Brief staatssecretaris over de verdeelsystematiek WWB - Uitvoering Wet Werk en Bijstand

Deze brief is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 30545 - Uitvoering Wet Werk en Bijstand i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Uitvoering Wet Werk en Bijstand; Brief staatssecretaris over de verdeelsystematiek WWB 
Document­datum 23-05-2006
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST97796
Kenmerk 30545, nr. 2
Van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 545

Uitvoering Wet Werk en Bijstand

Nr. 2

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 mei 2006

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij gevraagd te reageren op een brief van de gemeente Leeuwarden over de verdeelsystematiek van de Wet werk en bijstand (WWB). Dat doe ik graag. Tevens bied ik u met deze brief het advies aan van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) over het W-deel van de verdeelsystematiek. Voordat ik in ga op de brief van de gemeente Leeuwarden en het advies van de Rfv, hecht ik er aan een korte schets te geven van het zogeheten onderhoudstraject voor de verdeelsystematiek.

Het onderhoudstraject voor de verdeelmodellen WWB

In 2004 is de WWB van kracht geworden. De financieringssystematiek is een van de kenmerkende onderdelen van deze wet. Uw Kamer heeft aan dit onderdeel van de wet daarom ook veel aandacht besteed. Het objectief verdeelmodel, kern van de financieringssystematiek, is gefaseerd ingevoerd. Daarbij is voortgebouwd op de modellen die vanaf 2001 in het kader van de Wet financiering Abw c.s. (Wfa) zijn toegepast. Iedere stap is gebaseerd op zorgvuldig uitgevoerd onderzoek en uitgebreid overleg met uw Kamer. Daarbij werden de wens om tot een objectieve verdeling te komen afgewogen tegen de risico’s die dit voor gemeenten mee kon brengen.

Uw en mijn benadering was dat er sprake moest zijn van een evenwichtige en aanvaardbare risicoverdeling. Daarom wordt ook jaarlijks een onderhoudstraject uitgevoerd. Doel van het onderhoud is de kwaliteit van de verdeelmodellen WWB te waarborgen en (zo mogelijk) te verbeteren. Het onderhoudstraject biedt gemeenten en parlement de garantie dat extreme uitkomsten van de verdeelmodellen onderzocht en bekeken worden, en dat de uitkomsten voor gemeenten herkenbaar zijn.

In dat kader plaats ik ook de motie dat het lid Mosterd c.a. indiende bij de begrotingsbehandeling (Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 XV, Motie 54 van het lid Mosterd, Van der Sande, Koşer Kaya, Noorman-den Uyl). De

motie roept op bij nadeelgemeenten te onderzoeken of de uitkomsten van het verdeelmodel voor die gemeenten het gevolg zijn van factoren en parameters die relevant zijn voor de bepaling van de hoogte van het bijstandsbudget in het algemeen en voor de betreffende gemeenten in het bijzonder.

De heer Mosterd heeft bij de beraadslaging over zijn motie in de Kamer laten blijken het verdeelmodel niet opnieuw ter discussie te willen stellen. Daarnaast heb ik aangegeven dat in het onderhoudstraject van de verdeelmodellen in feite alles wordt gedaan waar de heer Mosterd in zijn motie om vraagt. Daarom paste die motie naar mijn mening uitstekend bij het onderhoudstraject voor de verdeelmodellen. De rapportages daarover heb ik op 27 april jl. aan uw Kamer aangeboden.

Brief Leeuwarden

Volgens de gemeente Leeuwarden had in het onderhoudstraject specifiek de nadruk moeten liggen op nadeelgemeenten. Daardoor is nu, volgens de gemeente, in het model geen rekening gehouden met de specifieke omstandighedenvan Leeuwarden. In de brief noemt de gemeente twee specifieke omstandigheden. De eerste is de verdringing op de lokale arbeidsmarkt. Die zou het gevolg zijn van de extreem hoge pendel en de aanwezigheid van studenten aan onderwijsinstellingen. De andere is de aanwezigheid van bijzondere voorzieningen zoals een gevangenis en voorzieningen voor verslavingszorg.

