Nota n.a.v. het verslag - Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/54/EG, (PbEG L 176), verordening nr. 1228/2003 (PbEG L 176) en richtlijn nr. 2003/55/EG (PbEG L 176), alsmede in verband met de aanscherping van het toezicht op het netbeheer (Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer) - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
maandag 22 december 2014
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

29 372

Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de

Gaswet ter uitvoering van richtlijn

nr. 2003/54/EG, (PbEG L 176), verordening

nr. 1228/2003 (PbEG L 176) en richtlijn

nr. 2003/55/EG (PbEG L 176), alsmede in verband

met de aanscherping van het toezicht op het

netbeheer (Wijziging Elektriciteitswet 1998 en

Gaswet in verband met implementatie en

aanscherping toezicht netbeheer)

Nr. 15

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 20 april 2004

I. INLEIDING

  • 1. 

    Doel en positionering wetsvoorstel

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de aanvullende vragen van de leden van een aantal fracties. Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om op deze vragen in te gaan en verduidelijking te bieden waar deze wordt gevraagd. Ik vertrouw er op dat deze antwoorden zullen bijdragen aan een goede bespreking van het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering ervan op de hoogte is dat in het Wetsvoorstel aanpassing structuurregeling (Kamerstukken 28 179) de bevoegdheden van aandeelhouders aanzienlijk uitgebreid worden. Waarom is deze ontwikkeling niet meegenomen in de beantwoording van eerdere vragen, zo vroegen zij. Ik ben op de hoogte van het bedoelde wetsvoorstel en van de uitbreiding van de bevoegdheden van aandeelhouders die daarin is voorzien. De met dat wetsvoorstel beoogde versterking van de positie van aandeelhouders laat echter onverlet dat het deelnemingenbeleid van de overheid niet is gericht op het behartigen van publieke belangen door middel van aandeelhouderschap bij individuele bedrijven. Het financiële belang dat ligt besloten in aandeelhouderschap laat zich immers niet onder alle omstandigheden verenigen met publieke belangenbehartiging. Bovendien vergt dat laatste niet zelden andere sturingsmiddelen dan die welke beschikbaar zijn via aandeelhouderschap. Publieke belangen moeten in beginsel dan ook los van het gebruik van privaatrechtelijke (eigenaars)bevoegdheden door overheidsaandeelhouders kunnen worden gecontroleerd. Dat laat onverlet dat het waarborgen van publieke belangen het wenselijk kan maken dat tot op zekere hoogte eisen worden gesteld aan het aandeelhouderschap in bedrijven die zijn belast met een taak van algemeen belang.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering de mening van deze leden deelt dat de wereld maar in beperkte mate maakbaar is door middel van wetten en regels, en dat sturing via wetgeving niet superieur is aan sturing via eigendom, gegeven het feit dat eigendom wettelijk is beschermd en dus de met eigendom gepaard gaande invloed nooit helemaal kan worden uitgesloten. Ik onderschrijf dat de wereld maar in beperkte mate maakbaar is met wetten en regels, en ik onderken de betekenis van eigendomsmacht. Desalniettemin is het publiekrecht en het privaatrecht de primair aangewezen weg waarlangs de overheid gedrag van burgers en bedrijven reguleert. Ingekaderd binnen principes van de rechtsstaat kan publiekrechtelijke overheidsinterventie private eigendom-smacht in hoge mate beperken. Het eigendomsprotocol bij het EVRM laat regulering van eigendom in het algemeen belang toe. Waar publieke belangen dat vereisen kan die regulering de aan eigendom verbonden invloed vergaand beperken, of kan onder omstandigheden zelfs het in overheidshanden brengen van eigendom en daarmee het geheel uitsluiten van private eigendomsinvloed aangewezen zijn, mits alsdan de eigendomsontneming gepaard gaat met een passende compensatie.

  • 2. 

    De bevoegdheidsverdeling tussen de Minister en de DTe

De leden van de fractie van het CDA vroegen naar de uitgangspunten ten aanzien van de ministeriële regelingen betreffende de switch-verplichtingen, etikettering en de tegemoetkomingsregeling. Tevens vroegen deze leden meer duidelijkheid te scheppen over de door de Dienst uitvoering en toezicht energie (hierna: DTe) te hanteren methodiek m.b.t. kwaliteitsregulering.

Het voorgestelde systeem van kwaliteitsregulering betreft de regionale netbeheerders en omvat op hoofdlijnen de volgende vier stappen:

  • 1. 
    Methodebesluiten x en q. Hierin legt de directeur DTe de methoden vast voor de berekening van de waarden van de x en de q, zoals bedoeld in de voorgestelde artikelen 41b Elektriciteitswet 1998 en 81b Gaswet. Het x-methode besluit en het q-methodebesluit gelden voor alle regionale netbeheerders en hebben in beginsel betrekking op één reguleringsperiode (3–5 jaar).
  • 2. 
    Vaststellingsbesluiten voor de waarden van x en q. Hierin stelt de directeur DTe voor elke regionale netbeheerder afzonderlijk de waarden van de x, resp. van de q vast. Het x-vaststellingbesluit en het q-vaststellingsbesluit worden dus voor elke regionale netbeheerder afzonderlijk vastgesteld en hebben in beginsel betrekking op één reguleringsperiode (3 – 5 jaar).
  • 3. 
    Tariefvoorstellen van netbeheerders. Elke netbeheerder zendt de directeur DTe jaarlijks zijn voorstel voor de tarieven die hij voor de onderscheiden diensten in het komende jaar voornemens is te rekenen.
  • 4. 
    Tariefbesluiten DTe. Hierin stelt de directeur DTe voor elke regionale netbeheerder afzonderlijk, voor de onderscheiden diensten van elke netbeheerder de tarieven vast die de netbeheerder ten hoogste mag rekenen voor deze diensten. De tariefbesluiten hebben in beginsel betrekking op één jaar.

In het systeem van kwaliteitsregulering wordt de waarde van q bepaald door twee factoren, te weten de door de netbeheerder geregistreerde onderbrekingen en de waarde die aan onderbrekingen wordt toegekend. Netbeheerders worden daarom verplicht om een registratie van onderbrekingen bij te houden, welke moet voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen betreffende de volledigheid, juistheid en vergelijkbaarheid. De DTe ziet daarop toe. Netbeheerders werken momenteel aan certificatie van de registratie. Zodra dit certificatiesysteem operationeel is en ik heb vastgesteld dat deze certificatie voldoende zekerheid biedt dat de registraties voldoen aan de genoemde eisen betreffende de volledigheid, juistheid en vergelijkbaarheid, zal ik bij ministeriële regeling vastleggen dat

netbeheerders met deze certificatie aannemelijk kunnen maken dat zij voldoen aan de eisen. De waardering van onderbrekingen zal gebaseerd worden op de waarde van de niet geleverde energie. In opdracht van de DTe voert de Stichting Economisch Onderzoek (SEO) onderzoek hiernaar uit. De waarde die afnemers toekennen aan de niet geleverde energie vormt hierin het uitgangspunt. Ik verwacht dat dit onderzoek op korte termijn afgerond en gepubliceerd zal worden.

De ministeriële regelingen waar de leden van de CDA-fractie naar vroegen zijn momenteel in voorbereiding. Onlangs heb ik marktpartijen geconsulteerd over de beoogde inhoud. Ik ben blij dat diverse partijen van de mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om opmerkingen en suggesties kenbaar te maken. Binnen de grenzen van de juridische inpasbaarheid en beleidsmatige wenselijkheid maak ik hier uiteraard zoveel mogelijk gebruik van. In de genoemde consultatie was ook de beoogde uitwerking betrokken van de rapportageverplichtingen voor netbeheerders zoals voorgesteld in de artikelen 19b Elektriciteitswet 1998 en 35b Gaswet. Uit de reacties die ik daarover heb ontvangen concludeer ik dat deze verplichtingen reeds zijn ingevuld met de bestaande informatiestromen van de netbeheerders aan de DTe en dat het niet nodig is om hierover nadere regels vast te leggen in een ministeriële regeling op grond van deze artikelen.

Hieronder geef ik een beknopt overzicht van de beoogde inhoud van de bepalingen betreffende de tegemoetkomingsregeling, de switch-verplichtingen en de stroometikettering.

De voorgenomen tegemoetkomingsregeling zal de huidige compensatieregeling vervangen welke is vervat in de netcode. Met de tegemoetkomingsregeling beoog ik netbeheerders te stimuleren om onderbrekingen snel te herstellen. Daarnaast wil ik er met deze regeling in voorzien dat afnemers die te maken hebben gehad met een onderbreking in het transport recht hebben op een standaard tegemoetkoming. Bij de uitwerking van deze regeling ga ik uit van de bestaande compensatieregeling; waar wenselijk breng ik aanpassingen en verfijningen aan. Zo ben ik voornemens om de tegemoetkoming stapsgewijs afhankelijk te maken van de duur van de onderbreking. Doel daarvan is dat er ook ná overschrijding van de tegemoetkomingsvrije hersteltijd nog een prikkel tot snel herstel blijft bestaan. Bovendien sluit deze verfijning beter aan bij de geleden schade. Voorts wil ik de tegemoetkomingsvrije hersteltijd afhankelijk maken van het spannings- c.q. drukniveau waarop de onderbreking is veroorzaakt, aangezien de in de praktijk haalbare hersteltijden verschillen per niveau van spanning en druk. Het verdient de voorkeur om de beoogde prikkel daarop af te stemmen.

De beoogde bepalingen inzake de switchverlichtingen betreffen in hoofdzaak de formalisering van de bestaande procedures voor switch van leverancier van elektriciteit en gas, zoals thans vastgelegd in Bijlage 1 van de Netcode respectievelijk het Model technische Aansluitvoorwaarden Gas. De zogeheten «inhuis- en uithuisswitches» in geval van verhuizingen blijven onderdeel van de bestaande codes. Voorts zal expliciet worden bepaald dat switchkosten niet worden verhaald op kleinverbruikers (Annex A van de tweede elektriciteitsrichtlijn en de tweede gasrichtlijn). Bij stroometikettering staat mij op hoofdlijnen voor ogen om in de ministeriële regeling vast te leggen dat leveranciers met ingang van 1 januari 2005 afnemers minimaal eenmaal per jaar via het «stroometiket» dienen te informeren over de opwekkingsgegevens. Deze informatie betreft de portfolio van de leverancier van het voorgaande kalenderjaar en moet betrouwbaar, functioneel en begrijpelijk zijn. Immers, de administratieve lasten van het systeem dienen zo beperkt mogelijk te zijn. Bij de nadere uitwerking van het systeem zal ook rekening worden gehouden met de richtsnoeren die recentelijk door DG Energie en Transport van de Europese Commissie zijn afgegeven.

De leden van de fractie van het CDA vroegen waarom wordt gekozen voor een systeem waarbij netbeheerders individuele voorwaarden vaststellen. Voorts vroegen deze leden hoe dit systeem zich verhoudt tot de samenwerking tussen netbeheerders om een betrouwbare elektriciteitsvoorziening te waarborgen. De leden van de fractie van D66 vroegen of het systeem van gereguleerde toegang tot de elektriciteitsnetten wordt vervangen door een systeem van onderhandelde toegang. In het wetsvoorstel en de daarbij behorende nota van wijziging worden de voorwaarden van de gezamenlijke netbeheerders zoals bedoeld in artikel 31 en verder van de Elektriciteitswet 1998 vervangen door voorwaarden van individuele netbeheerders. Dat is een gevolg van de verduidelijking van de verdeling van bevoegdheden tussen de Minister van Economische Zaken en de directeur DTe. Het feit dat de voorwaarden van gezamenlijke netbeheerders worden vervangen door voorwaarden van individuele netbeheerders wil zeker niet zeggen dat er sprake is van een systeem van onderhandelde toegang. Ook in de nieuwe situatie is sprake van toegang tot de elektriciteitsnetten tegen vooraf vastgestelde tarieven, die gebaseerd zijn op door de DTe goedgekeurde tariefstructuren. Ook de voorwaarden worden vooraf ter goedkeuring aan de DTe voorgelegd. Bij de beoordeling door de DTe van deze voorwaarden in het kader van de goedkeuringsprocedure toetst de DTe deze voorwaarden aan de in een ministeriële regeling gestelde eisen. Afnemers hoeven daarover derhalve niet te onderhandelen.

Het wetsvoorstel en de daarbij behorende nota van wijziging bevatten bepalingen die ertoe strekken een nadere invulling te geven aan de bevoegdheidsverdeling tussen de Minister van Economische Zaken en de directeur DTe. Het uitgangspunt daarbij is dat alle algemeen verbindende voorschriften door de Minister van Economische Zaken worden opgesteld vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van de ordening van de energiemarkt. Deze voorschriften van de Minister van Economische Zaken vormen het toetsingskader voor de DTe. Daarmee wordt een duidelijke scheiding tussen beleid en uitvoering aangegeven. De bevoegdheid van de directeur DTe om gezamenlijke voorwaarden, en daarmee ook algemeen verbindende voorschriften vast te stellen is niet in overeenstemming met de beoogde scheiding tussen beleid en uitvoering. De huidige voorwaarden van de gezamenlijke netbeheerders bevatten regels die ten doel hebben de interoperabiliteit van de netten te waarborgen. Deze regels dwingen de netbeheerders ertoe om uniforme procedures te hanteren waar dat vanwege de interoperabiliteit van de netten of een goede werking van het systeem nodig is. Met het oog op een betrouwbare elektriciteitsvoorziening is het van belang dat deze regels blijven bestaan. In de nieuwe situatie zullen deze thans door de gezamenlijke netbeheerders vastgestelde regels worden opgenomen in de ministeriële regeling op grond van het voorgestelde artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998.

De leden van de PvdA-fractie wilden weten of de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid krachtens artikel 6 van de Elektriciteitswet 1998 ook blijft bestaan indien de NMa een ZBO zou worden. In wetsvoorstel 27 639, dat thans bij de Eerste Kamer ligt, is voorzien in een soortgelijke sturings-bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken. De vraag van de leden van de PvdA-fractie kan derhalve bevestigend beantwoord worden.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de grens tussen het beleid van de Minister van Economische Zaken en de beschikkingspraktijk van de DTe. Het beleid van de Minister van Economische Zaken en de beschikkingspraktijk van de DTe zijn te beschouwen als communicerende vaten. De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het beleid op het gebied van elektriciteit en gas. Dit uitgangspunt blijkt reeds uit het wetsvoorstel, en in versterkte mate uit de nota van wijziging. Als

voorbeeld verwijs ik naar de voorwaarden voor netbeheerders van elektriciteitsnetten. Bepaalde zaken die de DTe thans vastlegt in voorwaarden voor de netbeheerders, zullen als gevolg van het wetsvoorstel worden opgenomen in een ministeriële regeling. Op basis van deze ministeriële regeling keurt de DTe in individuele gevallen de voorwaarden van netbeheerders goed. Naarmate de ministeriële regeling gedetailleerder is, zal de DTe minder ruimte hebben om bij de toetsing van de voorwaarden een eigen interpretatie te geven. Waar de ministeriële regeling globaler is, zal de DTe een eigen beleid moeten ontwikkelen om de beschikkingspraktijk invulling te geven. De grens tussen het beleid van de Minister van Economische Zaken en de beschikkingen van de DTe kan dus van onderwerp tot onderwerp verschillen, en zal worden bepaald door de invulling van de wet- en regelgeving door de Minister van Economische Zaken. Uiteraard zal de kennis en ervaring van de DTe een belangrijke bron zijn bij het opstellen van de ministeriële regelingen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen wanneer de Kamer het Relatiestatuut EZ-NMa tegemoet zou kunnen zien. Het wetsvoorstel tot verzelfstandiging van de NMa (Kamerstukken 27 639) ligt in de Eerste Kamer. Thans wordt, vooruitlopend op de verzelfstandiging van de NMa, gewerkt aan een Relatiestatuut EZ-NMa. Dit Relatiestatuut zal ik naar verwachting vóór het zomerreces naar de Kamer kunnen sturen. Inmiddels zijn afspraken gemaakt tussen mij en de directeur DTe betreffende de verduidelijking van de bevoegdheidsverdeling en onze verantwoordelijkheden en zijn in dit kader ook voorstellen gedaan in onderhavig wetsvoorstel. Ik ben voornemens om deze afspraken te formaliseren in een bij voornoemd Relatiestatuut opgenomen appendix voor de DTe, teneinde ook in de werkrelatie met deze sectorspecifieke toezichthouder zo snel mogelijk de beoogde verheldering van verantwoordelijkheden en bevoegdheden te bewerkstelligen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom voor de regels over de tarieven niet is gekozen voor een wet of een algemene maatregel van bestuur. Algemeen uitgangspunt van wetgevingsbeleid is dat in een wet in formele zin de reikwijdte en de structurele elementen van de regeling opgenomen moeten worden. Veelal zullen ook de voornaamste duurzame normen in een wet in formele zin opgenomen worden. De wet kan vervolgens bepalen dat onderwerpen in een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling nader worden uitgewerkt. Een ministeriële regeling is het aangewezen instrument indien het gaat om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. Voor de transporttarieven voor gas en elektriciteit zijn verschillende voorzieningen getroffen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, die op onderdelen in het voorliggende wetsvoorstel worden gewijzigd. De berekeningsmethodiek voor transporttarieven voor kleinverbruikers van gas en voor alle afnemers van elektriciteit zijn vastgelegd in de wet in formele zin. Voor de andere afnemers van transportdiensten van gas dan de kleinverbruikers, is ter implementatie van de Europese regelgeving in het voorgestelde artikel 12 van de Gaswet opgenomen dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de berekeningsmethodiek van de tarieven. In ditzelfde artikel zijn, gebaseerd op de Europese regelgeving, de randvoorwaarden voor de invulling van deze regeling opgenomen.

De leveringstarieven zullen in een volledig geliberaliseerde markt niet meer gereguleerd zijn. Reden hiervoor is dat voor de afnemers van elektriciteit en gas keuze zal bestaan uit verschillende leveranciers met verschillende prijzen. In artikel 95b van de Elektriciteitswet 1998 en in artikel 44 van de Gaswet is voor de levering van elektriciteit respectievelijk gas aan

kleinverbruikers een mogelijkheid opgenomen voor de directeur DTe om, in geval van onredelijke tarieven, in te grijpen.

Naar mijn mening bestaat er geen noodzaak om, meer dan thans het geval is, bepalingen over tarieven in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet op te nemen en sluit het gekozen stelsel aan bij het algemene uitgangspunt dat de hoofdzaken in de wet worden geregeld, en dat de gedetailleerde uitwerking plaats vindt bij ministeriële regeling.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar een overzicht van de bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken, de DTe en de TSO, zowel voor de gasmarkt als de elektriciteitsmarkt. Ook vroegen zij in te gaan op de verschillen in bevoegdheden tussen beide markten. Op hoofdlijnen zijn de bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken de DTe en de TSO gas als volgt. De Minister van Economische Zaken heeft bevoegdheden op het terrein van het opstellen van regelgeving, aanwijzing van netbeheerders, goedkeuring van statuten van de netbeheerder van het hoogspanningsnet, vergunningverlening voor levering aan kleinverbruikers, opleggen van investeringsplicht, verlenen van ontheffing van toegangsregels ten behoeve van nieuwe landsgrensoverschrijdende infrastructuur en gasopslag, monitoren van leverings- en voorzieningszekerheid, goedkeuren van privatisering, geven van aanwijzingen aan de DTe en goedkeuren van het handhavingsplan van de DTe. Op gasgebied komt daar nog het vaststellen van een productieplafond voor het Groningenveld bij. Bij elektriciteit heeft de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid een tender uit te schrijven voor het bouwen van productievermogen. Een deel van deze taken heeft de Minister van Economische Zaken aan de DTe gemandateerd zoals verstrekken van een leveringsvergunning voor de levering van elektriciteit of gas aan kleinverbruikers, beoordelen uitvoering milieutaak door gasbedrijven, beoordelen calamiteiten plan van Gasunie, vaststellen tariefdrager voor het transportonafhankelijke element van het transporttarief voor elektriciteit. De directeur DTe heeft onder meer de volgende wettelijke dan wel door de directeur-generaal van de NMa c.q. de Minister van Economische Zaken aan hem gemandateerde taken: toezicht houden op de naleving van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, goedkeuren van de tariefstructuren, resp. berekeningsmethodieken van tarieven en voorwaarden voor aansluiting en het transport van elektriciteit en gas, vaststellen van aansluit-tarieven, transporttarieven voor elektriciteit en gas met inbegrip van de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering van de netbeheerders voor transport ten behoeve van kleinverbruikers, het geven van bindende aanwijzingen met betrekking tot de indicatieve tarieven en voorwaarden voor gasopslag, zonodig maximumtarieven stellen voor levering van gas en elektriciteit, beoordelen of netbeheerders in de totale behoefte aan transportcapaciteit kunnen voorzien, beoordelen of de vergunninghouders in voldoende mate en op doelmatige wijze kunnen voorzien in de behoefte, beslechten van geschillen, beslissen op klachten, voorrang geven aan transporten op landsgrensoverschrijdende netten, adviseren van de Minister van Economische Zaken over aanvragen om instemming met de aanwijzingen van de netbeheerders elektriciteit en gas en over aanvragen om ontheffing van de plicht tot aanwijzing van een netbeheerder elektriciteit en het adviseren van de Minister van Economische Zaken over concept ministeriële regelingen met betrekking tot tariefstructuren en berekeningsmethodieken van de tarieven voor elektriciteiten gastransport.

