelijk is om programmatische overeenstemming te bereiken over een gedoogakkoord. Dat is gelukt. In die situatie zitten we nu. Ik hoorde de heer Werner uitdagend een paar collega’s vragen: wijs mij aan waar in dit regeerakkoord of gedoogakkoord bepaalde vrijheden worden ingeperkt? Ik ben het eens met de strekking van die vraag. Dat staat ook naar mijn opvatting nergens, en anders wil het graag weten. We zijn het wel fundamenteel met de heer Wilders oneens op dit punt. Dat heeft ertoe geleid dat wij in goed overleg met de PVV voor deze constructie hebben gekozen. Ik vind het overigens wel iets zeggen over de werking van de democratie, waar weer een grote volkspartij bij is gekomen, namelijk de PVV, die op deze manier, ook als uitkomst van de formatie, volledig kan deelnemen aan het proces van machtsvorming.

De heer Kox (SP): De minister-president legt uit hoe de formulering is gekozen, maar hij en ik weten dat het er niet om gaat of er staat dat de islam een religie of een ideologie is. Ikzelf ben niet meer zo van de religie. Ik ben nog wel van de ideologie. Ik voel mij daar niet minder om, zo van: goh, ik heb alleen een ideologie en die anderen hebben een religie. Daar valt wel mee te leven. De zin is natuurlijk opgeschreven omdat vriend Wilders zegt: het is geen religie, het is een ideologie en over een ideologie heb ik vrijheid van meningsuiting, dus mag ik zeggen dat ze zich baseren op een fascistisch boek, dat het net Mein Kampf is, dat ze achterlijk zijn, dat ze eigenlijk met miljoenen teruggestuurd zouden moeten worden, en meer van die fraaie volzinnen. We hadden dit probleem niet gehad als hij alleen had gezegd: ik heb er eens filosofisch over nagedacht wat religie is en wat ideologie. Dit is de manier van formuleren van de minister-president geworden, waar hij mee kan leven maar waar Wilders mee kan zeggen wat hij wil. Dat is wat ik denk ons allemaal hier in dit huis raakt. Het kabinet wordt gedoogd door een partij die niet alleen zegt dat de islam een ideologie is, maar die vervolgens een emmer vol beschuldigingen in de richting van iedere aanhanger erachteraan gooit waar de honden geen brood van lusten. Het echte verschil van mening tussen CDA, VVD en PVV is, mag ik toch hopen, niet dat het een ideologie is, maar dat je er zo veel dingen over zegt die je over een religie nooit zou zeggen?

Minister Rutte: De heer Wilders is geen lid van deze Kamer. Ik voel mij toch genoodzaakt om hem in verdediging te nemen, ook al zal hij daar helemaal geen behoefte aan hebben. Voor zover ik de heer Wilders’ uitlatingen ken en de heer Verhagen en ik met hem onderhandeld hebben in de formatie, doet hij geen uitspraken over moslims. Zijn probleem is de islam. Daarover zijn de heer Verhagen en ik het met hem oneens. Wij zeggen dat de islam een religie is. Je kunt kritiek hebben op een religie, maar in de kern is de vraag, vanuit de staat bekeken, of de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs en andere fundamentele vrijheden wel of niet voor deze godsdienst volledig in aanmerking komen. CDA en VVD zeggen ja, de PVV zegt niet per definitie. Daar zit een groot verschil van mening tussen. De heer Kox zegt dat de heer Wilders van alles zegt over islamieten. Ik meen oprecht, of de heer Kox moet mij kunnen laten zien waar, dat de heer Wilders dat niet doet. Hij richt zich altijd heel secuur op de islam. Nogmaals, dat vind ik erg genoeg. De heer Wilders en ik zijn het daar volkomen over oneens. Dat is ook de reden dat hij niet in het kabinet zit. Uiteindelijk is de PVV voor CDA en VVD een partij waarmee samen te werken is, alleen niet in één kabinet.

De heer Kox (SP): Ik heb onlangs als assistent van de voormalige minister van Buitenlandse Zaken in de Raad van Europa een bloemlezing gegeven van wat de PVV zoal in dit land zegt en mag zeggen. Ik ben me er dus van bewust dat ook de moslims niet ontsnappen in het verhaal van Wilders. De kwestie blijft dat de ministerpresident het net iets te makkelijk doet. Ik kan wel zeggen: ik heb niets tegen katholieken, maar de Bijbel is een fascistisch boek. Of: ik heb helemaal niets tegen joden, maar ja, de Thora is Mein Kampf. Dat zouden we toch niet accepteren? Dat is ook waar collega Schuurman op duidt. Dan kan je niet zeggen: ik heb helemaal niets tegen moslims; ik zeg niets tegen moslims. Overigens wil hij ze nog steeds met miljoenen Europa uit transporteren. En dat zijn niet miljoenen Korans, maar miljoenen aanhangers van de Koran. Die wil hij uit Europa zetten. Kan de minister-president niet iets steviger zeggen – dat zou dit huis graag willen horen – dat CDA en VVD het verwerpelijk vinden wat de PVV zegt over de islam? En dan bedoel ik niet: nu ja, het is een andere mening. Dat is net iets te makkelijk.

Minister Rutte: Wij zijn het fundamenteel oneens met heel veel opvattingen van Wilders en de PVV, en zeker met heel veel opvattingen die direct de islam regarderen. Daarover zullen wij ook in alle felheid het debat opzoeken als hij te ver gaat; dat weet hij ook. Omgekeerd geldt het ook. Wij hebben over en weer afgesproken dat daarin de volledige vrijheid van meningsuiting geldt. Dat hij die opvattingen heeft, betekent echter niet dat er met hem niet valt samen te werken. Dat vindt de partij van de heer Kox ook. Aan de overzijde worden er tal van moties ingediend en heel vaak zijn de partij van de heer Kox en de PVV het eens. De PVV staat op heel veel sociaaleco-nomische thema’s, zoals de gezondheidszorg, politiek gezien dicht bij de SP. Dat leidt heel vaak tot gezamenlijke initiatieven. Ook de partij van de heer Kox zegt dus niet: omdat de PVV die opvattingen heeft, teken ik niet mee met een motie van de PVV en werken wij niet samen. Dat zeggen wij ook, en tegelijkertijd markeren wij volstrekt duidelijk waarover we het oneens zijn. Daarover zullen we het debat zoeken.

De heer Kox (SP): De minister-president zegt ware woorden. Het klopt: de PVV is gekozen in het parlement en doet gewoon mee. Het zijn 1,5 miljoen kiezers. Als we dat niet wisten, worden we daar wel aan herinnerd. Het zijn er overigens net zoveel als er in 2006 op de SP stemden. Die kiezers zijn er en met die partij werk je samen. Ik durf echter wel te kwalificeren wat ik vind van de opvattingen van de PVV over de islam. Ik vind het een verwerpelijke manier van omgaan met 10% van onze bevolking. Als het kabinet zegt dat het die opvatting over de islam van de PVV verwerpelijk vindt, zijn we al een stuk dichterbij. Dat is al iets anders dan het maken van een onderscheid tussen religie en ideologie. Dat is wat ik graag wilde horen.

Minister Rutte: Ik kies mijn eigen woorden. Ik denk dat we het een heel eind met elkaar eens zijn, maar ik kies wel mijn eigen woorden. Wij zullen op momenten waarop de heer Wilders opvattingen uit over de islam of over andere kwesties waarmee wij het oneens zijn, die in de meest scherpe bewoordingen voorzien van commentaar en onze opvattingen ernaast zetten. Ik ga echter nu niet in algemene zin stickers plakken op de opvattingen van de PVV. Dat vind ik te makkelijk, temeer omdat die partij hier niet aanwezig is. De heer Kox kan er echter van verzekerd zijn dat wij, als zich zo’n situatie in de toekomst voordoet, onze opvattingen in de meest scherpe bewoordingen duidelijk zullen maken. Dat is de afspraak die we hebben gemaakt. Het zal de stabiliteit van de samenwerking niet raken. Dat weten we van elkaar; het is volstrekt over en weer bekend. Ik ben veel op pad geweest in het buitenland om kennis te maken met collega’s daar. Er is, op één zin na bij een lunch van de liberale Europese familie, nergens over deze kwestie gesproken. Men begrijpt in het buitenland heel goed van wat voor constructie er in deze regering sprake is. De situatie is ook zeer vergelijkbaar met wat er gebeurt in Denemarken, Zwitserland en andere landen.

De heer Schuurman (ChristenUnie): Er zit aan deze kwestie ook een andere kant. De minister-president zegt dat VVD en CDA niet samen een kabinet wilden vormen met de PVV. Toen het punt van het gedogen aan de orde kwam, was de heer Wilders er toen snel van te overtuigen dat hij niet aan het kabinet kon deelnemen? Of vond hij het allemaal goed en wel? Dat zou ik van de minister-president willen weten. Hoe lang heeft de discussie geduurd? Stond de heer Wilders erop om coalitiepartij te worden of vond hij de huidige constructie van meet af aan het beste? Ik vermoed dat laatste. Ik geloof dat de heer Wilders helemaal geen coalitiepartij wilde worden en dat we dus met een schijn te maken hebben als de minister-president zegt dat VVD en CDA niet in één kabinet wilden met de PVV. Ik geloof dat al die toezeggingen die de minister-president heeft gedaan aan de PVV en die niet te realiseren zullen zijn, door de heer Wilders nog eens zullen worden aangegrepen om te zeggen: het spijt me; ik gedoogde het kabinet maar CDA en VVD hebben het uiteindelijk niet gewild. Zijn populisme zal dan nog meer worden versterkt. Heeft de minister-president overwogen dat de heer Wilders helemaal niet in het kabinet wilde?

Minister Rutte: Ja, dat is allemaal overwogen. Ik kan de heer Schuurman echter geen inzicht geven in de snelheid waarin wij drieën het eens werden over deze constructie, want dan treed ik in de vertrouwelijkheid van de gesprekken. Uiteraard hebben wij alle consequenties van deze samenwerking overwogen. Vanzelfsprekend. Ik kom bij de laatste vraag van mijn hoofdstukje kabinetsbeleid algemeen. De heer Werner heeft gevraagd naar de 3000 agenten erbij en de 12.000 extra verzorgers erbij. Daarbij kwamen twee zaken naar voren. De eerste opmerking van de heer Werner was: let erop dat je wel mensen kunt aannemen, maar dat een groot deel van de problemen zit in de bureaucratie bij zorg en politie. Dat deel ik volledig. Een van de sporen van het kabinet is dan ook het teruggeven van het vakmanschap aan de vaklieden in onderwijs, zorg, politie, brandweer et cetera. De tweede opmerking die hij maakte was: pas op dat je het niet in steen graveert. Hij wees daarbij in het bijzonder op de 12.000 extra verpleegkundigen. Dit is een feitelijke uitkomst van de manier waarop we het extra geld investeren in de AWBZ, namelijk door het versterken van de zorgzwaartepakketten en het ophogen van de budgetten, zodat daar meer geld voor beschikbaar komt. Dat is de aanvliegroute die in het gedoogakkoord is afgesproken. Daar wil ik heel duidelijk over zijn. Dit is natuurlijk ook een onderdeel van de afspraken met de PVV, want een van de terreinen waarop wij met de PVV bijzondere afspraken hebben gemaakt, is juist de ouderenzorg. De 12.000 verpleegkundigen zijn een feitelijke uitkomst daarvan, maar wat daaronder ligt, namelijk het investeren in de zorgzwaartepakketten, dat is echt een politieke overeenkomst in het kader van het gedoogakkoord. Of er ruimte is om het anders in te vullen, zal altijd tussen ons drieën moeten worden besproken, omdat het een onderdeel is van het gedoogakkoord. Het staat het kabinet dus niet vrij om daar een andere invulling aan te geven, tenzij de drie partijen het daarover eens zijn.

De heer Noten (PvdA): De minister-president realiseert zich hopelijk het volgende. Door de verhoging van de zorgzwaartepakketten met 800 mln. te vertalen naar extra inzet van mensen, extra handen aan het bed, en gelijktijdig in het gedoogakkoord op zijn minst de suggestie te wekken dat vervolgens gecontroleerd moet gaan worden in hoeverre de verhoging daadwerkelijk heeft geleid tot extra mensen en de verrekening uiteindelijk plaatsvindt op grond van de mate waarin dat is gebeurd, heeft de minister-president een heel bureaucratisch circus geïntroduceerd om fictief 800 mln., maar in werkelijkheid 400 mln. toe te kennen aan iets waarvan het maar de vraag is of het de oplossing is op langere termijn voor de vraagstukken in de zorg. Het kabinet doet niets aan preventie, aan e-health of aan pogingen om zelf zorg te versterken. Dat was volgens mij de essentie van de opmerking van de heer Werner. Ik sluit me daarbij aan. Meer geld is prima, maar zet het effectief in en niet per se in mensen, die overigens nauwelijks te vinden zijn.

Minister Rutte: De keuze om dit geld te steken in het ophogen van de zorgzwaartepakketten is een politieke keuze. Als we daarvan zouden willen afwijken, dan moeten de drie partijen dat met elkaar overeenkomen. Dat kan altijd, want de wereld is niet in steen gegraveerd. Ik leg precies uit hoe het zit; het heeft geen zin om eromheen te draaien. Dit is echt een afspraak die we hebben gemaakt in de formatie. De ruimte zit erin, dat we het er met zijn drieën over eens zouden moeten zijn dat er een andere manier is om het geld zinnig te besteden.

Ik kan de heer Noten volledig geruststellen op het punt van de verantwoordingsbureaucratie, want we sluiten aan bij de aan de overzijde aangenomen motie-Pechtold. Die motie voorziet erin dat verantwoording en beleidsvoorbereiding – dat is wat we in september doen met Prinsjesdag – een ordelijk proces is, waarbij ook de verantwoording in mei, op gehaktdag, en in september op uiterst zorgvuldige wijze worden vormgegeven. Ik heb in de Kamer tegen kunnen houden dat we al in januari met allemaal extra verantwoordingslijstjes zouden moeten komen. Een grote minderheid wilde het wel, maar ik wilde dat uiteindelijk niet, want dan zou inderdaad gebeuren waar de heer Noten voor waarschuwt, namelijk dat je op allerlei terreinen apart verantwoording moet gaan afleggen. Dit loopt gewoon mee in de normale verantwoordingssystematiek. De verantwoording zal dus niet leiden tot extra bureaucratie.

Tegen de heer Werner zeg ik: het denken staat niet stil. Wil je het geld anders besteden, dan heb je drie partijen nodig. Alle andere zaken die hij noemt zoals e-health en de vraag hoe je omgaat met de kwaliteitsverbetering in de gezondheidszorg, zijn voor een deel in het regeerakkoord voorzien. Ik noem de stelselwijzigingen AWBZ en de stelselwijziging in de cure. Voor een deel zal het ook in het debat met beide Kamers worden vormgegeven. Ook daar is alle ruimte voor. Het is niet zo dat alles in het regeerakkoord is geregeld en dat we daarbuiten niets doen. Over het specifieke onderdeel van deze investering ben ik echter tegen de heer Werner heel duidelijk: dat ligt onder het beslag van een duidelijke politieke afspraak.

De heer Werner (CDA): Dit is niet helemaal het antwoord op de vraag. Ik heb geprobeerd aan te geven dat er in het regeerakkoord in zekere zin doelen worden gesteld,

zoals de halvering van het aantal Tweede Kamerleden. Afijn, ik heb daar een groot aantal voorbeelden van genoemd. De essentie van mijn vraag is of het zin heeft dat de bewindslieden praten met de samenleving. Het kan toch best zo zijn dat de mensen die het werk doen, zoals politieagenten, verpleegkundigen, ambulancepersoneel, ook bepaalde ideeën hebben over hoe het efficiënter en beter kan en hoe de kwaliteit het beste verbeterd kan worden. Als uit dat overleg komt dat we in plaats van meer mensen – die zijn er namelijk toch niet – beter een innovatieve investering in bijvoorbeeld ICT kunnen plegen, waardoor de kwaliteit verbeterd kan worden, heeft het dan zin voor die mensen om met de bewindslieden te praten? Dat is voor mij eigenlijk de essentie. Is er dan ook binnen de coalitie – er zal dan natuurlijk ook met de PVV gesproken moeten worden – een opening om in goed overleg tot andere invullingen te komen dan die nu minutieus in het regeerakkoord zijn vastgelegd?

Minister Rutte: Een volmondig ja. Ik ga zelfs nog een stap verder. Dat is ook volgens de beste tradities van het confessionalisme en het liberalisme, die toch de pilaren zijn onder deze coalitie. Natuurlijk is dat overleg er, want dat zit ook in het hart van de partij van de heer Werner, maar ook voor liberalen is dat heel belangrijk. Uiteindelijk zijn wij het er ook met elkaar over eens dat de finale besluitvorming parlementaire steun moet hebben. Er moet juist niet alleen met de koepels worden gesproken. Ik ben juist zo blij dat de heer Werner zegt: natuurlijk praat je met allerlei georganiseerde verbanden, maar praat ook met de mensen op de werkvloer. Dat is ook hoe ik het zelf gedaan heb toen ik indertijd wetgeving mocht voorbereiden; de heer Thissen weet daar alles van. Wij hebben er toen juist voor gezorgd dat je niet alleen praat met de organisatie, maar juist ook met de mensen op de werkvloer. Dat is wezenlijk voor waar liberalen en confessionelen elkaar de hand kunnen reiken. Een volmondig ja.

De heer Thissen (GroenLinks): Blijkbaar leden van andere partijen ook, hoor ik de premier daarmee zeggen. Voorzitter. De premier heeft het een aantal keren over verantwoordingssystematiek. Hij spreekt behartigenswaardige woorden over de vraag hoe hij dadelijk namens zijn kabinet verantwoordt dat hij de resultaten al dan niet haalt van datgene wat in het regeerakkoord is vastgelegd. Mij gaat het ook om het gedoogakkoord. Daarin worden ook resultaten beoogd waar de premier verantwoording over aflegt. Het gedoogakkoord is echter gesloten met een partij die een aantal opvattingen en idealen heeft die wellicht effecten en resultaten hebben die de premier misschien niet beoogt. Hoe legt de premier daarover verantwoording af?

Minister Rutte: Ik begrijp de vraag niet. Excuus. De heer Thissen en ik hebben dit niet eerder gehad; dit is een historisch moment.

De heer Thissen (GroenLinks): Goed. We zullen het beiden onthouden: 17.50 uur op dinsdag 7 december. U hebt een gedoogakkoord gesloten. In dat gedoogakkoord met de PVV, die in feite een eenmanszaak is met een aantal medevennoten, staat een aantal dingen dat u met z’n drieën zult doen en waarvan wordt nagestreefd om dat te realiseren. Die partij heeft daarnaast een aantal opvattingen waarvan u voortdurend zegt dat het haar opvattingen zijn en: wij zullen al dan niet vol op het orgel spelen als de confessionelen en de liberalen dat niet van zins zijn of het er niet mee eens zijn. Dat kan resultaten of effecten hebben voor Nederland. Hoe legt u daarover verantwoording af?

Minister Rutte: De PVV heeft gezegd dat zij parlementaire steun geeft aan deze coalitie, in de zin dat zij geen moties van wantrouwen zal steunen als de coalitie de afspraken netjes naleeft. Die afspraken behelzen de drie terreinen waarop de PVV bijzondere wensen had. Deze heb ik genoemd. In ruil daarvoor levert de PVV steun aan het ombuigingspakket, ook meerjarig. Dat is de deal. Alles wat het kabinet doet, of het nu in het gedoogak-koord staat of in het regeerakkoord, zit in de Miljoenennota en in de verantwoordingssystematiek in mei. Dat is regulier. Ik heb voorkomen om daar weer van alles bovenop te zetten, zoals de stoplichtjes waar het vorige kabinet mee werkte. U weet wel: daar stond dan in dat het Palestijns/Israëlisch conflict was opgelost. Dat stond op groen. Dit kabinet heeft gezegd: laten we daarmee stoppen en gewoon gaan regeren. We volgen de normale verantwoordingssystemen, ″light touch″, en geen ingewikkelde. Dat gaan we doen.

De PVV zal op heel veel terreinen ook oppositiepartij zijn. Dat zagen we van de week ook met de discussie in de Tweede Kamer over het Ierse noodpakket. De PVV steunt dat niet. De regering is dan afhankelijk van steun van andere partijen. In dat specifieke geval gold dat overigens weer niet, want dat zat al in het pakket. Maar goed, de Kamer had er toch een debat over. Het is dan wel prettig dat er op zich ruime steun is voor de aanpak van de Ierse crisis. Dat zal vaak gebeuren. De verantwoording loopt dan via Nieuwsuur en het NOS Journaal.

De voorzitter: Voordat ik de heer Noten het woord geef, kijk ik even naar de tijd. De minister-president heeft, dacht ik, zijn eerste hoofdstuk bijna afgesloten.

Minister Rutte: Dat is afgesloten.

De voorzitter: O, dat is afgesloten.

Minister Rutte: Ik heb er alleen nog wel een paar te gaan.

De voorzitter: Ik weet niet hoe veel hoofdstukken er nog volgen, maar ik wil wel een beetje oog hebben voor het eindtijdstip van deze eerste termijn: 19.30 uur. Het kan wel een beetje langer duren. Ik vraag om enige terughoudendheid van de Kamerleden en om beknoptheid bij de interrupties.

De heer Noten (PvdA): Ik concludeer – ik hoor graag van de minister-president of ik dat goed doe – dat de afspraak dus is dat de zzp’s worden verhoogd. De afspraak is niet dat daarvoor per se 12.000 mensen moeten worden aangenomen. Daar mag creatief en verstandig mee worden omgegaan. In het gedoogak-koord staan opmerkingen over een kwaliteitswet waarin komt te staan hoe vaak mensen gedoucht moeten worden en hoe lang ze moeten worden uitgelaten. Ik concludeer dat de minister-president zegt dat daar uiteraard eerst heel verstandig over gesproken moet worden met de mensen in het veld voordat dit soort rare, zeer bureaucratische verantwoording afdwingende maatregelen worden genomen. Deze conclusie trek ik. Als dat zo is, dan ben ik een gelukkig mens.

Minister Rutte: Ik doe niets liever dan u gelukkig maken, maar ik moet toch een paar minimale amendementen aanbrengen op uw conclusies. Het aantal van 12.000 is een feitelijke uitkomst volgens de berekeningen van het CPB van het ophogen van de zorgzwaartepakketten. Daarmee is het een effect als je het op die manier invult. Ik heb tegen de heer Werner het volgende gezegd. Als uit het overleg met niet alleen de organisaties, maar vooral ook met de mensen op de werkvloer – het spreekt mij zo aan om juist vooral met hen over dit soort zaken te praten – zou blijken dat je het ook anders kan doen en het kabinet concludeert dat we het niet zo moeten doen maar op een andere manier, moet ik daarover wel overleg met de PVV voeren. Het kan alleen als de PVV het ook goedkeurt, omdat het namelijk een afspraak van ons drieën is. De PVV zit niet in het kabinet. Dat heb ik al toegelicht. We gaan proactief met iedereen het gesprek aan; zo werkt het natuurlijk. Het aantal van 12.000 is een feitelijke uitkomst maar geen doel op zichzelf. Het is wel het effect van het investeren in de zorgzwaartepakketten. Mooier kan ik het niet maken.

De heer Noten (PvdA): In het kader van uw handreikingen en dergelijke en het punt dat we met elkaar moeten gaan samenwerken zeg ik het volgende. Het wordt dus buitengewoon ingewikkeld – in ieder geval voor de leden van mijn fractie – om met een fantoom te moeten praten dat een gedoogakkoord heeft geschreven met u, waarin dingen staan waarvan wij denken dat die niet passen op de werkelijkheid. Daar gaan we een probleem krijgen. De uitgangspunten van uw beleid op dit punt steunen we. Dat wil ik ook helder gezegd hebben. Maar de uitwerking vinden we op dit moment getuigen van een technocratie waarvan we zeggen: dat gaat dus ook bureaucratie ontlokken en die steunen we niet. Dit debat gaan we dan voeren met elkaar.

Minister Rutte: Deze discussie heb ik ook gevoerd tijdens het debat over de regeringsverklaring. Ik heb toen gezegd dat er een paar zaken zijn waarover we hebben afgesproken dat we er geen voorstellen over doen, zoals de WW en het ontslagrecht. Dat vind ik jammer, maar het is nu eenmaal afgesproken. Er zijn ook zaken die we met z’n drieën hebben afgesproken. Aan de andere zijde is er op zichzelf een meerderheid. Hier is die nog helemaal niet gegarandeerd. Je zult dan rekening moeten houden met de opvattingen van de drie partijen. Er is natuurlijk altijd ruimte om dingen aan te passen, op basis van overleg zoals de heer Werner dat noemt. Er zijn ook heel veel zaken die in het regeerakkoord geregeld zijn waarbij wij op voorhand rekening moeten houden met gedachten die in de Kamer leven om überhaupt tot een meerderheid te komen. Het is alleen niet zo dat voorstellen die voortkomen uit het gedoogakkoord in beton zijn gegoten. Dat is helemaal niet zo.

De heer De Graaf (VVD): Voorzitter. Ik wil graag via u een vraag aan de heer Noten stellen. Ik begrijp hem niet helemaal. De minister-president legt uit dat het aantal van 12.000 de uitkomst van een berekening is. Daarnaast zegt hij: als wij gaan praten met iedereen, zou er nog weleens een veel betere methode uit kunnen komen,

want dan leidt het misschien niet tot 12.000 maar tot minder en een andere methodiek. Het mag de heer Noten toch niet uitmaken met wie de minister-president of de minister praat? Het gaat toch om het resultaat? Al praat het kabinet met half Nederland. Als de PVV erbij zit – en die zit erbij – dan vraag ik mij af: so what? Dat is toch niet difficulteren?

De voorzitter: Ik wil niet de discussies tussen de collega’s in de Kamer via de voorzitter laten lopen. Het woord is aan de minister-president.

Minister Rutte: Voorzitter. Nogmaals, wij gaan het gesprek aan met alle mensen uit de praktijk. Zo werkt dat in dit kabinet. Dat is een goede liberale en vooral ook een goede christendemocratische traditie. Maar wij hebben ook voorstellen in het gedoogakkoord staan. Die vormen het vertrekpunt. Als we daar veranderingen in aanbrengen, moet het iets zijn van de drie partners. Dat is bij elk regeerakkoord zo. Dat is niet nieuw. Ik begrijp heel goed dat de heer Noten zegt dat hij te maken heeft met wat hij een fantoompartij noemt. Die fantoompartij heeft volgens mij wel de ambitie om ook u persoonlijk te woord te kunnen staan na juni in dit huis. Maar dat is natuurlijk aan die partij.