Ik heb mijzelf drie vragen gesteld naar aanleiding van de brief:

  • 1. 
    is in het onderhoudstraject naar specifieke omstandigheden van nadeelgemeenten gekeken?
  • 2. 
    kunnen genoemde specifieke omstandigheden in het verdeelmodel worden betrokken?
  • 3. 
    houdt de financieringssystematiek WWB ten onrechte onvoldoende rekening met specifieke omstandigheden?

Het antwoord op de eerste vraag is onomwonden: ja. Een verkenning bij «uitschieters» was een specifiek onderdeel van het onderhoudstraject. Leeuwarden is een van de gemeenten die door de onderzoekers van APE afzonderlijk is bezocht. De onderzoekers rapporteren hierover op pagina 142 en verder van het Technisch Verslag (bijlage bij Kamerstukken II 2005/06, 30 545, nr. 1). De gemeenten die zijn bezocht hebben uitvoerig de kans gehad om specifieke omstandigheden aan te dragen. Mogelijke onvolkomenheden in de verdeelsystematiek zijn met hen doorgenomen.

De tweede vraag is of die omstandigheden in het model opgenomen kunnen of moeten worden. Een voorstel kan voor een individuele gemeente een verbetering van de verdeling betekenen (in de zin van een betere aansluiting op de uitgaven), maar kan voor alle gemeenten tezamen een verslechtering van de voorspellende waarde betekenen. Daarom wordt elk verbetervoorstel aan de hand van een reeks criteria beoordeeld (zie bijv. p. 6 van het Technisch Verslag). De onderzoekers hebben van drie variabelen vastgesteld dat deze mogelijk een aanvulling kunnen zijn op het huidige verdeelmodel (p. 30 van het onderzoeksrapport, Kamerstukken II 2005/06, 30 545, nr. 1): – de aanwezigheid van een grote studentpopulatie; – krimp van het inwonertal; – industrieel verleden.

De onderzoekers bevelen aan om deze suggesties in de volgende ronde van het onderhoudstraject op hun praktische bruikbaarheid te toetsen. Ik heb deze aanbeveling overgenomen in mijn brief van 27 april.

De derde vraag is of met de huidige financieringssystematiek onvoldoende rekening wordt gehouden met specifieke omstandigheden van nadeelgemeenten zoals Leeuwarden. Naar mijn mening is dat – gezien het vorenstaande – niet het geval. Ook uit de kwantitatieve informatie die mij over Leeuwarden bekend is, leid ik af dat er geen reden is om dat aan te nemen.

Leeuwarden had in 2004 nog een overschot van 2,4 miljoen euro op het I-deel. In 2005 kwam men 1,8 miljoen tekort. Van het W-deel werd in 2004 € 5,8 miljoen niet uitgegeven. In 2005 was het niet uitgegeven bedrag opgelopen tot € 12,5 miljoen. De financieringssystematiek van de WWB (de combinatie van I- en W-deel) zit zodanig in elkaar dat gemeenten met een nadelige bijstandsontwikkeling in staat worden gesteld dit via reïntegratie-inspanningen om te buigen. In Leeuwarden is dat helaas nog niet gelukt: het verloop van het aantal bijstandsontvangers in de periode 2001–2005 was ongunstiger dan in de rest van het land.