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft bevoegdheden met betrekking tot de verstrekking van een subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie, de uitgifte en beheer van de garanties van oorsprong en het veilen van capaciteit op de landsgrensoverschrijdende netten. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet

heeft de bevoegdheid om voorwaarden te stellen aan de wijze waarop gas van kleine velden wordt ingenomen.

De verschillen tussen beide wetten waar deze leden naar vroegen zijn terug te voeren op de verschillen tussen beide markten en op beleidsinstrumenten zoals kleine veldenbeleid en de subsidie voor de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie.

2.1 Rol representatieve organisaties

De leden van de fractie van de VVD vroegen om een nadere toelichting op het schrappen van artikel 33 van de Elektriciteitswet 1998, waarin het overleg tussen netbeheerders en representatieve organisaties van partijen op de energiemarkt is vastgelegd. De leden van de fractie van de PvdA gaven aan moeite te hebben met het noemen van de administratieve lasten als argument om het overleg tussen netbeheerders en representatieve organisaties af te schaffen. Het schrappen van het desbetreffende artikel houdt verband met de wijziging van de procedure tot vaststelling van de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998. In de gewijzigde procedure dienen de netbeheerders individuele voorwaarden in. De directeur DTe toetst de voorwaarden aan de bij ministeriële regeling tot stand te komen regels. Het gevolg hiervan is dat het overleg tussen de netbeheerders en representatieve organisaties over de voorstellen van de gezamenlijke netbeheerders niet langer relevant is. Ook overleg over de individuele voorwaarden acht ik niet noodzakelijk, aangezien die voorwaarden genormeerd worden door de tot stand te komen ministeriële regeling. Het bij wet vastleggen dat dit overleg plaats moet vinden, acht ik dan ook niet nodig. Met de leden van de VVD-fractie meen ik dat alle partijen op de elektriciteitsmarkt in de gelegenheid moeten worden gesteld hun standpunten ten aanzien van de tot stand te komen regeling naar voren kunnen brengen. Dat vind ik van belang omdat dit bijdraagt aan een goede kwaliteit en een breed maatschappelijk draagvlak van deze regeling. Daarom zullen de directeur DTe, netbeheerders en representatieve organisaties van marktpartijen worden geraadpleegd, alvorens de desbetreffende ministeriële regeling wordt vastgesteld. De inbreng van deze organisaties op de tot stand te komen regels met betrekking tot de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 is daarmee geborgd. Het inperken van de administratieve lasten is niet de reden om het desbetreffende overleg af te schaffen. Het bij wet vastleggen dat dit overleg plaats moet vinden, zou echter wel een overbodige administratieve last met zich mee kunnen brengen. Het feit dat de betrokken organisaties er voorstander van zijn om het overleg voort te zetten doet daar niets aan af.

  • 3. 

    Marktopening per 1 juli 2004

De leden van de PvdA-fractie vroegen in te gaan op de brief van de Consumentenbond van 2 april 2004 en met name op de onderdelen warmte, schijnaanbod en oneerlijke handelspraktijken. In zijn algemeenheid wil ik over de civielrechtelijke onderwerpen, die de Consumentenbond aansnijdt, opmerken, dat onderwerpen als oneerlijke handelspraktijken en schijnaanbiedingen kunnen spelen op alle markten. In mijn brief van 6 oktober 2003 heb ik al aangegeven, welke bescherming reeds uit het reguliere consumentenrecht voortvloeit, ook voor de consumenten van energie. Deze bescherming is overigens, anders dan de Consumentenbond in zijn brief opmerkt, niet louter reactief: het collectieve actierecht brengt ook mee dat, bijvoorbeeld bij de voorzieningenrechter, een verbod voor de toekomst kan worden gevraagd van bepaalde oneerlijke handelspraktijken. Nu gas en elektriciteit hoe langer hoe meer «gewone goederen» gaan worden (zoals ook blijkt uit het feit, dat de bepalingen inzake consumentenkoop van toepassing worden) zal ook de werking van

het reguliere burgerlijke recht (soms als aanvulling op sectorale regelgeving) zich steeds meer doen gevoelen, en ook steeds meer moeten volstaan. De implementatie van Europese regelgeving op het bredere consumententerrein zal afzonderlijk worden aangepakt; wel worden thans de in de Europese sector-regelgeving opgenomen consumentenbepalingen geïmplementeerd in de Nederlandse sector-regelgeving. In mijn brief van 3 september 2003 over de voorzienings- en leveringszekerheid energie heb ik regelgeving aangekondigd voor warmtelevering. Doel daarvan is o.a. het beschermen van warmteklanten tegen onredelijke tarieven. Ik streef naar een transparante tariefstelling voor warmte met als basis het alom bekende «niet meer dan anders» beginsel. De gasprijs voor kleingebruikers zal daaraan onlosmakelijk verbonden blijven. Ik werk dit momenteel uit en betrek daarbij vanzelfsprekend de visies van belanghebbenden. Het verzoek om op dit terrein op afzienbare termijn met heldere regulering te komen komt aldus overeen met mijn voornemen.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen in te gaan op de stelling van de Consumentenbond dat de vrije elektriciteits- en gasmarkt komende juli een puinhoop te zien zal geven. Ook vroegen deze leden in te gaan op de grote hoeveelheid klachten over de facturering die bij de Consumentenbond binnenkomen. Ik heb geen reden aan te nemen dat de marktopening per 1 juli tot chaos zal leiden. Eerder heeft ook de commissie Van Rooy uitgesproken dat de marktopening mogelijk en verantwoord is. Ik merk nogmaals op dat een geheel vlekkeloze opening niet gegarandeerd is, omdat fouten in de administratieve systemen mogelijk pas bij het invoeren van een mutatie aan het licht komen. Op dat moment is het beschikbaar zijn van voldoende menskracht belangrijk. Ten aanzien van dit laatste en over de vraag in hoeverre de energiebedrijven zich voorbereiden op het switchen van kleinverbruikers heb ik de DTe gevraagd mij te rapporteren. Ik heb u hierover op 15 maart geïnformeerd (Kamerstukken II, 2003/04, 29 372 nr. 17).

De berichten dat de Consumentenbond veel klachten over de facturering door energiebedrijven zou ontvangen, hebben mij ook bereikt. Ik heb echter geen zicht op de aard en omvang van deze klachten, maar elke klacht is uiteraard te betreuren. Ik heb overigens begrepen dat de Consumentenbond de betreffende energiebedrijven hier ook op aanspreekt. Vanaf 1 juli kunnen klanten die ontevreden zijn over de dienstverlening van hun bedrijf ervoor kiezen over te stappen naar een ander bedrijf. Ik verwacht dat een prikkel uitgaat om het factureringsproces zo snel mogelijk voor 1 juli 2004 te verbeteren. Bovendien publiceert de DTe sinds 6 april jl. ontvangen klachten over bedrijven met naam en toenaam op haar website. Daarnaast heeft de DTe, mede naar aanleiding van klachten, aangekondigd binnenkort met de Nederlandse energiebedrijven te overleggen om eenduidige criteria te formuleren waaraan een energierekening dient te voldoen. Tenslotte is in het algemeen overleg van 16 april jl. afgesproken nader in te gaan op een aantal klachten over energiebedrijven. Zoals afgesproken worden deze klachten thans door de Dte nader onderzocht.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen welke noodmaatregelen de bedrijven, de Minister van Economische Zaken en de DTe in voorbereiding hebben als meer dan 5% in de eerste maand of in de maanden daarna zou overstappen. De netbeheerders hebben volumetesten uitgevoerd om te beoordelen of zij genoemde volumes van switches kunnen verwerken. Dit heeft niet tot problemen geleid en mogelijk kunnen de netbeheerders nog grotere volumes verwerken. Belangrijker is echter hoe bedrijven omgaan met uitval. Met uitval worden niet, of niet volledig (automatisch) verwerkte switchaanvragen bedoeld. Deze dienen dan handmatig te worden afgehandeld. De netbeheerders hebben hiervoor speciale «uitval-teams» in het leven geroepen die deze switchaanvragen verder

verwerken. De grootte van deze teams is afhankelijk van het aantal aansluitingen, het verwachte uitvalpercentage en de door de netbeheerder verwachte hersteltijd per situatie. Het is de verantwoordelijkheid van iedere netbeheerder een en ander voor zijn specifieke situatie te beoordelen. Ik heb de DTe gevraagd deze risicomanagement aspecten in de door de DTe uit te voeren quick scan mee te nemen. Daarnaast hebben de bedrijven op sectorniveau gezamenlijk RiCoM (Risico en Communicatie Management) in het leven geroepen. In het geval dat er ergens in de sector grootschalige achterstanden ontstaan, zal RiCoM in samenspraak met de bedrijven beoordelen hoe tot een oplossing te komen en hoe hierover te communiceren met klanten en andere belanghebbenden. Daarnaast zal RiCoM het oplossingsproces ondersteunen. Deze risicomanagement aanpak wordt zo lang als noodzakelijk wordt geacht, in stand gehouden.

Tevens merk ik op dat de netbeheerders het mogelijk maken eerder dan vijf werkdagen voor 1 juli switchverzoeken in te dienen. Op die manier is het mogelijk een buffer van switches te vormen die al administratief kan worden voorbereid en per 1 juli doorgevoerd kan worden. Mochten zich onverhoopt extreem veel switchaanvragen voordoen, dan zullen klanten mogelijk enkele dagen langer dan de geldende switchtermijnen bij hun oorspronkelijke leverancier blijven. Ik bezie op dit moment in het kader van het vastleggen van de switchverplichtingen in een ministeriële regeling of het zinvol is de geldende switchtermijn van vijf werkdagen voor een eerste periode na marktopening te verlengen tot maximaal tien werkdagen voor het geval zich problemen voordoen. Ik verwacht van energiebedrijven dat zij hierover adequaat met klanten zullen communiceren. Dit brengt overigens de levering van gas en elektriciteit niet in gevaar.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom een splitsing van huishoudelijke afnemers en zakelijke afnemers grote problemen oplevert terwijl dit in het buitenland wel kan. De huishoudelijke en zakelijke afnemers zijn als zodanig in Nederland niet te identificeren. Een BTW-nummer is bijvoorbeeld niet voldoende, omdat iedereen onder bepaalde voorwaarden zich als ondernemer bij de Kamer van Koophandel kan inschrijven en een BTW-nummer kan aanvragen, ongeacht of de energie voor zakelijk of huishoudelijk gebruik wordt aangewend. Ook zijn er ondernemers die niet BTW-plichtig zijn. Een ander voorbeeld is de zakelijke afnemer met kantoor aan huis. Hier is sprake van één aansluiting, die zowel voor huishoudelijk als zakelijk gebruik is. Het is dan niet vast te stellen of het gebruik van de energie zakelijk of huishoudelijk is. In Nederland wordt daarom geen onderscheid gemaakt naar het soort gebruik van energie, maar naar het jaarverbruik (gas) of de aansluitwaarde (elektriciteit). Verbruik en aansluitwaarde zijn objectief vast te stellen, soort gebruik (kleinzakelijk of particulier) niet. Bij de uitwerking van de afspraken voor de vormgeving van de energiemarkt door het Platform Versnelling Energieliberalisering (PVE) is nooit met deze situatie rekening gehouden.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom uit krantenberichten blijkt dat energiebedrijven een slechte en zelfs verslechterende reputatie hebben en of dit reden tot zorg is voor de regering. Ik constateer met de leden van de fractie van de PvdA dat er in diverse media melding gemaakt wordt van klachten over de service van energiebedrijven. Het onderwerp staat duidelijk in de belangstelling. Het is in mijn ogen een teken van kracht dat consumenten scherp letten op hun positie als afnemer van energie en hun leverancier dwingen tot transparantie. Ik heb de indruk dat deze klachten voor een belangrijk deel te maken hebben met onduidelijkheden op de jaarnota’s die klanten ontvangen. Zoals eerder opgemerkt zal de DTe binnenkort met de Nederlandse energiebedrijven overleggen om eenduidige criteria te formuleren waaraan een energierekening dient te voldoen. Service zal naast prijs een van de elementen zijn die klanten

zullen betrekken bij de vraag van wie zij elektriciteit en gas geleverd willen krijgen. Het is goed denkbaar dat bedrijven met een slechte reputatie zich na 1 juli uit de markt zullen prijzen.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar de voortgang op het gebied van klachtenregistratie op Internet. Tevens vroegen deze leden waarom nog geen prijsvergelijkingen op Internet worden gepubliceerd. Ik kan melden dat de DTe sinds 6 april jl. via haar website klachten over energiebedrijven met naam en toenaam publiceert. Klachten per bedrijf zijn ondergebracht in drie categorieën: switchen, werving en facturering. Ik juich dit initiatief van de DTe, dat op advies van de commissie van Rooy tot stand is gekomen, van harte toe. Ik deel de mening van de leden van de PvdA-fractie dat prijs- en kwaliteit-transparantie van belang is. Daarom ook heb ik een website kiesenergie.nl in het leven geroepen welke consumenten antwoord geeft over de vragen die kunnen leven op het gebied van energie. De leden van de PvdA-fractie doelen waarschijnlijk ook op het bestaan van prijsvergelijkingssites. Op Internet zijn er diverse particuliere initiatieven waar afnemers terecht kunnen voor het vergelijken van tarieven en voorwaarden van energiebedrijven. Via deze websites kunnen ook offertes worden aangevraagd. Voorts heb ik begrepen dat ook de Consumentenbond een dergelijke website overweegt te openen. Ik ben van mening dat deze voor de consument behulpzaam kunnen zijn bij zijn afweging. Daarom ook verwijs ik naar deze sites via www.kiesenergie.nl en straks zal ik deze ook noemen in de huis-aan-huis krant die half mei zal verschijnen. Echter, een dergelijke site opzetten lijkt mij geen overheidstaak. Ik verwijs hiervoor ook graag naar bijvoorbeeld het private initiatief bellen.com, een groot succes in de telecommarkt dat nu een vervolg krijgt op de energiemarkt met de website gaslicht.com, of naar Green-prices.com.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen hoe het proces rond verhuizingen is vormgegeven. In het Platform Versnelling Energieliberalisering (PVE) heeft een specifieke uitwerking van het verhuisproces plaatsgevonden. De klant kan met één melding aan zijn leverancier (twee meldingen in het geval van verschillende leveranciers voor gas en elektriciteit) doorgeven dat hij gaat verhuizen. De leverancier zal via het standaard berichtenverkeer aan de desbetreffende netbeheerder op het oude adres doorgeven dat de klant dit adres zal verlaten en aan de desbetreffende netbeheerder op het nieuwe adres doorgeven dat de klant dit adres zal betrekken. In het geval de netbeheerder door een afnemer wordt benaderd voor een verhuizing hebben de netbeheerders afgesproken dat zij deze klanten met instructie doorverwijzen naar de leverancier. Om het proces goed te laten verlopen is het belangrijk dat de klant zijn verhuizing tijdig, minimaal twee weken van te voren, bij de leverancier meldt. Hieraan wordt zowel in de communicatie over de marktopening door de overheid als in de marktcommunicatie door de leveranciers volop aandacht besteed. Voor het vaststellen van de meterstand op moment van verhuizen is door de sector de meterstandenverhuiskaart ontwikkeld.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of er door Essent facturen zijn verstuurd naar lantarenpalen en of deze ook zijn betaald. Openbare voorzieningen zoals lantarenpalen en gemalen, hebben in de administraties van energiebedrijven van oudsher elk een eigen, fictief, verbruiks-adres. Dit is onder andere noodzakelijk om misbruik, bijvoorbeeld het aftappen van stroom, tijdig te kunnen signaleren. De verbruikte energie van al deze voorzieningen wordt jaarlijks samengebracht op één nota die aan de eigenaar, de gemeente, wordt gezonden. Als gevolg van een technische storing is voor een beperkt aantal openbare voorzieningen in Ommen echter een separate nota opgesteld, die naar het bijbehorende fictieve verbruiksadres is gezonden. Verreweg de meeste van deze nota’s

zijn als «onbestelbaar» retour gekomen. Een klein gedeelte is echter bij het dichtst bijzijnde daadwerkelijk bestaande adres bezorgd. Essent heeft zowel rechtstreeks, als via advertenties in huis-aan-huis bladen, met de inwoners van Ommen over dit voorval gecommuniceerd en daarbij aangegeven dat de nota’s kosteloos kunnen worden geretourneerd.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen hoe kan worden zeker gesteld dat consumenten niet teveel betalen als een keer in de drie jaar de meter wordt gecontroleerd. Ook vroegen zij in welk percentage van de gevallen het energiebedrijf op de hoogte is van het exacte daadwerkelijke energieverbruik. In de meetcodes gas en elektriciteit wordt voorgeschreven dat er tenminste eens per drie jaar een fysieke meteropname dient plaats te vinden bij consumenten. Dit is een verbetering ten opzichte van het verleden, waar niets was geregeld over een minimale meter-opnamefrequentie. De termijn van drie jaar sluit aan bij uitspraken van de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven hieromtrent. Ten aanzien van het jaarverbruik van kleinverbruikers is in de Meetcodes voor gas en elektriciteit geregeld, dat de meetverantwoordelijke partijen (meetbedrijven) verplicht zijn om ten minste één keer per jaar het verbruik vast te stellen en te valideren. Verder is geregeld dat dit in ieder geval één keer per drie jaar zal gebeuren op grond van een fysieke meteropname. In de Meetcodes is verder opgenomen, dat de meetverantwoordelijke in de andere jaren van de afnemer kan verlangen dat deze zelf de meterstand opneemt en doorgeeft aan de meetverantwoordelijke. Geeft de afnemer hieraan geen gevolg, dan zal de meetverantwoordelijke het verbruik moeten schatten, mede aan de hand van historische gegevens en de methodiek voor verbruiksprofielen. De jaarnota wordt opgesteld op basis van het door de meetverantwoordelijke vastgestelde verbruik. Dit is eveneens de basis voor het voorschotbedrag. Aldus wordt de kans, dat een afnemer een van het werkelijke verbruik sterk afwijkend voorschot betaalt, geminimaliseerd.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of er zicht is op de verrekeningen in verband met een hogere of lagere calorische waarde van gas en hoe de consument dit kan controleren. Het is al sinds jaar en dag de praktijk dat verrekeningen plaatsvinden vanwege afwijkende calorische waarde van gas. Dit heeft te maken met kleine afwijkingen in calorische waarde ten opzichte van de calorische waarde van het Gronings gas. Is de calorische waarde hoger, dan levert één kubieke meter bij verbranding meer warmte dan één kubieke meter Gronings gas. Er is dan minder gas nodig om dezelfde hoeveelheid warmte te krijgen. De gasprijzen zijn gebaseerd op gas van standaardkwaliteit en bij calorische afwijkingen moet de eindafrekening worden aangepast. Wanneer er sprake is van een correctie wordt deze tegenwoordig veelal verrekend via de hoeveelheid. Onder de noemer van «herleid verbruik» vindt de klant de verrekening op de energierekening: dit is het gemeten gasverbruik vermenigvuldigd met de correctiefactor. De calorische waarde van het geleverde aardgas wordt maandelijks vastgesteld door de Gasunie. Gasunie past dezelfde correctie toe op haar rekeningen aan de energieleveranciers van kleinverbruikers. De verwarring van veel consumenten omtrent het herleid verbruik is voor een groot deel te verklaren uit het feit dat in het verleden de gasleveranciers in plaats van een correctie op de verbruikshoeveelheid, een correctie op de prijs doorvoerden. Blijkbaar roept het achteraf corrigeren van de hoeveelheid meer reacties op dan het achteraf corrigeren van de prijs.