Ik kom op het tweede blokje, over ombuigingen, de economie en dergelijke. Ik zeg eerst iets tegen de heer Werner over het innovatiebeleid, maar ook anderen hebben daarover vragen gesteld. De vraag hoe wij het verdienvermogen van de Nederlandse economie kunnen vergroten, drijft dit kabinet ten diepste. Minister Verhagen en ik hebben wel eens tegen elkaar gezegd dat het mooi zou zijn als Nederland sneller groeit dan omliggende landen. Je moet er namelijk weer een beetje competitie inbrengen, er moeten meer banen komen in het land en er moet weer een beetje meer groei komen. Het blijkt dat hetgeen de overheid uitgeeft aan onderzoek, helemaal niet zo verkeerd is; wij scoren op dat punt aardig in de wereld. De heer Werner en anderen in deze Kamer weten hoe succesvol de medische clusters, de academische ziekenhuizen samengevoegd met de medische faculteiten, in Nederland zijn. Het is bekend wat dit heeft betekend voor bijvoorbeeld de positie van Nederland in de citatiescores. Wij doen het helemaal niet slecht, maar het probleem is dat Nederland op de vijftiende plaats in de wereld staat op het punt van het naar de markt brengen van kennis die wordt opgedaan in deze kennisinstellingen. Tegelijkertijd staat de overheid 24ste in de wereld bij het gebruiken van de eigen inkoopmacht om innovatie los te trekken.

Dat is de reden van de gekozen vormgeving van het departement in kwestie onder leiding van Maxime Verhagen. Het betreft het ministerie van Economische Zaken en Innovatie, plus Landbouw, omdat dit een kolom is waarin het al heel succesvol gebeurt. Wij zullen ervoor zorgen dat de private investeringen ook toenemen door op een veel slimmere manier de link te leggen. De heer Flierman weet daar als baas van de Universiteit van Twente alles van, want dat is namelijk de enige universiteit in Nederland waaruit al vijfhonderd bedrijven zijn voortgekomen. Dat is tot nu toe geen enkele andere universiteit gelukt. Het kan dus wel, als je het slim organiseert. Men moet van dat soort best practices leren en op die manier willen wij de publieke middelen die wij in onderzoek steken, laten leiden tot veel meer succes op de markt, zonder uiteraard het fundamentele onderzoek te schaden. Maxime Verhagen en Halbe Zijlstra, de staatssecretaris voor hoger onderwijs en onderzoek, trekken nauw met elkaar op om dat voor elkaar te krijgen. Daarbij spelen twee zaken in het bijzonder een rol. Ten eerste: ruimte geven aan ondernemers; regels afschaffen en veel minder gedoe. Ten tweede: topgebie-den versterken en innovatie gericht steunen. Aan de ene kant moet je namelijk ervoor zorgen dat de generieke infrastructuur goed is, lage lasten, weinig regels en een goed opgeleide bevolking, maar aan de andere kant moet je soms ook speciale accenten aanbrengen. Dat is precies hetgeen dit kabinet wil doen.

Onder andere uit de hoek van de fracties van SP en de ChristenUnie zijn vragen gesteld over het volgens hen al te liberale beleid van de afgelopen jaren. Je krijgt dan altijd de vraag wat het neoliberalisme is, maar dat weet ik niet. Ik ken die term alleen uit het woordenboek, maar er is volgens mij in Nederland geen politieke partij die deze stroming aanhangt. Ik stel wel vast dat Nederland hard is geraakt door de internationale economische crisis, maar die komt direct voort uit het feit dat in Amerika de rente te laag stond, dat de Chinese munt te laag stond en dat het te makkelijk was om zonder geld een huis te kopen in Amerika. Daardoor ontstond uiteindelijk een enorme bubble van geld, die een paar jaar geleden tot ontploffing is gekomen en dat heeft ook ons bankenstelsel keihard geraakt. Het is vrij lastig om daarvoor schuldigen aan te wijzen. Dat neemt niet weg dat de vragen die uit de hoek van de fracties van SP en de ChristenUnie zijn gesteld over de rol van de overheid in de markt en de rol van de overheid bij het economisch herstel, heel relevant zijn.

Mijn opvatting over de rol van de overheid in de markt is dat juist op dat punt de koppeling van vrijheid en verantwoordelijkheid, het motto van het regeerakkoord, centraal staat. Wij moeten heel zorgvuldig bekijken hoe wij het het beste doen. Ik heb altijd geleerd dat je niet alleen op basis van de prijs moet aanbesteden, maar op basis van prijs en kwaliteit. Het rapportcijfer voor het openbaar vervoer in de Zaanstreek is na de aanbesteding van een 5 naar een 8 gegaan. Het materieel is vernieuwd en het aantal passagiers is verdubbeld sinds de privatisering. Waarom? Dat is het gevolg van aanbesteden op basis van prijs én op kwaliteit. Als je alleen aanbesteedt op basis van de prijs, gaat het licht uit en krijg je als het ware zwart-witfoto’s. Je moet het dus op een slimme manier doen en daar is inmiddels veel kennis voor. Ik heb al gezegd dat het opkrikken van het verdienvermogen van de Nederlandse economie onze absolute prioriteit is voor economisch groeiherstel. De sleutel daartoe is het versterken van ons innovatief vermogen, naar de stellige overtuiging van Maxime Verhagen en mij.

Er zijn ook vragen gesteld over koopkracht en inkomensongelijkheid. Ik loop er niet voor weg dat de inkomens met dit kabinet erop achteruitgaan. Je kunt namelijk niet 18 mld. ombuigen en de economie herstellen, zonder dat mensen dit merken. Ik ben het alleen niet eens met degenen die zeggen dat de rekening eenzijdig bij de mensen met een laag inkomen wordt neergelegd. Ik wijs op de lijst van maatregelen die wij nemen, die niet direct in de koopkrachtplaatjes terugkeert, maar wel degelijk onderdeel is van het kabinetsbeleid op het punt van de hogere inkomens. Ik noem bijvoorbeeld de afbouw van de kinderopvangtoeslag, de invoering van een vermogenstoets voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, de beperking van de giftenaftrek en de aftrekposten uit box 3, de beperking van het Witteveenkader, extra huurstijging voor hogere inkomens en het hogere btw-tarief. Dat zijn allemaal voorbeelden van zaken die juist de hogere inkomens raken, maar dat heeft niet direct z’n weerslag op de koopkrachtplaatjes.

Ik merk in de richting van de heer Noten op dat ik de vijf invalshoeken die hij genoemd heeft, volledig onderschrijf. Hij noemde solidariteit met toekomstige generaties, het vergroten van kansen voor mensen die niet veel kansen hebben, de mate waarin de pijn van bezuinigingen eerlijk verdeeld wordt goed beleggen, bijdragen aan het versterken van de internationale gemeenschap en de internationale rechtsorde, en het respecteren en uitdragen van de beginselen van de rechtsstaat. Ik ben het 100% eens met ieder van de vijf invalshoeken aan de hand waarvan de heer Noten het kabinetsbeleid beoordeelt.

De heer Noten (PvdA): Dan hebben wij in ieder geval dezelfde invalshoeken. Dat helpt al een beetje, maar wellicht werken wij die totaal verschillend uit en beoordelen wij het beleid alsnog heel anders.

Ik wil graag wat duidelijkheid hebben. De premier zegt dat het buitengewoon complex is om helder te maken hoe de inkomenseffecten en bestedingseffecten voor mensen uitpakken, maar daarmee creëert hij mist. Ik heb zelf twee voorbeelden gegeven waaruit volgens mij glashelder blijkt dat mensen met hogere inkomens er minder op achteruitgaan dan mensen met lagere inkomens. Stel dat de premier zegt: nee Han, dat heb je helemaal verkeerd gezien; bijstandsmensen worden niet harder gepakt dan mensen die een ton verdienen; dat is een vergissing. Stel dat hij zegt: procentueel worden zij in ieder geval niet harder gepakt en mensen die twee keer modaal verdienen gaan er evenveel op achteruit als mensen die met een inkomen van krap € 30.000 in een huurwoning. Heb ik het dan verkeerd gezien? Volgens mij heb ik het niet verkeerd gezien. Ik wil dat de premier niet meer zegt dat er allemaal lasten, inkomsten en dergelijke zijn, maar dat hij het gewoon uitrekent voor een paar mensen en laat zien hoe het eruitziet.

Minister Rutte: De twee voorbeelden van de heer Noten waren helemaal niet verkeerd berekend. Er zaten een paar kleine foutjes in, voor zover wij het konden narekenen, maar grosso modo kloppen die voorbeelden. Bij een van de genoemde huishoudens was overigens geen sprake van een loonstijging en dan is het logisch dat de koopkracht daalt als je te maken hebt met hogere prijzen. Zo gaat het met meer mensen in Nederland. Als het namelijk aan minister Donner en dit kabinet ligt, stijgen de lonen ook bij de Rijksoverheid niet. Dat is logisch, maar er zit wel een filosofie achter. Aan de ene kant moeten wij namelijk de overheidsfinanciën gezond maken en daarvan zullen wij iets merken. Aan de andere kant willen wij werken aantrekkelijk maken. Als wij de afbouw van de overdraagbare heffingskorting bijvoorbeeld niet laten doorwerken in het referentie minimumloon en dus in de sociale uitkeringen, dan zouden die uitkeringen uiteindelijk hoger worden dan het wettelijk minimumloon. Daardoor zou werken volstrekt onaantrekkelijk worden. Wij nemen dus wel degelijk maatregelen die ook mensen met een lager inkomen raken, maar dat doen wij altijd met mate en met een heel duidelijke maatschappelijke opbrengst als doel.

De heer Noten (PvdA): Uw stelling is dat de bezuinigingen, de prijs van de crisis, onafhankelijk van inkomensverschillen gelijkmatig betaald en verdeeld wordt. Mensen die een ton verdienen, dragen dus procentueel evenveel bij aan het verlagen van de staatsschuld als mensen in de bijstand. Uw stelling is dat dit grosso modo het geval is. Daar vroeg ik naar en dit is uw antwoord.

Minister Rutte: Uit de doorrekening van het CPB blijkt dat het inkomensbeeld over de gehele linie omlaag gaat en dat het zeker ook mensen met een lager inkomen raakt. Ik heb net echter betoogd dat in het koopkrachtbeeld allerlei maatregelen van dit kabinet niet zijn meegenomen; die werken niet door in de koopkrachtplaatjes. Ik heb de lijst van die maatregelen eerder in mijn betoog opgenoemd. Daarmee wil ik niet zeggen dat het volledig evenwichtig is, want dat kan nooit. Je kunt geen volledig evenwichtig koopkrachtplaatje presenteren, of je moet het zo verfijnen dat je het moet micromana-gen op een tekentafel. Dat kan helaas niet. Het feit is dat de overheid bij de eigen uitgaven te maken heeft met de hoge kosten van sociale uitkeringen. Daarop bezuinigen wij niet as such, maar ons doel is dat werken loont. Ons doel is dat werk boven een uitkering gaat, maar wij nemen wel degelijk een aantal maatregelen die stevig aankomen. Dat klopt.

De heer Thissen (GroenLinks): Er is toch een verschil. U zegt dat u de overheidsfinanciën op orde wilt krijgen, wat iedereen zal merken. Ik merk het in mijn inkomen nauwelijks, en ik mag 52% van mijn hypotheekrente blijven aftrekken. Ik bied u aan dat ik best wat meer wil bijdragen, maar voor u is dat een dogma, waar niet aan mag worden getornd. Misschien wilt u mij persoonlijk wel laten betalen, maar niet generiek over het hele land. Nogmaals, er is een verschil. U zegt namelijk u nog een andere bedoeling hebt met de mensen met een uitkering. Ze moeten niet alleen bijdragen aan het op orde krijgen van de overheidsfinanciën, ze blijven in een uitkering hangen omdat werken niet loont. Daar zit dus een ideologisch verhaal achter, namelijk dat de uitkeringen in ons land blijkbaar van zodanige aard zijn dat het de ontvangers ervan blijkbaar belet om gemotiveerd aan het werk te komen. Nou, mijn ervaring is echt anders. Sinds de Suwi-wet, sinds de nieuwe WW, sinds de nieuwe arbeidsongeschiktheid, sinds de nieuwe Wajong, sinds de nieuwe WSW en sinds de nieuwe Wet werk en bijstand is het paradigma ″werk boven inkomen″ geworden. Tegenover een uitkeringsrecht bestaat de plicht om alles in het werk te stellen om aan de bak te komen, en dat heeft resultaten afgeworpen, het werkt. We hebben kunnen zien dat mensen betekenisvol deelnemen aan de arbeidsmarkt vele malen belangrijker vinden dan de hoogte van het inkomen. Ze vinden de nieuwe sociale netwerken die ze daarmee ontwerpen belangrijk dan het eventueel wegvallen van een aantal inkomensondersteunende maatregelen. Alom is bewezen dat de meeste mensen gewoon weer willen werken. Dat geldt ook voor mijn 53-jarige buurman, die zich helemaal te pletter solliciteert, maar wel dag in dag uit in de krant leest dat hij tot zijn 67ste wordt geacht door te werken. Die ideologische aanpak van mensen met een uitkering vind ik niet deugdelijk. U legt bij hen een onevenredig zware prijs neer. Bijstand wordt in de komende tien jaar voor 14% gekort. Ik vind dat schandalig.

De voorzitter: Ik herhaal nog eens dat wij met de tijd zitten. Iedereen heeft straks zoals afgesproken nog een tweede termijn. Ik wil voorkomen dat we via de interruptiemicrofoon al een tweede termijn gaan houden. Anders moet ik de interrupties echt opschorten tot het eind van het debat.

De heer Schuurman (ChristenUnie): In mijn bijdrage heb ik de in zekere zin technische vraag gesteld hoe het zit met de verdeling van de bezuinigingen tussen lagere en hogere inkomens. Is die verdeling rechtvaardig? Ik heb de indruk, gezien de e-mails en de telefoontjes die ik krijg, allemaal van mensen aan de onderkant – ik krijg echt geen telefoontjes van de hogere inkomens – dat men vindt dat men te zwaar belast worden. Ik ben het eens met wat de heer Thissen zegt. Ik heb de indruk dat er wat de rechtvaardigheid betreft het een en ander aan schort. Maar u kunt ons overtuigen op grond van tegenovergestelde cijfers.

Minister Rutte: De koopkrachtcijfers voor 2011 zijn verstuurd en dus bij de Kamer bekend. Dan zie je inderdaad dat de maatregelen uiteraard voor verschillende groepen verschillend uitwerken. De achtergrond daarvan is, zeg ik tegen de beide interpellanten, dat het kabinet als doel heeft dat werk gaat boven een uitkering. Werk moet lonen, en dat is wel degelijk een ideologische reden. Daarnaast moet het kabinet bezuinigen, ook op andere posten, zoals de kinderopvang. Daarop moet worden bezuinigd omdat die kosten te veel zijn opgelopen, en omdat wij een bezuinigingsdoel hebben. Ik leg de Kamer precies uit hoe dat zit. Dit is een heel fundamenteel debat, want het is waar wat de heer Thissen zegt, namelijk dat veel mensen die aan het werk wilden ook aan het werk zijn gekomen. Ik geloof ook niet dat er veel mensen met een uitkering zijn die maar achter de geraniums willen blijven zitten, nee, de meesten willen graag aan de slag. Maar tegelijkertijd heeft onze sociale zekerheid de afgelopen 50 jaar een mindset gecreëerd, die inderdaad, zoals de heer Thissen zei, aan het omslaan is. Maar fundamenteel is die mindset nog aanwezig. Heel veel gemeenten zeggen tegen driekwart van de mensen: u komt niet meer aan de slag. Ik doel op de fase 4. Bij een werkbezoek stelde iemand zich voor als een fase-4-vrouw, wat wij een rare naam vonden. Een fase-4-vrouw betekent dat je niet meer aan de slag komt. Het kon best zijn dat ze iets had wat wij niet konden zien, en dan moet ik uiteraard ook niet verder zeuren, maar dat leek verder een gezond iemand die met een beetje begeleiding en gewezen op haar unieke talenten, aan de slag kon komen. Dat is ook de filosofie van dit kabinet, wat niet alleen heeft te maken met de uitkeringen – dat ben ik volkomen met de heer Thissen eens – maar ook met filosofie van waaruit onze sociale zekerheid wordt aangevlogen.

De heer Noten stelde nog een meer specifieke vraag over een echtpaar met alleen AOW. Voor 2011 gaat een paar met alleen AOW er 0,75% op achteruit. Dat is ook te zien in de inmiddels verzonden brief.

Weggaande van het koopkrachtverhaal kom ik toe aan de vragen die zijn gesteld over de maatregelen om mensen met een extra grote afstand tot de arbeidsmarkt weer aan de slag te helpen. Ik doel op de mensen in de WSW, de Wajong, de bijstand et cetera. Het kabinet heeft als doel om daar te bereiken dat de WSW beschikbaar is voor mensen die echt zijn aangewezen op de WSW. Wij willen niet dat iedere dag 60 jonge mensen, twee schoolklassen, in de Wajong gaan. Mind you: ook vandaag zijn er weer 60 jongen mensen de Wajong ingegaan. Wat wij niet willen, is dat mensen in een sociale werkvoorziening blijven werken, terwijl ze ook aan de slag zouden kunnen buiten de sociale werkvoorziening. Uiteindelijk willen we naar een regeling – daar werkt het kabinet conform het gedoogakkoord aan – om ervoor te zorgen dat deze doelgroep ″ontschot″, goed en maximaal kan worden bediend, met aan de ene kant een fatsoenlijke uitkering, en aan de andere kant een maximale kans om op de arbeidsmarkt aan het werk te zijn.

De heer Thissen (GroenLinks): Heel kort: sinds de modernisering van de Wajong is het niet meer zo dat zich dagelijks twee schoolklassen in de Wajong melden. Uw linkerbuurman, toen nog minister van SZW, heeft daaraan bijgedragen, omdat nu de werkplicht geldt. Dat werpt zijn vruchten af.

Minister Rutte: Dit jaar stromen er 16.700 mensen de Wajong in, en vorig jaar waren dat er 17.600, ofte wel zo’n 1000 meer. Als ik dat deel door het aantal werkdagen, kom ik op 60 mensen per werkdag. Helaas. Ik denk dat wij dat allebei vreselijk vinden. Het hele beleid om deze regelingen in samenhang te bezien – er is natuurlijk een fatsoenlijke uitkering, maar tegelijkertijd gaan we er alles aan doen dat je aan de slag komt – vind ik sociaal. Ik vind het niet sociaal om te zeggen: hier is een fatsoenlijke uitkering, en daarmee is het klaar.

Er zijn natuurlijk vragen gesteld over de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Ik heb al gezegd dat wij graag ook maatregelen hadden opgenomen om de WW en het ontslagrecht te herzien. Dat is niet gelukt. Op dat punt zal het kabinet de komende jaren niet of zeer beperkt met voorstellen komen. Dat neemt niet weg dat we heel veel andere dingen wel doen. We kijken naar de positie van zelfstandigen zonder personeel, we bevorderen het maken van afspraken tussen werkgevers en werknemers over scholing en langdurige inzetbaarheid, we zijn bezig met het gelijktrekken van het ambtenarenrecht met het arbeidsrecht, alleen cao’s die aandacht besteden aan leeftijdsbewust personeelsbeleid en duurzame inzetbaarheid worden algemeen verbindend verklaard, er komt een vitaliteitsregeling, we gaan belemmeringen tegen voor thuis- en telewerken, et cetera. Er worden dus heel veel maatregelen genomen, maar het is waar dat we een hele hoop hervormingen gaan doorvoeren, ook in de sociale zekerheid, maar inderdaad niet op het terrein van de WW en het ontslagrecht.

Ik heb al iets gezegd over de kinderopvang. Daar doet zich de situatie voor dat in 2005 375.000 kinderen daarvan gebruik maakten, en in 2009 ruim 800.000. Het beschikbare budget is verviervoudigd. Uit simulaties van het CPB blijkt dat verhoging van de ouderbijdrage met maar liefst 25% leidt tot minder dan 0,1% verlies aan werkgelegenheid. Met andere woorden, hear hear: aan de ene kant zijn de kosten enorm uit de hand gelopen en tegelijkertijd zullen we aan de andere kant de kosten zo onder controle moeten brengen dat het niet ten koste gaat van het aan de slag komen van mensen. Daar zullen we vreselijk hard aan werken. Maar nogmaals: het beschikbare budget is gegroeid van 0,7 mld. in 2005 naar 3 mld. in 2010, dus meer dan vier keer zoveel. Dat zou oplopen naar 3,5 mld. in 2015. Wij zorgen er nu voor dat dat budget in 2015 op 2,5 mld. uitkomt, wat nog altijd bijna vier keer zoveel is als in 2005.

Er zijn ook vragen gesteld over het afschaffen van groenfondsen. Bij de heffingskortingen in box 3 is op dit moment sprake van een dubbele stimulering: we hebben de vrijstelling in box 3 en een heffingskorting. Het kabinet schrapt de heffingskorting, maar de vrijstelling blijft bestaan. Er is een zachte landing ingebouwd, met dank aan de heer Slob van de andere Kamer. Door een amendement van hem is er een zachte landing gecreëerd: de heffingskorting wordt in vier stappen afgebouwd.

De heer Koffeman (PvdD): Als wordt bezuinigd op het bancaire stelsel ligt het niet voor de hand om met name de groenfondsen te pakken. Het fictieve rendement dat de overheid veronderstelt dat de burger maakt op zijn geld, ligt zelfs hoger dan het rendement van die grondfondsen in de afgelopen jaren. Dat was geen vetpot. Maar het leverde wel heel veel op. Het ziet eruit alsof het symboolpolitiek is: we gaan afrekenen met groen, in plaats van dat er moet worden bezuinigd. Als u wilt bezuinigen, zijn er tal van andere maatregelen mogelijk waarmee u maatschappelijke kosten inperkt, en waarbij u maatschappelijk ongewenst gedrag probeert terug te schroeven. Nu probeert u maatschappelijk wensen gedrag terug te schroeven – u stimuleert het minder – en dat ziet eruit alsof u goed gedrag wilt bestraffen. Dat is niet in orde.

Minister Rutte: Dit kabinet bestaat uit twee partijen die allebei beperkt overtuigd zijn van het nut van allerlei stimulansen via het belastingstelsel. We schaffen niet de hele groenregeling af. We houden de vrijstellingen overeind, maar schrappen de heffingskortingen. Dat past in het algemene streven naar een eenvoudiger belastingheffing, anders zou collega Weekers er nooit in slagen om de Belastingdienst in te krimpen. We willen uiteindelijk minder ambtenaren, ook bij de Belastingdienst. Dan moeten we de belastingheffing vereenvoudigen. Het is zeker niet zo dat we hiermee het hele groen beleggen onmogelijk maken, integendeel. We schaffen echter wel die heffingskorting af, in lijn met het algemene kabinetsbeleid.

De heer Koffeman (PvdD): De banken denken daar heel anders over. De banken stoppen met groen beleggen, naar aanleiding van uw maatregel. Dat weet u ook; dat hebt u ook kunnen lezen. De spaarders lopen weg, de beleggers lopen weg. U zegt dat het kabinet niet zoveel voelt voor allerlei stimuleringsmaatregelen. Dan kan men zich afvragen waarom bijvoorbeeld de rode diesel belastingvrij moet blijven. Allerlei zaken die maatschappelijk ongewenst zijn blijft u belastingvrij stellen, zoals rode diesel of kerosine, of vallen onder een laag tarief, zoals vlees. Het overheidsbeleid is om het gebruik ervan te ontmoedigen, maar daar doet u niets aan. U bent dus niet consistent in de opvatting dat u geen stimuleringsmaatregelen voorstaat.

Minister Rutte: Over de hele linie halen wij een stofkam door het belastingstelsel, al in het gedoogakkoord. Daar gaan wij ook mee door. De staatssecretaris van financiën heeft daarover gesproken in de Tweede Kamer. Ik kom er zo op terug naar aanleiding van vragen van de heer De Graaf over het lage en het hoge btw-tarief. Dit soort bewegingen is noodzakelijk om tot een eenvoudiger belastingstelsel te komen. Het is gewoon te complex. Op allerlei punten in het gedoog- en regeerakkoord raakt dat aan aftrekposten. Dat zal verder gaan. Het is echter niet zo dat we hiermee het groen beleggen afschaffen of onmogelijk maken. Dat banken roepen dat ze er helemaal mee stoppen, als je iets verandert, vind ik een normale reactie. Ik moet nog zien of het zover komt, want er blijft een schitterende aftrek mogelijk.

De heer Noten had een vraag over het AOW- en pensioenakkoord. Het is eigenlijk heel simpel. Dit kabinet neemt op hoofdlijnen het akkoord over van de Stichting van de Arbeid. Wij hebben nog wel een gesprek met de stichting over een paar specifieke zaken. Wat wordt er precies bedoeld met een waardevaste AOW? Hoe vertaalt zich dat naar andere uitkeringen? Wat wordt er precies bedoeld met sectoraal maatwerk? De stichtingspartijen en het kabinet zullen nog een flink gesprek met elkaar moeten voeren, maar op hoofdlijnen nemen wij het akkoord over. Dat betekent dat de AOW-leeftijd in 2020 naar 66 jaar gaat, en daarna leeftijdvolgend zal zijn. De verhoging naar 66 in 2020 heeft, in het gedoogakkoord, de steun van de PVV. Het leeftijdvolgend maken kan alleen als de PvdA of andere partijen dit steunen. Daar hoop ik dan maar op, maar dat bekijken we tegen de tijd dat die voorstellen hier op tafel liggen.

De heer Noten (PvdA): Welvaartsvast, niet waardevast.

Minister Rutte: Akkoord, u hebt gelijk.

De heer Noten (PvdA): Dank u wel. Dat is een belangrijk verschil. Dus dat is genoteerd: welvaartsvast.

Minister Rutte: Zeker, alles wat de sociale partners hebben afgesproken. Dat lijkt meer te zijn dan nu gebeurt met de koppeling van uitkeringen onder de 65 jaar. De consequenties ervan moeten allemaal worden doorgerekend en bekeken.