Tot slot van de brief vraagt de gemeente naar de omvang van het eigen risico. Dat is bij de behandeling van de invoering van de WWB op tien procent van het toegekende budget gesteld. De gemeente pleit voor een vast bedrag per inwoner. Zij stelt dat dit in het algemeen beter aansluit bij het weerstandsvermogen van gemeenten. In de eerdergenoemde Wfa was het eigen risico begrensd op een bedrag per inwoner óf een percentage van het budget. Omwille van de eenduidigheid is bij de invoering van de WWB gekozen voor één norm (Kamerstukken II, vergaderjaar 2002– 2003, 28 870, nr. 13, bijlage 7 reactie op RWI-advies over de WWB). Met uw Kamer is hierover ook van gedachten gewisseld (Kamerstukken II, vergaderjaar 2002–2003, 28 870, nrs. 48 en 93), maar uiteindelijk heeft een parlementaire meerderheid ingestemd met deze norm. Mijn redenering is dat wie veel uitgeeft ook meer mogelijkheden heeft om te kosten terug te dringen. Een risicobeperking die gerelateerd is aan een bedrag per inwoner komt in gemeenten met relatief veel bijstandsuitgaven te dicht in de buurt van een declaratiestelsel. Ik zie geen reden om in plaats van een percentage nu een vast bedrag per inwoner of per huishouden te hanteren.

Advies Rfv

Bij brief van 27 april 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 545, nr. 1) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de het onderhoudstraject voor de verdeelmodellen Wet Werk en Bijstand. Hierbij heb ik u tevens geïnformeerd over het advies van de Raad voor de Financiële Verhoudingen over het verdeelmodel voor het inkomensbudget. Het advies voor het werkdeel was nog niet gereed. Wel heb ik u in mijn brief al geïnformeerd over mijn voornemen om het verdeelmodel voor het werkbudget niet te wijzigen. Inmiddels heb ik het advies van de Rfv voor de verdeling van het werkdeel ontvangen. Bijgevoegd vind u het advies.1

Ik heb met interesse van het advies kennisgenomen. Ik concludeer dat het advies van de Raad mijn voornemen om het verdeelmodel voor het werk-deel niet aan te passen ondersteunt.

De Raad ziet geen aanleiding het huidige vrij eenvoudige verdeelmodel voor de reïntegratiemiddelen te herzien. De veronderstelling, dat de grote van de groep uitkeringsontvangers een goede indicator is, acht de Raad nog steeds plausibel. Bovendien wordt via de arbeidsmarktkenmerken gecompenseerd voor de zwaarte van de noodzakelijke trajecten. Het verdeelmodel doet volgens de Raad recht aan de gemeentelijke beleidsvrijheid en ondersteunt de prikkelwerking van de WWB. Bovendien zouden bij een aanpassing van het model, volgens de Raad, forse herverdeeleffecten ten opzichte van de huidige verdeling ontstaan waar-

1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

voor een goede inhoudelijke verklaring ontbreekt.

De Raad verwacht dat de besteding van reïntegratiemiddelen zich nog zal ontwikkelen. De Raad concludeert dat daarom te zijner tijd een nieuwe behoeftemeting zou kunnen worden gehouden. Mijns inziens kan dit te zijner tijd prima in het onderhoudstraject voor het verdeelmodel worden opgenomen.

Slot

Ik vind het van belang dat gemeenten zich herkennen in de verdeelsystematiek. Ik heb daarom met de VNG afgesproken dat wij met elkaar zullen zoeken naar een goede norm voor de uitvoering, waaraan de kwaliteit van het verdeelmodel getoetst kan worden. Ik berichtte u daar al over in mijn brief van 27 april. Aan de hand van een dergelijke norm valt dan ook beter vast te stellen of een overschot of tekort aan specifieke omstandigheden toe te schrijven is.

In het onderhoudstraject is naar de specifieke situatie van nadeel-gemeenten gekeken. Dat levert enkele suggesties op voor een volgende ronde van het onderhoudstraject. Op dit moment is er geen aanleiding om de financieringssystematiek aan te passen op de wijze die Leeuwarden voorstelt.

Het advies van de Rfv ondersteunt mijn voorstel om het verdeelmodel voor het werkdeel niet aan te passen.

Ik hoop dat deze brief uw Kamer voldoende aanvullende informatie geeft om een gedegen en voorspoedige behandeling van mijn voorstellen mogelijk te maken.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. A. L. van Hoof

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.