In het eerdergenoemde overleg tussen de DTe en de Nederlandse energiebedrijven over de energierekening, zal ook aan de wijze waarop de calorische afwijkingen op de eindafrekening worden gecorrigeerd, aandacht worden besteed.

Voor de bevindingen van het onafhankelijke onderzoek ten aanzien van de factureringsproblemen van de zakelijke klanten, waar de leden van de fractie van de PvdA naar vroegen, verwijs ik naar de brief en de rapportage die ik u op 5 april jl. heb gestuurd (ME/EM/4023 414). Mijn belangrijkste conclusie op basis van dit onderzoek was dat de prestaties van energiebedrijven met betrekking tot de facturering van vrije zakelijke klanten sterk zijn verbeterd en dat de afgesproken kwaliteitsnormen zijn gehaald. Overigens blijft er altijd ruimte voor verdere verbetering en daar dient de sector alert op te zijn. Resterende probleemgevallen zijn echter hanteerbaar en beheersbaar en de planmatige en professionele wijze waarop de sector deze problemen volgens de onafhankelijke onderzoekers heeft aangepakt biedt voldoende vertrouwen.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of door de regering uitgesloten kan worden dat per 1 juli aanstaande een administratieve chaos ontstaat en wat het point of no return in het kader van de marktopening is. Er zijn geen grote problemen na 1 juli te verwachten. De door de regering gehanteerde fasering, waarbij de markt voor groene stroom al op 1 juli 2001 is vrijgegeven en waar ruim 2 miljoen huishoudens toe zijn overgegaan, zal naar verwachting een nivellerende werking hebben op het aantal overstappers. De voorbereidingen die door de energiebedrijven zijn getroffen en die op verschillende momenten zijn getoetst door de commissie van Rooy, Lloyd’s Register Management Consultants en de DTe zijn gericht op het hanteerbaar en beheersbaar houden van een piek in switchaanvragen. Ook kan worden teruggevallen op tijdelijke maatregelen zoals het tijdelijk verlengen van de toegestane verwerkingstijd van de switchaanvragen. Overigens is het de vraag of een piek in switch-verzoeken te verwachten is. Mede op basis van ervaringen in het buitenland zijn daarvoor geen concrete aanwijzingen.

Energiebedrijven hebben alle voorbereidingen getroffen voor de markt-opening op 1 juli 2004. De energiebedrijven hebben het afgelopen jaar veel geïnvesteerd in ict-systemen en de opleiding van medewerkers om het management van dataverkeer en het klantgericht opereren op een hoger niveau te brengen. Het Lloyd’s rapport over de facturering van het zakelijk middensegment geeft daar een tussenstand van.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen wanneer de ketenregie door B’con in werking wordt gesteld. Van EnergieNed heb ik vernomen dat op dit moment hard wordt gewerkt aan de opbouw van de B’con organisatie. B’con is te zien als het vervolg op het Support Programma Opening Energiemarkt derde fase (SPOED) en het Platform Versnelling Energieliberalisering (PVE). Dit betreft de bemensing van de uitvoeringsorganisatie, ondertekening van de deelnemersovereenkomsten en ontwikkeling van het monitoringssysteem. De planning is er op gericht om B’con op 1 juli 2004 operationeel te hebben. Dit houdt in dat vanaf die datum het issuemanagement ten aanzien van de veranderingen in de energiesector en het bijhouden van het referentiemodel zoals dat in het SPOEDproject is ontwikkeld, door B’con worden uitgevoerd. Op die manier wordt er voor zorggedragen dat veranderingen in wet- en regelgeving en aanpassingen vanuit de sector op een goede wijze in de processen en systemen van de bedrijven op de energiemarkt worden verwerkt. Welke monitoringgege-vens per 1 juli beschikbaar zijn, is afhankelijk van de technische en operationele mogelijkheden bij bedrijven en het Energie Clearing House (ECH) om deze gegevens aan te leveren aan B’con. Deze mogelijkheden verschillen per bedrijf. In de praktijk zal het beeld over de gehele keten dat met de monitor verkregen wordt, in de maanden na marktopening steeds scherper worden naar mate ECH en bedrijven de monitoringgegevens uit hun bedrijfsprocessen kunnen gaan aanleveren.

  • 4. 

    Positie van de consument

De leden van de fractie van het CDA vroegen hoe het uitgangspunt van het postzegeltarief zich verhoudt tot individuele voorwaarden en tarieven van netbeheerders. De huidige systematiek die de directeur van de DTe met betrekking tot de transporttarieven voor elektriciteit toepast is gebaseerd op het «postzegeltarief». Dat betekent dat het transporttarief onafhankelijk is van de inhoud van het leveringscontract en onafhankelijk is van de transportafstand, dus onafhankelijk van de afstand tussen de plaats van opwekking en de plaats van afname van elektriciteit. Voor de uitvoerbaarheid van het tariefsysteem is dit noodzakelijk, omdat onmogelijk kan worden nagegaan waar de elektriciteit die een afnemer feitelijk ontvangt, zijn oorsprong vindt. Dit uitgangspunt ligt vast in artikel 29 van de Elektriciteitswet 1998. Het voorliggende wetsvoorstel wijzigt dit uitgangspunt niet. Het uitgangspunt van het postzegeltarief verhindert overigens niet de vaststelling van individuele transporttarieven of individuele voorwaarden. Door bij voorbeeld historisch gegroeide prijsverschillen of door toepassing van individuele doelmatigheidskortingen kunnen verschillen (zijn) ontstaan in de transporttarieven van de verschillende netbeheerders. Evenwel zijn alle tarieven onafhankelijk van de transportafstand. Deze tariefsystematiek is geheel in overeenstemming met de terzake in Europees verband gemaakte afspraken.

De leden van de fractie van het CDA vroegen om in de vergunningsvoorwaarden van leveranciers een regeling omtrent afsluitvoorwaarden op te nemen. Ik acht een dergelijke uitbreiding van de vergunning-voorwaarden niet nodig. Zowel de Elektriciteitswet 1998 als de Gaswet kennen in respectievelijk artikel 95b en artikel 44 een leveringsplicht voor leveranciers aan kleinverbruikers. Dat houdt in dat iedere vergunninghouder gehouden is een klant die daarom verzoekt te leveren. Daarnaast merk ik voor de duidelijkheid op dat het niet de leverancier is die in bepaalde omstandigheden tot afsluiting overgaat, maar de netbeheerder. In de Model algemene voorwaarden van netbeheerders, die zijn overeengekomen tussen EnergieNed en de Consumentenbond, wordt uitgebreid ingegaan op niet-nakoming van de voorwaarden. Daarin is ook bepaald welke zorgvuldigheid de netbeheerder in acht dient te nemen indien een afnemer de voorwaarden, waaronder bijvoorbeeld een tijdige betaling, niet nakomt. Deze algemene voorwaarden vormen tevens de basis voor de uitspraken van de Stichting Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke termijn een leverancier in acht moet nemen bij de opzegging van een bestaande overeenkomst en welke opzegtermijn geldt voor kleinverbruikers die hun leveringsovereenkomst willen opzeggen. De leden van de PvdA-fractie vroegen of het voor de prikkeling van de concurrentie in een onvolwassen markt niet noodzakelijk is om een opzegtermijn van tien dagen in te voeren zodat consumenten continu kunnen opzeggen en kunnen overstappen naar een ander leveringsbedrijf. De meeste houders van een vergunning op grond van artikel 54 van de Elektriciteitswet 1998 (levering aan beschermde afnemers) maken gebruik van voorwaarden die zijn gebaseerd op het «Model algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit voor huishoudelijke verbruikers». Een vergelijkbaar model bestaat voor de levering van gas. Dit model is vastgesteld in een overlegorgaan van de SER waarin ook EnergieNed en de Consumentenbond zitting hebben. Deze model-voorwaarden schrijven met betrekking tot de opzegging een minimumregeling voor. De opzegging door een vergunninghouder moet gemotiveerd en schriftelijk geschieden en is slechts mogelijk in geval van zwaarwichtige belangen. De vergunninghouder dient een opzegtermijn

van minimaal 90 dagen in acht te nemen. Voor de kleinverbruiker geldt dat de opzegtermijn voor kleinverbruikers korter moet zijn dan tien dagen. Voor de houders van een vergunning op grond van artikel 95a van de Elektriciteitswet 1998 (levering aan kleinverbruikers) ligt de situatie anders. Deze vergunninghouders hanteren vaak langere termijnen. Er zijn nog geen modelvoorwaarden in SER-verband ontwikkeld. Wel is in artikel 6:237, onderdeel g, van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat, als de leverancier gebruik maakt van algemene voorwaarden, een voorwaarde die de kleinverbruiker bindt aan een langere opzegtermijn dan drie maanden dan wel aan een langere opzegtermijn dan welke de leverancier zelf in acht moet nemen, wordt vermoed onredelijk bezwaren te zijn.

Ik ben het met de leden van de PvdA-fractie eens dat een te lange opzegtermijn de keuzevrijheid van de consument niet ten goede komt. Te korte opzegtermijnen kunnen echter ook nadelige gevolgen hebben voor de markt doordat consumenten de switchmogelijkheid misbruiken om zo hun rekeningen niet te hoeven betalen. Daarnaast wil ik benadrukken dat leveranciers niet enkel op prijs maar ook op contractuele voorwaarden – waaronder de contractduur en de opzegtermijn – moeten kunnen concurreren. In een aantal gevallen kunnen langer lopende contracten voordelen bieden omdat zij de afnemer over een langere termijn zekerheid bieden over de prijs. Hier kan een vergelijking worden gemaakt met bijvoorbeeld financiële diensten als spaarrekeningen en hypotheken waarbij er verschillende combinaties van rente en looptijd worden aangeboden. Uiteraard moet de consument dan wel duidelijk geïnformeerd worden over de specifieke risico’s van een dergelijke langer lopende overeenkomst. Deze concurrentie moet binnen de grenzen van de wet plaatsvinden. Ik merk hierover op dat noch het Burgerlijk Wetboek, noch een andere wet een termijn stelt voor het opzeggen van energieovereenkomsten. Dit behoort tot de contractsvrijheid van partijen. Wel volgt uit artikel 6:237, onderdeel l, van het Burgerlijk Wetboek dat, als de leverancier gebruik maakt van algemene voorwaarden, een voorwaarde die een consument bindt aan een langere opzegtermijn dan drie maanden of een opzegtermijn die langer is dan welke de leverancier zelf in acht moet nemen, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit betekent evenwel niet dat lange termijncontracten onder bepaalde voorwaarden niet mogelijk zouden zijn.

De leden van de CDA-fractie vroegen wat is te verstaan onder een kostendekkend tarief en onder een redelijk rendement voor een netbeheerder. Tevens vroegen zij naar de samenhang tussen kostendekkende tarieven en het door de DTe gehanteerde principe van kostenveroorzaking. Bij de tariefregulering versta ik onder kostendekkende tarieven zodanige tarieven dat een gemiddeld presterende netbeheerder zijn efficiënte economische kosten kan terugverdienen én een redelijk rendement kan behalen op het daadwerkelijk geïnvesteerde vermogen. Met «efficiënte kosten» wordt hier bedoeld dat bedrijven geen vergoeding krijgen voor teveel uitgevoerde taken of voorzover taken te duur worden uitgevoerd. Netbeheerders kunnen wel degelijk winst maken; dat is immers nodig om vermogensverschaffers te kunnen aantrekken. Met het oog hierop worden de netbeheerders bij de tariefregulering in de gelegenheid gesteld een redelijk rendement te maken in de vorm van een gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (Weighted Average Cost of Capital, WACC) over het daadwerkelijk geïnvesteerde kapitaal. De directeur DTe bepaalt de WACC, rekening houdend met het economisch risico van de activiteiten van de netbeheerders. In het methodebesluit (artikel 41, vierde lid van de (huidige) Elektriciteitswet 1998) voor de reguleringsperiode van 2004 tot en met 2006 is de WACC voor de regionale netbeheerders vastgesteld op 6,6 procent. Voor de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet is de WACC voor de reguleringsperiode van 2004 tot en met 2006 op 5,41

procent gesteld. De hoogte van de WACC wordt voor iedere reguleringsperiode opnieuw vastgesteld, afhankelijk van de dan geldende omstandigheden.

In de benadering van de kostendekkende tarieven zoals hierboven geschetst, hanteert de DTe voorts het principe van kostenveroorzaking. Dit houdt in dat de tarieven die een netbeheerder rekent voor de verschillende diensten die hij levert, dienen te worden bepaald door de kosten die de netbeheerder moet maken voor het leveren van die diensten. Hiermee wordt bereikt dat de afnemers betalen voor de kosten die zij veroorzaken doordat zij bepaalde diensten afnemen en wordt voorkómen dat bepaalde groepen afnemers voordelen genieten die door andere groepen moeten worden opgebracht.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar telefonische verkoop. Voorts vroegen deze leden naar de bevoegdheden of sanctiemogelijkheden van de DTe op het terrein van de handelspraktijken. Met betrekking tot overeenkomsten, die gesloten worden via telefoon of internet, is Afdeling 9A van titel 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Deze afdeling, getiteld «Overeenkomsten op afstand» (de artikelen 7:46a tot en met 7:46j BW), bevat waarborgen voor deze vorm van contracteren. De wet verplicht de aanbieder tijdig informatie te verstrekken (bekendmaking van de identiteit van de aanbieder, de prijs en wijze van betaling, geldigheidsduur van het aanbod en de prijs, etc.). De klant heeft tenminste 7 werkdagen na het aangaan van de overeenkomst de tijd deze te ontbinden. Uiterlijk bij het nakomen van de overeenkomst moet de klant een schriftelijke (of op een andere duurzame gegevensdrager opgenomen) bevestiging met alle relevante informatie krijgen. Wordt daaraan niet voldaan, dan heeft de klant een verlengde ontbindingstermijn van 3 maanden. Bij overeenkomsten tot voortdurende aflevering van zaken (zoals bij elektriciteit en gas het geval is) moet ook de duur van de overeenkomst tijdig voordat de overeenkomst op afstand wordt gesloten worden aangegeven (dus door de leverancier). De klant die van de overeenkomst af wil, hoeft daarbij niets te bewijzen; hij kan zonder opgave van redenen overgaan tot ontbinding. Wat betreft oneerlijke handelspraktijken kan de DTe kan alleen een dwangsom of een boete opleggen voor overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Voor boetes geldt dat alleen bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen opgenomen in de voorgestelde artikelen 70i van de Elektriciteitswet 1998 en 60ad van de Gaswet, zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel een boete kan worden opgelegd. In het bij brief van 17 december 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 27 879, nr. 8) aangekondigde strategisch actieprogramma voor het consumentenbeleid zal ook aandacht worden besteed aan de noodzaak sectorspecifieke regelingen te treffen inzake oneerlijke handelspraktijken. Dit strategisch actieprogramma zal onder andere gebaseerd zijn op de uitkomsten van het onderzoek naar collectieve consumentenklachten, waarvan oneerlijke handelspraktijken onderdeel uitmaken, dat voor de zomer gereed zal zijn.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of er in geval van onredelijke tarieven sprake kan zijn van maximumtarieven voor kleingebruikers. De Nederlandse overheid beoogt met dit wetsvoorstel nader invulling te geven aan het waarborgen van een aantal publieke belangen met betrekking tot het transport en de levering van energie. Eén van die belangen is de beschikbaarheid van energie tegen maatschappelijk aanvaardbare prijzen voor alle consumenten. Ook in het huidige wetsvoorstel is derhalve de mogelijkheid gehandhaafd voor de DTe om een maximum-tarief voor kleinverbruikers in te stellen indien ondernemingen prijzen voeren die niet redelijk zijn. Bovendien zijn ter bescherming van de consument energieleveranciers gehouden aan de regels van het Burgerlijk

Wetboek en de in de Annex A van de tweede elektriciteitsrichtlijn en de tweede gasrichtlijn genoemde bepalingen. Deze bepalingen worden zover deze nog niet zijn verankerd in het Burgerlijk Wetboek, in een ministeriële regeling opgenomen.

De leden van de CDA-fractie stelden enkele vragen over de in artikel 95b opgenomen regeling voor het opleggen van een maximumprijs. Artikel 95b is in werking getreden met ingang van 1 januari 2002 en blijft ook na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gehandhaafd.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom het invoeren van maximumtarieven tot een negatieve prikkel op investeringen in productiecapaciteit leidt. Maximumprijzen voor levering van elektriciteit en gas kunnen negatief uitpakken voor de leveringszekerheid omdat ze investeringen in nieuwe productiecapaciteit al snel kunnen ontmoedigen. Als prijsschommelingen aan de bovenkant worden afgetopt lopen potentiële investeerders immers het risico dat ze hun investeringen niet terug kunnen verdienen. Bovendien is een maximumprijs instellen nog om een andere reden riskant. De gevolgen kunnen groot zijn als die prijs te hoog of te laag wordt vastgesteld. Als de prijs te laag is, is er een risico van faillissementen. Wanneer de inkoopkosten stijgen en die niet in de verkoopprijs doorberekend kunnen worden omdat maximumprijsregulering dat onmogelijk maakt, kunnen «Californische toestanden» ontstaan.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom leveringsbedrijven die niet over eigen productiecapaciteit beschikken hun hogere inkoopprijzen niet zouden kunnen doorberekenen aan eindafnemers. Ook vroegen zij of er sprake is van een groot concurrentievoordeel van leveringsbedrijven met eigen productiecapaciteit ten opzichte van leveringsbedrijven zonder eigen capaciteit. Leveringsbedrijven zonder eigen productiecapaciteit zijn afhankelijk voor hun inkoop van de ontwikkelingen op de groothandelsmarkt. Dat brengt een extra risico met zich mee. Ten tijde van lage groothandelsprijzen en overcapaciteit is dit een voordeel. Bij hogere prijzen is dit een nadeel. De prijs die dergelijke bedrijven aan afnemers kunnen doorberekenen wordt bepaald door de concurrentie op de eindafnemersmarkt. Hogere inkoopprijzen zal dit leveringsbedrijf niet kunnen doorberekenen aan afnemers aangezien deze afnemers dan kunnen overstappen naar een andere leverancier, behalve als het prijsniveau op de gehele groothandelsmarkt stijgt. Leveranciers zonder eigen productiecapaciteit kunnen een concurrentienadeel hebben. Dit nadeel wordt veroorzaakt door de prijsrisico’s die deze leveranciers minder eenvoudig kunnen afdekken.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of contracten mogelijk zijn waarin de tarieven tussentijds worden verhoogd en of consumenten dan onmiddellijk kunnen overstappen. Zij vroegen voorts of de mogelijkheid van tussentijdse tariefsverhogingen wenselijk is. Contracten met consumenten waarbij tarieven tussentijds verhoogd en ook verlaagd worden zijn mogelijk. Of de consument in geval van een verhoging over kan stappen hangt onder andere af van het contract dat hij heeft. De consument kan natuurlijk altijd met inachtneming van de geldende opzegtermijn het contract beëindigen.