De CDA-fractie vroeg of de plannen wel ″Actal-proof″ zijn. Mijn antwoord is: ja. Actal wordt betrokken bij de maatregelen die het kabinet op verschillende terreinen treft. In 2012 moeten de administratieve lasten met 10% omlaag, vanaf 2013 met 5% ieder jaar. Dat heeft te maken met de uniformering van het loonbegrip, aanpak van de loonsomheffing, verkorting van de winstaangifte, et cetera, et cetera. Actal presenteerde op 22 november een onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor de burgers van de beleidsvoornemens in het regeerakkoord. De conclusie is dat de vermindering van regeldruk stevig verankerd is in het regeerakkoord. De aanbeveling van Actal is een stevige en spoedige uitwerking van het akkoord, net als een stevige organisatorische inbedding van de aanpak. Dat is niet aan dovemansoren gericht.

Een aantal leden heeft vragen gesteld over de Code Banken en meer in het bijzonder de commissie-Burgmans. Deze heeft afgelopen donderdag een zogenaamde voorrapportage uitgebracht over de uitkomst van de Code Banken. Ik ken de heer Burgmans goed, het is mijn oude baas. Hij schrijft in het rapport: er is nog veel werk aan de winkel. Als hij dat zegt, is er nog heel veel werk aan de winkel. Het staat er heel fraai. Het is wat mij betreft nu nog te vroeg om een oordeel te vellen over de Code Banken. De banken moeten een kans krijgen om verantwoording af te leggen over de naleving. In 2011 is er een eerste volledige rapportage over het boekjaar 2010 van de Monitoring Commissie. Wij houden die code en de uitvoering ervan scherp in de gaten; dat kan ik de Kamer verzekeren. Als het ons niet bevalt, zullen wij maatregelen treffen, bijvoorbeeld als de naleving onder de maat is. Ons standpunt over de bankenbelasting is bekend. Wij zijn ervoor, maar dan wel in EU-verband en met inachtneming van de cumulatieeffecten als gevolg van nieuwe kapitaaleisen en de impact op de kredietverlening. Dat heeft te maken met Basel III.

Tegen de VVD-fractie wil ik de toezegging herhalen die is gedaan aan de overzijde, namelijk dat er een startbrief komt, waarin de kwestie van het btw-tarief wordt behandeld. In de startbrief zal de staatssecretaris richting geven aan het vereenvoudigingsproces, met invulling van de overige fiscale agenda in deze kabinetsperiode. Hij zal daarin ook de voors en tegens op een rij zetten van één btw-tarief. Als je naar één hoog tarief gaat voor alles, en tegelijkertijd inkomstenbelasting en andere belastingen verlaagt, verlaag je daarmee de belasting op arbeid en versterk je de concurrentiepositie van Nederland. Dat zei de heer De Graaf en dat is uiteraard zo. Het heeft natuurlijk ook een aantal andere effecten. Er moet gekeken worden naar wat deze effecten betekenen. Een en ander zal door de staatssecretaris in samenhang worden gepresenteerd in deze startbrief. Deze komt – ik zeg het voorzichtig uit mijn hoofd – volgend jaar in maart.

De heer De Graaf (VVD): Ik dank de minister-president voor zijn antwoord. We hebben kunnen lezen in de kranten dat alle ondernemers in de podiumkunsten proberen hun kaartjes voor het eerste halfjaar van 2011 vóór 1 januari te verkopen. Dat betekent dat daarvoor het oude tarief geldt en dat we niet eerder dan aan het begin van het nieuwe theaterseizoen kunnen profiteren van deze maatregel. Heeft dat nog consequenties voor het kabinet, als het gaat om de overwegingen die de minister-president net heeft aangegeven? Ik doel op het verbreden, het werkelijk kunnen doorvoeren en innen van de inkomsten van de voorziene maatregel.

Minister Rutte: Het kabinet heeft daarover een debat gevoerd in de Tweede Kamer. Dat heeft daar geleid tot de vaststelling van het Belastingplan. Dat leidt op zichzelf niet tot nieuwe inzichten. Ik ben het wel met u eens. Deze maatregel doet zich nu in isolatie voor en ligt nu voor in de Kamer, maar tegelijkertijd is het heel verstandig om volgend jaar het geheel van de btw-heffing te bezien. Wat mij betreft staan ze los van elkaar, en hoop ik natuurlijk dat de Eerste Kamer akkoord gaat. Daar zullen we ook voor pleiten met het hele Belastingplan, inclusief deze verhoging. De sector heeft overigens geheel legaal gehandeld om het ergste te voorkomen. Dat mag ook allemaal. Niettemin is dit wel een belangrijke maatregel, die ook doorwerkt. Het maakt ook een situatie ongedaan. Deze kunsten zaten namelijk eigenlijk altijd al in het hoge btw-tarief. Uit onderzoek blijkt overigens dat de mate waarin een verhoging van de prijs van kaartjes doorwerkt in minder bezoekers, heel beperkt is. Ik begrijp heel goed dat de sector zegt: pas op, jullie helpen de sector om zeep. Ik denk dat dit in de praktijk heel erg meevalt, omdat de prijselasticiteit totaal anders is dan de sector nu veronderstelt. Ik begrijp de positie van de sector; dat zou ik ook doen in een lobbysituatie. Ik ga ervan uit dat het in de praktijk heel erg zal meevallen.

De heer Noten (PvdA): Het wordt wel heel ingewikkeld, als we de acceptatie van een maatregel afhankelijk maken van de prijselasticiteit in een sector. Dan weet ik nog wel een aantal bedrijfstakken te noemen, waar de btw omhoog of omlaag moet. Dat lijkt me niet zuiver. Het gaat erom – dat heb ik geprobeerd te zeggen en volgens mij ook de heer De Graaf – dat het toch wel heel erg heftig is om op zo’n korte termijn een bedrijfstak, die volgens het kabinet meer ondernemend moet worden en minder afhankelijk van subsidie, gelijktijdig te confronteren met een effectieve lastenverzwaring van 13%. Is hier sprake van behoorlijk bestuur? Dat is wat mij betreft een retorische vraag. Nee, er is geen sprake van behoorlijk bestuur.

Minister Rutte: Deze sector heeft van 1 januari 1979 tot 1 september 1998 ook in het hoge tarief gezeten. Ook daarvoor heeft de sector verschillende keren in het hoge tarief gezeten. Er is een uitzondering gemaakt van een aantal jaren ter compensatie van de kostenverhoging voor de Arbeidstijdenwet. Die is in 1998 ingevoerd. Dat is 12 jaar geleden. Ik vind het zeer verdedigbaar dat we deze maatregel nemen. Ik stel vast dat de effecten door de sector zelf natuurlijk ernstig worden ingeschat, maar uit onderzoek blijkt dat het heel erg meevalt. U hebt volkomen gelijk dat je niet prijselasticiteit als enige kardinale factor moet meenemen in het nemen van maatregelen, maar ik noem het wel als een argument voor diegenen die zeggen dat de sector er grote schade van zal ondervinden. Dat doet niets af aan uw terechte argument dat dit natuurlijk nooit het kardinale argument kan zijn. Dat ben ik met u eens. Per saldo is mijn pleidooi bij u om deze maatregel aan te nemen.

De heer Noten (PvdA): Realiseert u zich dat u dan van ons vraagt om een Belastingplan aan te nemen waarin deze maatregel zit?

Minister Rutte: Ja.

De heer Noten (PvdA): Een van de redenen waarom wij dit nu in de algemene politieke beschouwingen naar voren brengen, is dat dit meer is dan een specifieke belastingmaatregel.

Minister Rutte: Zeker.

De heer Noten (PvdA): Het is ook een opvatting over hoe de samenleving er op langere termijn uit zou moeten zien en over de betekenis van cultuur daarin. Voor alle duidelijkheid: cultuur bestaat niet alleen uit ingewikkelde, door enkele bezoekers bezochte theatervoorstellingen op podia. Cultuur is ook van alles wat gebeurt in de dorpen en waarbij vrijwilligers actief zijn. Ook dat is podiumkunst. Podiumkunst is niet per se de kunst met een grote ″K″. U kiest ervoor om die kunst niet meer te stimuleren. Dat vind ik een politieke vraag van algemene orde. Ook daarop krijg ik graag een reactie.

Minister Rutte: Waaruit leidt u af dat wij de kunst niet meer stimuleren? Er gaat 5 mld. om in de kunstensector.

Dit kabinet bezuinigt 200 mln. en verhoogt daarnaast het btw-tarief. In de hele sector gaat 5 mld. om. Het gaat dus om 4% van het totale bedrag dat in deze sector omgaat. Dan is het toch niet zo dat wij de sector om zeep helpen? In het geheel niet! In een tijd waarin de broekriem moet worden aangehaald door vele mensen – ik heb zojuist betoogd dat het niet uitsluitend gaat om mensen met een lager inkomen, maar heel veel mensen in Nederland hebben hier last van – mag je toch aan Europa vragen om akkoord te gaan met een lagere afdracht en aan de kunstensector om heel kritisch te kijken naar de eigen uitgaven? Hoeveel theaters zijn iedere avond slechts voor de helft gevuld? Wij vragen de kunstensector om heel goed te bekijken of dat allemaal zo nuttig is en om bijvoorbeeld ook heel kritisch te kijken naar het hele stelsel van conservatoria in Nederland. Dat vind ik heel logisch en terecht. Daarmee breek je de cultuur niet af. Het is net alsof je, als je van cultuur houdt, daaraan heel veel geld moet uitgeven. Ik houd heel erg van cultuur, maar ik vind het heel gezond om af en toe tegen een sector te zeggen: even door elkaar schudden. Nogmaals: het gaat om 200 mln. op een totaal van 5 mld. Het is natuurlijk niet zo dat wij de sector om zeep helpen.

De heer Noten (PvdA): Het gaat om een lastenverzwaring voor specifieke organisaties van 13%. Ja, het zal wel gaan om 200 mln. op 5 mld., maar het punt is dat u op dag 1, op 1 januari, een lastenverzwaring van 13% op specifieke organisaties neerlegt. Daar gaat het om.

Minister Rutte: Dat geldt voor heel veel maatregelen die wij nemen en die deels al waren ingezet door het CDA en de ChristenUnie en zijn overgenomen door dit kabinet. Deels zijn die maatregelen verder aangescherpt door het CDA, de VVD en de PVV. Voor heel veel maatregelen geldt dat zij al in 2011 ingaan: op het gebied van de kinderopvang, het kindgebonden budget en allerlei andere terreinen. Die maatregelen zijn pittig en vinden voor een deel hun weerslag in het Belastingplan. Dit is onvermijdelijk in een tijd waarin wij tussen nu en 2015 18 mld. moeten zien te vinden. Dat leidt tot grote hervormingen en stelselwijzigingen, maar ook tot onvermijdelijke en hier en daar gewoon pijnlijke bezuinigingen. Dit is er daar één van. Ik erken dit, maar ik zeg wel tegen de sector: uit al het onderzoek blijkt dat de prijselasticiteit echt anders is dan de sector voorspiegelt. Dat begrijp ik van de sector, want die lobbyt en dan gebruik je natuurlijk vooral de gegevens die op dat moment goed uitkomen. Dat snap ik volledig.

Onder andere door de SP-fractie is gevraagd hoe het gaat met de Europese redding. Op dit moment gaat de discussie over Ierland. Daarvoor is inmiddels een pakket vastgesteld van om en nabij 85 mld. Veel belangrijker is dat de Europese Raad in oktober het sanctiemechanisme heeft vastgesteld voor landen die zich niet aan de afspraken houden. Die sancties zijn semiautomatisch; ik had ze liever nog automatischer gehad, maar het is voor ons acceptabel. Olli Rehn, de betrokken Eurocommissaris, werkt de sancties nu om tot concrete wetgeving voor het Europees Parlement et cetera. Daarnaast loopt de discussie over het permanent maken van het tijdelijke crisismechanisme. Dat is zeer noodzakelijk om er uiteindelijk voor te zorgen dat landen die in problemen zijn, niet omvallen.

Dit gebeurt echter wel op zo’n manier dat je ervoor zorgt dat deze landen ertoe worden gedwongen om hun financiën op orde te brengen; daarom zit het IMF daar zo sterk in. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk betaalt voor het feit dat in sommige andere landen te weinig belasting wordt geheven, zoals in Griekenland het geval was. Daar zijn wij het onmiddellijk met elkaar over eens, maar de suggestie dat Nederland wel even uit de euro kan stappen, dat je een ″neuro″ – een Noord-Europese euro – en een ″zeuro″ voor het zuiden zou kunnen oprichten, is echt luchtfietserij. Door de verbondenheid van ons bankenstelsel door heel Europa en de exportpositie van Nederland zouden de gevolgen voor de Nederlandse economie enorm zijn als Zuid-Europese landen zouden devalueren en als de euro zou moeten worden opgegeven. Ik vind dus echt dat wij hier alles aan moeten doen. Daarbij werken wij heel nauw samen met de Duitsers en wij luisteren heel goed naar de Europese Centrale Bank in Frankfurt, altijd een verstandige organisatie. We moeten heel goed met elkaar varen in Europa om ervoor te zorgen dat wij deze crisis weer beheersbaar maken.

De heer Kox (SP): Ik ben het op heel veel van deze punten met de minister-president eens. Natuurlijk kunnen wij de euro niet opblazen, want dan hebben wij heel veel problemen. Het probleem is dat de euro opgeblazen wordt; daar worden althans voortdurend pogingen toe ondernomen. Ik vroeg u wat wij ertegen kunnen doen dat de euro, maar ook banken en landen voortdurend onderwerp van speculatie zijn. Het IMF heeft gezegd dat 750 mld. nog te weinig is en dat wij er nog meer in moeten doen om de financiële markten te bewijzen dat wij hen aankunnen. Is er geen andere methodiek denkbaar? Een van de mogelijke methodieken is de transactiebelasting, die het speculeren als zodanig problematischer zou maken en daarom alle door u genoemde dingen beter zou beschermen. Ik heb begrepen dat minister De Jager wel voor de Europese bankenbelasting is, maar niet voor de Europese transactiebelasting, terwijl dat nou net een maatregel tegen speculatie als zodanig zou zijn. Waarom verzet Nederland zich daartegen, in tegenstelling tot een aantal andere landen? Dan zou je het probleem volgens mij echt aanpakken.

Minister Rutte: Het lastige is natuurlijk dat markten zich niets aantrekken van regeer- en gedoogakkoorden, de opvattingen van de Tweede Kamer en zelfs de opvattingen van de Eerste Kamer. Markten hebben hun eigen dynamiek. De enige manier om de markt tot rust te brengen, is ervoor zorgen dat landen zich houden aan de afspraken die zijn opgenomen in het Stabiliteits- en Groeipact. Duitsland doet dat in zekere mate en heeft dus een lage rente te betalen over zijn staatsschuld. Nederland voldoet aan de wensen van de markt en daarom is het verschil met de Duitse staatsschuld heel beperkt. Dat is wat je moet doen. Hoe bereik je dat? Daarvoor is er het instrumentarium zoals dat er is. Het is ook heel belangrijk dat Europese politici zoveel mogelijk met één mond praten. Dat is in Europa natuurlijk altijd lastig, maar het helpt enorm als er – ook door collega’s van mij – met uitspraken zo weinig mogelijk aanleiding wordt gegeven tot onrust op de financiële markten. U hoort mij hier ook heel zorgvuldig formuleren.

De heer Kox (SP): Het was een slim advies van u en van minister De Jager om dat te doen, maar zojuist sprak toch de echte liberaal toen u zei dat financiële markten niet luisteren naar regeer- en gedoogakkoorden en naar de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.

Minister Rutte: Zo is het.

De heer Kox (SP): Ja, zo is het nu geworden, maar zo was het niet. Als je net iets ouder bent dan de ministerpresident, herinner je je dat wij ooit Bretton Woods hadden, dat de financiële markten helemaal niet de dienst uitmaakten en dat zij moesten luisteren naar internationale regelingen voor de vrijheid van kapitaaltransacties. De transactiebelasting is nou juist een voorstel van meerdere Europese landen, dus niet alleen van de SP; die zit daar niet aan tafel. De transactiebelasting zou wel degelijk iets doen aan de vrijheid van de financiële markten. Waarom gaan wij niet op het hart van het probleem af, namelijk de totale vrijheid van financiële markten? Door die totale vrijheid hangen banken maar ook landen uiteindelijk gewoon aan een touwtje van de financiële markten.

Minister Rutte: Omdat dit de kosten enorm zou opdrijven en omdat wij in Nederland, in Europa en in de wereld een op de vrije ondernemingsgewijze productie geschoeide maatschappijordening hebben. Daar hoort dit bij. Dat bevalt mij prima.

De heer Kox (SP): Die maatschappelijke ordening hadden wij al eerder, toen wij nog wel de beperkingen van het financieel kapitaal hadden. Toen werkte het ook. U weet zelf ook dat de belasting waarover wordt gesproken, een belasting is van 0,01%. Dat zou de kosten dus niet enorm verhogen, maar het zou de speculatie wel voor een deel vertragen. Dat zou ons waarschijnlijk veel geld opleveren, maar de Nederlandse regering wil daar dus op geen enkele manier aan. U neemt daarmee – ik zal niet zeggen: een uitzonderingspositie – een positie in die afwijkt van de positie van een aantal andere Europese landen.

Minister Rutte: Ik ga zeker niet speculeren over nog meer instrumentarium om dit probleem op te lossen, want de kern van de oplossing is dat landen zich aan afspraken houden. De Ieren, de Grieken et cetera hebben hun nationale schuld uiteindelijk te veel laten oplopen. In het specifieke geval van de Ieren is er ook een heel grote bankensector, die uiteindelijk als een molensteen om de nek van de Ierse regering en het Ierse volk hangt. Ook Griekenland heeft zijn specifieke problemen. Er zijn nog andere landen waarvan allerlei geruchten de ronde doen waarvan ik mag hopen dat zij niet kloppen. Uiteindelijk is het zaak dat iedereen zich aan die afspraken houdt. De oplossing is niet om dit allemaal te gaan reguleren, want dan lopen de kosten alleen maar op. Iemand die geld heeft en die dat wil steken in een staatsobligatie, kijkt naar het risico. Op basis van die risico-inschatting vraagt hij een bepaalde rente. Die zie je nu in een aantal landen oplopen, omdat men zich daar grote zorgen maakt over de vraag of die landen kunnen terugbetalen. Dat kan ik niet oplossen met regeltjes.

Dan kom ik bij het volgende onderwerp, bestuur. Er zijn vragen gesteld over de rol van gemeenten als het eerste loket. Dit kabinet gelooft inderdaad dat de gemeenten in een sterkere positie gebracht moeten worden als eerste bestuurslaag. Het huis van Thorbecke

– het is nog niet het huis van Donner – moet echt functioneren vanuit het gemeentelijk perspectief. Dat vereist wel dat wij als kabinet heel goed met medeoverheden overleg voeren. Dat gaan Piet Hein Donner en ik morgen ook doen in overleg met IPO en VNG. Wij gaan dat ook periodiek met elkaar voeren. Wij gaan ook kijken naar de wenselijkheid en de mogelijkheid van bestuursakkoorden. Wij zijn daar niet tegen, we zullen kijken of er meerwaarde in zit. Ook is het mogelijk om te komen tot deelakkoorden. Wij zorgen ervoor dat er tijdig wordt gecommuniceerd. Wij zullen de Financiële-verhoudingswet respecteren, de BANS-akkoorden respecteren et cetera et cetera. Zo moet het werken. Uiteindelijk is dit een kabinet dat zegt: laten wij zo veel mogelijk taken bij de gemeenten en de provincies neerleggen en deze overheden sterker in positie brengen. Dat wordt op zich ook herkend bij die organen. Tegelijkertijd willen zij ook nog wel geld zien. Dat is logisch en wij zullen daarin heel zorgvuldig moeten opereren.

De heer Engels (D66): Ik vermoed dat er een volgend blokje aankomt.

Minister Rutte: Ik wilde naar de taalwet Fries, maar daar zult u geen vragen over willen stellen.

De heer Engels (D66): Die laat ik maar even lopen, dat wordt me te ingewikkeld. Even over de bestuurlijke organisatie en de plaats van de gemeente. Ik heb daarin de kwestie van de bestuurskracht gemist en de relatie met bestuurlijke drukte. In het regeerakkoord staat dat gemeentelijke herindeling alleen van onderop kan plaatsvinden. Uit onderzoek blijkt dat de opschaling van gemeenten een belangrijk instrument is bij het vergroten van bestuurskracht en het verminderen van bestuurlijke drukte. Ik ben bezorgd dat, wanneer wij alleen investeren in geldstromen of in samenwerking van gemeenten, dit de bestuurlijke drukte niet zal verminderen en ook de bestuurskracht van gemeenten niet zal verhogen. Het past waarschijnlijk wel in het huis van Donner, maar niet in de ambitie om tot een bestuurlijke organisatie te komen die slagkrachtig en met een democratische legitimatie, zeker in de Randstad en rondom de grote steden, de problemen oplost. Dan moet er toch meer gebeuren.

Minister Rutte: De heer Engels heeft gelijk dat het kabinet heeft gezegd: gemeentelijke herindeling alleen van onderop. Wij zullen nader met beide Kamers bespreken wat dat betekent voor de bestuurskracht en het overhevelen van taken. Die zin uit het regeerakkoord moet natuurlijk in de praktijk eerst landen. De hoofdregel is duidelijk: alleen herindelingen als er lokaal draagvlak voor is. Ik heb overigens wel eens gedacht, mijnheer Engels, dat als je de afspraak zou maken dat samenvoegende gemeenten de eerste tien jaar geen nieuw gemeentehuis mogen bouwen, je het draagvlak voor de samenvoeging van gemeenten met een factor 100 zou verhogen. Waarom gaat het altijd fout? Gemeenten gaan samen en het eerste wat zij doen, is een nieuw gemeentehuis bouwen. Ik zou zeggen: vestig je in het grootste gemeentehuis van de samenvoegende gemeenten en zet er paar portakabins bij. Dat is naar mijn overtuiging de belangrijkste reden waarom het draagvlak altijd zo gering is.

De heer Engels (D66): Ik denk dat het minstens zo belangrijk is dat er ruzie ontstaat over de naam van de nieuwe gemeente.

Minister Rutte: Dat is de tweede oorzaak. Het draagvlakprobleem zou met een factor 50 afnemen als we het daarover eens konden worden.

Over de Friese taalwet. De voorbereiding van de taalwet zullen door de betrokken bewindspersonen tijdig ter hand worden genomen. De adviezen van de commissie-Hoekstra worden voor begin maart naar buiten gebracht. Daarvoor vindt overleg plaats tussen een van de bewindslieden van OCW, ik denk de minister, en de provincie Friesland. Dat zal begin januari plaatsvinden en moet leiden tot openbaarmaking van het rapport voor maart. De minister van BZK zal het voorstel bezien voor een Friestalig modelformulier bij verkiezingen in Friesland. Wij zullen tevens bezien of dit op korte termijn, zo mogelijk voor de komende Statenverkiezingen, gerealiseerd kan worden.

Dan is er een vraag gesteld over de vertaling in het paspoort. Daar doet zich natuurlijk ook het een en ander voor. Er is naar aanleiding van de Kamervragen contact geweest met een aantal buitenlandse posten. Inmiddels is in het paspoort de huidige vertaling in het Ests ″Holandi Kuningriik″ gewijzigd in ″Madalmaade Kuningriik″. Ook komt de huidige vertaling overeen met het glossarium waar het gaat om de vertaling in het Hongaars. Daar zal de huidige vertaling ″Holland Királyság″ gehandhaafd worden; dit ook voor de stenografen. De door de heer Ten Hoeve voorgestelde vertaling in het Roemeens, ″Regatul Tarilor de Jos″ betekent ″Koninkrijk der Lage Landen″. De huidige vertaling ″Regatul Olandei″ is de in het glossarium genoemde vertaling en vanwege die reden is besloten om de vertaling in het Roemeens niet te wijzigen. Meer in het algemeen is de beleidslijn op dit punt geweest dat we zo veel mogelijk aansluiten bij de bestaande aanduiding in het paspoort, ook om verwarring te voorkomen. In de grote talen zijn ″Nederlanden″, ″Pays Bas″ en ″die Niederlande″ de vertaling. Ik realiseer mij met de heer Ten Hoeve dat wij daarmee de indruk wekken naar het buitenland dat België nog steeds onderdeel is van het Koninkrijk. Ik stel voor om dat ons geheim te houden.

De heer Ten Hoeve (OSF): De equivalenten van ″Koninkrijk der Nederlanden″ betekenen in een aantal landen ″Koninkrijk der Lage Landen″. Dat ligt voor de hand. Nederlanden en lage landen is natuurlijk precies hetzelfde. In het Frans is het ook ″Pays Bas″. Dat is een volkomen correcte vertaling. Ik zal een voorbeeld geven. In de Interinstitutionele schrijfwijzer staat in de Roemeense afdeling aangegeven dat de vertaling van ″Koninkrijk der Nederlanden″ dient te zijn ″Regatul Tarilor de Jos″. Dat betekent ″koninkrijk der Lage Landen″ oftewel ″Koninkrijk der Nederlanden″. Als dat in de Interinstitutionele schrijfwijzer van de EU staat, waarom zouden wij dat dan niet in ons paspoort opnemen en daarin ″Koninkrijk Holland″ zetten? Ik zal straks voorbeelden geven van enkele andere talen waaruit blijkt dat het in die talen op de juiste wijze gebruikt wordt. Waarom doen wij dat dan niet? De vraag die ik daarbij stelde en die nog niet is beantwoord, is de vraag of wij aan onszelf niet verplicht zijn om in deze landen duidelijk te maken wat onze naam is. Of leggen wij ons onmiddellijk neer bij wat zij daar gemakshalve gebruiken?

Minister Rutte: Het laatste is natuurlijk de hoofdregel. Daarmee voorkom je dat er misverstanden ontstaan. Ze kunnen immers denken dat er ineens een nieuw land is bijgekomen en zich afvragen waar het vorige land is gebleven. Overigens is dit in het Ests wel overgenomen, dus ik dacht dat wij u verregaand zijn tegemoetgekomen, maar in het Hongaars, Roemeens en Slowaaks is besloten om verwarring te voorkomen en dat niet te doen. Puur taalkundig en in lijn met Europese gelijkschakeling heeft u wellicht gelijk.

De voorzitter: Ik hoop niet dat wij alle landen van de wereld aflopen.

De heer Ten Hoeve (OSF): Nee, ik zal geen concrete voorbeelden meer noemen. Waar het mij om gaat is dat wij als land de verplichting hebben om de naam van ons land op de juiste wijze naar buiten uit te dragen. De naam van ons land is de naam die in principe ook het hele Lage Landengebied aan zou kunnen duiden. Waarom zijn wij dan niet bereid die naam in het buitenland te dragen in officiële stukken als ons paspoort? Ik vind de conclusie van de minister-president dat wij geen prijs stellen op onze eigen naam buitengewoon vreemd. Wij passen ons gewoon aan aan wat mensen in het buitenland zeggen. Als de Engelsen dat ook zouden doen en in plaats van ″Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland″ simpelweg ″Engeland″ zouden gebruiken omdat iedereen dat zegt, dan zou de wereld te klein zijn.

Minister Rutte: Daarom was ik zo enthousiast over de beantwoording van de vorige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw Bijleveld. Zij zei: waar dat kan zonder dat het tot verwarring leidt, doe ik het; maar als het tot verwarring leidt, doe ik het niet. Zij sluit daarmee aan bij het Uniform Visummodel van de Europese Commissie, wat in samenspraak met de lidstaten is opgesteld. Ik heb niet het gevoel dat wij elkaar vandaag naderen, althans niet op dit punt, maar laten wij het gesprek daarover voortzetten.

Voorzitter, ik kom bij het een na laatste onderdeel, de kernvragen van beleid. Er zijn vragen gesteld over de rechtstaat, die ik eigenlijk al in een interruptiedebat heb beantwoord. Er is ook gevraagd wat de regering beoogt met het zinnetje waarin zij stelt dat het debat over de democratie midden in de samenleving dient plaats te vinden en bij voorkeur niet in de rechtszaal. Eigenlijk is dat precies wat er staat. Wij zeggen dat je zou wensen dat de fundamentele discussies hier en in de Tweede Kamer plaatsvinden, en dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat door onduidelijkheden in de wetgeving dit zich naar de rechtszaal verplaatst. Daarbij heeft uiteraard, als de zaak eenmaal onder de rechter is, de politiek haar mond te houden; dan is het aan de rechter om daarover een uitspraak te doen en kan de politiek hoogstens tot de conclusie komen dat er vervolging of iets dergelijks is gelast in een bepaalde zaak, terwijl de wetgever dat nooit met die wet heeft beoogd en dan is het weer aan ons om die wet eventueel te wijzigen. Maar als een zaak eenmaal onder de rechter is, is het een goede traditie om daarover geen uitspraken meer te doen.

De meer algemene opmerkingen over de trias politica deel ik volledig. De president van de Hoge Raad zal dus altijd vriendelijke dingen zeggen over ons en uiteraard ben ik gehouden om met respect te spreken over de rechtspraak in Nederland, die overigens van zeer hoog niveau is; laten we daar erg blij mee zijn.

De heer Noten (PvdA): Voorzitter. Ik stelde een voor mij zeer fundamentele vraag. De minister-president formuleert namelijk iets in het regeerakkoord wat naar mijn mening vanzelfsprekend is. In het regeerakkoord staat ook niet dat de Tweede Kamer geen straffen dient uit te spreken in het kader van het strafrecht; dat is namelijk vanzelfsprekend en het zou volstrekt idioot zijn als die zin in het regeerakkoord was opgenomen. Net zoals ik het volstrekt idioot vind als ik constateer dat het politieke debat moet plaatsvinden in de samenleving en niet in een rechtszaal. Waarom een volstrekt vanzelfsprekende opmerking in een regeerakkoord opgenomen, behalve als daarachter de gedachte zou zitten dat de minister-president van mening is dat op dit moment de politieke discussie wél in de rechtszaal plaatsvindt? Als dat het geval is, hebben we een fundamenteel verschil van inzicht, want ik vind dat niet.

Minister Rutte: De heer Noten had dus geen behoefte aan deze zin; hij vindt die een vanzelfsprekendheid. Misschien heeft hij daar gelijk in. Toch vind ik hem waardevol. We zeggen in het regeerakkoord nog een aantal andere dingen die ook vanzelfsprekend zijn, bijvoorbeeld over de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van onderwijs. Misschien zijn dat ook vanzelfsprekendheden die je niet hoeft op te nemen en dit vind ik er ook een. Het zegt ook iets over de rolverdeling: je moet wetten in Nederland zo maken, dat het fundamentele debat maximaal hier plaatsvindt en de rechter zo veel mogelijk kan beschikken over een eenduidig stelsel van wetten om recht te kunnen spreken in het geval van conflicten tussen de Staat en een persoon, en tussen personen onderling.

De heer Noten (PvdA): Ik vind dat de minister-president zich hier te gemakkelijk van afmaakt. Het zal niet anders worden, dit debat gaat niet helpen, dus laat ik concluderen: door dit te doen, suggereert hij dat de rechtspraak zich bezighoudt met politiek bedrijven. Die suggestie ondermijnt de onafhankelijk van de rechtspraak en dat is voor een wetexecuterende macht levensgevaarlijk! Maak niet, per ongeluk, dit soort zijdelingse opmerkingen. Dat is mijn politieke opvatting in dezen.

Minister Rutte: Als uw aanname achter deze zin zou kloppen, had u volkomen gelijk met uw conclusie, maar uw aanname klopt niet. Ik zei al dat de trias politica voor ons volledig overeind staat: de scheiding der machten, die overigens in Nederland maar beperkt is doorgevoerd, want de executieve macht en de wetgevende macht hebben wel degelijk een nauwe verbondenheid. Maar in ieder geval de rechtsprekende macht is daarvan gescheiden. Wij zijn ook gehouden om daarover te spreken met het grootst mogelijke respect. En laat ik herhalen: ik ben blij met de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland, want die is van zeer hoog niveau en zeer onafhankelijk. Maar waarom niet in de inleiding op het regeerakkoord een aantal algemene uitgangspunten en noties van rechtsstatelijkheid en rolverdeling opgeschre- ven? Nogmaals, wij hebben volstrekt open deuren zoals over vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs et cetera toch opgenomen, omdat wij het van belang vonden om bij de start van een kabinet te markeren waar we staan met betrekking tot een aantal fundamentele vraagstukken.

Nu terug naar de realiteit van alledag: de kostendekkende griffierechten. Het is waar dat we dat willen gaan doen. De vraag is dan natuurlijk of dit niet leidt tot een vermindering van de toegang tot de rechtspraak. Om die toegang te waarborgen, zullen wij tegelijk eenvoudigere en goedkopere procedures wettelijk mogelijk maken. Dat betekent dat de griffierechten voor veel procedures omlaag kunnen. Het behelst dus tegelijkertijd kostendekkend maken en bekijken hoe we de zaak goedkoper kunnen maken.

Over de nationale politie het volgende. Het is waar dat het kabinet het voornemen heeft om de politie te reorganiseren, om er veel meer voor te zorgen dat het beheer landelijk wordt gemaakt, zonder iets af te doen aan het gezag van de burgemeester en van het Openbaar Ministerie; op alle niveaus in Nederland, respectievelijk van de gemeente en nationaal. Wij hebben tegelijk vastgesteld dat er veel te besparen is, veel efficiencywinst is te behalen en ook aan slagkracht is te winnen als de politieorganisatie veel meer op een nationale leest wordt geschoeid. Maar tijdens de verbouwing blijft de winkel open, daarop zal de minister van Veiligheid en Justitie persoonlijk toezien. Hij zal deze veranderingsoperatie in nauwe samenwerking met politie en bestuurders aanpakken en hij zal ervoor zorgen dat de uitvoering van het politiewerk gewoon kan doorgaan. En ook hier geldt de ″Wernerdoctrine″ uit dit debat: gij zult zaken alleen doen in zeer goed overleg, niet alleen met organisaties, maar juist ook met de mensen van de werkvloer. Natuurlijk geldt dat ook hier en als iemand daartoe in staat is, is dat deze minister van Veiligheid en Justitie.

De heer De Graaf (VVD): Voorzitter. De kern van mijn vraag was of de regering zou willen overwegen om niet tegelijkertijd de beheersreorganisatie en de vergroting van de regio’s aan te pakken. Daar zit mijn zorg. De discussie over de nationale politie is afgegrond; ik ben het ermee eens dat dit een gelopen race is, dat we dat gaan doen, daar zult u me niet meer over horen. Maar als deze dingen parallel worden geschakeld, dus het beheer ontvlechten uit 25 regionale politiekorpsen en tegelijkertijd die 25 korpsen indikken tot 10, dan staat naar mijn mening heel de politie in Nederland op haar kop. Dan kan de minister wel beloven dat hij ervoor zal zorgen dat de verkoop gewoon doorgaat, maar dat geloof ik dan, heel simpel, gewoon niet.

Minister Rutte: Dan moeten wij daarover een goed debat voeren. Het is mijn gevoel dat hierachter misschien een verschillend idee schuilgaat over wat precies wordt bedoeld met de huidige 25 regio’s en de 10 toekomstige regio’s. Nu hoef ik dat u – u bent korpsbeheerder in uw andere rol – niet te vertellen, want u bent hiervan uiteraard op de hoogte. Maar in publieke debatten merk ik dat dit vaak onduidelijk is. De huidige rol van de korpsbeheerder in die 25 regio’s is een totaal andere dan de burgemeester die dadelijk aan het hoofd staat van de nieuwe regio; dat is namelijk geen korpsbeheerder, zoals nu wel het geval is. Het is dus een heel andere situatie. Het aantrekkelijke van het voorstel dat nu in het regeerakkoord en gedoogakkoord staat, vind ikzelf dat de politie daarmee tegelijk wordt geënt op de juridische kaart van Nederland; dat heeft een groot voordeel en dat doe je dan maar gelijk in één keer. Maar als u mij zegt om bij de uitvoering en de invoering goed op te letten, goed te blijven luisteren naar alle signalen, goed te blijven kijken naar het tempo, ben ik dat natuurlijk met u eens. Ik zou echter niet nu willen zeggen dat we het beheer wel naar nationaal niveau gaan trekken en een knip gaan maken in het terugbrengen van het aantal regio’s, omdat die regio’s een totaal andere rol hebben. Mijn zorg zou zijn dat de burgemeesters in de klassieke regio’s dan zullen blijven – als ik het zo oneerbiedig mag zeggen – ″hangen″ in de oude rol van niet alleen hoofd van het gezag en aanstuurder van het oplossen van conflicten, maar ook de klassieke rol van korpsbeheerder. En die rol gaat vervallen.

De heer De Graaf (VVD): Dat zou alleen maar gelden voor de enige korpsbeheerder die er zit. In mijn regio van 22 gemeenten ben ik de korpsbeheerder; alleen voor mij verandert er dus wat op dat punt. Ik vind het best, die discussie is geweest, de minister van Veiligheid en Justitie mag het van mij gaan doen. Voor de andere 21 burgemeesters verandert er niets, die blijven gewoon met het gezag.

Het gaat er alleen om dat ik het politiewerk wil laten doorgaan. Ik neem aan dat het kabinet daar ook voor wil opkomen. Het gaat om het werk op straat, meer blauw, minder bureaucratie en dat soort dingen. En ik hoef u niet uit te leggen dat een reorganisatie altijd processen stillegt: mensen zijn dan bezig met andere dingen dan de dingen waarmee ze bezig zouden moeten zijn. Dat is de achterliggende gedachte en daarover zou ik graag met het kabinet, en zeker met de minister van Veiligheid en Justitie, goede afspraken willen maken.

Minister Rutte: Het principe van ″de winkel is open tijdens de verbouwing″ betekent dat het kabinet een goed antwoord moet geven op de vraag hoe moet worden omgegaan met verandering, en tegelijkertijd de volle focus moet houden op de uitvoering. Eigenlijk is dát uw vraag. In het kabinet is inmiddels meer en détail gesproken over de uitwerking van de voorstellen in het gedoogakkoord, aan de hand van stukken van de minister. Deze geven mij het vertrouwen dat dit kan. Dat debat moet natuurlijk later met de Kamers worden gevoerd, maar dit is een belangrijke toetssteen. De heer Opstelten realiseert zich dat, ik realiseer mij dat. Wij zullen moeten kunnen betogen dat dit kan zonder dat het ten koste gaat van de slagkracht en de operationaliteit van de politie. Bij de hele uitvoering van deze reorganisatie staat dat natuurlijk voorop.

In het verlengde hiervan de vraag van de heer Werner over de aanval op de bureaucratie. Ik heb in een ander verband al gezegd hoe belangrijk dit is voor het kabinet. We willen zelfs de administratieve lasten bij de politie met 25% verminderen. De heer Opstelten is al veel in het nieuws geweest met beleidsvoornemens, maar ik ga daar nog een paar aan toevoegen: meer ruimte voor het vakmanschap van de agenten; streven naar een halvering van het bureauwerk; afschaffen van de bonnenquota; minder formulieren en protocollen; het vereenvoudigen van aangiften, vaker digitaal; invoering van een aangiftevolgsysteem, zodat slachtoffers van diefstal, inbraak of geweld weten wat er met hun aangifte gebeurt; en meer snelheid in de standaard strafzaken, zoals winkeldiefstal, vernieling, bedreiging en drugsoverlast. Allemaal maatregelen om ervoor te zorgen dat de politie zich kan bezighouden met waar de politie voor bedoeld is. Mag ik een voorbeeld noemen? Als er in het politiebureau Jan Hendrikstraat – de heer Teeven is er, geloof ik, ook geweest – in de binnenstad van Den Haag ’s nachts een dief of iemand die een misdaad, een misdrijf of een overtreding heeft begaan, wordt binnengebracht en moet worden geboekt, laten ze dat over aan de mensen die op dat kantoor werken, zodat de politie meteen weer de straat op kan. Het is dus mogelijk om er met een aantal slimme ingrepen snel voor te zorgen dat die agent ’s nachts niet zit te tikken, terwijl dat ventje buiten alweer voorbij wandelt. Nee, dat ventje wordt vastgezet en de agent wandelt voorbij.

De heer Werner (CDA): Even kort, want dit klinkt mij als muziek in de oren. Dat is inhoud van beleid. Dat zijn maatregelen waarop je graag afgerekend wordt, en niet op een blind getal van 3000. Laat dat eens onze benadering zijn.

Minister Rutte: Dat ben ik natuurlijk met u eens, maar getallen zijn getallen en ik kan u zeggen dat de heer Opstelten en ik inmiddels redelijk getrouwd zijn met dat getal van 3000. Het komt er in de kern op neer dat het toch ook belangrijk is dat er uiteindelijk dankzij dit kabinet 3000 agenten meer zouden zijn dan zonder dit kabinet. Maar u hebt volkomen gelijk: uiteindelijk is de hoofdzaak dat die reorganisatie langs de lijnen van De Graaf goed loopt, dat we de bureaucratie bestrijden et cetera.

Dan wil ik het hebben over de woonvisie van het kabinet. Daar zal de heer Donner mee komen. Wij zullen daarin ingaan op een aantal aspecten. De woningmarkt, de werking van de vrije woningmarkt, de vraag hoe we die gaan verbeteren, de bouwmarkt, ook een groot vraagstuk, een scherpere programmering, een verbetering van de financieringsposities, het versnellen van procedures conform de commissie-Dekker en tot slotte de woonomgeving, het bevorderen van blijvende aandacht door gemeenten en corporaties voor de lokale woonomgeving, en het wegnemen van juridische belemmeringen. Langs deze lijnen zijn wij voornemens om de motie van de heer De Boer c.s. in de loop van volgend jaar te beantwoorden.

De heer Koffeman (PvdD): Voorzitter. De ministerpresident was geloof ik al klaar met de politie. Ik weet niet of de dierenpolitie nog voorbij zal komen. Tot nu toe heeft de dierenpolitie alleen maar aanleiding gegeven voor hilariteit en verwarring, maar mijn vraag aan het kabinet was of er al concrete plannen zijn, even anders dan dat het politiehonden worden of dat je wel eens wat moet. Was de minister-president van plan om daar nog op terug te komen of was hij klaar met het blokje politie?

De heer Thissen (GroenLinks): Voorzitter, een vraag op hetzelfde punt, aansluitend aan de reeds gestelde. Bij mijn fractie gaf de dierenpolitie geen aanleiding tot hilariteit en verwarring, wel tot verbijstering over het feit dat dit in het regeerakkoord staat. Ik zou van de minister-president ook willen weten – dat heb ik in mijn eerste termijn ook gezegd – op grond waarvan die animal cops in vredesnaam in het regeerakkoord zijn gekomen.

Minister Rutte: Omdat wij daar voor zijn.

De heer Thissen (GroenLinks): Ja, maar het stond niet in uw programma, noch in dat van het CDA.

Minister Rutte: Nee, maar er staan wel meer dingen in het gedoog- en regeerakkoord die noch de heer Verhagen noch ik in ons programma had staan.

De heer Thissen (GroenLinks): Is hier het gedoogakkoord in het regeerakkoord gekomen? U staat er van harte achter dat die 500 animal cops er komen? Dat is prioriteit nummer één bij de uitbreiding van de capaciteit van de politie?

Minister Rutte: Prioriteit nummer één is het niet, maar inmiddels sta ik er wel achter.

De heer Thissen (GroenLinks): Ik zou bijna gaan blaffen, maar ik doe het niet.

De voorzitter: Dan blijft de vraag van de heer Koffeman nog onbeantwoord.

Minister Rutte: Jazeker. Ik heb me al verbaasd dat de Partij voor de Dieren niet zo veel opheeft met de kleinere dieren in Nederland. Voor de dierenpolitie hebben wij voorbeelden uit het buitenland. Kijk bijvoorbeeld naar de animal cops in de VS. Kijk naar Animal Planet, een zender die wij in ieder geval hier in Den Haag op de kabel kunnen ontvangen. Daarin worden ook misstanden getoond rondom vreselijk verwaarloosde huisdieren, paarden, maar ook vee. Gevallen die uiteindelijk dankzij de dierenpolitie worden opgelost. Dat zijn dus geen Duitse herders met petten op. Het zijn gewoon agenten, die ervoor zullen zorgen dat de bestaande misstanden op het terrein van dierenmishandeling keihard worden aangepakt. Daar kunt u wel lacherig over doen. Dit is een wens die inderdaad is ingebracht – dat weet iedereen – door de PVV. Het stond niet in de programma’s van CDA en VVD. We hebben ons laten overtuigen, net zoals de PVV op heel veel andere onderdelen is overtuigd door de heer Verhagen en mij om zegenrijke aspecten van ons programma over te nemen.

De heer Koffeman (PvdD): Ik begrijp nu dat het met name om kleinere dieren gaat. Dat is nieuw.

Minister Rutte: Niet uitsluitend.

De heer Koffeman (PvdD): Nou ja, de bedenker, de heer Graus, gaat ervan uit dat je, als je langs een varkensstal komt – daar zijn er veel van in Nederland – en je ziet dat zich daar allerlei misstanden afspelen, ook daarvoor naar ″114 Red een dier″ zou kunnen bellen. Is dat ook uw bedoeling? U vertelt namelijk niet wanneer ze er komen en wat ze precies gaan doen. Als er bijvoorbeeld proces-verbaal is opgemaakt, hoe gaat u dan het OM equiperen zodat het met dat proces-verbaal vervolgens ook iets kan doen? Tot nu toe wordt er alleen maar geseponeerd.

Minister Rutte: In de eerste plaats – ik zeg het nog een keer – bent u toch van de PvdD. Ik zou verwachten dat u staat te juichen bij dit idee! U staat er echter alleen maar een beetje lacherig over te doen. Uw partij is toch opgericht om dit soort dingen in te voeren? Dan doen we het en denk ik: dat zal in ieder geval de steun hebben van de PvdD, blijkt dat weer niet zo te zijn.

De heer Koffeman (PvdD): Het is merkwaardig dat u denkt dat ik daar lacherig over doe. Ik hoor dat u daar lacherig over doet. Daar maak ik een opmerking over ... Nu begrijp ik het helemaal niet meer.

Minister Rutte: Dan zijn we het alsnog eens. Ik wil daar zeker niet lacherig over doen.

De heer Koffeman (PvdD): Wanneer mogen we concrete maatregelen verwachten? Wanneer mogen we een concrete invulling van die dierenpolitie verwachten? Wat gaan ze doen? Wat gaan ze betekenen voor de bio-industrie? Want tegelijkertijd met de invoering van de animal cops hebt u 19 mln. bezuinigd op de nVWA en de AID. Dat is natuurlijk gek. Als je dierenleed, waarvan 500 miljoen dieren het slachtoffer zijn, wilt aanpakken, dan moet je niet zeggen: we gaan alleen maar op de kleinere dieren, op de honden en de katten letten. Dan moet je alle dieren op een adequate manier een beter leven bezorgen. Wat gaat u doen en wanneer?

Minister Rutte: Voorzitter. Ik ben premier van alle dieren.

De heer Thissen (GroenLinks): Ook de dieren, die happen naar de baas?

Minister Rutte: Ja, zelfs die. Dan houd ik wel afstand.

Voorzitter. Het kabinet zit vijftig dagen. De heer Opstelten heeft al iedere dag de opening van De Telegraaf met voornemens. Dan zou hij over zichzelf moeten struikelen om ook dit al in de krant te krijgen. We gaan daar zo snel mogelijk mee komen.

De voorzitter: Dit is de laatste opmerking hierover, mijnheer Koffeman. Daarna wil ik dit onderwerp verlaten.

De heer Koffeman (PvdD): Bij De Telegraaf gaat het zeker lukken. Als u goede contacten bij De Telegraaf hebt: daar houden ze verschrikkelijk veel van dieren.

Minister Rutte: Ik doe er dus niet lacherig over. Ik geef u wel eerlijk toe dat dit geen idee is dat heel hoog op het lijstje van VVD en CDA stond. Wel op dat van de PVV. Zij hebben dat binnengehaald in de onderhandelingen. Chapeau. En dat gaan we dus gewoon netjes uitvoeren. Een van mijn taken zal zijn om, juist omdat de PVV niet in het kabinet zit, ervoor te zorgen dat dit kabinet een nette partner is, ook van deze gedoogpartij en dus ook op het punt van de 500 animal cops. Die gaan er gewoon komen.

De heer Thissen (GroenLinks): Hoe staat dit nu in verhouding tot de andere prioriteiten in het politiewerk? Dat was ook mijn vraag in eerste termijn. De politiekorpsen zeggen dat daar absoluut ontoereikende capaciteit voor is. Hoe maakt u in die relatie de afweging van die 500 animal cops en uitbreiding van die capaciteit ten aanzien van een aantal andere prioriteiten, waar de politie op dit moment nauwelijks aan toekomt? Dat gaat over arbeidsomstandigheden, gevaarlijke arbeidsomstandigheden, over vrouwenhandel, over kinderporno. Ik heb u drie voorbeelden gegeven. Hoe maakt u dan die afweging en hoe verdedigt u in dat licht die 500 animal cops?

Minister Rutte: Ik heb dit soort afwegingen nooit begrepen, want dan kun je bij alles wel zeggen: u gaat nu naar Brussel voor een vergadering over bepaalde aspecten van het hogeronderwijsbeleid, terwijl we hier een ernstig probleem hebben op te lossen met criminaliteit en drugsoverlast in Eindhoven. Zo kun je wel alles met elkaar verknopen. Je zult als kabinet integraal moeten besturen en integraal besturen betekent: we hebben in Nederland meer dan 50.000 agenten en die moeten we op een verstandige manier inzetten. Tegen alle zaken die u noemt, wil ik wat doen. Dat is mij uit het hart gegrepen, zonder enige twijfel. Dat laat echter onverlet dat je daarnaast ook een politieke wens kunt honoreren en de afspraak om in dit geval 500 animal cops mogelijk te maken. Dat bijt elkaar niet.

De voorzitter: Dit hoofdstuk is nu voldoende besproken. De heer Werner wil het woord.

De heer Werner (CDA): Voorzitter. Ik wil nog even terugkomen op het conceptantwoord dat de ministerpresident wil geven op de motie-De Boer over de woningmarkt. In heb in eerste termijn de vraag gesteld of het in dat verband ook niet zinnig is om na te gaan of het aflossen van hypotheken versneld kan worden en of dat op een of andere manier te bevorderen valt. Daar heb ik ook voorstellen voor genoemd: verbeter de wet Hillen, maak eventueel gebruik van vermogen uit box 3 en geef daarop een bonus, een heffingskorting of iets dergelijks, zodat daarmee het woningbezit ook echt bevorderd kan worden. Komt dat nog in het betoog van de minister-president voor, of wil hij toezeggen dat hij ook dat element meeneemt in de beantwoording van de motie-De Boer?

Minister Rutte: Onze visie is dat de wet Hillen een fiscaal instrument is, waardoor het meer bij de fiscaliteit hoort dan bij de visie op de woningmarkt. We zullen bij de visie op de woningmarkt natuurlijk wel iets zeggen over de hypotheekrenteaftrek, maar dan vooral waarom het vanwege de onrust op de woningmarkt uitermate onverstandig zou zijn om daaraan te morrelen. Ik denk dat wij dat in feite ook met elkaar eens zijn. Het bijzondere probleem dat zich met de wet Hillen voordoet is dat daar parlementair weinig steun voor is. Als je gaat kijken wat de verschillende politieke partijen daarvan vinden, moet je vaststellen dat met uitzondering van het CDA voorstellen zijn gedaan om in het beste geval de wet ongemoeid te laten en in de meeste gevallen om het bereik ervan in te perken. Dus de vraag is ook waar zo’n debat zou landen. Dan zouden we ook wel even moeten kijken of de polsstok daarvoor lang genoeg is.

De heer Werner (CDA): Wij pleiten daarvoor al enige jaren. Ik begrijp best dat je op dit moment niet aan de hypotheekrente moet gaan tornen. Daarmee zijn wij het ook eens en dat is niet het punt, maar dit is een andere manier om er toch voor te zorgen dat men de aflossingsvrije hypotheken aanpakt, want daar zit een heel groot gedeelte van het kwaad. Dat is wel degelijk ook een onderdeel van het woonbeleid om het eigenwoningbezit te bevorderen. Het is niet zomaar een willekeurige fiscale maatregel. Dus als nu het een niet kan, waarom dan niet ook dit meenemen en het bezien in de beantwoording van die motie?