Wat betreft de wenselijkheid van tussentijdse prijswijzigingen wil ik opmerken dat het partijen vrij staat om af te spreken dat de tarieven tussentijds gewijzigd kunnen worden. Wat ik hierbij wel van groot belang acht is dat de leverancier de consument van te voren goed attendeert op de mogelijkheid van tussentijdse verhogingen en hem op de hoogte houdt van tussentijdse prijswijzigingen. Het is mijn voornemen om in de ministeriële regeling op basis van het voorgestelde zevende lid van artikel 95b van de Elektriciteitswet 1998 en het zevende lid van artikel 44 van de

Gaswet aandacht te besteden aan de door de leverancier te verstrekken informatie aan de kleinverbruiker en aan het recht van de consument om het contract op te zeggen indien de tarieven in afwijking van de contractuele bepalingen de tarieven worden verhoogd.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar maximumtarieven voor netbeheerders. In tegenstelling tot productie en levering vormt het transport- en distributienetwerk een natuurlijk monopolie, omdat het niet rendabel is om een tweede netwerk aan te leggen. Om zonder de druk van concurrenten netbedrijven toch scherp te houden wordt met dit wetsvoorstel maatstafconcurrentie geïntroduceerd. Een nieuw systeem voor tariefregulering voor regionale elektriciteitsnetten op basis van onderlinge vergelijking. Goede netkwaliteit (betrouwbaarheid) wordt financieel beloond via de toegestane tarieven van een netbeheerder. Minder goede kwaliteit leidt tot korting daarop. Het geeft de netbeheerder financiële prikkels voor zowel kwaliteit als efficiencyverbetering en stimuleert netbeheerders om hun kwaliteit en daarbij behorende investeringsniveau te optimaliseren. Op deze wijze toegepast, hebben maximumtarieven voor netbeheerders dus geen negatieve invloed op investeringen. Ook vroegen de leden van de PvdA-fractie waarom het in de Verenigd Koninkrijk wel mogelijk was om maximumtarieven voor levering van elektriciteit en gas aan consumenten te hebben. De invoering van maximumprijzen voor levering in het Verenigd Koninkrijk was vooral ingegeven door de vrees dat consumenten na liberalisering niet zouden switchen. Die vrees bleek ongegrond te zijn. Inmiddels is 38% van elektriciteitsleverancier gewisseld en 37% van gasleverancier. Dit is de reden dat maximumtarieven daar weer zijn afgeschaft. De ervaringen in Nederland met de markt voor duurzame elektriciteit hebben geleerd dat over de switchbereidheid van consumenten geen zorgen hoeven te bestaan.

Tot slot vroegen de leden van de PvdA-fractie of de regering kan uitsluiten dat de kleinverbruikerstarieven gaan stijgen ten gunste van grootverbruikerstarieven. We komen uit een situatie van regionale monopolies waarin kostenverhogingen konden worden afgewenteld op consumenten die geen keuzemogelijkheden hadden. We zijn op weg naar een situatie waarin consumenten effectieve keuzemogelijkheden krijgen om van leverancier te switchen, zoals nu al bij duurzame elektriciteit het geval is. De markt verkeert dus nadrukkelijk in een transitiefase. De Nederlandse elektriciteitssector verkeert in een gunstige uitgangspositie met verschillende elektriciteitsproducenten en circa dertig leveranciers. Daarmee is de Nederlandse elektriciteitsmarkt minder geconcentreerd dan in de ons omringende landen. Dit vergroot de toetredingsmogelijkheden en de kans om te concurreren met de oude regionale monopolisten. Uiteindelijk is concurrentie en keuzevrijheid op de elektriciteitsmarkt de beste garantie om prijsdiscriminatie richting kleingebruikers ten gunste van grootgebruikers vanuit één aanbieder te voorkomen. Voorts wijs ik nogmaals op de reeds bestaande mogelijkheid voor DTe om – in geval van onredelijke prijzen – voor kleinverbruikers een maximumtarief vast te stellen op grond van artikel 95b van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44 van de Gaswet.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar het functioneren van de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven (GON). Voorts vroegen deze leden of in de publiciteitscampagne aandacht wordt besteed aan de GON. Op grond van de geldende regelgeving dienen houders van een vergunning voor de levering van gas en elektriciteit aan kleinverbruikers in staat te zijn klachten en geschillen op een adequate wijze te behandelen. Alle bestaande vergunninghouders hebben aan deze verplichting invulling gegeven door zich te registreren bij de GON, dat deel uitmaakt van de Stichting Geschillen Consumentenzaken (SGC). Dat betekent dat

alle consumenten bij deze commissie terecht kunnen met hun geschillen met vergunninghouders in de energiesector. Blijkens de website van de SGC (www.sgc.nl ) bestaat de geschillencommissie uit drie leden, namelijk een voorzitter en twee leden. De voorzitter wordt aangezocht door de SGC. Van de twee overige leden wordt er één voorgedragen door de Consumentenbond en één door de overkoepelende organisaties van de nutsbedrijven samen, zijnde VEWIN en EnergieNed. Eén en ander betekent niet dat deze leden tot taak hebben het belang van de consument respectievelijk de ondernemer te behartigen; alle leden zijn onafhankelijk en onpartijdig. Uit het jaarverslag van 2003 blijkt dat in dat jaar 1203 klachten en geschillen bij het GON zijn ingediend. De gemiddelde behandelingsduur bedroeg het afgelopen jaar 5,8 maanden. Tegen een uitspraak van de commissie is geen beroep mogelijk. Als één van beide partijen de uitspraak onredelijk vindt, kan de uitspraak aan de rechter worden voorgelegd. Deze toetst de uitspraak op redelijkheid en billijkheid. In de Algemene Leveringsvoorwaarden is bepaald dat geschillen door consumenten kunnen worden voorgelegd aan de GON. Desalniettemin vind ik het van belang om de mogelijkheid van geschilbeslechting door de GON aandacht te geven in mijn multimediale campagne. Zowel op de website www.kiesenergie.nl als in de huis-aan-huis-krant die vanaf half mei zal worden verspreid, is er aandacht voor de afhandeling van klachten en geschillen door de SGC. Ik vind het van belang dat consumenten en MKB-ers op de hoogte zijn van hun rechten en plichten. Daarom zorg ik ervoor dat een onderwerp als onenigheid met de leverancier in de huis-aan-huis krant en www.kiesenergie.nl een nadrukkelijke plek heeft.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of publieke belangen kunnen worden vastgelegd in de statuten van netbeheerders. Dit is mogelijk met dien verstande dat bij de formulering van die belangen rekening moet worden gehouden met de aard en het karakter van statuten. Statuten zijn niet te beschouwen als wettelijke regels met externe werking maar zijn de eigen fundamentele organisatieregels van een vennootschap en zij bepalen dan ook in het bijzonder de interne rechtsverhoudingen binnen de vennootschap.

De leden van de PvdA-fractie gaven aan dat het de aanbieders zijn die beslissen over productdifferentiatie. Zij vroegen de regering in te gaan op de voorbeelden van de mobiele telefonie, ook als het gaat over bank-, verzekerings- en hypotheekbeleggingsproducten. De leden van de PvdA-fractie vroegen ten slotte of overbodige productdifferentiatie een negatief effect kan hebben op de daadwerkelijke concurrentie. In mijn reactie op de bovenstaande door de leden van de PvdA-fractie gestelde vragen en geplaatste opmerkingen, verwijs ik naar de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van de Mededingingswet en van enige andere wetten in verband met de implementatie van EG-verordeningen 1/2003 en 139/2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 276, nr. 7). In de nota heb ik reeds mijn visie gegeven op de door de leden van de PvdA-fractie genoemde kwestie van «overbodige productdifferentiatie» en de prijstransparantie in een aantal sectoren.

De vrijheid van aanbieders om verschillende productvariaties tegen uiteenlopende prijzen op de markt te brengen is één van de wezenskenmerken van een markteconomie. Verbreding van het productaanbod vergroot de keuzemogelijkheden van afnemers in de markt: iedere klant kan het product kiezen dat het beste aansluit bij de persoonlijke preferenties. Op markten waar consumenten heterogene voorkeuren hebben, leidt vraagsturing tot meer concurrentie in het aanbieden van nieuwe producten en diensten. Dit leidt uiteindelijk tot een hogere graad van productdifferentiatie. Producten en diensten waarnaar geen vraag is, «verdwijnen» op den duur van een markt met voldoende concurrentie tussen aanbieders, keuzevrijheid en lage overstapkosten.

Mij zijn in de door de leden van de PvdA-fractie genoemde sectoren geen voorbeelden bekend van het in mijn ogen subjectieve begrip «overbodige» productdifferentiatie. Wel ben ik, zoals reeds betoogd in genoemde nota naar aanleiding van het verslag, met de leden van de PvdA-fractie van mening dat een voldoende niveau van prijstransparantie een noodzakelijke voorwaarde is om tot volwaardige of effectieve concurrentie te komen. Het concurrentiemechanisme kan alleen functioneren als afnemers voldoende inzicht hebben in verschillen in prijs-kwaliteitverhouding van goederen en diensten die worden aangeboden. In veruit de meeste markten genereren aanbieders zelf voldoende transparantie voor afnemers door zich effectief te onderscheiden of te profileren ten opzichte van concurrenten. Ook kunnen vergelijkende overzichten van commerciële intermediairs of consumentenorganisaties uitkomst bieden. Uiteindelijk kan de overheid product- en prijsvergelijkingen door marktpartijen stimuleren op basis waarvan afnemers hun keuze kunnen maken. In de financiële markten wordt de transparantie door de Minister van Financiën bevorderd door het stellen van regels ten aanzien van de informatieverstrekking (bijvoorbeeld door introductie van de financiële bijsluiter). Consumenten hebben vervolgens de verantwoordelijkheid om de informatie tot zich te nemen en een keuze te maken.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering kan ingaan op het artikel «Consument in de financiële draaideur» in de Volkskrant van 27 maart 2004. Zij vroegen hoe het kan dat de consument steeds meer geld is gaan uitgeven aan bank- en verzekeringsproducten, zonder daar wezenlijk meer voor terug te krijgen. Ik heb kennisgenomen van het genoemde artikel. Wat betreft de hoogte van de uitgaven aan financiële diensten kan worden gesteld dat deze met nog veel andere factoren te maken hebben, bijvoorbeeld:

– welvaartsontwikkeling (naarmate het beschikbaar inkomen toeneemt, hebben burgers meer financiële ruimte waarmee zij kunnen beleggen, financiële risico’s afdekken of voorzieningen treffen voor hun oudedag of vervroegde uittreding); – spillovers uit andere markten (het aanbod van woningen blijft achter bij de vraag, hetgeen ondanks de lage hypotheekrente heeft geleid tot hogere rentelasten als gevolg van de stijging van de huizenprijzen). Naast de genoemde factoren kan financiële productinnovatie ook een rol spelen bij de hoogte van de uitgaven aan financiële diensten. Aanbieders trachten zich te onderscheiden van hun concurrenten door hun productaanbod specifiek te richten op één of meerdere marktsegmenten. Door middel van innovatie en introductie van nieuwe producten trachten aanbieders klanten aan zich te binden. De kostprijs van deze producten kan hoger zijn dan die van de «traditionele» producten, bijvoorbeeld omdat de ontwikkelingskosten nog moeten worden terugverdiend of vanwege de schaal waarop deze producten worden aangeboden (dit speelt bijvoorbeeld een rol bij de introductie van nieuwe betaalmiddelen). Een grotere marktsegmentatie kan eveneens leiden tot hogere afhandelingskosten (die zijn bijvoorbeeld hoger voor verzekeringen die op de individuele situatie van de verzekeringnemer zijn aangepast). Als antwoord op de door de leden van de PvdA-fractie gestelde vraag of het kabinet de mening deelt dat het voor daadwerkelijke concurrentie niet alleen de marktstructuur, maar vooral ook de aanwezigheid van prijs- en kwaliteit-transparantie van belang is, verwijs ik naar de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van de Mededingingswet en van enige andere wetten in verband met de implementatie van EG-verordeningen 1/2003 en 139/2004 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003– 2004, 29 276, nr. 7). In deze nota ben ik reeds ingegaan op deze vraag. De leden van de fractie van de PvdA vroegen daarnaast naar prijsvergelijkingen. Hierop ben ik reeds eerder in deze paragraaf ingegaan.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of ik bereid ben de oprichting van een organisatie als het Britse EnergyWatch te bevorderen en financieel te ondersteunen. De belangrijke taken die deze organisatie in het Verenigd Koninkrijk uitvoert op het gebied van consumentenbescherming, waaronder informatievoorziening aan afnemers over (ongeoorloofde praktijken van) energiebedrijven, «naming en shaming» en klachtenbehandeling, worden in Nederland behartigd door de Minister van Economische Zaken, de DTe, de Geschillencommissie openbare nutsbedrijven en de nationale ombudsman. De Minister van Economische Zaken waarborgt dat deze werkzaamheden op elkaar aansluiten en op zo efficiënt mogelijke wijze worden verricht. Het dupliceren van deze taken door de vorming van een soortgelijke organisatie is daarmee ongewenst en zou bovendien additionele administratieve lasten veroorzaken. Ik zie geen aanleiding om de oprichting van een organisatie als Energywatch te bewerkstelligen en financieel te ondersteunen.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of juist bij een lage meet-frequentie het niet moeilijker is de juiste bedragen te verrekenen bij het overstappen naar een nieuwe leverancier. Een lage meetfrequentie houdt niet in dat er bij een switch geen meterstand zal worden bepaald. In de regel zal de klant bij een switchverzoek zijn meterstand, de switchstand, doorgeven aan de nieuwe leverancier. De netbeheerder zal op basis van het profiel van de klant en het historisch jaarverbruik bepalen of deze meterstand, die hij van deze nieuwe leverancier ontvangt, realistisch is. Op grond van de geschatte of gemeten stand wordt de eindfactuur met de oude leverancier opgemaakt.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de veronderstelling dat kabelnetwerken substantiële concurrentie zouden ondervinden, achteraf gezien onjuist is geweest. De concurrentie van andere infrastructuren op omroep via de kabel is aanwezig. De overstapkosten naar satelliet en in sommige delen van Nederland naar Digitenne zijn niet zodanig, dat hierin een belemmering zit. Omgekeerd kan ook worden geredeneerd, dat indien ondanks de tariefsverhogingen weinig mensen naar een alternatief overstappen, er kennelijk een voldoende redelijke relatie bestaat tussen prijs en aanbod.

Ook vroegen de leden van de PvdA-fractie of redelijke tarieven kwantificeerbaar zijn. Zoals ik reeds uiteen heb gezet in antwoord op kamervragen van de SP-fractie bij brief van 16 maart jongstleden, heeft de NMa de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen als naar haar voorlopig oordeel aannemelijk is dat een onderneming misbruik maakt van haar machtspositie en snel ingrijpen vereist is. Er zal dus van geval tot geval beoordeeld worden of er sprake is van excessieve tarieven.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar het aantal afsluitingen in de winter en vroegen of de regering een regeling kan treffen waarbij in de winter niemand wordt afgesloten, voordat eerst de Sociale Dienst of de schuldhulpverlening is geconsulteerd. Concrete aantallen afsluitingen in de winter zijn mij niet bekend, maar aangezien de jaarlijkse energiekosten van de afnemers worden verdeeld over twaalf maandelijkse bedragen zijn de betalingsproblemen in beginsel eveneens over het jaar verdeeld. Wel is er om voor de hand liggende redenen sprake van een piek in de zomervakantieperiode en rond de feestdagen aan het einde van het jaar. In de zomerperiode gaat het daarbij met name om uitstel van betalingen; in de winter is er vaker sprake van daadwerkelijke geldnood. Mij is verzekerd, dat netbeheerders pas in uiterste gevallen en na een maandenlang proces van overleg tot afsluiting overgaan. Dat betekent, dat degenen die in de winterpiek in de problemen zijn gekomen zelden in diezelfde winter worden afgesloten. Overigens vindt afsluiting in de winter weliswaar plaats, maar daarbij worden wel zorgvuldigheidsnormen in acht

genomen, zoals bijvoorbeeld het niet afsluiten bij vorst en tijdelijke opschorting van het afsluiten als blijkt dat de klant een schuldhulporganisatie heeft ingeschakeld. Ik verwacht van de netbeheerders een zorgvuldig en humanitair beleid, maar ik verwacht niet van hen dat zij fungeren als kredietinstelling. Van eventuele voorzieningen om het afsluiten in de winter te beperken, mag dan ook geen vrijbrief uitgaan om de energierekening in de winter niet te betalen. Het betalen van de energierekening is en blijft een verantwoordelijkheid van de klant en ook het inschakelen van hulpdiensten hoort bij die verantwoordelijkheid. Netbeheerders en leveranciers kunnen wat dit laatste betreft niet verder gaan dan wanbetalers adviseren een beroep te doen op dergelijke diensten. Het is uiteindelijk de individuele keus van de klant of hij een beroep wil doen op de sociale dienst of een instelling voor schuldhulpverlening. In dat licht kan ik de netbeheerders niet verbieden om af te sluiten zonder dat de Sociale Dienst of de schulphulpverlening is ingeschakeld.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen welke mogelijkheden sociale diensten hebben om als huisleverancier energie te leveren aan uitkeringsgerechtigden, of hierover overleg plaatsvindt en wanneer er een update van de convenanten met energiebedrijven komt. Sociale diensten kunnen trachten een huisleverancier te contracteren. Bij deze huisleverancier worden de klanten van de sociale dienst met een betalingsregeling contractueel ondergebracht bij een energieleverancier met een leveringsvergunning voor kleinverbruikers. De sociale dienst of de dienst schuldhulpverlening zou in een dergelijk geval garant kunnen staan voor de betaling van de energierekening.

Er is overleg tussen mijn departement en vertegenwoordigers van de landelijke vereniging van leidinggevende bij Nederlandse overheidsorganisaties op het terrein van werk, inkomen en zorg (hierna: DIVOSA), de Nederlandse vereniging voor volkskrediet (hierna: NVVK), de sociale dienst Amsterdam en de energiesector. Daarbij komt ook aan de orde welke rol sociale diensten na volledige marktopening op de energiemarkt zouden kunnen spelen.

Een update van de convenanten met de energiebedrijven zal door het switchen van klanten naar andere leveranciers dan de regionale leverancier op termijn steeds minder zinvol zijn. Wel kan het zinvol zijn deze convenanten met de regionale netbeheerder voor klanten die rechtstreeks door de netbeheerder gefactureerd worden, voort te zetten. De verantwoordelijkheid om aan een schuldhulpverleningstraject deel te nemen ligt bij de klant. Voor klanten staan drie mogelijkheden open voor het oplossen van schulden:

  • a. 
    onderlinge regeling tussen energiebedrijf en klant met een door beide partijen overeengekomen regeling voor afbetaling van de schuld;
  • b. 
    regeling van de schuld door toepassing van de Gedragscode Schuldregeling NVVK door een zogenaamde «minnelijke schuldregeling»
  • c. 
    een wettelijke schuldsanering door de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).