Minister Rutte: Ik zeg u toe dat wij dit dan toch zullen betrekken bij de visie op de woningmarkt in het kader van de motie-De Boer. Laten wij dat gewoon doen, dat lijkt mij toch verstandig. Hier heeft minister Donner mijn suggesties. Maar ik wijs er wel op dat als je uw voorstel zou willen uitvoeren, dat natuurlijk wel veel extra geld kost. Dat maakt het zo lastig. U doet naar ik aanneem – ik ben daar ook blij om – geen voorstellen om de aflossingsvrije hypotheek minder aantrekkelijk te maken. Wat u wilt, is juist positief inzetten, namelijk het aantrekkelijker te maken om versneld een annuïtaire hypotheek af te lossen, maar dat kost wel geld. De wet Hillen kost nu al 100 mln. en een verdere uitbreiding van het bereik ervan zal natuurlijk ook geld kosten. Laten wij afspreken dat wij dit betrekken bij de uitvoering van de motie-De Boer.

De heer Werner (CDA): Prima, als het niet kan, kan het niet, maar dan willen wij daar graag van overtuigd worden.

Minister Rutte: Dat snap ik. En dan is zo’n debat ook een keer afgerond, anders blijft dat hangen. Ik snap uw punt helemaal.

Dan zijn er vragen gesteld, onder andere door de ChristenUnie, over de schijnoplossingen zoals het door de heer Schuurman werd genoemd, van de migratieafspraken. De migratie- en asielafspraken kunnen wij voor ongeveer de helft als Nederland zelf aanpassen, mits er natuurlijk parlementaire steun voor is. Voor grofweg de helft heb je de steun nodig van Europa, in die zin dat daarvoor Europese richtlijnen moeten worden aangepast. Dat is ook de reden waarom ik snel naar Berlijn en Frankrijk ben gegaan. Ik heb afspraken gemaakt met Merkel en Sarkozy dat wij gezamenlijk zullen optrekken, ook omdat de Europese Commissie binnenkort komt met de aanpassing, in het kader van de groenboekprocedures, van een aantal richtlijnen op het gebied van huwelijks- en gezinsmigratie. Dat zijn dus kansen om het proces te beïnvloeden. Wij kunnen ook een aantal zaken zelf op de agenda zetten. Dat gaan wij ook doen. Minister Leers, staatssecretaris Knapen en minister Rosenthal zijn natuurlijk de eerste regisseurs op dat terrein. Dat is zeker niet hopeloos, ook omdat men in Europa steeds meer twee zaken beseft, ten eerste dat dit een probleem is dat in heel veel landen speelt. Dit is geen puur Nederlands probleem, kijk naar de discussie in België op dit moment over de grote instroom van asielzoekers uit Oost-Europa en de spanningen die dat daar geeft in de samenleving. Ten tweede dat er steeds meer realisatie ontstaat dat Europese regelgeving niet in steen gegraveerd is. Dat idee bestaat wel eens. Er is in Europa iets aangenomen en dat kan nooit meer veranderd worden, en je bent geen goede Europeaan als je een Europese regel wilt aanpassen. Net zoals wij hier wetten aanpassen, waarom zou dat in Europa niet kunnen? Ik ben heel blij dat ook daar steeds meer het besef ontstaat dat Europese richtlijnen ook kunnen worden aangepast, waarbij Lissabon ons de mogelijkheid biedt voor versterkte samenwerking tussen een aantal lidstaten om gezamenlijk op een aantal terreinen op te trekken. Ook dat biedt mogelijk aanknopingspunten om onze wensen hier te realiseren. Dat is niet gegarandeerd, want wij moeten hier echt voldoende bondgenoten vinden, maar tot nu zijn de eerste ervaringen positief.

De heer Engels (D66): Op dit punt doorgaande, kan de minister-president ook aangeven of er een grens ligt ten aanzien van het voornemen om Europese regelgeving aan te passen? Ik bedoel met name de kwestie, onder andere door de commissie-Meijers aangekaart, of dat ook gaat om aanpassing van bijvoorbeeld unierechtelijke grondrechten en ook grondrechten zoals opgenomen in het EVRM. Gaat het om regelgeving met een normale status of gaat u ook uw ministers op pad sturen in Europa om ook gegarandeerde mensenrechten en grondrechten eventueel ter discussie te stellen als dat nodig is om maatregelen uit het gedoogakkoord te accepteren?

Minister Rutte: Als je het tweede al zou willen, is dat buitengewoon lastig. Bovendien komen dan ook allerlei vragen van moraliteit bij kijken en van internationale solidariteit en internationale rechtsorde. Dat zijn heel ingewikkelde debatten. Ik sluit helemaal niets uit, maar onze prioriteit heeft natuurlijk de discussie over de Europese richtlijnen en dergelijke: daar aanpassingen bereiken, zodanig dat ook onze wensen kunnen worden omgezet in Nederlandse wetgeving. Daar ligt vanzelfsprekend de prioriteit.

Over duurzaamheid zijn vragen gesteld, onder anderen door de heer Schuurman.

De heer Thissen (GroenLinks): Over migratie en asiel wil ik nog een vraag stellen. In hoeverre begrijp ik u goed dat u het belangrijker vindt dat u als Nederland een uitzonderingspositie kunt bewerkstelligen in het licht van Europa en dat u zich daarvoor gaat inspannen? Prefereert u dat boven een gezamenlijk geharmoniseerd asielstelsel in Europa?

Minister Rutte: Deze discussie raakt vooral aan migratierichtlijnen op het gebied van huwelijks- en gezinsmigratie, veel minder aan de Europese regels op het gebied van asiel. Daar zit het probleem meer op de uitvoering, Frontex, Griekenland, Turkije, dus de instroom via de poreuze grens in Griekenland. Maar het richt zich vooral op richtlijnen op het gebied van huwelijks- en gezinsmigratie. Daar ligt de prioriteit. Onze voorkeur heeft het natuurlijk om dit in gezamenlijkheid te doen, eventueel via versterkte samenwerking. Negen landen kunnen na Lissabon ook gezamenlijk komen tot afspraken, bij voorkeur in gezamenlijkheid. Opt outs bereiken voor Nederland is heel lastig, want opt outs vragen bijna altijd om aanpassing van het Lissabonver-drag. Dat hebben de Denen gedaan. Een aantal dingen die wij willen, kunnen de Denen doen omdat zij nu eenmaal die opt out hebben. Die hebben wij niet. Dus het zal toch vaak aankomen op het in gezamenlijkheid doen.

De heer Thissen (GroenLinks): Ik constateer – en daar ben ik heel blij mee – dat u zich blijft inspannen voor geharmoniseerd Europees beleid en dat u geen uitzonderingen wilt.

Minister Rutte: Dat heeft onze grote voorkeur, maar ik sluit niet uit dat als wij een uitzondering kunnen bedingen, wij dat zullen doen. Maar dat is lastig. Het ligt voor de hand dat onze prioriteit ligt bij de gezamenlijkheid, eventueel met een aantal lidstaten langs de lijnen van de versterkte samenwerking.

De voorzitter: Heeft de minister-president een idee hoe lang hij nog denkt nodig te hebben?

Minister Rutte: Als ik niet geïnterrumpeerd word, ben ik om 19.30 uur klaar.

De voorzitter: Dan lijkt het mij een goed voorstel om alleen nog een korte interventie toe te staan als leden zich niet kunnen bedwingen.

Minister Rutte: Een aantal leden heeft vragen gesteld over de kwesties van duurzaamheid, klimaat et cetera. Wat dit kabinet wil, laat ik dat heel scherp neerzetten, is vanuit de filosofie dat het aanpakken van het klimaatvraagstuk hand in hand kan gaan met meer economische groei, wat ik zelf in een eerder leven al eens eerder heb betoogd. Dat zit ook heel sterk in de visie die minister Verhagen en ik in het regeerakkoord hebben willen opnemen, namelijk dat economische groei en het aanpakken van de vraagstukken op het terrein van milieu en energie hand in hand kunnen gaan. Daarbij speelt een belangrijke rol het vraagstuk van de energiezekerheid, hoe wordt je minder afhankelijk van Rusland, van het Midden-Oosten en hoe doe je dat op zo’n manier dat je tegelijkertijd de Nederlandse innovatie aanjaagt? Dat past ook in de Europese doelstellingen, de 14% en de 20% waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd. Ten aanzien van de CO2-opslag is in dat kader gevraagd hoe dat dan precies zit. Daarvan hebben wij afgesproken dat wij dat alleen doen onder land als er tegelijkertijd besluiten zijn genomen over de bouw van een nieuwe kerncentrale. Dat doen wij om te voorkomen dat de CO2-opslag wordt gezien als een alternatief voor kernenergie. Wij zien het allebei noodzakelijk. Je zult zowel moeten investeren in de techniek van CO2-opslag als in kernenergie. Overigens liggen daar ook grote kansen, bijvoorbeeld in het Noorden, omdat je namelijk als je dat op een slimme manier doet van het Noorden ook echt een energieprovincie kunt maken, bijvoorbeeld van Groningen. Daar ligt al een gasrotonde. Daar zijn al allerlei initiatieven. In samenhang met de aanpak van het energievraagstuk en van het vraagstuk van de CO2-opslag zou je daar enorme winst kunnen boeken.

Er zijn vragen gesteld over de bestrijding van de Q-koorts. Ik wil kortheidshalve verwijzen naar de kabinetsreactie. Daarin hebben wij gezegd dat waar de commissie zegt dat VWS altijd het voortouw heeft, dat ook bij ons vaak zo zal zijn, maar dat wij wel per geval willen kijken of dat ook het meest logische is, want daar gingen specifieke vragen over. Mocht het zo zijn – dat zeg ik wel toe – dat er geruzie zou ontstaan tussen twee of drie kabinetsleden over de vraag wie hier nu het voortouw heeft, dan zullen Verhagen en ik binnen een uur een knoop doorhakken, zo hebben wij afgesproken.

Ook over het ov zijn vragen gesteld. Wij investeren fors in het ov – ik zeg dit in het bijzonder tegen de heer De Graaf – om de kwaliteit die de reiziger geboden wordt te verhogen. Het Programma Hoogfrequent Spoor wordt uitgevoerd. In totaal wordt daar 4,5 mld. voor uitgetrokken. Er worden maatregelen getroffen voor beter grensoverschrijdend spoorvervoer en betere toegankelijkheid van treinen en stations. Tegelijkertijd zien we deze dagen welke enorme inspanningen nog nodig zijn om ervoor te zorgen dat de trein nog rijdt als het 1 graad vriest. Ik heb inmiddels gehoord dat collega Schulz Van Haegen zich persoonlijk zal gaan verstaan met de leiding van de betreffende organisaties. Dat lijkt mij heel verstandig.

Tot slot behandel ik een paar vragen over Defensie. Er zijn inderdaad forse interne financiële problemen bij Defensie, even los van wat het kabinet op Defensie moet bezuinigen als onderdeel van het generieke ombuigingspakket. Die problemen hebben te maken met de kosten van instandhouding van materieel, het afnemen van de uitstroom van personeel bij Defensie en de dus hogere uitgaven voor pensioenen en uitkeringen, tegenvallers bij de verkoop van materieel en kostenstijgingen bij de aankoop van nieuw materieel. Als je dat allemaal optelt, kom je boven het bedrag uit dat we in het regeerakkoord hebben opgenomen. Uw zorg is onze zorg. Wij willen een sterke Defensieorganisatie die tegelijkertijd, zoals u zelf al zei, mijnheer de Graaf, natuurlijk meedoet in de normale taakstellingen om de financiën van de overheid op orde te brengen. Dat spreekt voor zich. Ik kan u verzekeren dat wij in het kabinet op voorspraak van de minister van Defensie, de heer Hillen, uiteraard dit debat heel zorgvuldig zullen voeren. De heer Hillen is een creatief man. Hij heeft inmiddels de Defensieorganisatie behoorlijk door. Ik denk dat het mogelijk is – we hebben het er samen over gehad – om de verschillende doelstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen. Ik heb echter heel goed naar u geluisterd en gehoord dat u uiteindelijk zult toetsen onder het mom: allemaal mooi die bezuinigingen, maar het kabinet moet ook kunnen laten zien dat de Defensieorganisatie daarmee kan voldoen aan haar taken. Dat signaal is zeer goed ontvangen.

De heer Werner (CDA): Heel kort. Kan de ministerpresident een indicatie geven wanneer wij de uitwerking krijgen van het Defensiebeleid in dezen? Is dat in het voorjaar? Kan daarin ook worden betrokken wat de consequenties zijn van de overschrijdingen bij de JSF?

Minister Rutte: Ik neem aan dat het in het voorjaar kan, maar ik kom er nog op terug bij mijn beantwoording in tweede termijn. Ik wil het even checken, omdat de minister van Defensie er nu niet is en ik deze informatie niet helemaal paraat heb. Hij is op dit moment in de Tweede Kamer bezig. Ik ga het dubbel checken, maar ik ga ervan uit dat het inderdaad de eerste helft van volgend jaar is.

Voorzitter, misschien mag ik het zo doen. Ik denk hiermee veruit de meeste vragen beantwoord te hebben. Als dit echter leidt tot boze reacties bij leden van de Eerste Kamer, verzoek ik hen die te laten horen, dan kan ik daarop reageren en weet ik zeker dat ik alles heb beantwoord.

De voorzitter: Dat lijkt mij een goed voorstel. Als er leden zijn die een heel belangrijk punt gemist hebben in de beantwoording, kunnen ze nu de interruptiemicrofoon gebruiken.

De heer Koffeman (PvdD): Ik heb gevraagd of er in Nederland Amerikaanse kernwapens liggen. Zo ja,

hoeveel zijn het er dan en waar liggen ze? Als de minister-president dit niet wil zeggen – hij heeft in de pers immers gezegd dat het kabinet hierover geen mededelingen doet – hoe denkt hij dan dat de volksvertegenwoordiging haar controlerende taak kan uitvoeren, zonder te weten of er hier kernwapens zijn? Het betreft toch zaken van grote importantie? De heer Rosenthal heeft gisteren nog gezegd dat het kabinet er niets over zegt. De minister-president heeft gezegd dat hij niet op elke snipper reageert, doelend op WikiLeaks. Wij willen het echter gewoon weten. Zijn er in kernwapens in Nederland? Antwoord u ″ja″ of ″nee″, minister-president, dan kunnen wij er onze controlerende taak op loslaten.

Minister Rutte: Het antwoord is nee, ik kan er niets over zeggen.

De heer Koffeman (PvdD): Dan wil ik graag van u weten hoe u denkt dat wij, de volksvertegenwoordiging, onze controlerende taak kunnen uitvoeren als u niet zegt of hier massavernietigingswapens liggen. In Irak zijn we ten onrechte een oorlog begonnen omdat we dachten dat daar massavernietigingswapens lagen. U wilt niet eens zeggen of er in ons eigen land massavernietigingswapens liggen! Hoe kunnen wij onze controlerende taak uitvoeren als u domweg weigert om informatie te verstrekken die voor mensen, zeker mensen die in de buurt en in de wijde omgeving wonen, relevant is?

Minister Rutte: Dat is inherent aan ons lidmaatschap van de NAVO. Er is afgesproken dat er nooit mededelingen worden gedaan over de vraag of en waar er kernwapens zijn opgeslagen. Door lid te zijn van de NAVO, leggen wij ons erbij neer dat op dit punt de volksvertegenwoordiging de regering het vertrouwen geeft, impliciet, namelijk door de regering niet weg te sturen, dat de regering verstandig omgaat met deze zaken. Verder kan ik niet gaan.

De heer Koffeman (PvdD): Dat betekent dus dat de volksvertegenwoordiging geen enkele controle kan uitoefenen op de doelstellingen van non-proliferatie die wij als land en niet als bondgenootschap onderschreven hebben.

Minister Rutte: Jawel, dat kunt u wel. Wij zullen natuurlijk de volksvertegenwoordiging berichten over de uitvoering ervan. De directe vraag of er in Nederland kernwapens liggen opgeslagen met een ″ja″ of ″nee″ beantwoorden, zou echter in strijd zijn met de afspraken met de alliantie. Dat kan dus niet. Het betreft een afspraak die we hebben gemaakt. Dat is geen nieuws, het is al sinds 1948 zo geregeld.

De heer Koffeman (PvdD): Het is zeker niet nieuw. Het betekent wel dat u zich meer gebonden voelt aan de NAVO dan aan het controlerend gezag van de volksvertegenwoordiging.

Minister Rutte: Nee. De handtekening onder het NAVO-verdrag is door het parlement gezet.

De heer Schuurman (ChristenUnie): In het voorwoord bij het regeerakkoord staat een mooi zinnetje. Ik heb het al eerder geciteerd, omdat het mij erg aanspreekt, namelijk: het kabinet is voornemens om op allerlei terreinen het evenwicht te herstellen tussen rechten en plichten. Ik heb de minister-president gevraagd of hij mij kan vertellen wat die plichten zijn. Over het algemeen is een dergelijke vraag niet gemakkelijk te beantwoorden. Het vorige kabinet was bezig met een overzicht van burgerplichten en burgerverantwoordelijkheden. Als de minister-president zegt dat hij dat beleid voortzet, ben ik tevreden.

Minister Rutte: Wat dit kabinet bedoelt met die zinsnede is het volgende. We hebben in Nederland rechten. We hebben een heel grote vrijheid, we kunnen heel veel doen. We hebben echter ook plichten: je aan de wet houden, je kinderen naar school laten gaan, er alles aan doen om vanuit een uitkering weer aan de slag te komen. Ook heb je de plicht om in algemene zin, als je een beroep moet doen op de Staat, er alles aan te doen om zo snel mogelijk dat beroep weer af te bouwen. Dit raakt ook aan de samenwerking tussen liberalen en confessionelen. Beide stromingen hebben hier een heel mooie traditie in. Voor liberalen geldt dat het bezielend verband van onderaf tot stand komt. Liberalen geloven niet zo in grote maatschappelijke organisaties. Voor confessionelen geldt dat juist het functioneren van grote maatschappelijke organisaties een eigenstandige positie heeft in het functioneren van de Staat. Bij dit kabinet komen deze twee stromingen heel mooi samen, omdat wij gezegd hebben dat wij heel goed zullen overleggen over allerlei zaken die aan de orde zijn, maar dat wij vooral ook zullen overleggen met de uitvoerenden. Daarmee praat je dus wel degelijk met het georganiseerd verband, maar kijk je ook heel aandachtig naar wat er leeft op de werkvloer bij bijvoorbeeld agenten, brandweerlieden, verpleegkundigen et cetera. Vandaar ook dat ik eerder in het interruptiedebat met de heer Werner hiernaar vroeg. Natuurlijk praten we in de SER met alle organisaties, en met de zorg en het onderwijs. Uiteindelijk is echter ook de vraag relevant wat er op de werkvloer van wordt gevonden. Daarbij komen tradities van confessionaliteit en liberalisme samen, een van de redenen waarom dergelijke coalities doorgaans plezierig functioneren.

De heer Kox (SP): Twee vragen heeft de ministerpresident nog niet beantwoord. Ik kan mij dat voorstellen, want er zijn heel veel vragen gesteld. De eerste vraag betreft het EVRM. Het gedogen door de PVV van dit kabinet heeft, naar ik mag hopen, toch geen invloed op de toezegging van het kabinet aan de Eerste Kamer dat Nederland zal bevorderen dat de Europese Unie zo snel mogelijk toetreed tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden? Deze vraag kan met een eenvoudig ″ja″ of ″nee″ worden beantwoord. De tweede vraag betreft de toekomst van de Staten-Generaal zelf, toch ook niet onbelangrijk in dit debat. De ministerpresident heeft in het regeerakkoord enigszins verrassend de variant opgenomen waarbij een derde wordt afgehaald van zowel de Tweede Kamer als de Eerste. Is de minister bereid om ook naar andere varianten te kijken, bijvoorbeeld een stelsel met één Kamer? Dit is misschien een iets complexere vraag dan de eerste. Ik begrijp het als de minister-president er nu niet uitgebreid op kan antwoorden. Ik zou het echter wel op prijs stellen als hij dit punt meeneemt bij zijn overwegingen.

Minister Rutte: Op de eerste vraag kan ik positief antwoorden. De PVV heeft bij de onderhandelingen geen invloed willen hebben op de vraag of Nederland akkoord gaat met het toetreden van de Europese Unie tot het EVRM. Dat laat onverlet dat het kabinet zich natuurlijk nog zal beraden over dit onderwerp, zodra het in concrete voorstellen voorligt. Het is dus geen gelopen race, het komt gewoon in het normale parlementaire proces aan de orde. De vraag van de heer Kox echter, of de PVV er nog een bijzondere betekenis in heeft, kan ik ontkennend beantwoorden.

De heer Kox (SP): Mijn vraag was als volgt. De Eerste Kamer heeft juist op dit onderwerp zelf initiatieven ondernomen, hier en in Straatsburg. Wij hebben de vorige minister van Buitenlandse Zaken daarover bevraagd. Hij heeft ons klip-en-klaar verteld dat van Nederland verwacht mag worden dat het alles doet om een snelle uitvoering van het Verdrag van Lissabon op dit punt, toetreding van de EU tot het EVRM, te bevorderen. Hij heeft dus gezegd dat het juist niet een zaak zou worden waarover we in een later stadium gaan passen en meten, wikken en wegen, maar dat Nederland er vol voor zou gaan.

Minister Rutte: Nogmaals, de PVV heeft geen bijzondere opmerkingen over dit onderwerp gemaakt in het akkoord. Dat was de eerste vraag van de heer Kox. Er zijn ook geen teksten over opgenomen. Ik geloof zelfs dat het niet aan de orde is geweest in de onderhandelingen. Dat neemt niet weg dat dit nieuwe kabinet, zodra het aan de orde is, nog wel een eigenstandige afweging moet maken. Ik heb heel goed gehoord wat hier eerder over is toegezegd. Ik kan die toezegging niet zomaar overnemen. Wij moeten een eigenstandige afweging kunnen maken.

De heer Kox vraagt ook naar de Eerste Kamer. Dit kabinet is een voorstander van het bestaan van de Eerste Kamer. Het is dus ingewikkeld voor het kabinet om met voorstellen te komen om de Eerste Kamer af te schaffen. Dit debat bevalt mij prima. U allen dacht ik ook. Dat is een extra reden om het niet te doen. Het kabinet vindt wel dat er in Nederland te veel politici zijn, op alle niveaus. Daardoor bestaat de neiging om te veel op detail te besturen. Dat risico is er. Het doet zich op alle plekken voor. Daarom willen we ook af van de deelgemeenteraden. We willen minder bestuurders in Nederland. We hebben het kabinet ingekrimpt van 27 naar 20 leden. Ik kan de heer Kox toezeggen dat wij in een memorie van toelichting bij een grondwetswijziging op dit punt zullen ingaan op de verschillende modaliteiten. We zullen een duidelijke keuze maken. Die keuze zal zijn: behoud Eerste Kamer, met het voorstel die in te krimpen.

De heer Kox (SP): Als u vroegtijdig een signaal krijgt van deze Kamer om het maar niet te doen, heeft dat dan enige nut? Anders zet u straks de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het werk om de Grondwet overhoop te halen, terwijl het uiteindelijk toch niets wordt. Ik denk namelijk dat mijn politieke water goed genoeg is om te zeggen dat een voorstel om op de Staten-Generaal te bezuinigen om te bezuinigen in plaats van om de effectiviteit te verbeteren, het never nooit niet gaat halen.

Minister Rutte: Mijnheer Kox, ik vaar regelmatig op uw politiek kompas, maar hierbij geldt ook iets anders. Los van de vraag of het voorstel haalbaar is, biedt het een goede gelegenheid voor een fundamenteel debat over het functioneren van het parlement en de relatie tussen regering en parlement. Ik meen werkelijk, en dat is geen verwijt aan deze Kamer, want dat zou ongepast zijn en bovendien ook niet terecht, dat het nu eenmaal zo is dat er in Nederland meer op hoofdlijnen bestuurd zou kunnen worden. Dat geldt voor het kabinet, voor het parlement en voor provincies, gemeenten en waterschappen. Er is simpelweg te veel bestuurlijke drukte. Er zijn 12.500 politici in Nederland. Dat aantal zou gemakkelijk met een kwart omlaag kunnen. Dan moet je wel de trap van bovenaf schoonvegen. Vandaar dat wij ook voorstellen doen voor het landelijke parlement.

De heer Engels (D66): Ook ik heb gevraagd of het niet te mager is om, als het gaat om de stand van de democratie, alleen te kijken naar de hoeveelheid bestuurders en volksvertegenwoordigers. We kennen de rapporten van de Nationale Conventie en anderen waaruit blijkt dat er te veel monisme zou zijn en dat wetgevende en uitvoerende macht in elkaar overvloeien. Is er niet wat meer ambitie te halen uit het kabinet om ook voor dat soort problemen voorstellen te ontwikkelen in plaats van alleen dit soort kwantitatieve maatregelen te nemen, waarvan u overigens ook van andere fracties – ik noem zeker de CDA-fractie in dit verband – hebt gehoord dat ze daar niet echt bij staan te juichen?

Minister Rutte: Ik ben blij dat daar waar de heer Pechtold zegt dat de staatsrechtelijke vernieuwingsvoorstellen van D66 niet meer in de etalage liggen, maar wel uit voorraad leverbaar zijn, de heer Engels blijkbaar weer besloten heeft om ze terug te leggen in de etalage. Dat is voor het debat winst, want D66 was een van de weinige partijen die op dit vlak altijd met concrete voorstellen kwamen. Voorstellen waar deze coalitie niet op voorhand heel enthousiast van wordt. Dit is namelijk een kabinet van twee partijen dat gelooft in het kleiner en sterker maken van de rijksoverheid, het meer focussen van het functioneren van onze democratie. Ik zeg in alle eerlijkheid dat wij niet veel heil zien in het herzien van het functioneren van het parlement als zodanig of de wijze waarop het parlement gekozen wordt of de minister-president gekozen wordt et cetera. Daar verschillen wij echt over van mening. Ik denk echter dat het goed is dat die voorstellen er komen, juist om met elkaar het debat hierover te voeren. Zeg niet op voorhand: er is geen steun voor, kom er maar niet mee. Laten we met elkaar dat debat voeren. Dat is heel gezond voor het functioneren van de democratie. Het werkt ook normerend voor de andere bestuurslagen en laat zien dat wij niet alleen zeggen dat er minder bestuurders moeten zijn in provincies en gemeenteraden, maar dat wij ook bereid zijn om te kijken naar ons eigen functioneren. En zonder mij op de borst te willen kloppen: het kabinet is ingekrompen van 27 naar 20 leden. De stapels nemen wel iets toe per minister, zie ik zo om mij heen, maar toch zien ze er nog niet zo slecht uit dat het niet te doen is. Dat laat maar zien dat je met minder bestuurders vaak dezelfde of meer kwaliteit kunt leveren.