In het kader van de bescherming van persoonsgegevens acht ik het niet voor de hand liggend dat energiebedrijven het initiatief zullen nemen tot het informeren van gemeentes bij wanbetaling.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of er landelijke registratie van huishoudens die vanwege wanbetaling worden afgesloten kan komen, zodat voorkomen wordt dat schulden zich opstapelen. In het overleg dat ik voer met de energiesector, DIVOSA, diverse sociale diensten en de NVVK is mij gebleken dat de energiesector bezig is met de ontwikkeling van een registratiesysteem voor betalingsachterstanden. Wanneer deze registratie ertoe bijdraagt dat een opeenstapeling van schulden wordt voorkomen doordat afnemers steeds van leverancier wisselen, zonder de rekening te voldoen, juich ik dit toe.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of er mogelijkheden zijn om bij problematische klanten chipcardmeters te installeren en of deze meters ook gecertificeerd zijn. Er is mij in ieder geval één initiatief van een energiebedrijf bekend waarbij de mogelijkheid van pre-paid meters voor dergelijke klanten wordt onderzocht. Mijn departement en de DTe zullen binnenkort hierover met het betrokken bedrijf overleggen. Dat laat overigens onverlet dat ik een dergelijk initiatief graag aan marktpartijen laat.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar de resolutie van het Europees Parlement met betrekking tot het afsluitbeleid. Voor zover mij bekend, heeft het Europees Parlement hierover geen resolutie aangenomen. Wel is hierover een passage opgenomen in artikel 3, vijfde lid, van de tweede elektriciteitsrichtlijn. Dit artikellid legt aan lidstaten de verplichting op om passende maatregelen te treffen om eindafnemers te beschermen, met inbegrip van maatregelen om te voorkomen dat de voorziening wordt onderbroken. Het Nederlands beleid, zoals hierboven uiteengezet, is geheel in lijn met het in artikel 3, vijfde lid, van de tweede elektriciteitsrichtlijn geschetste beleid en de achterliggende bedoeling de situaties dat kwetsbare afnemers worden afgesloten, tot een minimum te beperken.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom het verbod voor installatiebedrijven om de naam en het beeldmerk te mogen dragen van de netbeheerder met wie zij in concernverband zijn verbonden, geen economisch delict is. Deze leden vroegen verder of dit verbod ook voor leveranciers geldt. Ten slotte wensen zij te vernemen hoe de in de nota naar aanleiding van het verslag aangekondigde ministeriële regeling wordt gehandhaafd. Het genoemde verbod vloeit voort uit artikel 12, vierde lid, van de Wet energiedistributie. Eenzelfde regeling is getroffen in artikel 18, tweede lid, onder c, van de Elektriciteitswet 1998. In dit wetsvoorstel wordt voor gasbedrijven eenzelfde regeling worden getroffen. Het in artikel 12, vierde lid, van de Wet energiedistributie gestelde verbod is niet als economisch delict aangemerkt omdat dit verbod civielrechtelijk kan worden gehandhaafd door middel van een vordering van degene die zich benadeeld voelt door het in strijd met dit verbod voeren van een naam of beeldmerk. Ook artikel 18, tweede lid, onder c, van de Elektriciteitswet 1998 en het voorgestelde artikel 10d, tweede lid, onder d, van de Gaswet kunnen civielrechtelijk worden gehandhaafd. Daarenboven kan de directeur van de DTe een last onder dwangsom en boete opleggen. In geval van het toestaan van het gebruik van de naam of het beeldmerk van de netbeheerder wordt op grond van artikel 18, tweede lid, onder c, en het voorgestelde artikel 10, tweede lid, onder c, van de Gaswet zodanige bevoordeling geacht aanwezig te zijn (onweerlegbaar bewijs-vermoeden).

Met betrekking tot de vraag van genoemde leden of het verbod ook geldt ten aanzien van leveringsbedrijven het volgende. Op grond van artikel 12 van de Wet energiedistributie in samenhang met artikel 1, van die wet, zoals gewijzigd in het voorgestelde artikel III, van dit wetsvoorstel, is het een bedrijf dat zich met de levering van elektriciteit of gas aan kleinverbruikers bezighoudt, verboden een tot hetzelfde concern behorend bedrijf dat zich met andere activiteiten dan energielevering bezighoudt (bijvoorbeeld een installatiebedrijf), toe te staan zijn naam of beeldmerk te dragen. Hetzelfde geldt op grond van artikel 18, tweede lid, onder c, van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk het voorgestelde artikel 10, tweede lid, onder c, van de Gaswet voor de netbeheerder van een elektriciteitsnet respectievelijk een gastransportnet. Deze regels gelden dus niet voor andere afnemers dan kleinverbruikers.

De ministeriële regeling waarop de leden doelen heeft zijn grondslag in het voorgestelde artikel 95b, zevende lid, van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk het voorgestelde artikel 44, zevende lid, van de Gaswet.

Deze bepalingen strekken ter uitvoering van de consumentenbepalingen in de tweede elektriciteitsrespectievelijk de tweede gasrichtlijn. Het betreft vooral regels die betrekking hebben op de contractuele relatie tussen leveranciers en netbeheerders enerzijds en een bepaalde categorie afnemers (consumenten) anderzijds. Uit de aard van deze regels volgt dat deze langs privaatrechtelijke weg kunnen worden gehandhaafd. Daarnaast kan de directeur van de DTe deze regels ook publiekrechtelijk handhaven, bijvoorbeeld door een last onder dwangsom en bestuurlijke boete.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of een leveringsonderbreking door een leverancier kan worden veroorzaakt en of er ook een verplichte tegemoetkomingsregeling zal gelden voor leveranciers. Hoewel het in theorie mogelijk is dat een leverancier een leveringsonderbreking veroorzaakt, is dit in de praktijk niet denkbaar. De levering van energie betreft de contractuele in- en verkoop van energie. Levering is met andere woorden een administratieve aangelegenheid die geen directe relatie heeft met het fysieke transport van energie. Het netbeheer en de balancering van het systeem zorgen ervoor dat eventuele fouten van de leverancier bij de in- en verkoop van energie geen gevolgen hebben voor het fysieke transport en dus niet leiden tot een leveringsonderbreking. Bovendien moet worden bedacht dat het systeem van programma-verantwoordelijkheid ervoor zorgt dat leveranciers juist een sterke financiële prikkel hebben om de contractuele inkoop en verkoop zo goed als mogelijk op elkaar aan te passen. Het uitwerken van een tegemoetkomingsregeling voor leveranciers acht ik daarom niet nodig. De leden van de PvdA-fractie vroegen voorts naar een algemeen exonera-tieverbod. De Algemene Energieraad heeft in dit verband onlangs het advies «Helder als het licht uitgaat» uitgebracht. Ik ben met de Raad van mening dat in zijn algemeenheid aansprakelijkheid goed geregeld moet zijn. Een algemeen exoneratieverbod acht ik echter niet wenselijk. Een gevolg van een algemeen exoneratie verbod is dat netbeheerders volledig aansprakelijk zijn voor alle gevolgschade van leveringsonderbrekingen. Ik ben met de Raad van mening dat ongeclausuleerde aansprakelijkheid onevenredige financiële risico’s voor de netbeheerder tot gevolg heeft en kan leiden tot een onbillijke kostenverdeling over consumenten. Ook kan de hoogte van de te verstrekken schadevergoeding in zeer scheve verhouding staan met de waarde van de geleverde dienst. Daarnaast heeft een netbeheerder geen invloed op de hoogte van de gevolgschade per onderbrekingsminuut; afnemers dienen ook zelf in redelijke mate maatregelen te nemen om de omvang van de gevolgschade te beperken. Netbeheerders hebben geen kennis van de omvang van de risico’s die verbonden zijn aan een bepaalde aansluiting. De elektriciteit kan immers worden gebruikt voor normale activiteiten met een gemiddeld risico, maar ook voor activiteiten waarbij stroomonderbreking tot zeer hoge kosten leidt (het voorbeeld van aan verwarmd aquarium met extreem zeldzame vissen). Het zal duidelijk zijn dat deze risico’s zeer sterk tussen aansluitingen kunnen verschillen. De hoogte van de tarieven van het netbeheer zijn gereguleerd en netbeheerders mogen bij deze tareiven niet discrimineren. De nettarieven kunnen derhalve geen rekening houden met de omvang van het achter een aansluiting aanwezige risico. De kosten van een onbeperkte aansprakelijkheid moeten uiteindelijk worden opgebracht door alle aangeslotenen op een net, aangezien schadevergoedingen uiteindelijk uit de tarieven zullen moeten worden bekostigd. Dat betekent dat alle afnemers moeten bijdragen aan de schade van een beperkt aantal afnemers. Een dergelijke spreiding van risico’s waarbij geen rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden bij afnemers die hoge risico’s lopen acht ik ongewenst. Dit zou immers betekenen dat afnemers die een laag risico lopen of afnemers die zelf voorzieningen treffen voor het opvangen van stroomuitval (zoals het plaatsen van een) noodaggregaat) worden benadeeld t.o.v. afnemers met een hoog

risico. Ik meen derhalve dat bij dit soort gereguleerde monopolies anders tegen aansprakelijkheid moet worden aangekeken dan op een vrije markt. Op een vrije markt kan bijvoorbeeld een verzekeringsbedrijf de brandschade premie voor een huis met een rieten dak hoger vast stellen dan voor een huis met een lager risico Daardoor kan op dergelijke markten sprake zijn van een redelijke verhouding tussen prijs en risico. Bij netwerken met een monopolie positie is dit niet mogelijk

De leden van de PvdA-fractie stelden de vraag of TenneT, onder meer ingevolge de monitoringstaken, te beschouwen is als een rechtspersoon met een wettelijke taak of als een zelfstandig bestuursorgaan. Belangrijkste kenmerk van een rechtspersoon met een wettelijke taak (hierna: RWT) is dat het een rechtspersoon betreft die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefent en daartoe geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen (vergelijk artikel 91, eerste lid, onderdeel d, van de Comptabiliteitswet 2001). Belangrijkste kenmerk van een zelfstandig bestuursorgaan is dat het een bestuursorgaan is dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister. Volgens artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht is er sprake van een bestuursorgaan indien er sprake is van een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. Het openbaar gezag kan blijken uit de bevoegdheid bestuursrechtelijke besluiten te nemen, zoals het verlenen van een subsidie, een ontheffing of een vergunning. Een zelfstandig bestuursorgaan zal vaak een RWT zijn, het omgekeerde hoeft niet het geval te zijn.

Ingevolge de Elektriciteitswet 1998 zijn aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, te weten TenneT, verschillende soorten werkzaamheden opgedragen. In de eerste plaats moet TenneT, net als alle andere netbeheerders, de taken, genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 uitvoeren. Deze taken zijn onder andere de door TenneT beheerde netten in werking te hebben en te onderhouden, de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten te waarborgen, het transport van elektriciteit over de netten te waarborgen, netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te breiden, en te voorzien in een aansluiting op de netten. Deze taken leiden niet tot de conclusie dat TenneT een zelfstandig bestuursorgaan of een RWT is. Immers, voor de uitvoering van deze taken zijn geen bestuursbevoegdheden nodig. Ook is er geen sprake van heffingen in de zin van artikel 91, eerste lid, onderdeel d, van de Comptabiliteitswet 2001.

In artikel 16, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden enkele taken uitsluitend aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet opgedragen. Dit zijn bij voorbeeld het uitvoeren van systeemdiensten en het treffen van voorzieningen in het kader van de leveringszekerheid. Ook wordt in artikel 16, tweede lid, de mogelijkheid geopend dat TenneT werkzaamheden verricht ter uitvoering van de in artikel 4a beschreven taken van de Minister van Economische Zaken over monitoring. Ook deze taken leiden, om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, niet tot de beoordeling dat TenneT een zelfstandig bestuursorgaan of een rechtspersoon met een wettelijke taak is.

Ten derde heeft TenneT de taak een subsidie te verstrekken om de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie te stimuleren. Voor de uitvoering van deze taak is TenneT wel een zelfstandig bestuursorgaan, en ook een RWT. In de artikelen 69 en volgende van de Elektriciteitswet 1998 zijn voor het feit dat TenneT voor deze taak een zelfstandig bestuursorgaan is, voorzieningen getroffen over toezicht en verantwoording. Het feit dat TenneT voor deze specifieke taak een zelfstandig bestuursorgaan is, wil niet zeggen dat TenneT voor de overige wettelijke taken óók een zelfstandig bestuursorgaan is.

De leden van de PvdA-fractie verbaasden zich over de termijn die gehanteerd kan worden bij de aanleg van een windpark of windturbine en vroegen daarom of de veronderstelling juist was dat netbedrijven wel degelijk invloed hebben welke klant sneller geholpen wordt en welke niet. Ook vroegen deze leden of de regering de mening deelt dat de aansluit-verplichting op deze manier wel een heel relatief karakter heeft. Netbeheerders zijn verplicht een ieder die daarom verzoekt aan te sluiten (artikel 23 Elektriciteitswet 1998). In het algemeen geldt dat netbeheerders een aansluiting zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, moeten verzorgen. De duur van de aanleg van een windpark of windturbine is echter zeer afhankelijk van de plaatselijke netsituatie. Dit kan per geval zeer verschillen. Mede beslissend voor de termijn waarbinnen een aansluiting gerealiseerd kan worden is of de netbeheerder zogenaamde diepe investeringen moet doen om het net te verzwaren. Soms is het zo dat wel tijdig aan de – fysieke – aansluitplicht kan worden voldaan, maar dat er voor enige tijd onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is. Het reeds aansluiten is voor de verzoeker dan niet wenselijk. De aansluitplicht (artikel 23) en de transportplicht (artikel 24) dienen, hoewel ze in de praktijk vaak samengaan, juridisch gezien scherp van elkaar onderscheiden te worden.

De netbeheerder dient wel richting de aanvrager op voorhand voldoende duidelijkheid te verschaffen over de termijn waarbinnen de aansluiting en de daarbij behorende transportcapaciteit gerealiseerd kan worden. Met de implementatie van Annex A van de tweede elektriciteitsrichtlijn zal in lagere regelgeving worden vastgelegd dat de netbeheerders in hun contractuele voorwaarden voor kleinverbruikers aangeven wat de termijn is waarbinnen zij een aansluiting realiseren. Daarnaast dient de netbeheerder de aanvrager verschillende aansluitmogelijkheden te bieden. Zo kan de klant erop worden gewezen dat hij bijvoorbeeld op zeer korte termijn de gewenste aansluiting kan verkrijgen maar dat hij dan met transportbeperkingen rekening moet houden. Op deze manier is het voor de klant transparant wat de mogelijkheden zijn en op welke termijn deze mogelijkheden gerealiseerd kunnen worden. Indien partijen van mening zijn dat de gehanteerde termijn in een specifiek geval onredelijk is, kunnen ze altijd een klacht indienen bij de DTe. Ik deel de stelling dat netbeheerders naar willekeur klanten kunnen helpen dus ook niet en ben ook niet van mening dat de aansluitverplichting een relatief karakter heeft.

4.2 Vrijmaking van de metermarkt

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar het van de grond komen van de metermarkt. Of zich een metermarkt ontwikkelt in het kleinverbruikersegment is afhankelijk van een aantal factoren zoals de frequentie van de metingen, technologische vooruitgang en de te behalen omzet. Ook is van belang dat de bestaande metervoorraad eens vervangen moet worden. Bovendien kunnen nieuwbouwlocaties bijdragen aan de ontwikkeling van de metermarkt. Op dit moment voert de DTe een onderzoek uit naar de ontwikkeling van de metermarkt voor kleinverbruikers; uit de resultaten van dat onderzoek zal blijken hoe de metermarkt zich in het kleinverbruikersegment sinds zijn ontstaan heeft ontwikkeld.

  • 5. 

    Leveringszekerheid en productiecapaciteit

De leden van de fracties van de PvdA en van de VVD vroegen naar het effect van een tenderprocedure voor productiecapaciteit op het investeringsklimaat. Allereerst merk ik op dat de tenderbepaling uit het wetsvoorstel een kan-bepaling is, die is opgenomen omdat de tweede elektriciteitsrichtlijn dit vereist. Het is niet mijn bedoeling van deze kan-bepaling gebruik te gaan maken. In geval van gebruikmaking betekent het concreet

dat ik op enig moment tot de conclusie kan komen dat er met het oog op de voorzieningszekerheid extra productiecapaciteit nodig is terwijl private investeerders (nog) niet bereid zijn deze capaciteit te bouwen. De partij die uiteindelijk wordt gekozen krijgt een vergoeding ter dekking van (een deel van) de kapitaalkosten. Daarnaast zullen in overeenstemming met de aanbestedingscriteria afspraken gemaakt worden over vergoedingen voor brandstofkosten of juist een terugbetaling aan de overheid als de elektriciteitsprijzen boven een bepaald bedrag per euro/MWh komen. Er zijn talloze combinaties en voorwaarden mogelijk, uiteraard binnen de geldende juridische kaders. In feite kan een tender dus een vergelijkbaar effect hebben als een subsidieinstrument, dat het risico heeft de prikkels tot eigen initiatief op het gebied van investeringen in productiecapaciteit te verminderen. Een tenderprocedure kan marktverstorend werken omdat potentiële investeerders zullen wachten met investeringsbeslissingen. In het streven naar een goed werkende markt is dat ongewenst.

5.1 Monitoring van de levering- en voorzieningszekerheid

De leden van de fractie van de VVD vroegen waarom de monitoringstaak bij de Minister van Economische Zaken ligt en niet bij de DTe. Voor de beantwoording van deze vraag is relevant dat met monitoren niet bedoeld is toezicht houden op naleving van de regelgeving maar het kritisch volgen van de leverings- en voorzieningszekerheid ten behoeve van de beleidsvorming en rapportage aan de Europese Commissie. Waar dit wetsvoorstel een duidelijk onderscheid maakt tussen beleidsvorming door de Minister van Economische Zaken en toezicht door de DTe past het ook dat de monitoringstaak bij de Minister van Economische Zaken komt te liggen. Dit neemt niet weg dat de Minister van Economische Zaken (delen van) deze taak zou kunnen mandateren aan de DTe of werkzaamheden ten behoeve van die taak kan opdragen aan de landelijke netbeheerders, zoals voorzien in het wetsvoorstel.

  • 6. 

    Toezicht en handhaving

De leden van de fractie van het CDA vroegen naar het toezicht van de DTe op de tarieven voor meterdiensten. De DTe voert op dit moment op mijn verzoek een onderzoek uit naar de metermarkt voor kleinverbruikers. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de prijsontwikkeling op de metermarkt, nieuwe toetreders en het gedrag van kleinverbruikers op de metermarkt. Hoe de metermarkt zich in het kleinverbruikersegment ontwikkelt, zal uit dit onderzoek moeten blijken, daar kan ik nu nog niet op vooruitlopen. De DTe krijgt door middel van genoemd onderzoek inzicht in de gehanteerde meettarieven. De markt voor meters en datacollectie is echter een vrije markt en daarin past niet dat de DTe specifieke bevoegdheden heeft op basis waarvan zij bepaalde meettarieven af zou kunnen dwingen. Of de uitkomsten van het onderzoek aanleiding geven hierin verandering te brengen, zal te zijner tijd moeten blijken.

6.1 Rechtsbescherming

De leden van de fractie van de PvdA vroegen hoe vaak tot nu toe bezwaar is gemaakt en beroep is ingesteld tegen besluiten op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. In antwoord op deze vraag kan ik mededelen dat tegen besluiten van de Minister van Economische Zaken op grond van deze wetten sedert 1999 ongeveer 25 keer bezwaar werd gemaakt en ongeveer 7 keer beroep werd ingesteld. Tegen besluiten van de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie op grond van deze wetten werd in dit tijdvak ongeveer 350 keer bezwaar gemaakt en ongeveer 80 keer beroep ingesteld.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de Consumentenbond aangemerkt kan worden als belanghebbende en derhalve bezwaar kan maken en beroep instellen. In het geval de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, willen deze leden weten of dit anders zou kunnen liggen als de Consumentenbond haar statuten aanpast. De vraag wie «belanghebbende» is, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. In het eerste lid van dit artikel is «belanghebbende» gedefinieerd als degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken; in het derde lid is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen mede als hun eigen belangen worden beschouwd de algemene of collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. De Consumentenbond is onmiskenbaar een rechtspersoon die krachtens haar statuten en feitelijke werkzaamheden een algemeen of collectief belang behartigt, te weten het consumentenbelang; wel zal – om als «belanghebbende» te kunnen worden aangemerkt – haar statutaire doelstelling specifiek genoeg geformuleerd moeten zijn om te concluderen dat zij ook de energie-belangen van haar leden «in het bijzonder» behartigt. De vraag of een wijziging van de statuten gevolgen kan hebben voor het al dan niet zijn van «belanghebbende» is hiermee bevestigend beantwoord. Daarnaast moet het blijkens vaste jurisprudentie gaan om een bovenindividueel belang, dat wil zeggen een belang dat de individuele belangen van de leden van de bond overstijgt.

Ik merk overigens op dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven in haar uitspraak van 10 maart 2004, nr. AWB 02/671, geen hoge eisen stelt aan de specificiteit van de statutaire doelstelling. Hierbij teken ik wel aan dat het hier ging om een organisatie die de belangen behartigde van een categorie ondernemingen voor wie energiebelangen vitaal waren voor hun bedrijfsvoering. Ik wijs er voorts nog op dat in deze uitspraak werd overwogen dat een «representatieve organisatie» als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Gaswet in beginsel «belanghebbende» is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ten slotte merk ik nog op dat de Consumentenbond uiteraard altijd als gemachtigde kan optreden voor een individueel lid dat zelf «belanghebbende» is bij een besluit op grond van de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.