De voorzitter: Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de beantwoording van de regering in eerste termijn.

De vergadering wordt van 19.35 uur tot 20.30 uur geschorst.

©

H.C.P. (Han)  NotenDe heer Noten (PvdA): Voorzitter. Ik bedank de ministerpresident voor zijn beantwoording, zowel voor de inhoud als voor de wijze waarop hij heeft geantwoord. Hij stond er wel. Complimenten daarvoor. Ik mag dan niet geloven in het kabinet; ik was wel onder de indruk van de presentatie van de minister-president. Het elan heeft hij; daarover bestaat geen twijfel.

Mag ik ook een punt van kritiek naar voren brengen? Ik had een paar keer het gevoel dat de minister-president net iets te veel aan het marchanderen was, te veel vanuit de pragmatiek redeneerde. Ik snap dat wel. Als je in deze constructie met een gedoogakkoord en een PVV tot een regering moet komen, moet je pragmatisch willen en kunnen denken. Ik hoop echter dat de minister-president begrijpt dat er in deze Kamer respect kan zijn voor pragmatiek, maar dat er gelijktijdig in de discussie altijd iets meer zit: een emotie, een waardegedreven opvatting die soms misschien net iets te krachtig is en daardoor net niet praktisch genoeg is, maar niet minder betekenis heeft. Sterker nog, het is een betekenis die soms echt gehoord en gevoeld moet worden.

Een paar keer was de minister-president iets te pragmatisch, bijvoorbeeld over de rol en de positie van de PVV en haar invloed op het regeerakkoord en op de huidige regering. Toen was de minister-president net iets te veel aan het marchanderen met de principes. Of bijvoorbeeld in de discussie met collega Kox. Het is niet waar dat de PVV alleen over de islam als religie spreekt. De PVV spreekt ook over het tegenhouden van moslims. Dat zijn mensen. Zij spreekt over het wegsturen van moslims. Dat zijn mensen. Ik vond de minister-president daarbij langs de grenzen van het sjoemelen lopen: marchanderen, maar dan net even teveel.

De minister-president heeft geantwoord dat de rekenvoorbeelden die ik hem heb gegeven kloppen, zo ongeveer. Daarbij gaat hij echter voorbij aan het feit dat ze ook inhoudelijk iets zeggen, namelijk dat mensen met hogere inkomens er beter van afkomen dan mensen met lagere inkomens. Dat is meer dan pragmatiek: ze kloppen zo ongeveer.

We hebben het kort gehad over de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Dat is geen speeltje voor een gedoogpartij. Mijn fractie heeft de indruk dat dit de reden is waarom dat zinnetje in het regeerakkoord is gekomen.

We hebben het gehad over het wel of niet opzeggen van Europese verdragen. De minister-president zei daarbij letterlijk: ja, bij de Europese Unie en bij de EVRM gaat er een soort moraliteit meespelen; dat maakt het wel ingewikkeld. Nee, minister-president, dat maakt het niet ingewikkeld; dat is de essentie van de zaak. De moraliteit is waar het om gaat op dat moment. En dat is geen pragmatisch vraagstuk; het is de vraag waar je staat als politicus en als samenleving. Politiek is niet alleen pragmatiek.

De minister-president zal de komende tijd een Eerste Kamer tegenover zich vinden die juist vanuit die politieke gedrevenheid en die passie voor de rechtsstaat en voor democratische beginselen naar mijn verwachting zichzelf zal weten te verbinden. Ik hoop dat de regering daarmee op een volwassen, waardige manier zal omgaan en de opvattingen van de Kamer op zulke momenten op waarde weet te schatten. De minister-president heeft gesproken over een uitgestoken hand. We gaan straks bekijken of die hand ook iets betekent, of die hand gevuld is. Niet alleen met woorden, maar ook met de bereidheid om tegemoet te komen aan de gevoelens van deze Kamer.

Voorzitter, ik sluit af. Op één punt vond mijn fractie de opmerkingen van de minister-president echt te algemeen. Ik heb het over de btw-verhoging voor de podiumkunsten. Daarbij werd in algemeenheid over de btw gesproken op langere termijn. Het gaat echter niet in algemeenheid over de btw op langere termijn; het gaat over de btw voor de podiumkunsten per 1 januari. Daarover dient mijn fractie de volgende motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Noten, Thissen, Engels, Ten Hoeve, Schuurman, Koffeman, Kox en Yildirim wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering heeft voorgesteld het btw-tarief op podiumkunsten te verhogen van 6% naar 19% per 1 januari 2011;

overwegende dat het behoud, de verbreiding en de brede toegankelijkheid van het cultureel erfgoed hiermede niet zijn gediend;

verzoekt de regering, af te zien van het voornemen de podiumkunsten per 1 januari 2011 onder het algemene btw-tarief te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter I (32500).

De heer Noten (PvdA): Ik denk dat de minister-president zich realiseert dat deze motie is ondertekend door een meerderheid in de Kamer. Hij mag er dus van uitgaan dat deze motie wordt aangenomen zodra zij in stemming wordt gebracht. Waarom zeg ik dit? Omdat ik het heel vervelend zou vinden als we volgende week in de discussie over het Belastingplan zouden worden geconfronteerd met pragmatiek die erop neerkomt dat de regering allerlei praktische redenen naar voren brengt waarom de motie niet kan worden uitgevoerd. De minister-president mag ervan uitgaan dat die pragmatiek en dat marchanderen op dat moment door de Kamer niet aanvaardbaar zullen worden gevonden. Ik dank de regering voor haar aandacht en ik wacht de beantwoording vol spanning af.

De heer De Graaf (VVD): De heer Noten sprak aan het begin van zijn betoog in tweede termijn over langs het randje gaan. Nu gebruikt hij het woord ″marchanderen″, maar wat hij doet met deze motie, noem ik chanteren.

De heer Werner (CDA): Ik heb één vraag aan de heer Noten. Is het niet een beetje goedkoop om dit soort moties in te dienen zonder aan te geven welke alternatieve dekking er gevonden kan worden voor de begroting?

De heer Noten (PvdA): We hebben zojuist een heel boeiende discussie gehad met de minister-president, waarin hij aangaf dat hij niet met ons wilde praten over het een ten koste van het ander. Dat was in de discussie over de animal cops, als ik het goed heb. Hij zei: het kan toch niet zo zijn dat u van mij verwacht dat ik met u praat over een bezuiniging aan de ene kant ten koste van een investering aan de andere kant? Dat gaat nu dus ook niet gebeuren. De heer Werner weet dat deze Kamer niet de mogelijkheid heeft om op dat punt initiatieven te nemen. Deze Kamer heeft echter wel de mogelijkheid om te constateren dat een voorgenomen beleidsbeslissing van de regering naar haar opvatting onacceptabel is. En dat doe ik. Ik verwacht daar van de regering een antwoord op, maar ik denk dat de Kamer de ruimte moet hebben om deze positie met betrekking tot dit punt in te nemen. Dat is onze opdracht; dat is onze taak. Ik snap ook niet waarom het chanteren is. We doen het juist nu, op het moment waarop de regering nog in staat is om zich voor te bereiden. De stemming is pas volgende week, zoals de heer De Graaf weet. Het is geen chanteren; het is het vanuit de emotie en vanuit de betrokkenheid die men van deze Kamer mag verwachten, naar voren brengen van een punt dat wij van groot belang achten.

©

F.J.M. (Jos)  WernerDe heer Werner (CDA): Voorzitter. Ik kan in deze tweede termijn betrekkelijk kort zijn, want ik ben content met de wijze waarop de minister-president is ingegaan op een aantal beschouwingen die ik heb gegeven over het regeringsbeleid. Ik heb al gezegd dat wij ons verder niet uitspreken over het regeerakkoord, maar dat wij er wel een aantal kanttekeningen bij hebben geplaatst. Ik ben tevreden over de wijze waarop de minister-president daarop heeft geantwoord en over de stevige manier waarop hij het regeringsbeleid heeft verdedigd.

De heer Kox (SP): Collega Werner zegt nooit zomaar iets; dat heb ik in de afgelopen jaren wel geleerd. Hij zegt nu: wij zijn niet de partij in deze Kamer van dit kabinet; wij gaan alles wat het kabinet brengt beoordelen, we zullen het bekijken en we hebben een aantal kritische opmerkingen. Zo interpreteer ik het althans. De heer Werner moet maar zeggen of ik gelijk heb. Het is iets anders dan de opmerkingen bij de vorige kabinetten die hier aantraden. Zie ik terecht een verschil of ben ik iets te veel bezig met wishful thinking?

De heer Werner (CDA): Ja, ik denk dat de heer Kox nu iets zoekt wat niet aanwezig is. Wij hebben ook in het verleden altijd het standpunt ingenomen dat wij ons vrij willen opstellen ten aanzien van het regeerakkoord en dat wij dat zullen beoordelen op het moment dat de concrete wetgeving hier in de Kamer voorligt. Dat is exact dezelfde formulering die ik vier jaar geleden heb gebruikt toen wij spraken over het regeerakkoord van Balkenende IV.

De heer Kox (SP): U zegt dat dit de standaardformulering

De heer Werner (CDA): Ja. U mag dat een standaardformulering noemen, maar het is gewoon onze houding en onze positie als Kamer. Die wijkt af van de Tweede Kamer. Wij willen die behouden. Ik heb dat in eerste termijn uitvoerig toegelicht. Dat is niet anders dan wat ik vier jaar geleden heb gedaan.

De heer Kox (SP): Ik vraag u of mijn idee onjuist is dat u in eerste termijn meer afstand hield van dit kabinet dan ten opzichte van andere kabinetten. De minister-president interpreteerde dat kennelijk ook als: we hebben hier geen onvoorwaardelijke ″go″ van de CDA-fractie.

De heer Werner (CDA): Ik denk dat dit wel juist is. Althans, ik heb het niet anders willen doen dan bij een vorig kabinet. Er zit geen bijzondere appreciatie achter ten aanzien van het vorige kabinet. Misschien stelt u dat teleur, maar zo is het.

Voorzitter. Op een paar wil punten wil ik nog even kort ingaan. Allereerst de beoordeling van de formatie. De minister-president heeft daar zijn verantwoordelijkheid voor genomen. Daarnaast heeft hij uitgesproken dat naar zijn oordeel Hare Majesteit de formatie verder uitstekend heeft geleid en dat in ieder geval dat geen aanleiding zou kunnen geven om in de procesgang rond de formatie te veel wijzigingen aan te brengen. Dat staat natuurlijk los van de mogelijkheid die de Tweede Kamer zelf heeft om iedere keer opnieuw te bekijken hoe zij die formatie wil inrichten. Wij delen dat standpunt. Ook wij zijn van mening dat er op dat punt geen wijzigingen behoeven te worden gedaan.

Rond een aantal zaken dat ik heb aangekaart, heeft zich een zekere Wernerdoctrine ontwikkeld. Daar ben ik heel blij mee. Dat overkomt je niet iedere keer. Ik hoop dat het kabinet zich dat echt ter harte wil nemen. Ik wil nogmaals benadrukken dat het antwoord in eerste termijn over de zzp’s precies de onrust betreft die ik voelde. Veel van deze sectoren worden geregeerd door bureaucratische en technocratische rekenmethodes waarop de mensen weer worden afgerekend en die doorgaans aan het management en aan de zorgverleners, de professionals, te weinig ruimte geven om naar eigen inzicht de meest effectieve aanwending van die middelen te volgen. Ik ben wat gerustgesteld. Ik mag aannemen dat de bewindslieden echt enige ruimte hebben om in overleg met de samenleving te komen tot alternatieve invullingen als die een beter rendement hebben dan hetgeen daarover in het regeerakkoord is gesteld.

Wij moeten accepteren dat er niet getornd zal worden aan de WW en het ontslagrecht. Ik moet zeggen dat de lijst van andere maatregelen die de minister-president noemde in ieder geval bij ons de hoop heeft gevoed dat er toch nog een en ander kan gebeuren wat kan bijdragen aan een flexibele inzet van menskracht in onze arbeidsmarkt. Wij zijn blij dat dit in ieder geval nog wel gebeurt.

Wij zijn nog niet helemaal gerustgesteld over het in staat zijn van defensie om nog een behoorlijke strijdmacht in stand te houden die ook echt op wereldniveau kan meedoen. Om dat alles nog eens goed te beoordelen zullen wij de nota afwachten die daarover in maart schijnt te komen.

De heer Thissen (GroenLinks): Collega Werner zegt dat hij het perspectiefvol vond dat de lijst van maatregelen die de minister-president hier vanmiddag genoemd heeft in zijn beantwoording van vragen over de flexibilisering van de arbeidsmarkt, tegemoet gaat komen aan die flexibilisering. Er zijn genoeg mensen die staan te trappelen om mee te doen aan de arbeidsmarkt, zoals mensen met een beperking of een handicap, mensen die langdurig werkloos zijn of die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt, maar die zeer gemotiveerd zijn om mee te doen. Ziet collega Werner, vanuit het rentmeester-schapsdenken van het CDA, dat met dit kabinetsbeleid breekijzers gezet worden richting werkgevers en werknemers om meer te investeren om wajongeren, mensen met een WWB-achtergrond en mensen in de WSW gewoon een reguliere baan te verschaffen die van betekenis is voor henzelf en voor de dierbaren die van hen afhankelijk zijn?

De heer Werner (CDA): Ja, er wordt wel degelijk ingezet op juist de groep waar u het over hebt, met name op de jongeren, om mensen die dat willen en ook kunnen zo veel mogelijk een reguliere plek op de arbeidsmarkt te geven. Daar is althans de inzet en de bedoeling van de reorganisaties en hervormingen van de WSW, de Wajong en de bijstand et cetera op gericht. Daar zullen we het ook op beoordelen. Ik kan nu niet voorspellen of het ook allemaal zo zal uitpakken. Dat zullen we wel zien als we hier de uitwerkingen voor ons krijgen. Maar wij hebben het vertrouwen – wij zien het ook – dat die inzet in ieder geval wordt gepleegd.

De heer Thissen (GroenLinks): Dan zetten we het debat voort op het moment dat dit kabinet komt met die ene regeling voor de onderkant van de beroepsbevolking of voor het meest kwetsbare deel daarvan.

De heer Werner (CDA): Dat zullen we in volle omgang op dat moment beoordelen. Dan zullen we het debat voeren en ook beoordelen of eruit komt wat u zegt.

De heer Thissen (GroenLinks): Exact. Daar hoort ook de balans bij dat er voldoende prikkels zijn richting ondernemend Nederland om mensen in dienst te nemen.

De heer Werner (CDA): Exact. Dat zullen we dan ook allemaal beoordelen.

Voorzitter. Tot slot nog een opmerking over de deregulering. De minister-president heeft gezegd dat het regeerakkoord door Actal is beoordeeld en dat daaruit is gekomen dat het de zegen van Actal heeft gekregen en dat Actal verwacht dat de hoeveelheid wet- en regelgeving in Nederland zal verminderen. Dit betekent dus dat ik over vierenhalf jaar hier zal terugkomen om te kijken of er inderdaad een aantal vakjes in de boekenmolen is vrijgekomen. Als dat werkelijk het geval is, zal ik ervoor zorgen dat het portret van de minister-president daar in dat kastje wordt vereeuwigd.

Ik wens het kabinet verder heel veel succes bij de verdere uitwerking van het beleid. Ik wacht rustig af wat mijn laatste commentaar nog voor opmerkingen van regeringszijde zal opleveren.

©

M.J.M. (Tiny)  KoxDe heer Kox (SP): Voorzitter. Ik reageer nog even op collega Werner. Hij wil de foto van de minister-president in deze zaal hebben, maar dat is niet goed. Ik heb al gezegd: degenen die er hangen zijn al dood. Deze koning kwam er te hangen toen hij niet meer in deze zaal mocht komen. Doe dat de minister-president niet aan! Laat hem hier gewoon live verschijnen en niet op een plaatje. Ik ben het wel met de heer Werner eens dat minder regelgeving uitstekend zou zijn als we in ieder geval de slechte regelgeving tegenhouden. Dat moet deze Kamer doen: het kwade voorkomen.

Ik toon nu een A4 – het is een ogentest voor u allen – met een interpretatie van NRC Handelsblad van de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer. Hierop wordt weergegeven hoe het debat is gegaan. Daaruit blijkt dat als je niet geïnterrumpeerd wordt, je totaal ongevaarlijk bent. Ik ben niet geïnterrumpeerd, dus ik ben totaal ongevaarlijk. In dit diagram wordt vastgesteld hoe goed een debat was. Dat heeft te maken met wie het met wie doet en wie het tegen wie doet. Ik zou willen zeggen dat de normen en de mores in deze Kamer anders zijn. Wij kijken vooral hoe er inhoudelijk is gedebatteerd. Daarover moeten wij de balans opmaken.

Ik ga proberen om dat kort te doen, niet met een diagram maar met een terugblik op wat wij hebben gedaan. Ik heb de volgende vier indrukken opgedaan. Wat voor premier hebben we? Wat voor regering hebben we? Wat voor verhouding krijgen we tussen de regering en de Staten-Generaal? En het belangrijkste: wat voor beleid krijgen we?

Wat voor premier hebben we? Het is een begin. We hebben hier een energieke premier gezien die gaat voor zijn zaak en die erin gelooft, tegen beter weten in denk je soms. Hij communiceert, hij argumenteert. Ik wil maar zeggen dat we het slechter hadden kunnen treffen. Dat is bedoeld als een compliment, minister-president. U hebt met verve uw eerste optreden gegeven in deze zaal. Dat mag een keer gezegd worden. Wij zijn nu toch onder ons.

Wat voor regering is dit? De minister-president heeft aangegeven dat er officieel sprake is van een minderheidskabinet in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Het verschil is volgens hem dat in de Tweede Kamer een gedoogconstructie is georganiseerd en dat men daar onder voorwaarden kan rekenen op een meerderheid. In deze Kamer is sprake van een absoluut minderheidskabinet; hier moet de regering bij elk wetsvoorstel voor steun knokken. De regering realiseert zich dus dat in deze Kamer niets zeker is. Dat is een zekerheid. Zelfs de posities van de fracties van coalitiepartijen CDA en de VVD zijn niet zeker, hoewel de bijdrage van collega Werner in tweede termijn de minister-president gerust gesteld moet hebben; voorlopig vloeit er geen bloed. Voorlopig is dit kabinet in deze Kamer een echt minderheidskabinet en dat is een unieke positie.

Wij hebben in de beantwoording van de ministerpresident ook iets meer gehoord over de PVV. Volgens mij was dat niet genoeg, want er had meer afstand genomen kunnen worden tussen CDA en VVD, deze regering, en de PVV. Zo ver wilde de minister-president niet gaan. Hij zei ook tegen mij: de PVV zegt alleen maar lelijke dingen over de islam, maar niet over de mensen achter de islam. Ik heb bij interruptie al aangegeven dat dit een beetje een truc is, want je beledigt aanhangers van een religie als je die religie beledigt. Collega Noten heeft aangegeven dat de PVV veel verdergaat dan de minister-president lief zou zijn. Er is in ieder geval iets meer afstand gekomen tussen de regering en de PVV en dat is voor mij winst in het debat.

Wat voor verhouding met de Staten-Generaal streeft deze regering na? Om te beginnen stelt de ministerpresident vast dat er sprake is van een bijzondere verhouding: het kabinet kan niet rekenen op een a priori meerderheid in deze Kamer en dat is in de geschiedenis nog niet eerder gebeurd. Hij moet dus telkens knokken voor steun en daarom moet hij hier met argumenten de strijd winnen. Dat heeft hij volgens mij ook zo gezegd. De ″dreigementen″ die een normaal meerderheidskabinet kan uiten richting coalitiepartijen zullen hier een stuk minder meetellen. Dat belooft interessante discussies tussen de vertegenwoordigers van de regering en deze Kamer. Wij schrijven geschiedenis. Het is niet alleen voor de professoren onder ons interessant om daaraan te werken, hoewel wij het graag teruglezen bij professor Engels en professor Dölle, maar het is ook voor deze Kamer interessant om te bezien hoe dit kabinet met zijn minderpositie probeert om hier een meerderheid voor zijn voorstellen te krijgen. Ik heb in mijn eerste termijn al gezegd dat de minister-president voor ons een eenvoudige stelregel kan toepassen: wat goed is, is goed en wat slecht is, is slecht. Als alle fracties dat doen, krijgen wij per saldo minder wetten in de molen – dat zeg ik tegen collega Werner – en krijgen wij betere wetten in de molen. Dat wilde ik zeggen over de verhouding tussen de regering en de Staten-Generaal, en meer in het bijzonder de verhouding met deze Kamer.

Wat voor beleid voert deze regering? Ik heb de minister-president in eerste termijn gevraagd een inkijkje te geven in de ideologische achterkamer van het kabinet. Hij heeft dat volgens mij al dan niet willens en wetens gedaan. Hij vertelde dat hij niet wist wie er neoliberaal is. Ik herinner mij nog de voorkant van Elsevier waarop de heer Bolkestein in 1995 zei: momenteel is iedereen liberaal behalve de SP. Bolkestein doelde toen op het neoliberalisme, dat bezig was met een grote zegetocht. Iedereen dacht toen dat de geschiedenis geëindigd was en dat het neoliberalisme ons alle zegeningen zou geven. De minister-president heeft ons nog meer verteld over het liberale karakter van deze regering. Hij zei namelijk: mijnheer Kox, gelooft u toch niet dat financiële markten zich laten sturen. Dat is een interessante opmerking van de minister-president, want financiële markten werden altijd gestuurd totdat het neoliberalisme de baas werd over de wereld. Dat was een politieke keuze, maar het is wel erg interessant om dat vast te stellen. Tegelijkertijd heeft hij voortdurend gezegd dat banken zichzelf moeten reguleren, dat topinkomens zichzelf moeten reguleren en dat bonussen zichzelf moeten reguleren. Dat is interessant en dat maakt dit kabinet voor mij tot een liberaal kabinet – met excuus aan de vicepremier – want het confessionele zie ik er nog niet aan af. Wellicht kan de minister-president daar in zijn tweede termijn nog even op ingaan. De uiteindelijke winnaar van de kabinetsformatie lijkt mij echter de VVD.

In de komende tijd moet blijken wat de verhouding is tussen de Staten-Generaal en de regering, in het bijzonder de verhouding met deze Kamer. Deze Kamer zal in tweede termijn een aantal moties indienen. Ik schat in dat deze moties hier een meerderheid krijgen. Er wordt een motie ingediend over de btw-verhoging op cultuur, een motie over de prioriteiten bij de politie, een motie over de Q-koorts, een motie over de internationale rechtsorde, een motie over het vermelden van het land Nederland in paspoorten en een motie van mijn hand over de sociale werkvoorziening en de Wajong. Het lijkt mij dat wij aan de hand van de reactie die de regering op de moties geeft, kunnen zien wat de werkelijke verhouding tussen de Eerste Kamer en de regering wordt. Nogmaals, een motie kan niet uitgevoerd worden – wij herinneren ons het beeld van toenmalig minister Zalm in de Tweede Kamer – maar het is een beetje ″storm zaaien″ als er zeven moties van deze Kamer niet worden uitgevoerd. Met alle respect, ik waarschuw de ministerpresident daarvoor.

Ik ben aan het einde van mijn betoog en dien nu mijn motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kox, Noten, Thissen, Koffeman, Ten Hoeve, Engels, Yildirim en Lagerwerf-Vergunst wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

gezien het voornemen van de regering, de subsidie aan gemeenten voor arbeidsgehandicapten in de sociale werkvoorziening en de regeling voor jonggehandicapten drastisch te verminderen;

vraagt de regering om voor de zomer van 2011:

  • met alternatieven te komen om de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de sociale werkvoorziening te beperken;
  • een beleid te ontwikkelen om jongeren met een arbeidshandicap in het reguliere arbeidsproces op te nemen, waarbij dit flankerend beleid voorwaarde is voor een verdere aanpassing van de Wajong en de WSW,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter J (32500).

©

G.J. (Fred) de GraafDe heer De Graaf (VVD): Voorzitter. Wij zijn bijna aan het einde van de periode van deze Kamer; nog een paar maanden te gaan. Ik bedacht mij daarnet dat de positionering van de regering en de bezigheden van de regering anders waren toen ik hier acht jaar geleden voor het eerst binnenkwam. In acht jaar verandert er veel. Het is een twitter- en sms-gezelschap geworden; zelfs de heer Hillen en de heer Rosenthal zijn driftig bezig op dit moment. Het gaat overigens een stuk langzamer dan bij de jongere generatie. Bij de dames gaat het in een noodtempo van volgens mij drie berichten per minuut, maar de heren op leeftijd hebben er wat meer tijd voor nodig; het gaat lettertje voor lettertje. Zo gaat het mij ook af, voor zover ik het doe. Het is vermakelijk om dat af en toe te bekijken.

Voorzitter. Ik kan kort zijn in mijn tweede termijn. Ik bedank de minister-president voor zijn uitvoerige beantwoording van de vragen die door deze Kamer zijn gesteld, in het bijzonder de beantwoording van de vragen van mijn fractie.

Ik kom graag op een punt nog even terug, het ministerie van Defensie. Ik begrijp best dat de ministerpresident niet op alle vragen exact heeft geantwoord – dat past wellicht beter in een debat dat wij ongetwijfeld met de minister van Defensie zullen voeren – maar ik heb geen antwoord gekregen op het zogenaamde ″no regret″-principe. Dat principe gaat ervan uit dat je niet zodanig moet ingrijpen in structuren van organisaties, in dit geval van Defensie, dat je later als je spijt hebt niet meer terug kunt. Dat principe is naar de mening van mijn fractie erg belangrijk. Door mijn woordkeuze heeft de minister-president ongetwijfeld gemerkt dat hetgeen met Defensie gaande is, ons echt ter harte gaat en dat wij ons grote zorgen maken. Ik doe nogmaals een dringend beroep op deze minister-president en het gehele kabinet om ernstig rekening te houden met de belangen van een adequate krijgsmacht voor ons land. Ik verwijs daarbij naar de taken die wij in de achterliggende jaren met zoveel passie en resultaat hebben uitgevoerd. Wij behoren niet voor niets tot de top van de wereld in de ogen van onze bondgenoten. Wij hebben in Nederland zoveel expertise, kennis en kunde opgebouwd, dat het een ongelooflijke desinvestering zou zijn als wij dit binnen een à twee jaar volstrekt om zeep helpen en wij onze krijgsmacht zouden reduceren tot een interventiemacht die na twee dagen weer hard de pijpen moet optrekken en het land waar men is ingezet, moet verlaten. Ik krijg daarom nog graag een reactie van de minister-president op het ″no regret″-principe. Ik dring erop aan om bij alle maatregelen die bij Defensie worden genomen – wij begrijpen dat die maatregelen tot op zekere hoogte noodzakelijk zijn – goed na te denken dat niet de structuur wordt vernietigd, die wij later niet meer kunnen opbouwen.