6.2 Boetebepalingen

De leden van de fractie van het CDA vroegen wie als «overtreder» in de voorgestelde artikelen 77h van de Elektriciteitswet 1998 en 60ac van de Gaswet aangemerkt kan worden. De leden vroegen verder waarom, anders dan in het voorontwerp van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, geen definitie van het begrip «overtreder» is opgenomen. Ten slotte wensen deze leden te vernemen in hoeverre de in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling van de bestuurlijke boete aanpassing behoeft in verband met bovengenoemd voorontwerp. Het begrip «overtreder» is in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving ontwikkeld in de jurisprudentie. Vaste jurisprudentie is dat «overtreder» degene is die het wettelijk voorschrift daadwerkelijk schendt. In beginsel is dat degene toe wie de norm zich richt (normadressaat). Het begrip pleegt ruim te worden uitgelegd: het omvat niet alleen degene die de fysieke handelingen verricht die tot de normschending leiden, maar ook de «functionele» dader. Tevens omvat het begrip bepaalde deelnemingsvormen. Zo is in de jurisprudentie aanvaard dat, ingeval meerdere personen tezamen een inrichting drijven, bij overtreding van de milieuvergunning ieder van hen een bestuursrechtelijke sanctie kan worden opgelegd (vergelijk Vz. ABRS 31 juli 1998, AB 1999, 45). Ook is aanvaard dat, als een rechtspersoon overtreder is, naast of in plaats van die rechtspersoon, ook bestuurders (vergelijk ABRS 28 april 1997, AB 1999, 43) en zelfs bedrijfsleiders

(vergelijk ABRS 27 maart 2001, AB 2002, 102) onder omstandigheden als «overtreder» kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop lijkt het mij niet nodig en ook niet wenselijk, vooruitlopend op de ontwikkelingen rond het voorontwerp van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, een definitie van «overtreder» in het onderhavige wetsvoorstel op te nemen.

Met betrekking tot de verhouding tussen dit wetsvoorstel en de Algemene wet bestuursrecht merk ik op dat de regeling van de bestuurlijke boete in dit wetsvoorstel bewust zo sober mogelijk is gehouden, opdat deze op het tijdstip waarop een algemene regeling van dit onderwerp in de Algemene wet bestuursrecht zal zijn opgenomen, daaraan met zo min mogelijk inhoudelijke wijzigen kan worden aangepast. Kort gezegd komt het er op neer dat de regeling in het onderhavige wetsvoorstel alsdan grotendeels kan vervallen. Dit zal zijn beslag krijgen in de aanpassingswetgeving aan de Algemene wet bestuursrecht.

  • 7. 

    Overdracht economische eigendom

De leden van de fractie van het CDA vroegen waarop ik mijn stelling baseer dat de Hoge Raad ten aanzien van elektriciteits- en gasnetten niet tot een ander oordeel zal komen omtrent het onroerende karakter van die netten dan waartoe hij in zijn arresten van 6 juni 2003 kwam ten aanzien van ondergrondse telecommunicatienetwerken. Deze leden hadden de indruk dat bij het oordeel van de Hoge Raad een zeer belangrijke rol heeft gespeeld dat in de Telecommunicatiewet een specifieke regeling is opgenomen met betrekking tot de eigendom. Zij vroegen voorts of het juist is dat in de nota van wijziging getroffen regeling omtrent de eigendom van elektriciteits- en gasnetten niet ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd. De Hoge Raad beantwoordt de vraag of ondergrondse telecommunicatienetwerken roerend of onroerend zijn, en bij wie eigendom van zulke netwerken berust primair vanuit het systeem van het Burgerlijk Wetboek. Dat systeem houdt in dat de grond en de daarmee duurzaam verenigde «werken» onroerende zaken zijn en dat die werken via zogeheten «natrekking» tot de eigendom van de grond behoren, tenzij daarvoor een wettelijke uitzondering is geregeld. Gelet op deze benadering en op het feit dat elektriciteits- en gasnetten naar aard en inrichting in hoge mate vergelijkbaar zijn met telecommunicatienetwerken, past naar mijn oordeel eenzelfde benadering ten aanzien van elektriciteits- en gasnetten. Anders dan genoemde leden kennelijk menen, acht ik het onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad tot een ander oordeel zou zijn gekomen als in de Telecommunicatiewet een bijzondere regeling over de eigendom van ondergrondse telecommunicatienetwerken zou hebben ontbroken. Immers, de Hoge Raad ziet die regeling niet als argument om telecommunicatienetwerken als onroerend te beschouwen maar beschouwt die regeling als bepalend voor de vraag bij wie de eigendom van die netwerken berust: niet volgens de hoofdregel van natrekking bij de grondeigenaar, maar volgens de bijzondere regeling bij de degene die het netwerk heeft aangelegd of bij degene waaraan het netwerk geldig is overgedragen.

Overigens wordt zowel in de praktijk als in de literatuur eveneens ervan uitgegaan dat de uitspraken van de Hoge Raad ook relevantie hebben voor elektriciteits- en gasnetten.

Gelet op het belang om zekerheid over de rechtstoestand van de elektriciteits- en gasnetten te bevorderen en daarbij te zorgen voor harmonisatie met ook de regeling voor telecommunicatienetten, heb ik gemeend op zo kort mogelijke termijn, dat wil zeggen in het kader van dit wetsvoorstel, duidelijkheid op dit punt te moeten geven. De Raad van State heeft over dit punt niet geadviseerd; wel is over de regeling overleg gevoerd met het Ministerie van Justitie en is de regeling in overeenstemming met Justitie doorgevoerd.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering ook buiten de energiesector maatregelen in de privaatrechtelijke sfeer, zoals eigendom, ziet als mogelijke aanvullingen op publiekrechtelijke regelingen. Zoals ik in antwoord op een eerdere vraag van deze leden al heb aangegeven in paragraaf 1, acht ik het publiekrecht de primair aangewezen weg waarlangs de overheid gedrag van burgers en bedrijven reguleert. Dit geldt niet alleen binnen de energiesector, maar ook hierbuiten. Afhankelijk van hetgeen de behartiging van een publiek belang concreet vereist, kan langs die weg eigendom van particulieren gereguleerd c.q. beperkt worden. In bijzondere situaties kan overheidseigendom aangewezen zijn. Ik wijs wat dat betreft op de gevoerde discussie met betrekking tot de drinkwatervoorziening.

De leden van de VVD-fractie vroegen of het nog opportuun is de verplichting dat de netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom te handhaven, gelet op het voornemen tot volledige splitsing van de energiebedrijven. Gegeven de nu nog bestaande structuur van de bedrijven, zie ik een aantal voordelen verbonden aan het handhaven van de eis dat de netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het door hem beheerde netwerk. Immers dit is een belangrijk middel ter versterking van een voldoende onafhankelijke positie van de netbeheerders. Het schrappen van deze eis zou betekenen dat de huidige, onvoldoende onafhankelijke positie van het netbeheer, voortduurt totdat wetgeving inzake de algehele splitsing van bedrijven is afgerond en uitgevoerd. De verplichting inzake de situering van de economische eigendom is te beschouwen als een belangrijke stap in de richting van volledige splitsing. In het afgesplitste bedrijf dient immers de eigendom van het netwerk ook bij de wettelijk aangewezen netbeheerder te berusten. Het schrappen van de bepaling zou er bovendien toe kunnen leiden – indien dit zonder nadere voorwaarden gebeurt – dat de bedrijven het netwerk in de cruciale fase van de marktopening extra kunnen bezwaren ten behoeve van commerciële activiteiten en bovendien investeringsbeslissingen ten aanzien van het netwerk uitstellen. Tegelijkertijd vormt dit synergievoordeel een concurrentiebelemmering voor potentiële nieuwkomers.

  • 8. 

    Unbundling

De leden van de PvdA-fractie vroegen door wie het initiatief tot de vrijwillige eigendomssplitsing in het Verenigd Koninkrijk genomen is en of er instemming was van de leveringsbedrijven. Zij vroegen tevens of het juist is dat de productiebedrijven in Nederland ook nimmer een dergelijk groot probleem hebben gemaakt van het afsplitsen van het hoogspanningsnet dat zij in bezit hadden. In het Verenigd Koninkrijk is sinds de Utilities Act 2000 een juridische unbundling van distributie- en leveringsbedrijven verplicht. Sommige bedrijven gaan verder dan de regelgeving voorschrijft waardoor het leveringsbedrijf een andere eigenaar heeft dan het distributiebedrijf. Deze bedrijven kiezen zelf voor een eigendomssplitsing aangezien zij distributieen leveringsactiviteiten als verschillende bedrijfsactiviteiten zien die vragen om verschillende expertises. Daarnaast geldt dat de uiteenlopende aard van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijven investeerders aantrekken met een verschillend risicoprofiel. Het klopt dat de productiebedrijven in Nederland geen groot probleem hebben gemaakt van het afsplitsen van het hoogspanningsnet dat zij in bezit hadden. Dit moet echter worden gezien in de context van de onderhandelingen over niet-marktconforme kosten. In dat kader heeft de Staat toen het landelijk hoogspanningsnet gekocht van de productiebedrijven tegen een marktconforme prijs.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of mensen die betrokken zijn bij de uitvoering van de wettelijke taken van de netbeheerder ook in dienst moeten zijn bij de netbeheerder. Mijns inziens is dit is niet per se noodzakelijk. De netbeheerder is en blijft te allen tijde volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken. De feitelijke werkzaamheden als het onderhouden, aanleggen of uitbreiden van de netten kunnen worden uitbesteed aan op de markt werkzame dienstverleners en onder voorwaarden aan bedrijven binnen de holding waartoe de netbeheerder behoort. Ik heb er geen problemen mee dat de netbeheerder sommige werkzaamheden uitbesteedt. Uit het oogpunt van doelmatigheid kan dat zelfs wenselijk zijn. Indien bijvoorbeeld een langere periode geen aanleg of uitbreiding nodig is, draagt de netbeheerder niet de loonkosten. Cruciaal is dat de werkzaamheden altijd onder volledige verantwoordelijkheid van de netbeheerder worden uitgevoerd.

Aan het uitbesteden van werkzaamheden binnen de holding zijn grenzen gesteld. In de Beleidsregels aanwijzing netbeheerders zijn beperkingen gesteld aan het door de eigenaar van de netbeheerder verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van de taak van de netbeheerder. Daardoor wordt onder meer voorkomen dat de netbeheerder de vrijheid ontbeert om zelfstandig te beslissen door wie en onder welke voorwaarden diensten ten behoeve van het netbeheer worden verricht. Overeenkomsten met de eigenaar die deze keuzevrijheid aantasten zijn een door de wet verboden bemoeiing met de werkzaamheden van de netbeheerder. Deze overeenkomsten moeten aan de DTe worden voorgelegd en mogen nooit langer duren dan de periode waarover de DTe de tarieven vaststelt (dus tussen de drie en de vijf jaar). Na afloop van deze periode is de netbeheerder geheel vrij om een nieuwe beslissing te nemen over of en zo ja waar de netbeheerder activiteiten uitbesteed. Hierdoor wordt «gedwongen winkelnering» bij de holding voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of onder vrije marktwerking juist méér geïnvesteerd moet worden in een zwaardere netcapaciteit. Het is uiteraard van groot belang dat netbeheerders te allen tijde over voldoende capaciteit beschikken. De verplichting daartoe is dan ook expliciet vastgelegd in artikel 21 van de Elektriciteitswet 1998 en in artikel 8 van de Gaswet. Netbeheerders dienen eenmaal in de twee jaar in het kwaliteits- en capaciteitsdocument aannemelijk te maken dat zij aan deze verplichting voldoen. Dit impliceert onder andere dat indien door welke oorzaak dan ook, investeringen in verzwaring van de netcapaciteit noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de vraag met een structureel karakter, netbeheerders verplicht zijn om deze investering te doen.

De leden van de SP-fractie verzochten om een toelichting op de garantie van de leveringszekerheid in een vrije markt in het kader van de splitsing van de energiebedrijven en privatisering van de netten. Zoals ik in mijn brief van 31 maart jl. heb aangegeven, zal de splitsing bijdragen aan investeringen in de netwerkkwaliteit omdat besluiten daarover in de toekomst geheel onafhankelijk van commerciële belangen kunnen worden genomen en het leenvermogen van het netwerk dan ten dienste van deze investeringen staat en niet meer van commerciële doeleinden. Op de privatisering van netten wil ik nu niet vooruitlopen, met uitzondering van het feit dat wat mij betreft netwerken niet in handen kunnen komen van ondernemingen die zich bezig houden met de handel of productie van netwerkgebonden energie.

  • 9. 

    De transportnetten

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom het «Wetsvoorstel wijziging Elektriciteitswet 1998 in verband met de verkrijging van de eigendom van het landelijk hoogspanningsnet of een deel daarvan» niet wordt inge-

diend bij de Tweede Kamer. Het beheer van het gehele landelijk hoogspanningsnet geschiedt door TenneT. 65% van het landelijk hoogspanningsnet is in handen van TenneT en 35% in handen van de regionale energiebedrijven. In mijn brief met mijn visie op de privatisering van de regionale energiebedrijven van 31 maart jl. heb ik aangegeven dat ik een splitsing van commerciële activiteiten en netwerkactiviteiten voorsta. Door deze splitsing dient het netwerkbedrijf de (hoogspannings)net-werken in eigendom te hebben en direct onder de aandeelhouders gepositioneerd te worden. De (hoogspannings)netwerken worden derhalve afgeschermd van invloed van het geïntegreerde energiebedrijf om oneigenlijke concurrentievoordelen te behalen. Doordat de onafhankelijkheid van de netwerken door de splitsing geborgd is, zie ik geen noodzaak om voor te schrijven dat het aan anderen dan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet niet is toegestaan het landelijk hoogspanningsnet of delen daarvan in eigendom te verkrijgen, dan wel daar ten behoeve van anderen dan de landelijk netbeheerder rechten op te vestigen. Ik voel mij hierin gesteund door de Raad van State die heeft aangegeven de noodzaak en proportionaliteit van het voorstel onvoldoende duidelijk te vinden.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of een deel van de 50 kV-netten een transportfunctie heeft en zo ja, hoe deze netten gepositioneerd zouden moeten worden.

De elektriciteitsnetten worden qua functie wel onderverdeeld in transportnetten en distributienetten. Het transportnet omvat het landelijk hoogspanningsnet en de regionale hoogspanningsnetten. Dit zijn de netten met spanningsniveaus 380, 220, 150 en 110 kilovolt en in toenemende mate 50 kilovolt. Deze netten kunnen gezien worden als het geheel van de hoofdwegen tussen provincies en steden. Op dit niveau is Nederland ook verbonden met de omringende landen en deze netten transporteren de grotere hoeveelheden elektriciteit door het land. Het distributienet omvat de lokale tussenspanningsnetten en de laagspanningsnetten. Dit zijn de netten met spanningsniveaus van 50 (gedeeltelijk), 25, 20 en 10 kilovolt, 220 (380) volt. Deze netten verdelen de getransporteerde elektriciteit binnen woonplaatsen en tussen belastingcentra binnen regio’s.

De grens tussen transportnetten en distributienetten is niet glashelder te trekken op basis van het spanningsniveau. De rol van de 50, 25, 20 en 10 kV-netten is per netgedeelte verschillend. Zij hebben in het algemeen gesproken zeker niet dezelfde duidelijke transportfunctie als de netten van 110 kV en hoger en kunnen dus gepositioneerd worden als distributienetten.

De leden van de PvdA-fractie gaven aan dat eigendomsoverdracht van het landelijk hoogspanningsnet op grond van artikel 93a van de Elektriciteitswet 1998 een wettelijke verplichting is en vragen zich af waarom 35% van het landelijk hoogspanningsnet nog niet is overgedragen. Zij wilden tevens weten of via een verruiming van artikel 10, eerste lid of artikel 93a bewerkstelligd kan worden dat de rest van het transportnet onder beheer van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet komt. Op grond van artikel 93a van de Elektriciteitswet 1998 dienen de aandelen van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bij de Nederlandse Staat te berusten. Dit wil zeggen dat de aandelen van TenneT in handen moeten zijn van de Nederlandse Staat. Dat wil niet zeggen dat de eigendom van het deel van het landelijk hoogspanningsnet dat niet in handen van TenneT is op grond van artikel 93a van de Elektriciteitswet 1998 aan TenneT overgedragen moet worden. Ik acht dit ook niet noodzakelijk. Voor de delen van het landelijk hoogspanningsnet die niet in handen van TenneT zijn, zijn beheersovereenkomsten afgesloten. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is in de praktijk in staat om op basis van deze overeenkomsten te zorgen voor een

goed beheer van het gehele landelijke hoogspanningsnet. Wel is het uiteraard mogelijk dat TenneT in onderhandeling met de bestaande eigenaren deze netten in eigendom verkrijgt.

Zoals ik in mijn brief van 31 maart jl. heb aangegeven, acht ik het wenselijk om de beheersbevoegdheden van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet uit te breiden tot en met de netten met een spanningsniveau van minimaal 110 kV. In deze brief heb ik tevens aangegeven dat een afzonderlijk wetgevingstraject nodig zal zijn ter implementatie van mijn voornemen de bedrijven te splitsen. In het kader van de voorbereiding van dat wetsvoorstel zal ik ook bezien op welke wijze de uitbreiding van de beheersbevoegdheden van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet vorm gegeven kan worden.

  • 10. 

    De systeembeheerders

De leden van de fractie van het CDA verzochten een wettelijke basis voor het oprichten en instandhouden van een beurs op te nemen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De leden van de D66-fractie stelden een soortgelijke vraag. In het wetsvoorstel is voorgesteld de mogelijkheid voor de Minister van Economische Zaken de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op te dragen een markt voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van elektriciteit tot stand te brengen of in stand te houden, te doen vervallen. Van deze bevoegdheid heeft de Minister van Economische Zaken nooit gebruik hoeven of willen maken. Voor elektriciteit is in de afgelopen jaren een aantal marktplaatsen ontstaan, zoals de APX, Endex, EnergieKeuze, de OTC (over-the-counter) markt, de bilaterale handel en de door de TenneT georganiseerde markt voor regel- en reservevermogen. Het bestaan van marktplaatsen is een voorwaarde voor liquiditeit. Op transparante en objectieve marktplaatsen kunnen partijen elkaar snel vinden, hetgeen de transactiekosten verlaagt. Evenals in de elektriciteitsmarkt zijn in de gasmarkt ook marktplaatsen ontstaan omdat hier behoefte aan was, voorbeelden zijn de Title Transfer Facility en de EuroHub. Voorts worden op dit moment door APX de mogelijkheden onderzocht om een spotmarkt voor gas tot stand te brengen, APX is daarover in gesprek met de netbeheerder van het landelijk gast-ransportnet. Ik juich deze ontwikkeling toe en zal deze daar waar mogelijk stimuleren. Ik acht het niet nodig dat voor een (gas)beurs een wettelijke basis gecreëerd wordt. Als er daadwerkelijk juridische belemmeringen bestaan voor het ontstaan van een gasbeurs, dan zal ik die daar waar dit mogelijk is adresseren. Een wettelijke basis is echter niet a priori een oplossing aangezien een wettelijke basis niet gelijk staat aan het ontstaan van een goed functionerende beurs waarop voldoende volume wordt verhandeld. Binnenkort zal ik uw Kamer naar aanleiding van het liquiditeitsonderzoek van de DTe een brief sturen met daarin mijn visie op de ontwikkeling van de liquiditeit in de elektriciteitsmarkt.

  • 11. 

    TSO Gas

De leden van de CDA-fractie vroegen of ik bereid ben het onderdeel over het calamiteitenplan Gasunie aan te passen opdat dit een verantwoordelijkheid van de overheid zou worden en dat op grond van een algemene maatregel van bestuur in plaats van een ministeriële regeling te regelen. Artikel 51 wordt door het wetsvoorstel slechts aangepast in technische zin in verband met de introductie van de term «netbeheerder van het landelijk gastransportnet». Op grond van deze verplichting heeft de Gasunie in september 2000 een calamiteitenplan bij mij ingediend. Het toezicht op het calamiteitenplan berust bij de DTe. Het Gasunie-calamiteitenplan treedt in werking zodra sprake is van een zich acuut voordoende kritieke situatie in de gasvoorziening en de ongestoorde gaslevering aan afnemers op grote schaal in gevaar komt of dreigt te komen. Het plan streeft

er naar om bij het bepalen van keuzes uit de beschikbare gastransport-technische mogelijkheden en de beschikbare hoeveelheden gas op de innamepunten, de levering aan kleinverbruikers voorrang te geven en de beschikbare hoeveelheden billijk te verdelen.

Van een gedetailleerd afschakelplan is bij het desbetreffende calamiteitenplan geen sprake. Wat afschakelplannen betreft, wil ik wijzen op de mogelijkheid die bij nota van wijziging op dit wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2003/04, 29 372, nr. 11) in artikel 12 en 82 van de Gaswet is gecreëerd, om bij ministeriële regeling regels te stellen over het waarborgen van het netbeheer van alle netten en het transport van gas in buitengewone omstandigheden. In elk geval kan de Minister van Economische Zaken in dit verband regels stellen over de wijze en volgorde van afschakeling van afnemers onder buitengewone omstandigheden. Ook de Distributiewet 1939 is van belang als het gaat om de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken om regels op te stellen ten aanzien van de distributie van aardgas in noodsituaties. Naar mijn mening is op dit moment de taak van het opstellen van een calamiteitenplan in goede handen bij Gasunie. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal de taak een calamiteitenplan op te stellen, berusten bij de netbeheerder van het landelijk gastrans-portnet.

Ten aanzien van de voorkeur van de genoemde leden voor een algemene maatregel van bestuur in plaats van een ministeriële regeling, wil ik het volgende antwoorden. Een ministeriële regeling is het juiste instrument als het gaat om uitwerking van details van een regeling. Ook voor voorschriften waarvan is te voorzien dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld of gewijzigd, is een ministeriële regeling het aangewezen instrument. Voor het transport van gas in buitengewone omstandigheden is vooral van belang dat voorschriften enerzijds voldoende gedetailleerd zijn, en anderzijds flexibel zijn. Een ministeriële regeling is dan ook het juiste instrument.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom de regering afwijzend staat tegenover het verplicht doen aanbieden van flexibiliteits-diensten door de landelijk netbeheerder gas. Voorop staat dat ik op Europese schaal een flexibiliteitsmarkt zie ontstaan. Op weg naar de Europese gasmarkt is er nu een transitiefase van een nationaal en planmatig georganiseerde gasvoorziening naar een vrije gasmarkt. Bij een dergelijk proces doen zich transitieproblemen voor en dit levert diverse beleidsvragen op. Transitieproblemen zijn naar hun aard veelal voorbijgaand. Oplossingen voor die problemen moeten bijdragen aan de totstandkoming van een Europese markt. Ik wil voorkomen dat in de tussenliggende periode maatregelen genomen worden die de ontwikkeling naar een volwassen markt frustreren.

De problematiek van flexibiliteitsdiensten, zoals die in Nederland bestaat, is een overgangsproblematiek van een nationaal georiënteerde gasvoor-ziening naar een Europese markt. Dit komt doordat er op korte termijn slechts een beperkt aantal aanbieders, met een of twee grote partijen op de markt is. Het laatste wat in deze markt moet gebeuren, is het verkleinen van de prikkels voor derden om te investeren in extra flexibiliteit. Het stimuleren van investeringen staat voorop – wat onverlet laat dat tegelijkertijd voor de korte termijn de aanwezige flexibiliteit voor de markt beschikbaar moet zijn. Tot het moment dat er een goed werkende onbalansmarkt is, is het in het belang van het bevorderen van het doelmatig handelen van netgebruikers en gastransportbedrijven dat de netbeheerder van het landelijk gastransportnet flexibiliteit zal inkopen en een flexibiliteitdienst zal aanbieden indien hiertoe behoefte in de markt bestaat. Naarmate de markt zich verder ontwikkelt en nieuwe handelsmogelijkheden worden benut, is het denkbaar dat de behoefte hieraan afneemt en dat een plicht tot aanbieden van dergelijke flexibiliteits-diensten zou kunnen vervallen. Op basis van de DTe-richtlijnen biedt

Gasunie daarom de dienst «tolerance service» aan. Het opnemen in de Gaswet van een expliciete verplichting voor de landelijke netbeheerder voor het aanbieden van flexibiliteitsdiensten lijkt mij in dit verband een stap te ver en gezien het bovenstaande ook niet nodig. Zowel ikzelf als de DTe letten scherp op de ontwikkeling van de flexibiliteitsmarkt en gedurende het transitietraject moet bij voortduring beoordeeld worden welke mate van regelgeving gepast is.

Het tegen kostengerelateerde tarieven reguleren van opslag, het geven van toegang tot het Groningenveld voor derden en het oprekken van de taak van de landelijk netbeheerder bij het balanceren van het net, acht ik niet wenselijk. Dergelijke maatregelen zouden ertoe kunnen leiden dat er niet door derden geïnvesteerd wordt in nieuwe opslagen en andere initiatieven om méér flexibiliteit en meer handel in flexibiliteit te realiseren, terwijl dit met het oog op het ontstaan van een Europese gasmarkt juist van groot belang is.

Hiermee heb ik tevens een reactie gegeven op een vraag van de leden van de VVD-fractie naar de gevolgen van het instellen van een gereguleerde flexibiliteitsdienst in de gasmarkt. Deze leden vroegen ook naar mijn verwachtingen ten aanzien van de capaciteit van het Groningenveld en het prijsniveau van capaciteitsdiensten. De capaciteit van het Groningen-veld is niet los te zien van de verkoop van gas. De ontwikkeling van het capaciteitsaanbod (flexibiliteit) uit het Groningenveld zal dan ook nauw samenhangen met de verwachtte uitputting van het veld. Hoe dit zich precies zal ontwikkelen, hangt ook samen met investeringsbeslissingen van de producent van het veld – bijvoorbeeld het uitbreiden van compressoren op het veld. Het prijsniveau voor capaciteitsdiensten zal afhangen van de ontwikkelingen op de markt. Hier zijn in het algemeen geen eenduidige verwachtingen voor te geven. Ik wijs er op dat mijn bevoegdheden ten aanzien van de prijs en de productie van het Groningenveld overeind blijven en dat de capaciteit van het Groningenveld onverminderd beschikbaar is voor het kleine veldenbeleid en voor de integriteit van het net.

De leden vroegen om in te gaan op het begrip peak-shave capaciteit. Peak-shave capaciteit doelt op het voorzien in de gasvraag als deze tijdelijk zeer hoog is. In het algemeen is hiervan sprake tijdens extreem koude dagen. Hiervoor zal, door middel van het ontwerpbesluit leveringszekerheid Gaswet, een bijzondere rol worden toebedeeld aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. De leden van de fractie van de PvdA vroegen of het juist is dat de kwaliteitsconversie voor 2004 reeds is uitverkocht en voor 2005 bijna en wat dit voor consequenties heeft voor een vrije gasmarkt. Stand van zaken begin april is dat het laatste kwartaal in 2004 en het volledige jaar 2005 zijn uitverkocht. De door nieuwe partijen gecontracteerde hoeveelheid kwaliteitsconversie is in de jaren hiervoor gestaag toegenomen tot het huidige niveau dat voor eind 2004 en 2005 is gehandhaafd. Onder het huidige dienstensysteem van Gas Transport Services zal het tekort aan conversiecapaciteit geen gevolgen hebben voor de vrije hoog-calorische gasmarkt. Voor het laagcalorische deel van de gasmarkt is de hoge verkoop van de dienst kwaliteitsconversie aan nieuwe partijen in de eerste plaats een teken van het succes van de liberalisering op deze markt. Ook bij kwaliteitsconversie manifesteert zich overduidelijk een transitieprobleem, zoals eerder ten aanzien van flexibiliteit gesignaleerd. Kwaliteitsconversie is niet langer een activiteit die in het kader van een nationaal en planmatig georganiseerde gasvoorziening door Gasunie als coördinator wordt verzorgd, maar een dienst die door de diverse marktpartijen specifiek kan worden gecontracteerd. Daarbij is niet op voorhand duidelijk of gecontracteerde capaciteit uiteindelijk ook voor eigen gebruik is of dat deze capaciteit op een secundaire markt verder zal worden verhandeld omdat handelaren de eigen vraag naar conversiecapaciteit hebben overschat. Ook is niet altijd duidelijk of het gaat om conversie met

het oog op Nederlandse afnemers of klanten in het buitenland. Er kan met andere woorden, net als bij transportcapaciteit, sprake zijn van contractuele schaarste (allocatieproblemen) en/of van fysieke schaarste. De eerste vraag is dan ook of er voor wat betreft kwaliteitsconversie door de liberalisering fysieke schaarste ontstaat. Hoewel over de ontwikkeling van de feitelijke vraag nog geen zekerheid bestaat, lijkt een eventueel probleem beperkt tot enkele dagen in het jaar. Door GTS wordt thans nagegaan in hoeverre de beschikbaar te stellen conversiecapaciteit kan worden uitgebreid.

De tweede vraag is hoe de allocatieproblemen, die zich in elk geval zullen voordoen, het beste kunnen worden opgelost. Daarbij kijkt GTS naar de wijze waarop een secundaire markt voor kwaliteitsconversie gestalte kan krijgen en in hoeverre swaps kunnen worden gefaciliteerd dan wel afscha-kelbare capaciteit kan worden aangeboden. In dit verband wil ik ook verwijzen naar de ontwerp richtlijnen gastransport 2005 zoals die begin april door de DTe zijn gepresenteerd. In deze concept-richtlijnen gaat de DTe in op de allocatie van kwaliteitsconversie en de kosten daarvan. De DTe stelt voor de kosten van conversie te socialiseren, omdat zij van mening is dat daarmee de toetreding tot de markt van laagcalorisch gas (vooral huishoudens) kan worden verbeterd. De komende maanden zal door GTS en DTe een nadere analyse van de problematiek worden gemaakt. Afhankelijk daarvan zal worden bezien waar de remedies liggen en wat dit betekent voor de door de DTe vast te stellen richtlijnen transport 2005.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of het juist is dat alle opslagfaciliteiten nu in handen zijn van één bedrijf, de NAM. Voor de huidige drie ondergrondse gasopslagfaciliteiten op het Nederlands territoir zijn op grond van de Mijnbouwwet opslagvergunningen verleend. Twee aan de NAM (Norg en Grijpskerk) en één aan BP Nederland Energie B.V., Dyas B.V. en Petro-Canada Netherlands B.V. gezamenlijk (Alkmaar). Daarnaast zijn in de ons omringende landen (met name in Duitsland) voor Nederlandse marktpartijen opslagfaciliteiten beschikbaar. Ook zijn er momenteel marktinitiatieven die er toe kunnen leiden dat nieuwe marktpartijen opslagmogelijkheden ontwikkelen in uitgeproduceerde gasreservoirs en zoutcavernes.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de verordening betreffende de voorwaarden voor de toegang tot gastransmissienetten een directe werking heeft in Nederland. Deze ontwerp-verordening, waarover de bespreking in december 2003 is gestart, heeft als doel om de afspraken van het Europees Regelgevend Forum voor gas (het zgn. Madrid-forum) te formaliseren en de marktwerking te verbeteren door middel van specificatie van de eis van non-discriminatie. Na totstandkoming en inwerkingtreding van deze verordening, zal deze verordening, net als alle andere Europese verordeningen, rechtstreekse werking hebben in alle lidstaten van de Europese Unie, dus ook in Nederland. Dit blijkt uit artikel 249 van het EG-verdrag, waarin is bepaald dat een verordening algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar de positie van Shell en ExxonMobil wat betreft de noodzaak van de herstructurering van het Gasgebouw en of de Staat niet tevens een aandeel in het leveringsbedrijf zou moeten houden. De leden van de VVD vroegen naar de termijn waarop ik verwacht dat de onderhandelingen over het gasgebouw kunnen worden voortgezet. Het is moeilijk te zeggen waarom de andere overlegpartners niet doordrongen zijn van de noodzaak omdat zij daarover geen verdere mededeling hebben gedaan. Ik kan om dezelfde reden niet aangeven wanneer de besprekingen zullen worden hervat. Bij hervatting van besprekingen zal inderdaad nog steeds de inzet zijn als Staat het

volledig eigendom van het net te verwerven. Het is niet de intentie het aandeel in het leveringsbedrijf te houden, althans niet langer dan nodig voor een goede overgang. Het aandeelhouderschap is ook in het onderhavige geval, in vergelijking met de juiste weten regelgeving, concessievoorwaarden en overeenkomsten, uiteindelijk minder geschikt als instrument om publieke belangen als leveringszekerheid, kleine velden beleid, en behoud van de gasinkomsten, blijvend en afdoende te verzekeren.

De leden van de fractie van de VVD vroegen in te gaan op het voorstel een onafhankelijke TSO in te richten en een tijdsschema te verstrekken over de voltooiing daarvan. Zoals het wetsvoorstel vraagt, moet Gasunie een onafhankelijke landelijk netbeheerder (TSO) per 1 juli aanstaande realiseren – geheel conform de tweede gasrichtlijn. Gasunie is met de voorbereidingen daarvan doende.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de taken van de TSO afwijken van de tweede gasrichtlijn en zo ja wat de reden daarvoor is. Als deze leden doelen op de mogelijkheid dat een deel van de in de tweede gasrichtlijn genoemde taken niet zou zijn overgenomen in de Gaswet, is mijn antwoord: neen, de taken in de wet wijken niet af. Als deze leden er op doelen dat er in het wetsvoorstel meer taken voor de TSO zijn opgenomen dan waartoe de tweede gasrichtlijn dwingt is het antwoord: ja, de in het voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, opgenomen verplichting om kwaliteitsconversie aan te bieden is niet expliciet ontleend aan de tweede gasrichtlijn. Ook de in het voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onder d, opgenomen mogelijkheid om de TSO op te dragen werkzaamheden te verrichten in het kader van de monitoringstaak van de Minister van Economische Zaken, wordt niet door de tweede gasrichtlijn voorgeschreven. Bij monitoring is de mogelijkheid in de wet opgenomen om werkzaamheden aan de netbeheerders van de landelijke netten op te dragen aangezien deze netbeheerders vanuit hun functie reeds beschikken over een deel van de informatie welke nodig is voor de uitvoering van de monitoringstaak. Tot slot heeft de TSO op basis van het voorgestelde artikel 54a en volgende een taak in het kader van het kleine velden beleid.

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar de achtergrond van de introductie van directe sturing van de productie van het Groningenveld in relatie tot de voorzieningzekerheid. De eerste waarborg voor een goede voorzieningzekerheid is de daadwerkelijke aanvoer van gas, liefst eigen productie zolang als dat mogelijk is. Om zo veel mogelijk Nederlands gas te produceren is in de jaren ’70 van de vorige eeuw (na de oliecrisis) het kleine veldenbeleid geïntroduceerd, juist met het oog op de voorzieningzekerheid. De balansrol van het Groningenveld is een onmisbare factor bij dit kleine veldenbeleid, en hier moet ook zuinig mee omgesprongen worden. De wens tot een directe sturing van het Groningenveld heeft te maken met de gevolgen van de liberalisering voor de verkoop van kleine velden aan anderen dan Gasunie, het verwachte effect van de terugloop van kleine veldengas op de productie uit Groningen en de verwachte grotere onzekerheid voor de concessiehouder van het Groningenveld vanwege mogelijke grotere schommelingen in de productie van kleine velden. Overigens diende het nationaal productieplafond in de praktijk ook voor de begrenzing van de Groningenproductie. Maar de nieuwe maatregel geeft mij als Minister van Economische Zaken meer direct invloed op de daadwerkelijke productie. Op deze manier zorgen we ervoor dat het Groningenveld zijn balansfunctie kan uitoefenen zolang als er redelijkerwijs nog nieuwe productie van kleine velden is te verwachten. De markt kan zo langer profiteren van het aanbod van Nederlands gas.

  • 12. 

    Toegang tot de netten, publieke belangen, gasopslag

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom de wijze van de organisatie van toegang tot de netten een andere kwestie is dan het voorkomen dat het handelsbedrijf zich oneigenlijk bemoeit met het beheer van de netten. De redenering in de nota naar aanleiding van het verslag waar deze leden op doelen was er op gericht toe te lichten dat de toegangsregeling van de netten niet de juiste insteek biedt om te voorkomen dat in een geïntegreerd energiebedrijf ongewenste invloed wordt uitgeoefend op het netbeheer. Zoals ik in mijn recent toegestuurde visie over de energiemarkten (Kamerstukken II 2003/04, 28 982, nr. 18) heb aangegeven, is daar een optimaal transparante bedrijfsstructuur de oplossing voor. Er is niet bedoeld te ontkennen dat het vraagstuk van ontvlechting enerzijds en het vraagstuk van toegang tot de netten een zekere relatie met elkaar hebben.

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar de voor- en nadelen van het introduceren van een systeem van gereguleerde toegang in de gasmarkt. Het wetsvoorstel schrijft bij de toegang tot gasnetten een vorm van gereguleerde toegang voor. Dit neemt niet weg dat er altijd ruimte is voor maatwerkcontracten. De tweede gasrichtlijn staat niet meer toe dat onderhandeld wordt over de vraag of toegang moet worden verleend. Dit is de achtergrond van de wijzigingen. In de praktijk betekent het wetsvoorstel een relatief kleine wijziging aangezien er al sprake was van een vorm van regulering van het onderhandelingsproces. Grote effecten van het introduceren van het nieuwe systeem zijn dan ook niet te verwachten. Het systeem waarborgt non-discriminatoire toegang van derden tot het gasnet op basis van een gereguleerde tariefberekeningssystematiek, waarbij er voldoende ruimte is voor marktpartijen om binnen dat kader tot een goede en zonodig op maat gesneden invulling te komen.

Over het begrip «economische machtspositie» hadden de leden van de VVD-fractie enkele vragen. Zo vroegen zij of de Minister van Economische Zaken bevoegd is om te bepalen of een marktpartij een economische machtspositie heeft. Economische machtspositie is een begrip uit de Mededingingswet. Artikel 24 van deze wet verbiedt de houder van een economische machtspositie daarvan misbruik te maken. Het is de NMa en niet de Minister van Economische Zaken die beoordeelt of een onderneming een economische machtspositie heeft en of hij misbruik maakt van deze machtspositie. Dit geldt ook voor de toepassing van het eerste lid van artikel 18; het is de NMa die bepaalt of een gasopslagbedrijf een dergelijke positie heeft en toezicht houdt op de naleving van dergelijke bedrijven van de voorgestelde artikelen 18a tot en met 18f alsmede beoordeelt of deze partijen misbruik maken van hun positie. Het toezicht op de naleving van de artikelen 18 wordt in de praktijk in mandaat door de DTe uitgeoefend. Voorts kan de DTe vanuit haar toezichthoudende functie op de energiemarkt de NMa attenderen op eventueel misbruik. Op basis van het voorgestelde artikel 18, tweede lid, van de Gaswet worden de beheerders van de gasopslaginstallaties waarvoor op basis van de Mijnbouwwet een vergunning is verleend (de beheerders van de bestaande 3 gasopslaginstallaties) expliciet aangemerkt als houders van een economische machtspositie. Hier heeft de wetgever en niet de Minister van Economische Zaken bepaald dat er sprake is van een machtspositie. Het feit dat (nieuwe) gasopslagbedrijven niet op grond van artikel 18, tweede lid, worden gekenmerkt als houders van een economische machtspositie, betekent niet dat het juridisch mogelijk is dat de werking van de voorgestelde artikelen 18a tot en met 18f aan hen voorbij gaat. Immers, daar geldt de normale gang van zaken zoals hierboven weergegeven.