©

Ch.P. (Tof)  ThissenDe heer Thissen (GroenLinks): Voorzitter. De premier kan blij zijn. Ik heb één minuut, die ik niet helemaal kan volpraten door hem te bedelven met complimenten. Maar namens mijn fractie moet ik wel zeggen dat wij het debat, en met name het antwoord van de regering via de premier, Mark Rutte, aangenaam vonden. Hij heeft adequaat antwoord gegeven op een aantal kwesties, en hij heeft adequaat om een aantal hete kwesties heenge-draaid, geheel in de traditie van partijen die regelmatig in de regering zitten. Men verwijt elkaar dan over en weer dat men regelmatig draait, maar over wie uiteindelijk de rekening van de crisis betaalt, vond ik de premier redelijk vaag. Ik doel op de vraag, waarom de veroorzakers van de internationale financiële en economische crisis niet veel beter gebonden worden aan het uitgangspunt dat dit nooit meer gebeurt, en dat de overheid wel degelijk als marktmeester mag optreden om de vrijheden te beteugelen. Daar hebben wij te weinig antwoord op gekregen.

Wij dienen een motie in over de politiesterkte, die tot doel heeft om datgene waarover de korpsen klagen – te weinig politiesterkte om adequaat gevaarlijke arbeidsomstandigheden, vrouwenhandel en kinderporno aan te pakken – op te lossen, zij het dat het gaat om uitbreiding om op te vangen dat vermindering plaatsvindt. Wij willen daarvan een wat evenwichtiger beeld hebben dan enkel out of the blue daar dankzij de PVV en mijn provinciegenoot Dion Graus 500 animal cops neer te zetten. De inzet van GroenLinks is niet om te voorkomen dat er adequater wordt opgespoord waar sprake is van dierenmishandeling, want de wet beschermt de dieren al. Dierenmishandeling is al strafbaar. Er zijn voldoende waarborgen in de wet. Elke agent dient aangiftes serieus te behandelen, en er is opsporingscapaciteit. Maar wij vinden het een beetje uit zijn verband gerukt dat nu 500 nieuw voorziene politiefunctionarissen zich bezig moeten gaan houden met dierenmishandeling. Daarom dienen we die motie in.

Ik dien nog een tweede motie in, waarvan ik tegelijkertijd zeg dat we die gaan aanhouden tot het moment dat we hier het debat voeren over de marktwerking in de zorg. Als we de zorg gaan herzien en gaan herstructureren, is van het vitaal belang dat patiëntenorganisaties kunnen blijven functioneren in het ″in hun kracht zetten″ van patiënten en patiëntenbelangen. Vandaar dat we die beide moties indienen, en dat we de tweede motie wellicht tot nader order aanhouden.

De voorzitter: Ik hoop niet dat de leden er een gewoonte van maken om nu moties in te dienen die bij een ander debat aan de orde komen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Thissen, Noten, Kox, Engels, Schuurman, Yildirim en Ten Hoeve wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat op een aantal terreinen de politiesterkte ontoereikend wordt gevonden (onder andere bestrijding vrouwenhandel, kinderporno, gevaarlijke arbeidsomstandigheden);

overwegende dat bestrijding van dierenleed en -mishandeling van belang is, maar dat dit op andere wijze, bijvoorbeeld in samenwerking met de dierenbescherming, geregeld kan worden;

constaterende dat in het regeerakkoord Vrijheid en Verantwoordelijkheid wordt voorzien in de aanstelling van 500 animal cops;

spreekt uit:

  • dat de bestrijding van dierenleed en -mishandeling op een andere wijze dient vorm te krijgen;
  • dat de capaciteit van de 500 nieuw voorziene politiefunctionarissen dient te worden ingezet in de bestrijding van die zaken waarvoor momenteel de politiesterkte ontoereikend is (vrouwenhandel, kinderporno, gevaarlijke arbeidsomstandigheden),

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter K (32500).

Motie

De voorzitter: Door de leden Thissen, Noten, Kox, Slagter-Roukema, Koffeman, Yildirim, Werner, Schuurman en Engels wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland een rijk geschakeerd middenveld kent, variërend van wijkverenigingen, kerkgemeenschappen, plaatselijke middenstandsverenigingen en patiëntenverenigingen tot machtige landelijke werknemers- en werkgeversorganisaties;

overwegende dat al dit maatschappelijk initiatief bijdraagt aan ontplooiing van mensen, aan binding en verbondenheid tussen mensen en kleur geeft aan onze samenleving;

overwegende dat krachtige patiëntenorganisaties van groot belang zijn als tegenhanger van een al te grote macht van medische professionals;

constaterende dat het voorliggende regeerakkoord Vrijheid en Verantwoordelijkheid expliciet zegt op patiëntenorganisaties te zullen bezuinigen;

spreekt uit dat de voorgenomen bezuinigingen niet mogen leiden tot het verdwijnen dan wel ernstig verzwakken van die organisaties die de positie van de patiënt versterken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (32500).

©

E. (Egbert)  SchuurmanDe heer Schuurman (ChristenUnie): Voorzitter. Ik wil graag mijn dank uitspreken aan het adres van de minister-president. Zijn optimisme en enthousiasme werken aanstekelijk. Dat kan toch niet verhinderen dat ik nog een aantal zorgpunten onder de aandacht breng. Als ik mijn zorgen uitspreek, betreft dat beslist niet de kwaliteiten van de minister-president of van de overige bewindslieden, maar dan gaat het om het beleid dat zij voorstaan, en misschien ook wel om de situatie waarin ze verkeren.

Ik geef uitdrukking aan onze zorg over de stabiliteit van dit kabinet. Dan denk ik niet aan de verhouding tussen kabinet en Tweede Kamer – ik denk dat die nog altijd lijdt onder allerlei onzekerheden – maar vooral aan de verhouding tussen kabinet en deze Kamer. Hoe vriendelijk en welgezind vele Eerste Kamerleden ook jegens de minister-president en de individuele leden van dit kabinet zullen zijn, de politiek domineert hier in bepaalde situaties toch ook altijd maar weer. Dat is een zorg. Hebben we wel voldoende vertrouwen in de stabiliteit?

Ons tweede punt betreft twee fundamentele beginselen, namelijk die van solidariteit en rentmeesterschap, die wij te weinig uitgedrukt vinden in het regeringsbe- leid. Als het gaat om solidariteit is dat een diepgevoelde zorg met betrekking tot het afwezig zijn van een rechtvaardige verdeling van de lasten tussen de verschillende inkomensgroepen.

Wij hebben vanmiddag met de minister-president en met de andere fracties gediscussieerd over de grondslag van dit kabinet, en alles wat daarmee in deze Kamer samenhangt, maar ook wat daarvan aan de orde is in onze maatschappij. Daarover wil ik een motie indienen. Een tweede motie betreft een meer sociale aangelegenheid, namelijk de positie van jonge werknemers, met name van jonge gezinnen, die op het ogenblik behoorlijk in de knel komen, niet zozeer door voorgenomen beleid, als wel door bestaand beleid dat ook nog eens wordt versterkt. Wij zien graag dat er een beleidskader wordt ontwikkeld om de positie van jonge werknemers en van startende gezinnen te versterken.

Motie

De voorzitter: Door de leden Schuurman, Noten, Kox, Thissen, Ten Hoeve en Engels wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jeugdwerkloosheid, ontbrekende baangaranties, onzekere financiële perspectieven en te duur woningaanbod de positie van starters op de arbeidsmarkt nadelig beïnvloeden;

overwegende:

  • dat ons land alleen sterker uit de crisis kan komen als er wordt geïnvesteerd in nieuwe generaties;
  • dat een samenhangend beleid nodig is om de positie van jonge werknemers en jonge gezinnen te versterken;

verzoekt de regering, de Kamers te informeren over een beleidskader dat de positie van jonge werknemers en startende gezinnen versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter M (32500).

Motie

De voorzitter: Door de leden Schuurman, Kox, Holdijk, Noten, Thissen, Werner, Yildirim, Engels, Ten Hoeve en Koffeman wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering accepteert dat haar gedoogpartner de islam niet beschouwt als godsdienst, maar als politieke ideologie;

overwegende:

  • dat hiermee twijfel kan ontstaan over wat onder vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing wordt verstaan en over hoe dit grondrecht in beleid en praktijk wordt verdedigd;
  • dat toename van spanningen tussen religies overal in de wereld valt te constateren, en ook onze samenleving kan bedreigen;

spreekt uit:

  • dat zij de diskwalificatie van de islam als politieke ideologie afwijst;
  • dat het de taak is van de regering, op te komen voor de rechten en de vrijheden van alle religies en levensovertuigingen;

roept de regering op, in woord en daad de maatschappelijke vrede tussen alle bevolkingsgroepen te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter N (32500).

Mijnheer Holdijk, u hebt één minuut in blessuretijd.

©

G. (Gerrit)  HoldijkDe heer Holdijk (SGP): Voorzitter. Mij past bijzondere dank, want mijn spreektijd in eerste termijn heb ik ruimschoots opgesoupeerd. Ik heb geen gebruikgemaakt van de interruptiemogelijkheden; misschien mag ik daar het recht aan ontlenen om nog een paar zinnen aan de regering toe te voegen. Ik leg mij daarbij overigens de uiterste beperkingen op. Gelukkig geeft mij dit de gelegenheid om de regering, in de persoon van de minister-president, dank te zeggen voor de reactie op de inbreng onzerzijds in eerste termijn. Op specifieke aspecten die ik toen aansneed, zal ik niet terugkomen, al zou daar op enkele punten wel aanleiding toe zijn. Naar ik hoop is de strekking van mijn beschouwing in eerste termijn, toegespitst op de spanningsvolle verhouding van vrijheid en gelijkheid, qua intentie bij het kabinet herkend. Ik vertrouw erop dat dit in het vervolg van het hopelijk gelukkige voortbestaan van dit kabinet ook zijn plaats zal krijgen. Daarmee volsta ik.

De voorzitter: Dan is het woord aan de heer Engels, die ook één minuut blessuretijd krijgt.

©

J.W.M. (Hans)  EngelsDe heer Engels (D66): Voorzitter. Ook ik ben u daarvoor buitengewoon erkentelijk en ik zal proberen u daarin niet teleur te stellen. Ik bedank de minister-president, omdat ik vind dat hij op een zeer open en transparante wijze op de Kamer heeft gereageerd en dus ook op mijn fractie. Daarvoor wil ik hem uitdrukkelijk bedanken.

Ik vind het plezierig dat hij nog een keer uitdrukkelijk, overbodig of niet, de verantwoordelijkheid heeft genomen voor de kabinetsformatie, zodat elk misverstand dat er nog een staatsrechtelijke lacune zou zijn, vanaf vandaag is weggenomen. Dat kunnen we noteren.

Dan kom ik bij het verhaal over de positie van de Eerste Kamer, het meerderheidskabinet, de aard van het kabinet en de gedoogpositie van de PVV. Ook daarin hebben wij vandaag een nuttige aanvulling gezien. Er is een inhoudelijk en politiek antwoord gekomen op die vruchtbare samenwerking. De minister-president heeft gezegd dat we dat moeten afwachten. Hij zei dat hij hoopvol gestemd is, maar dat hij niet kan invullen voor de Eerste Kamer hoe dat gaat. Over de gedoogpositie van de PVV kan ik maar één conclusie trekken: het kabinet bestaat uiteindelijk toch bij de gratie van de PVV. Over de inhoud van het beleid hoef ik niets te zeggen. Het is duidelijk dat de inhoud van het regeerakkoord en het gedoogakkoord aan de ene kant, en het verkiezingsprogramma van D66 aan de andere kant, buitengewoon ver uit elkaar staan. Dat is een politieke realiteit.

Onze grootste pijn zit toch in de bezorgdheid over de grondslag van democratie, rechtsstaat en mensenrechten. Daar willen we een signaal over afgeven, omdat we dat eigenlijk, ook vanuit de verantwoordelijkheid van de Eerste Kamer als centrale constitutionele instelling, buitengewoon sterk voorop willen stellen. Wij zijn dus bezorgd over de fundamentele grondslag van onze beschaving, die mogelijk in het geding kan komen vanwege de bijzondere samenstelling van dit kabinet. Om daar een signaal over af te geven, willen we een motie indienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Engels, Ten Hoeve, Koffeman, Noten, Kox, Schuurman, Yildirim, Thissen en Staal wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een aantal voorgestelde maatregelen in het gedoogakkoord aanpassing van verdragen en Europese regelgeving zal vergen;

constaterende dat het kabinet niet uitsluit voor dat doel initiatieven in de richting van de internationale gemeenschap te ontplooien;

van mening dat gelet op de fundamentele betekenis van internationale grondrechten, de positie van Nederland in de Europese Unie en de grondwettelijke opdracht dat de regering de internationale rechtsorde bevordert, dergelijke initiatieven niet voor de hand liggen;

verzoekt de regering, bij de legislatieve invulling van de maatregelen uit het gedoogakkoord de geldende internationale rechtsregels te respecteren en af te zien van initiatieven om unierechtelijke grondrechten en de in het EVRM opgenomen mensenrechten te wijzigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter O (32500).

©

N.K. (Niko)  KoffemanDe heer Koffeman (PvdD): Voorzitter. Complimenten voor de vrolijke beantwoording door de ministerpresident. Hij zal dat optimisme en die vrolijkheid nog hard nodig hebben de komende tijd, denk ik. Ik dank hem in het bijzonder voor de toezegging dat hij de premier voor alle dieren zal zijn. Ik zal hem daaraan herinneren wanneer er weer uitwassen zijn in de wijze waarop dieren in ons land worden mishandeld. Helaas is dat aan de orde van de dag. Te vaak wegen economische belangen zwaarder dan de belangen van levende wezens die gevoelens van angst, stress en pijn kennen. Zelfs de menselijke slachtoffers, die het gevolg zijn van een inadequate wijze van het bestrijden van dierziekten, bijvoorbeeld bij de Q-koortsuitbraak, leiden niet tot een fundamentele beleidswijziging. MRSA, ESBL, campylo-bacter en salmonellabesmetting leiden tot grote aantallen sterfgevallen onder mensen, maar vallen vooralsnog niet onder de centrale regie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik wil daarom de volgende motie indienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Koffeman, Noten, Schuurman, Ten Hoeve, Engels, Kox en Thissen wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de commissie evaluatie Q-koorts heeft vastgesteld dat het bij de bestrijding van deze ziekte heeft ontbroken aan centrale regie;

overwegende dat Q-koorts sinds 2007 4000 mensen heeft besmet, van wie er 15 zijn overleden en velen chronisch ziek zijn;

overwegende dat volksgezondheid niet ondergeschikt mag zijn aan economische belangen in geval van uitbraken van dierziekten die ernstige risico’s met zich meebrengen voor mens en dier;

verzoekt de regering, de regie in de bestrijding van voor mensen besmettelijke dierziekten, conform het advies van de commissie-Van Dijk, in handen te geven van het ministerie van VWS,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter P (32500).

De heer Koffeman (PvdD): De toch wel brute en intimiderende manier waarop beleidswijzigingen in natuurbeleid zijn ingezet, waarmee overduidelijk een signaal wordt afgegeven dat dit kabinet kiest voor ontgroening, vraagt om een reactie. Het leed van grote grazers in de Oostvaardersplassen wordt niet opgelost via vergroting van het leefgebied, zoals beloofd, maar op een wijze waarbij slechts een deel van Nederland zijn vingers aflikt, namelijk eerst bijvoeren, dan afschieten, dan opeten. Als dat al iets met natuur van doen heeft, is het vooral met de menselijke natuur die ertoe neigt alle andere levensvormen aan zich te onderwerpen, zelfs wanneer dat elke vorm van duurzaamheid ontbeert. Om aan te geven hoezeer de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur en de Robuuste Verbindingszones in dit huis noodzakelijk worden geacht, wil ik de volgende motie indienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Koffeman, Ten Hoeve, Yildirim, Reuten, Kox, Vliegenthart, Ten Horn, Laurier, Engels, Noten en Meulenbelt wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet wil bezuinigen op de uitgave aan het Investeringsbudget Landelijk Gebied, waaruit ook de ehs wordt bekostigd;

overwegende dat er reeds grote investeringen zijn gedaan waardoor al een deel van de ehs is gerealiseerd;

van mening dat aantasting van natuur die reeds onderdeel uitmaakt van de ehs niet wenselijk is, en dat in het kader van de ehs reeds aangegane verplichtingen en gemaakte afspraken nagekomen moeten worden;

van mening dat afronding van de ehs, zo nodig getemporiseerd en aangepast, van grote ecologische en ook economische betekenis blijft;

van mening dat robuuste verbindingszones, met name tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe, van groot belang zijn en daarom doorgang moeten vinden;

verzoekt de regering, de afwikkeling van aangegane verplichtingen mogelijk te maken en bij de herijking en voltooiing van de ehs te zoeken naar kosteneffectieve oplossingen waarin ook op duurzaam beheer ingestelde agrarische bedrijven een rol kunnen spelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter Q (32500).

©

H. (Henk) ten HoeveDe heer Ten Hoeve (OSF): Voorzitter. Ik bedank de minister-president heel hartelijk voor de manier waarop hij de beantwoording vorm heeft gegeven. Hij was heel duidelijk. Hij was ook heel duidelijk in zijn schets van de verhouding tussen deze regering en de Kamers. Deze regering zal in de Tweede Kamer vaak moeten zoeken naar een meerderheid; in de Eerste Kamer zal zij altijd moeten zoeken naar een meerderheid.

Er zijn en worden veel moties ingediend. Een aanzienlijk aantal daarvan heb ik medeondertekend. Aan de ene kant weerspiegelt dit voor een klein deel de mate waarin de regering in staat is om in deze Kamer een meerderheid te vinden. Aan de andere kant heb ik de teksten van de moties buitengewoon goed bekeken en heb ik het gevoel dat heel veel moties door de regering gerust mogen worden gezien als ondersteuning van haar beleid.

Het zal overigens duidelijk zijn dat ik volstrekt ontevreden was over het weinig principiële antwoord met betrekking tot het Nederlandse paspoort. Daarover dien ik dan ook nog een motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Ten Hoeve, Kox, Schuurman, Noten, Engels, Thissen, Yildirim, Koffeman, Werner en De Graaf wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het Koninkrijk der Nederlanden zijn naam in het formele domein op een juiste wijze dient te gebruiken;

van mening dat ook in vertalingen naar vreemde talen een juiste en niet een meer gebruikte maar in feite niet correcte naam gebezigd dient te worden;

spreekt uit dat in het Nederlandse paspoort de naam van het Koninkrijk in alle EU-talen in juiste vertaling moet worden opgenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter R (32500).

©

D. (Düzgün)  YildirimDe heer Yildirim (Fractie-Yildirim): Voorzitter. Ook mijn dank aan de minister-president voor de heldere beantwoording naar aanleiding van de vele vragen. Regeren is een goede ambitie, maar aan deze regeringsverklaring zit helaas een zwart kantje. Dat zwarte kantje verklaren wij met het gedoogakkoord. Op dat terrein valt nog heel veel uit te leggen, ook aan de samenleving. Ik heb tijdens mijn eerste bijdrage geprobeerd om op basis van een voorbeeld uit het verleden die gevoelens uit de samenleving onder de aandacht te brengen van dit kabinet. Ik hoop dat dit is overgekomen. De vraag is echter hoe dit kabinet die gevoelens in concrete maatregelen gaat vertalen ten opzichte van de gedoog-partner. Graag krijg ik antwoord op die vraag.

Een tweede punt waarop wij het fundamenteel oneens zijn met het kabinet, is dat het kabinet meer kiest voor de rijke kant van Nederland. Op dat punt moeten wij veel kritischer omgaan met wetgeving die in deze Kamer wordt behandeld. Dat zullen wij ook doen vanuit mijn fractie.

Voor de rest hoop ik op een goede samenwerking in de toekomst, maar ik hoop wel dat het kabinet consistent blijft bij het toelichten en onder de aandacht brengen van de gedoogparagraaf in de samenleving en zich blijft verzetten tegen haat en de toenemende uitsluiting van anderen in de samenleving.

De voorzitter: Mag ik aannemen dat de ministerpresident direct wil antwoorden?

Minister Rutte: Ik verzoek u om een korte schorsing voor kort overleg.

De voorzitter: Dan geef ik de minister-president nu de ruimte om even overleg te voeren.

De vergadering wordt van 21.37 uur tot 21.47 uur geschorst.

©

M. (Mark)  RutteMinister Rutte: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de openhartige discussie.

Ik heb de heer Notens woorden over passie goed gehoord. Hij zal daar nog veel van zien. Ik ben het niet eens met alles wat hij zei over waar die passie precies zichtbaar moet worden, omdat daar een aantal aannames onder zitten die in de eerste termijn al naar voren kwamen, maar ik waardeer zijn bijdrage zeer.

Ik herbevestig voor de heer Werner: het is niet in steen gegraveerd. Wij gaan met mensen in gesprek, er moet ruimte zijn voor invullingsalternatieven en dat is onderdeel van overleg tussen onze beide partijen, VVD en CDA, en eventueel ook met de PVV als wij daarover met hen afspraken hebben gemaakt. Wij zullen daarbij ernstig rekening houden met opvattingen hier en in de andere Kamer.

Dan de heer De Graaf over het ″no regret″-principe bij de uitvoering van de bezuinigingen op defensie. Ik heb daar goed naar geluisterd. Ik onderken het belang dat de heer De Graaf heeft benadrukt: geen onomkeerbare stappen doen waar je later spijt van krijgt bij de uitvoering van de bezuinigingen. Ik ben het ook zeer eens met zijn waardering voor de militairen in het algemeen en voor wat zij voor Nederland hebben gedaan om te zorgen voor meer veiligheid in onze samenleving. Daar is een enorme inzet geleverd. Het zal onmogelijk zijn om dit soort bezuinigingen door te voeren, zelfs voor een creatieve minister als de heer Hillen, zonder een duidelijke prioriteitstelling binnen defensie. Er moet echt een nieuw evenwicht gevonden worden tussen het ambitieniveau van de krijgsmacht en de toerusting en middelen van de krijgsmacht. Mag ik zijn oproep zo verstaan dat wij rekening houden met het ″no regret″-principe? De minister van Defensie zal in zijn brief die komend voorjaar naar de Kamer komt nader ingaan op dit aspect. Ik denk dat wij het binnen de coalitie, maar ook met vele anderen in deze Kamer buiten de coalitie eens zijn.

Tegen die achtergrond zal ik de verschillende moties behandelen, te beginnen met de motie over de btw-verhoging op de podiumkunsten. Dit is iets dat breder leeft dan alleen bij de partijen die deze motie getekend hebben, laten wij daar volstrekt open over zijn. Dit leeft misschien wel bij de gehele Kamer en zeker bij het kabinet. Dit gevoel leeft ook bij de partijen die niet getekend hebben. In de Tweede Kamer is uitvoerig gekeken naar alternatieven. Er zijn veel pogingen voor gedaan en de stemmingen zijn een paar uur uitgesteld om te bezien of er nog alternatieven waren. Die waren er niet. Dat betekent dat de motie van de heer Noten cum suis een verkapt amendement is op het belastingplan, zo moet ik het staatsrechtelijk in alle vriendschap interpreteren. Daarmee schuurt het natuurlijk wel met de bevoegdheden van de verschillende Kamers.

Zou de motie niettemin worden aangenomen, dan vereist dat een novelle op het Belastingplan. Gegeven de behandelingsgeschiedenis in de Tweede Kamer heb ik er geen vertrouwen in dat het daar gaat lukken om zo’n verandering aan te brengen. Die zal opnieuw stuiten op dezelfde meerderheid die tot nu toe in de Tweede Kamer iedere wijziging van de plannen heeft tegengehouden. Dat betekent dat er een impasse kan ontstaan tussen de Kamer hier en de Kamer aan de overzijde op dit belangrijke punt.

Ik kan u wel toezeggen dat het kabinet bij de uitvoering van deze maatregel de gevolgen nauwlettend in de gaten zal houden. Het is niet zo dat wij dat maar doen en het erbij laten. Nee, het is voor ons zeer essentieel om in de gaten te houden wat er in de praktijk gebeurt met de podiumkunst, welke effecten het heeft en of de onderzoeken die beweren dat het wel meevalt met de afname van theaterbezoek ook kloppen. Wij komen later dit jaar met onze visie op het hogere btw-tarief, op de voors en tegens en op de weging daarin. Per saldo, gegeven het feit dat hier sprake is van een verkapt amendement, gegeven het feit ik met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht dat in de Tweede Kamer eenzelfde meerderheid zich manifesteert waardoor de zaak blokkeert, kan ik niet anders dan deze motie ontraden.

De heer Noten (PvdA): Ik maak toch bezwaar tegen de formulering van een verkapt amendement. Het gaat hier om een wens van de Kamer. Dat is geen verkapt amendement, het is gewoon de opvatting van de Kamer die aan de regering wordt medegedeeld. Dat de minister-president dat moet vertalen in een wijziging van het belastingplan, dat kan zijn. Dat weet ik niet. Volgens mij staat niet de vraag centraal of, maar hoe de regering aan deze wens van de Kamer tegemoetkomt. Dat is een fundamentele vraag en zou het vertrekpunt moeten zijn.

Ik begrijp dat er zich praktische problemen voordoen en ik wil daarover graag nadenken. De minister-president denkt dat een novelle niet helpt omdat hij het er aan de overkant niet doorheen krijgt. Daar ben ik gezien zijn overtuigingskracht niet van overtuigd. Ook weet hij zich gesteund door velen in die Kamer. Ik geef hem wel een kans. Er is ook geen probleem wat betreft de Raad van State. De Raad van State heeft al een oordeel uitgesproken over deze wet en was daar buitengewoon negatief over. Ik denk dat hij het kan.

Dat was ten eerste. Ten tweede heeft hij zelf het instrument van de beleidsbeslissing ingezet met betrekking tot het renovatie- en innovatiefonds, waarbij de btw-verlaging later is doorgevoerd en met terugwerkende kracht via een beleidsbeslissing naar 6% is gegaan. De btw-verlaging innovatie en renovatie is per 1 januari, maar is met terugwerkende kracht via een beleidsbeslissing per 1 oktober al ingevoerd. Voor een beleidsbeslissing hoeft hij niet naar de Tweede Kamer, die kan hij gewoon nemen. Ik wil toch echt graag dat de regering nadenkt over de uitvoering van deze motie en dat zij laat zien dat zij wat in haar mars heeft. Die indruk heb ik op dit moment niet.

Minister Rutte: De polsstok reikt zo lang hij is. Op dit punt heb ik niet veel meer dan een tandenstokertje. Daarmee kan ik in de Tweede Kamer de overkant van het water niet bereiken. Ik heb daarover een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, omdat ik dat debat daar heb meegemaakt. Er is door collega’s van mij in alle stevigheid over gedebatteerd en er is gezocht naar oplossingen en openingen. Nogmaals, dit is niet iets dat alleen bij de indieners van deze motie leeft. Ik weet dat het ook leeft bij andere fracties en ook bij het kabinet, laten wij reëel over zijn, maar dit is de situatie. Daarmee ligt er in feite een vorm van een amendement voor.

De heer Noten (PvdA): Neemt u mij niet kwalijk. In deze optiek mogen wij geen opvattingen meer formuleren die niet overeen komen met de opvattingen van de regering. Dat zouden dan altijd amendementen zijn op wetten en dat is natuurlijk onzin. Deze Kamer stelt in een motie vast wat haar gevoelens zijn over dit onderwerp. That’s it. De vraag aan de regering is: gaat u die uitvoeren? Eigenlijk is de vraag aan de regering: hoe gaat u die uitvoeren? Ik begrijp dat er praktische bezwaren zijn, maar ik bied de mogelijkheid aan van de beleidsbeslissing. Dat is heel reëel. U kunt straks het belastingplan hier voorleggen en u kunt middels een beleidsbeslissing de effectuering naar onze opvatting opschorten. Als u dat doet, heeft u veel meer tijd voor een novelle en heeft u tijd om na te denken over hoe u een mogelijk financieel probleem oplost. Maar leg het financiële probleem niet in deze Kamer! Dan gaan wij daadwerkelijk meepraten over begrotingen en over amendementen daarop. Dat wilt u niet en dat willen wij ook niet. Ik geef het aan: naar onze mening is er wel degelijk een praktische oplossing mogelijk waarvoor u de Tweede Kamer niet nodig heeft. Het is ons dringend advies om die oplossing te onderzoeken, vervolgens te gebruiken om over twee weken in de discussie over het belastingplan hier niet in een verkeerde dynamiek terecht te komen. Dat is geen chantage, het is een zorg die ik uitspreek.

Minister Rutte: Met alle respect, ik begrijp de gevoelens en inhoudelijk zouden we elkaar volgens mij een eind kunnen naderen, maar politiek en praktisch gesproken betekent dit dat er een gat wordt geslagen in het belastingplan à 90 mln., dat ongedekt is en alleen kan worden opgelost door een novelle door de Tweede Kamer te laten lopen. Ik acht de kans voor landingsrechten voor zo’n novelle nihil, of grenzend daaraan; de geschiedenis van de behandeling van dit voorstel op dit specifieke onderdeel in de Tweede Kamer wijst dat uit. Ik moet u dat melden, dat is ook mijn taak: u heeft een motie ingediend, het is mijn taak om daar advies over uit te brengen. Mijn advies is: ik ontraad de motie, tegen de achtergrond dat ik van mening ben dat ze, hoewel dit breed leeft, uiteindelijk zal stranden en dan krijg je een impasse. En in alle eerlijkheid denk ik dat dit ook schuurt met de precieze bevoegdheden van beide Kamers. Dat is mijn opvatting. Ik luister heel goed naar u, maar tot nu toe heb ik nog geen argumenten gehoord die mijn opvatting logenstraffen. Maar dat is natuurlijk ook een kwestie van hierover debatten met elkaar voeren.

De heer Noten (PvdA): Inhoudelijk kunnen we van mening verschillen. We moeten nu dan maar concluderen tot dat verschrikkelijke ″we agree to disagree″.

Maar nu de vraag over onze bevoegdheden, want dat vind ik een heel fundamentele vraag. Als wij in uw ogen geen motie meer mogen indienen met betrekking tot welk onderdeel dan ook, die een financiële consequentie heeft voor het door u gevoerde beleid, heeft u een opvatting over deze Kamer die volgens mij echt buiten de orde valt. Deze Kamer mag op elk willekeurig moment, over elk willekeurig onderwerp, haar opvatting op elke willekeurige wijze formuleren. U heeft daar kennis van te nemen, verder niet.

Minister Rutte: Zeker, dat bestrijd ik ook niet.

De heer De Graaf (VVD): Voorzitter. De heer Noten heeft met dat laatste volstrekt gelijk ...

Minister Rutte: Zeker.

De heer De Graaf (VVD): Maar tegelijk heeft de regering, als in deze Kamer een motie wordt ingediend, de mogelijkheid om daarop te reageren. Deze Kamer heeft er dan recht op dat de regering eerlijk reageert en aangeeft wat in haar ogen de kansen zijn voor het effectueren van het doel van de motie. Daarom gaat het. De volgende stap in de procedure is dat er over de motie wordt gestemd, dat die wel of niet wordt aangenomen en dat de regering daar iets mee zal moeten doen of niet.

De heer Noten (PvdA): Ik hecht eraan om echt precies te formuleren. De regering mag een motie afraden, de regering mag ons wijzen op consequenties met betrekking tot de invoering en op die manier ons adviseren om voor of tegen te stemmen. Maar op het laatste moment ging het om de vraag of deze Kamer door de indiening van deze motie, een verkapte vorm van amendement zou introduceren. Daartegen verzet ik mij, dat wijs ik echt af. Als we dat zo interpreteerden, zou dat deze Kamer monddood maken en dat lijkt mij, gezien de huidige staatkundige verhoudingen, niet wijs.

Minister Rutte: Dat deel ik volledig met de heer Noten: de Kamer gaat uiteraard over ieder onderwerp en iedere motie. Maar vanuit mijn rol om te adviseren, moet ik erop wijzen dat uitvoering van de motie, zou zij worden aangenomen, zou leiden tot een novelle in de Tweede Kamer, dat die novelle naar mijn overtuiging niet zal landen en dat daarmee de mogelijkheden voor de regering om deze motie uit te kunnen voeren uiterst beperkt zijn, zo niet afwezig. Daar wijs ik op, als onderdeel ter schraging van mijn advies om de motie per saldo te ontraden.

Ik kom bij de motie van de heer Kox en anderen over de Wsw. Ik wil de Kamer voorstellen om deze motie aan te houden, als dat kan. Ja, dat kan, want de heer Thissen heeft al een motie aangehouden voordat deze werd behandeld; daaruit leid ik af dat dit kan. Ik stel voor om deze motie aan te houden, want zij vraagt om een aantal zaken, bijvoorbeeld om met een alternatief te komen om de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de sociale werkvoorziening te beperken. Hiervoor geldt dat wij in de uitwerking van het beleid zullen laten zien dat wij de instroom beperken, maar wel langs de route dat meer mensen in het reguliere werk terechtkomen. Het tweede dat de motie vraagt is dat er via beleid voor wordt gezorgd dat jongeren met een arbeidshandicap in het reguliere arbeidsproces worden opgenomen. Dat is ondersteuning van het beleid, dat is precies wat wij willen, daar komt ook een regeling voor. De derde uitspraak is dat flankerend beleid een voorwaarde is. Welnu, flankerend beleid zal voor ons geen voorwaarde zijn, maar een integraal onderdeel van het hele pakket van wijzigingen van Wsw, Wajong en bijstand. Per saldo zou ik dus willen zeggen: laten we de motie aanhouden. Wij komen binnenkort met de vormgeving van de nieuwe regeling: staatssecretaris De Krom zal in januari 2011 een notitie sturen over de hoofdlijnen en de contouren van de nieuwe regeling; dat is ook een toezegging in een brief aan de Tweede Kamer, met een kopie naar de Eerste Kamer. Ik hoop dat het kabinet bij die gelegenheid eventuele zorgen kan wegnemen, zonder de ruimte voor de uitwerking van de voorstellen uit het regeerakkoord op voorhand te beknotten. Per saldo is mijn advies dus om de motie aan te houden tot de behandeling daarvan.

De heer Kox (SP): Voorzitter. Met zo’n positieve reactie van de minister-president zou je bijna denken: als hij die motie zo goed vindt, waarom neemt hij haar dan niet over? Dat lijkt me een stuk makkelijker voor deze Kamer; dan is ze afgewerkt en kunnen we verder op basis daarvan en zijn goede bedoelingen. Als we de motie nu aanhouden, hangt ze maar boven de markt. Is overnemen dus ook nog een optie? Misschien kan de regering er nog even over nadenken.

Minister Rutte: Wij hebben erover nagedacht, maar zonder meer overnemen gaat ook niet. De vormgeving van de tweede en derde uitspraak zal bijvoorbeeld wel raken aan, maar niet volledig overeenkomen met de motie. Zo is het gewoon ook in het regeerakkoord geregeld. Ik denk dat de motie meer een aantal uitvoeringsmodaliteiten behandelt en vraagt om op bepaalde zaken te letten, dan dat zij heel directionele uitspraken doet over hoe het beleid moet worden vormgegeven. Het zou mij dan een lief ding waard zijn als De Krom het stuk verstuurt, het debat plaatsvindt en de Kamer daarna beslist of de motie al dan niet voldoende is gehonoreerd.

De heer Kox (SP): Het is zo laat op de avond, ik moet daar nog even over nadenken. Als de regering ook nog even nadenkt over mijn voorstel om de motie over te nemen, horen we over korte tijd wat we gaan doen. Ik ben er nog niet van overtuigd dat het overnemen van de motie geen betere optie zou zijn dan haar aanhouden, maar ik moet er nog even over nadenken.

Minister Rutte: Verder is ingediend de motie van de heer Thissen over de animal cops, toch wel een hoofdpunt van beleid in dit debat. Ik zou deze motie willen ontraden, omdat er echt een verschil in werkzaamheden is tussen animal cops, oftewel opsporingsambtenaren, en gespecialiseerde recherche- en inspectietaken die de heer Thissen noemde. Deze animal cops zijn vooral van belang voor de bestrijding van dierenmishandeling. Uiteraard is er daarnaast alle aandacht voor de overige onderwerpen die de heer Thissen noemde.

De voorzitter: Het volgende over de motie van de heer Thissen. Hij heeft mij verzocht om de Kamer mede te delen dat hij een hoofdelijke stemming vraagt bij de stemmingen van volgende week, zodat iedereen daarvan goede nota kan nemen.

Minister Rutte: Over de animal cops?

De voorzitter: Ja. Ieder lid kan hier een hoofdelijke stemming vragen, er hoeft geen toelichting te worden gegeven.

De heer Thissen (GroenLinks): De heer Rutte sprak op de van hem bekende wijze, een beetje smalend, over hoofdlijnen van beleid. Dit is helemaal geen hoofdlijn, maar wel een pars pro toto voor wat hij heeft afgesproken, en dankzij de medewerking van de PVV. Daarom hebben wij dit uitgelijnd.

Minister Rutte: Nee, ik bedoelde een hoofdlijn van dit debat. Ik zei daarmee niets over het belang van deze animal cops voor het kabinetsbeleid.

De andere motie van de heer Thissen over de voorgenomen bezuinigingen op het rijkgeschakeerde middenveld, is aangehouden. Ik ben niet zozeer tegen de motie, maar het kabinet kiest al voor de directe versterking van de rechten van patiënten, bijvoorbeeld via de Beginselenwet zorginstellingen en het versterken van de mogelijkheden voor de Inspectie voor de gezondheidszorg in het geval van ernstige klachten van patiënten. Het kabinet vermindert om die reden indirecte stimulering door middel van het subsidiëren van patiëntenverenigingen. Naar ons gevoel is dit een overbodige motie; althans wat erin staat, is al onderdeel van beleid. Maar nogmaals, dit komt terug als de motie in stemming komt.

Nu de motie over de gedoogpartner, die de islam niet beschouwt als godsdienst maar als politieke ideologie. Mag ik erop wijzen dat in de eerste overweging staat dat ″hiermee twijfel kan ontstaan over wat onder vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing wordt verstaan en hoe dit grondrecht in beleid en praktijk wordt verdedigd″. Ik wil daarover zeggen dat er geen twijfel kan bestaan over de uitleg van onze vrijheden; die is niet aan afzonderlijke partijen, maar aan de wetgever en aan de rechter. Ik vraag dus aandacht voor de precieze formulering van de eerste overweging in de motie. Verder staat het kabinet ook voor grondrechten als de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van meningsuiting, dus het is breder dan deze motie regelt. Niettemin is de oproep van de motie sympathiek, met dien verstande – en dat blijf ik wel herhalen – dat er binnen de kaders van de rechtsstaat verschillen van opvatting kunnen bestaan en dat die ook mogen blijken tussen bevolkingsgroepen. Per saldo laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.

Nu de motie van de heer Schuurman en anderen over het beleidskader dat de positie van jonge werknemers en startende gezinnen wil versterken. Het beleidskader is er. Mag ik de heer Schuurman in overweging geven om de motie aan te houden? Een aantal zaken die in het reeds bestaande beleidskader, namelijk het regeerakkoord, staan, zullen nog worden uitgewerkt. Bij die gelegenheid zou hij deze motie dan kunnen laten terugkomen. Dat zou wellicht de beste aanpak zijn. Wat hij voorstelt, vind ik namelijk helemaal niet onsympathiek, maar ik ben erg terughoudend met allerlei beleidsnota’s en dergelijke. Willen we met minder ambtenaren toe – en misschien ook met minder Kamerleden, maar in ieder geval met minder ambtenaren – dan moeten we uiteindelijk ook naar minder nota’s toe.

In de motie van de heer Engels wordt geconstateerd dat de internationale grondrechten, de positie van Nederland in de Unie en artikel 90 van de Grondwet zich verzetten tegen een aantal initiatieven uit het gedoogak-koord tot wijziging van verdragen en Europese regelgeving. Ik heb al in mijn antwoord in eerste termijn gezegd dat voorstellen tot wijziging van Europese regelgeving en richtlijnen op het gebied van met name huwelijks- en gezinsmigratie wat mij betreft gewoon aanpassing zijn van regelgeving waarvoor ook bij andere lidstaten steun lijkt te bestaan. Ik heb de Duitse bondskanselier genoemd en de Franse president, maar we zijn ook breder in Europa aan het consulteren en collega Leers is bezig met zijn bilaterale contacten met landen. Ik heb aangegeven dat dit de eerste prioriteit is van het kabinet op dit gebied. De prioriteit ligt dus niet bij de eventuele wijziging van internationale of Europese grondrechten. Ik heb ook in mijn eerste termijn tegen de Kamer gezegd dat daar zeker niet onze prioriteit ligt. Wij zien echter ook geen reden om ons bij voorbaat te binden aan bepaalde interpretaties van internationale rechtsregels of om bij voorbaat af te zien van de mogelijkheid van initiatieven op het gebied van de grondrechten. Het is dus niet onze eerste prioriteit, wij zoeken het in het overleg met andere Europese landen, maar wij willen ons niet op voorhand op dit punt helemaal beperken. Ik wil dan ook per saldo de aanneming van deze motie ontraden, maar ik denk eerlijk gezegd dat de heer Engels en ik het ongeveer eens zijn. De vraag is even of hij de motie nog noodzakelijk vindt na mijn uitleg gehoord te hebben.

Dan kom ik op de motie-Koffeman over de regie bij de Q-koorts. Ik zou per saldo willen zeggen dat het een overbodige motie is, omdat we hebben afgesproken dat, mocht er in het kabinet een conflict ontstaan over de vraag wie ergens over gaat, Verhagen en ik elkaar bellen. Hij zal dan bij uitzondering de telefoon opnemen en dan hakken we binnen een uur de knoop door. In dat telefoongesprek – het duurt meestal een uur voordat ik hem aan de lijn heb – krijgen wij elkaar onmiddellijk aan de lijn en dan hakken wij de knoop door. In de praktijk zal er dus uiteindelijk geen probleem zijn. Er is een reden waarom ik niet op voorhand wil zeggen dat het voortouw altijd bij het ministerie van VWS is. Het zal in heel veel gevallen VWS zijn, maar om dat nu helemaal vast te leggen, vind ik ook weer een inperking, terwijl het misschien in de context van de specifieke crisis in kwestie net handiger zou kunnen zijn om Defensie of Veiligheid en Justitie het voortouw te geven, of het departement van Economische Zaken.

De heer Koffeman (PvdD): Voorzitter. Er zijn heel wat knopen doorgehakt tussen minister Verburg en minister Klink, en minister Klink moest voortdurend het onderspit delven. Er is een onafhankelijke onderzoekscommissie geweest die heeft vastgesteld dat Economie het altijd won van Volksgezondheid. Deze motie beoogt te zeggen dat Volksgezondheid in voorkomende gevallen – we hebben het over zoönosen die gevaarlijk zijn voor mensen – altijd zou moeten winnen van Economie. Het lijkt me helemaal geen goed voorstel van de ministerpresident dat hij en de heer Verhagen met elkaar gaan bellen, dat zij dan met zijn tweeën de knoop doorhakken en dat de minister van Volksgezondheid het dan wel hoort. Dat geeft nu precies aan wat de feitelijke situatie is en daar willen we juist vanaf.

Minister Rutte: Voorzitter. Met alle respect voor de heer Koffeman: hij is de vorige oorlog aan het winnen en ik ben het met hem eens over hoe hij die oorlog wil winnen. Daar zijn wij het volkomen over eens. De vraag is of je nu al weet hoe het volgende probleem eruit gaat zien. Het slechte nieuws is dat ook dit kabinet ongetwijfeld zal leiden tot de instelling van een of twee onder- zoekscommissies wanneer wij een bepaalde kwestie verkeerd zullen hebben aangepakt. Dat is het negatieve feit nummer één. Ik weet niet waar het dan over zal gaan, anders konden we het voorkomen, maar ongetwijfeld gaan ook wij ergens een fout maken. Ik verwijt het vorige kabinet ook niet dat deze fout is gemaakt. Het is goed om ervan te leren. Het risico is alleen dat we vervolgens een incident gaan omzetten in structurele regelgeving, waarbij we er nu al vanuit gaan dat ook het volgende incident zich precies langs die spelregels zal afspelen. Ik weet nu al zeker – feit nummer twee – dat dit niet het geval zal zijn. Daarom vraag ik de Kamer om het kabinet enige ruimte te laten, zodat het daarover in de situatie kan oordelen. De motie is mij sympathiek, de richting spreekt mij aan, maar laat u de finale afweging alstublieft bij het kabinet.

De heer Koffeman (PvdD): Deze motie is niet het gevolg van een incident, maar van een hele reeks incidenten, een grote, terugkerende reeks van incidenten. U sprak sympathiek over het ″no regret″-scenario toen het over Defensie ging. U zei: je moet geen dingen kapotmaken die je misschien niet kunt herstellen. Dat liet u achterwege bij de cultuur en u laat het ook achterwege bij deze kwestie, waar veel mensen aan overleden zijn, ik breng dat nog maar in herinnering. Er kan geen enkele sprake zijn van spijt op het moment dat de minister van VWS in zaken die de volksgezondheid betreffen het voortouw neemt. Dan kan die altijd nog even bellen met u en de knoop doorhakken als ze vindt dat het eigenlijk toch bij de minister van Economische Zaken terecht moet komen. Ik zou zeggen: de hoofdlijn zou u helemaal niet onsympathiek moeten voorkomen. Dat zegt u ook. Dan kunt u de motie eigenlijk beter overnemen dan de aanneming ervan te ontraden.

Minister Rutte: Nogmaals, dan moet ik de motie per saldo ontraden. We zijn het volgens mij wel eens over de vorige kwestie. De vraag is alleen of het weer zo gaat lopen. Ik kan de heer Koffeman wel tegemoetkomen inzake de volgende motie. Daarin wordt de regering verzocht, de afwikkeling van de aangegane verplichtingen mogelijk te maken en bij de herijking en voltooiing van de ehs te zoeken naar kosteneffectieve oplossingen, waarin ook op duurzaam beheer ingerichte agrarische bedrijven een rol kunnen spelen. Deze motie zie ik als ondersteuning van beleid. Aangegane verplichtingen worden nagekomen en het kabinet zet in op duurzaam beheer. In die zin is deze motie ondersteuning van staand beleid.

Dan kom ik op de motie van de heer Ten Hoeve over het paspoort. In de motie wordt gevraagd om een vertaling, in het paspoort, die afwijkt van hetgeen in Europees verband is overeengekomen. Ik wees er eerder al op dat de keuze van niet-gangbare begrippen in andere landen kan leiden tot misverstanden. Binnen die grenzen heeft het kabinet zich ingezet voor de door de heer Ten Hoeve gewenste vertaling. Voor ons weegt heel zwaar een paspoort dat bruikbaar is en waarvan iedereen ook weet uit welk land betrokkene komt. Het kan niet de vraag zijn of dat een nieuw land is. Nee, het is een bestaand land. Daarom ontraad ik per saldo de aanneming van deze motie.

De heer Ten Hoeve (OSF): Voorzitter. Ik begrijp niet helemaal dat de EU hierover de beslissingen genomen heeft die de minister-president noemt, terwijl in de interinstitutionele schrijfwijze van de EU, die door de EU gebruikt wordt, een andere vertaling wordt gegeven. Het lijkt mij goed dat de minister-president deze motie voorlopig toch nog maar eens bekijkt op haar effect.

Minister Rutte: Ik had mij erop voorbereid dat de heer Ten Hoeve en ik het hier eens zouden zijn over het belang van de Friese taal. Dat is ook snel vastgesteld tussen ons beiden, maar nu blijken wij te ruziën over het Lets, het Hongaars en het Roemeens. Ik wacht af wat de Kamer met de motie doet. Mij is een oordeel gevraagd en dat is ontraden. We kijken wat er bij de stemming verder gebeurt.

Ook van mijn kant nogmaals dank – dat zeg ik ook namens de collega’s in het kabinet – voor de zeer plezierige toon van het debat, dat ook in alle scherpte, op de inhoud en in de diepte is gevoerd waar dat nodig was. We zijn het lang niet over alles eens, maar ik stel opnieuw vast waar ik ook mee begonnen ben in mijn beantwoording in eerste termijn, dat uw Kamer zegt: wij beoordelen dit kabinet op zijn daden, laat het maar komen met wetsvoorstellen, die zullen wij gewoon wegen. Op voorhand zijn er geen beloftes, noch de ene kant op, noch de andere kant op. Dat is precies waar ik op had gehoopt toen ik hier vanmorgen naartoe kwam. Ik stel het zeer op prijs dat het debat langs die lijnen is gegaan en ik verheug mij op de verdere discussies in de toekomst. Dat geldt ook voor mijn collega’s in het kabinet, van wie een aantal hier nog zal moeten debuteren.

De voorzitter: Dank u wel. Op zijn verzoek wil ik de heer Schuurman kort nog het woord geven, omdat hij één aanpassing wil doen in zijn motie. Als hij dat hier doet, maakt dat het overbodig om straks weer aangepaste teksten te laten circuleren.

De heer Schuurman (ChristenUnie): Voorzitter. Dank u wel. De minister-president heeft terecht gezegd dat de formulering van de eerste overweging in de motie over godsdienstvrijheid niet klopt. Vandaar dat ik nu graag meteen een betere en zeker door hem ook geaccepteerde formulering zal geven. Dat is dat buiten twijfel dient te staan wat onder vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing wordt verstaan.

Minister Rutte: Dat staat buiten twijfel, voorzitter, want dat is uiteindelijk aan de rechter en aan de wetgever. Ik weet niet of dat verschil maakt, maar laten wij daar even naar kijken. Het doet niets af aan de sympathie die ik heb voor het dictum van de motie. Dit is een opmerking bij een considerans. Het dictum heeft onze sympathie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter: Ik dank de minister-president en de aanwezige leden van het kabinet voor de beantwoording van alle vragen in eerste en tweede termijn.

Ik stel voor, volgende week dinsdag te stemmen over de ingediende moties. Over de motie inzake de animal cops zal hoofdelijk worden gestemd.

Daartoe wordt besloten.

Sluiting 22.15 uur

Lijst van besluiten en ingekomen stukken

Lijst van besluiten

De Voorzitter heeft na overleg met het College van Senioren besloten om:

  • a. 
    de plenaire behandeling van de volgende hamerstukken te doen plaatsvinden op 7 december 2010:

Wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (31915);

Wijziging van een aantal wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde wetstechnische gebreken te herstellen en een aantal verduidelijkingen aan te brengen (Reparatiewet SZW 2011) (32435);

  • b. 
    de plenaire behandeling van de volgende hamerstukken te doen plaatsvinden op 7 december 2010 (onder voorbehoud):

Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2010) (32456);

Wijziging van de Wet op de accijns in verband met de implementatie van de Richtlijn 2010/12/EU van de Raad van 16 februari 2010 tot wijziging van Richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en Richtlijn 2008/118/EG (PbEU L 50) (Implementatie wijziging tabaksaccijns) (32532);

  • c. 
    het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid te doen plaatsvinden op 7 december 2010:

Wijziging van verschillende wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswet-geving) (32421);

  • d. 
    de plenaire behandeling van de volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op 14 december 2010:

Tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland - A (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba - A) (32368);

Derde aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Derde Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) (32428);

  • e. 
    de plenaire behandeling van de volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op 21 december 2010 (onder voorbehoud):

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde een korting te kunnen toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan 65 jaar (32430);

Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011) (32520);

  • f. 
    het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Justitie te doen plaatsvinden op 18 januari 2011:

Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66) (32339);

  • g. 
    het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties te doen plaatsvinden op 18 januari 2011:

Tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland - B (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba - B) (32419);

  • h. 
    de plenaire behandeling van het begrotingsdebat over het NAVO Strategisch Concept te doen plaatsvinden op 1 maart 2011.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

32500 - Miljoenennota 2011
 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact op met René Wijne van ANP. U kunt hem telefonisch bereiken op 070 41 41 424.