Op basis van het derde lid van artikel 18 kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt, waarna de beoordeling of deze bedrijven een machtspositie hebben weer volgens de normale gang van zaken aan de NMa wordt overgelaten. Deze algemene maatregel van bestuur kent een voorhangprocedure. Formeel wordt het buiten toepassing stellen van het tweede lid van artikel 18 dus gedaan door de Kroon met medebetrokkenheid van de Eerste en Tweede Kamer. Maar niet te ontkennen valt natuurlijk dat de Minister van Economische Zaken hier op zijn minst een voortrekkersrol heeft. Bij het beoordelen of de beheerders van de bestaande opslagen niet langer een economische machtspositie hebben en of het tijd is om een algemene maatregel van bestuur op basis van het derde lid op te stellen, zullen adviezen van de DTe en de NMa een belangrijke rol spelen.

Voorts vroegen de leden van de VVD-fractie naar criteria die hierbij worden gehanteerd. In principe zullen de criteria die door de NMa worden gehanteerd om te bepalen of er sprake is van een economische machtspositie mede een rol spelen bij een eventueel besluit om een algemene maatregel van bestuur op te stellen. Meer specifiek zal gekeken moeten worden of er inmiddels voldoende concurrentie op de relevante markt is ontstaan. De bevoegdheden van de NMa en de DTe zijn de volgende: de NMa bepaalt welke gasopslagbedrijven onder de werking van artikel 18, eerste lid vallen en beoordeelt zonodig of de houders van de economische machtspositie (inclusief de partijen genoemd in het tweede lid van artikel 18) ook misbruik maken van hun machtspositie.

De leden van de VVD-fractie zouden graag weten welke criteria gehanteerd zullen worden bij de beoordeling of een verzoek om toegang tot een gasopslaginstallatie voldoet aan de voorwaarde dat deze toegang «technisch of economisch noodzakelijk» is. Ook vroegen zij door welke instantie deze beoordeling plaats zal vinden. Het begrip «technisch of economisch noodzakelijk» is ontleend aan artikel 19 van de tweede gasrichtlijn. Dit begrip moet in de praktijk zijn invulling krijgen. Zo is het denkbaar dat dit begrip in tijden van schaarste op de flexibiliteitmarkt kan dienen om te voorkomen dat de schaarse capaciteit door sommige marktpartijen wordt gebruikt voor puur speculatieve doeleinden, terwijl anderen die deze capaciteit echt nodig hebben om op de markt te komen geen toegang meer geboden kan worden. De DG NMa is op grond van artikel 59 bevoegd en houdt toezicht op de uitvoering van de Gaswet. Deze bevoegdheid heeft de NMa gemandateerd aan de DTe.

  • 13. 

    De gasmarkt

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom er onduidelijkheid is over de beschikbaarheid van transportcapaciteit en naar het belang van deze importcapaciteit voor het totstandkomen van een concurrerende gasmarkt. Om te voorkomen dat transportcapaciteit waar wel behoefte aan bestaat onbenut zou blijven, biedt Gasunie afschakelbare capaciteit aan. De koper hiervan loopt het risico dat zijn transport niet gehonoreerd kan worden als een van de oorspronkelijke partijen er alsnog aanspraak op maakt. Overigens staat hier wel een financiële compensatie voor de koper tegenover. Een vergelijkbaar risico loopt degene die transport tegen de fysieke stroom in heeft gecontracteerd. Immers, dat transport kan niet plaatsvinden als de fysieke stroom onvoldoende groot is. Dat transportcapaciteit is uitverkocht wil niet zeggen dat die capaciteit ook altijd volledig wordt benut door de partijen die de capaciteit hebben geboekt. Op het gebied van import kan ook dit onderscheid gemaakt worden tussen de fysieke mogelijkheden van import en de contractuele allocatie van importcapaciteit.

De onduidelijkheid waarnaar door de leden van de PvdA-fractie wordt geïnformeerd, doelt er op dat (potentiële) klanten van afschakelbaar trans-

port op dit moment over onvoldoende informatie beschikken om een goede inschatting van het risico van afschakelen te kunnen maken. Daarmee nemen de afschakelbare diensten in aantrekkelijkheid af waardoor mogelijk alsnog capaciteit onbenut blijft waar wel vraag naar was. Dit kan op importgebied ook leiden tot onbenutte importcapaciteit. De gerealiseerde import van gas (16 miljard m3 in 2003) geeft overigens aan dat dit nog niet heeft geleid tot grote problemen.

In de op 2 april 2004 door de DTe gepubliceerde ontwerprichtlijnen gast-ransport 2005 wordt in het hoofdstuk Transparantie en informatievoorziening (artikel 11) aan de netbeheerder van het landelijk gastrans-portnet de verplichting opgelegd een hoeveelheid additionele informatie te publiceren die genoemde onzekerheid moet ondervangen. Het wegnemen van de onzekerheid en het vergroten van de transparantie over de hoeveelheid beschikbare capaciteit draagt direct bij aan de totstandkoming van een concurrerende gasmarkt.

De leden van de fractie van de PvdA stelden een aantal vragen over het kennelijk verslechterde mijnbouwklimaat. Er is in 2000 een aantal maatregelen genomen ter verbetering van het mijnbouwklimaat. Met name het feit dat Energie Beheer Nederland nu ook deelneemt in exploratie activiteiten heeft een positieve uitwerking gehad. Echter, zoals ook door de vraagstellers is geconstateerd, is in 2003 het aantal exploratieboringen achtergebleven bij het wenselijk geachte niveau. Ook het productievolume uit kleine velden loopt fors terug. In 2003 is een onderzoek verricht door Gaffney, Cline & Associates (hierna GCA) naar het mijnbouwklimaat in Nederland en de andere Noordzeelanden. Daaruit blijkt dat er inderdaad sprake is van een verslechtering van de situatie ten opzichte van de situatie in 2000 (met inbegrip van de toen genomen maatregelen). Het hele Noordzeegebied staat er nu slechter voor, Nederland echter in verhouding meer dan de overige landen (Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland en Noorwegen). De afschaffing van de vrije afschrijving wordt door GCA als een belangrijke oorzaak hiervoor gezien. Herinvoering van de vrije afschrijving wordt door GCA gezien als een kosteneffectieve maatregel om het mijnbouwklimaat de benodigde impuls te geven. In overleg met de Minister van Financiën wordt gekeken welke maatregelen genomen kunnen worden om een gezond mijnbouwklimaat te waarborgen.

Inzake de olieprijs is het van belang te beseffen dat oliemaatschappijen investeringsbeslissingen nemen voor een periode van 15 tot 20 jaar. Men houdt daarbij rekening met een langjarig gemiddelde olieprijs (momenteel rond de $18); de actuele olieprijs is van ondergeschikt belang.

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar de bijdrage van de oprichting van een wettelijke marktplaats aan de werking van de gasmarkt en naar andere mogelijkheden om de werking ervan te verbeteren. Voorts vroegen de leden naar een wettelijke verplichting om een gedeelte van de productie op een marktplaats te verhandelen. Voor een goede werking van de gasmarkt is het van belang dat partijen op verschillende marktplaatsen verschillende producten met elkaar kunnen verhandelen. Partijen kunnen hun gedrag afstemmen op de informatie, bijvoorbeeld in de vorm van prijzen, die marktplaatsen opleveren. Hoe meer transparantie op de verschillende marktplaatsen, hoe meer zekerheid partijen hebben bij het aangaan van transacties. Markten komen tot stand wanneer hier behoefte aan is, dit laten het bestaan van de huidige markten zoals bijvoorbeeld de Title Transfer Facility en de EuroHub ook zien. Ook het initiatief van de APX een spotmarkt voor gas te beginnen, laat zien dat er door partijen geanticipeerd wordt op behoeften in de markt. Een wettelijke basis voor een marktplaats draagt op zichzelf niet bij aan de werking van de gasmarkt. Daarvoor is het in de eerste plaats nodig dat van een marktplaats gebruik wordt gemaakt door partijen. Een eventuele wettelijke

status van een marktplaats is daarop niet van invloed. Op dit moment zijn verschillende ontwikkelingen zichtbaar die de werking van de gasmarkt ten goede zullen komen. Naast genoemd initiatief van APX een spotmarkt voor gas tot stand te brengen, kan worden gewezen op de door de Europese Commissie voorgestelde Verordening betreffende de voorwaarden voor de toegang tot gastransmissienetten (nr. 2003/741) en de door de DTe op 2 april 2004 gepubliceerde Ontwerprichtlijnen Gastransport 2005. Een andere ontwikkeling die van belang is als gekeken wordt naar de werking van de gasmarkt is de dalende lijn in het marktaandeel van Gasunie in Nederland. Het is te verwachten dat deze trend, die is ingezet bij de liberalisering van de gasmarkt voor de eerste en tweede fase, zich zal voortzetten als gevolg van de derde fase van de liberalisering. Een wettelijke verplichting om een gedeelte van de productie op een marktplaats te verhandelen kan worden opgelegd op basis van de voorgestelde artikelen 86d van de Elektriciteitswet 1998 en 66a van de Gaswet. Dit is echter een zeer ingrijpende bevoegdheid, die de regering alleen zal gebruiken wanneer de elektriciteits- of gasmarkt anders niet van de grond komt, en wanneer bovendien initiatieven uit de markt of andere minder ingrijpende wettelijke maatregelen onvoldoende bijdrage leveren aan de werking van de elektriciteits- of gasmarkt. Bij het gebruik van een dergelijke maatregel moet onder andere rekening worden gehouden met bestaande contracten, proportionaliteit en de mogelijke gevolgen voor de leverings- en voorzieningszekerheid. Het creëren van deze mogelijkheid tot ingrijpen alleen al is onderwerp geweest van een diepgaande beleids-discussie, omdat een dergelijke maatregel, hoewel nuttig voor een regierol van de overheid, onzekerheid creëert met betrekking tot investeringen. Voordeel van het verplicht aanbieden van productiecapaciteit is dat het leidt tot een vergroting van het aanbod van productiecapaciteit, hetgeen directe gevolgen heeft voor het concurrentieniveau. Ik wil er echter nogmaals op wijzen dat een dergelijke verplichting zeer ingrijpend is en derhalve niet lichtvaardig ter hand genomen kan worden.

Met betrekking tot het ontwerpbesluit leveringszekerheid Gaswet, dat in december 2003 met uw Kamer is besproken, deden de leden van de VVD-fractie navraag naar de motivering van de centrale voorziening voor zeldzaam koude winterdagen, welke zorg draagt voor de extra benodigde gascapaciteit voor kleinverbruikers wanneer de gemiddelde temperatuur onder de –9 graden Celsius komt. De kernvraag voor de afbakening van de centrale voorziening voor gaslevering gedurende zeldzaam koude winterdagen is waar het punt ligt waar de levering aan kleinverbruikers economisch onaantrekkelijk wordt voor individuele leveranciers. Deze grens is zodanig bepaald dat voor het leeuwendeel van de gaslevering direct door de markt zelf kan worden voorzien. Alleen voor levering die niet vaak voorkomt, statistisch gemiddeld minder dan ééns per twee jaar wat neerkomt op een grens van –9 graden Celsius, heb ik een voorziening getroffen omdat het onzeker is of en wanneer de benodigde capaciteit wordt aangesproken. Vanwege deze onzekerheid kan niet gesteld worden dat alle vergunninghouders deze zeldzame levering zullen rekenen tot de normale bedrijfsvoering. De vrijheid van individuele leveranciers heb ik daarom voor dit stuk capaciteit aan banden gelegd middels een centrale voorziening. Daarmee wordt inderdaad flexibiliteit onttrokken aan de markt, dat wil zeggen gereserveerd voor extreem koude periodes. Dat levert een prikkel om te investeren in flexibiliteit, als daardoor een tekort zou ontstaan. Zo wordt het doel bereikt: voldoende flexibiliteit, ook in een koude winter.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar een alternatief om de leveringszekerheid aan kleinverbruikers te waarborgen middels ex-post toezicht, wat tot meer efficiëntie zou leiden. In dit alternatief kan de DTe opdracht geven tot centrale capaciteitsreservering, op kosten van leveranciers die

te weinig capaciteit hebben gecontracteerd, voor het temperatuurstraject onder de -9 graden Celsius. Bovendien krijgen de leveranciers die in gebreke zijn gebleven een boete opgelegd. Ik ben van mening dat dit alternatief het belang van kleinverbruikers te weinig dient. Ten eerste wordt de DTe gedwongen om op basis van een momentopname een beslissing te nemen met betrekking tot de centrale capaciteitsreservering. Mede omdat degene die eventueel een boete tegemoet zal zien, dezelfde partij is die de informatie aanlevert op basis waarvan de boetebeslissing wordt genomen, zal de beoordeling van de geleverde informatie uitermate complex worden.

Ten tweede schuilt in het alternatief de prikkel tot fysieke overcapaciteit en daarmee een te hoge rekening voor kleinverbruikers, omdat in genoemd alternatief zowel de leveranciers (in eerste instantie) als het landelijke gastransportbedrijf (in tweede instantie) verantwoordelijk worden voor het temperatuurstraject onder de -9 graden Celsius. Vergeleken met het ontwerpbesluit leveringszekerheid Gaswet, zal de prikkel tot investeren door het landelijke gastransportbedrijf niet veel verschillen; in beide gevallen moet men altijd terug kunnen vallen op de centrale voorziening. Naar verwachting zal er dus teveel gereserveerd worden, waar uiteindelijk de kleinverbruiker de kosten van draagt. Aangezien het belang van kleinverbruikers voorop staat in het ontwerpbesluit leveringszekerheid Gaswet, ben ik van mening dat de gekozen oplossing van de ex-ante centrale voorziening de voorkeur verdient.

De leden van de fractie van de SP vroegen of het wetsvoorstel zal leiden tot een verbetering van de huidige situatie van de gasmarkt. Voor alles zal het wetsvoorstel de onafhankelijke landelijke netbeheerder positioneren en hier duidelijke taken aan opdragen. Dit zal voor marktpartijen meer duidelijkheid opleveren en het toezicht op de markt vergroten en is een grote stap vooruit bij het bewerkstelligen van een vrije Europese markt. Inzake de aspecten die de leden van de SP-fractie noemden zoals de beschikbaarheid van transportcapaciteit wil ik verwijzen naar mijn antwoord op andere vragen omtrent de TSO Gas in paragraaf 11.

De leden van de SP-fractie meenden dat in de artikelen 10 tot en met 15 van de Gaswet vergeten is om randvoorwaarden te stellen aan de beschikbaarheid en de ter beschikking stelling, de allocatie. Deze leden wilden weten hoe deze problemen opgelost zullen worden. Het huidige allocatiesysteem van Gasunie gaat uit van het zogenaamde «first-come-first-served» principe. Dit betekent dat een marktpartij die als eerste capaciteit op het netwerk vraagt, deze ook als eerste krijgt toegewezen. Het is mogelijk dat een marktpartij capaciteit boekt, zonder dat deze ook daadwerkelijk door die marktpartij wordt gebruikt. Zo contracteren marktpartijen soms extra capaciteit om bij onvoorziene omstandigheden, zoals het tijdelijk wegvallen van een toeleveringsstroom, een back-up mogelijkheid te hebben om toch gas naar de klant te brengen. Indien de extra geboekte capaciteit niet door de marktpartij wordt gebruikt, komt deze capaciteit via het zogenaamde use-it-or-lose-it mechanisme weer vrij voor andere marktpartijen. Dit mechanisme zorgt er voor dat fysiek beschikbare capaciteit ook altijd aan de markt wordt aangeboden. Het is denkbaar dat in de toekomst een veilingsysteem voor verdeling van capaciteit wenselijk is. Een veilingmechanisme zorgt er voor dat degene die het meeste geld over heeft voor de beschikbare capaciteit deze ook krijgt. Maar dit betekent niet dat een veiling ook perse tot een betere benutting van fysiek beschikbare capaciteit leidt. Ook bij een veiling is het immers mogelijk dat een marktpartij capaciteit inkoopt, zonder dat hij die gebruikt. Begin april heeft de DTe in de ontwerp-richtlijnen gastransport 2005 een aantal maatregelen voorgesteld om het huidige allocatiesysteem van Gastransport Services te verbeteren. Eén van die maatregelen betreft bijvoorbeeld de publicatie van betere informatie over geboekte en

gebruikte transportcapacteit. Het lijkt mij zinvol om het effect van de door de DTe voorgestelde maatregelen af te wachten. Indien deze maatregelen onvoldoende zijn, is het mogelijk om op grond van het voorgestelde artikel 12 Gaswet in een ministeriële regeling nadere randvoorwaarden aan het allocatiemechanisme te stellen.

13.1 De kwaliteitsconversie laag/hoogcalorisch

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar de wijze waarop de concurrentie op het gebied van kwaliteitsconversie zal worden vergroot en of op deze markt andere aanbieders zullen toetreden. Ik verwacht niet dat op korte termijn veel partijen in de markt voor kwaliteitsconversie voor kleinverbruikers zullen stappen en dat is de reden waarom ik voorstel de netbeheerder van het landelijk gastransportnet te verplichten deze dienst aan te bieden aan de markt. Ik heb er evenwel bewust voor gekozen dit niet een exclusieve taak van de netbeheerder van het landelijk gast-ransportnet te maken om toetreding van potentiële aanbieders niet te ontmoedigen. Voor een nadere uiteenzetting over kwaliteitsconversie wil ik verwijzen naar mijn antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie in paragraaf 11.

  • 14. 

    De stroometikettering

De leden van de PvdA-fractie vroegen of zij direct betrokken kunnen worden bij de invulling van stroometikettering door middel van een algemene maatregel van bestuur met voorhang in plaats van een ministeriële regeling. Voorts vroegen de leden van de fractie van de PvdA om een uitgebreide etikettering met in ieder geval een nadere uitsplitsing van de categorie duurzaam. Op dit moment ben ik bezig met de invulling van een ministeriële regeling op dit punt. De invulling van de regelgeving met betrekking tot stroometikettering vloeit voort uit de implementatie van de tweede elektriciteitsrichtlijn. Onlangs heeft de Europese Commissie richtsnoeren bekend gemaakt voor de implementatie van de bepaling betreffende stroometikettering. Vanwege de gewenste flexibiliteit bij de implementatie van de Europese regels op het gebied van stroometikettering, alsmede vanwege het detailniveau dat een dergelijke regeling uit de aard van de materie zal moeten hebben, acht ik een algemene maatregel van bestuur niet het juiste instrument, en heb ik in het wetsvoorstel ook gekozen voor een ministeriële regeling. Dit doet uiteraard niets af aan het belang dat ik aan dit onderwerp hecht. Ook vroegen de leden van de PvdA-fractie om een voorhangprocedure voor deze regeling. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik reeds toegezegd naar aanleiding van vragen van de leden van de fractie van het CDA hieromtrent, dat ik bereid ben om deze regeling in concept aan u voor te leggen opdat indien gewenst hierover een gedachtewisseling kan plaatsvinden. Een voorhangprocedure voor een regeling die strekt ter implementatie van Europese regels, acht ik niet wenselijk. Immers, de inhoud van de regeling wordt in hoge mate bepaald door de Europese wetgeving, en hierbij wil ik dan ook zo veel mogelijk aansluiten. De inhoud van de regeling staat niet meer ten principale ter discussie.

In antwoord op uw tweede vraag kan ik u mededelen dat ik, evenals de leden van de fractie van de PvdA, voorstander ben van een uitgebreid etiket waarin de opwekkingsbronnen kolen, gas, nucleair en duurzaam worden opgenomen. Tevens ben ik voornemens om op het etiket de categorie duurzaam nader uit te splitsen naar de verschillende soorten duurzame bronnen, conform de geldende definities vastgelegd in de «Renewa-bles Directive 2001/77/EC. Dit sluit tevens aan bij de eerder genoemde richtsnoeren voor implementatie van stroometikettering.

  • 16. 

    Betrouwbaarheid netten

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de oorzaken van de hogere stroomuitval in 2002 vergeleken met de daaraan voorafgaande 25 jaar. Uit de jaarlijkse rapportage van EnergieNed blijkt dat de jaarlijkse uitvalduur voor een laagspanningsklant in 2001 gemiddeld 31 minuten bedroeg, en in 2002 gemiddeld 28 minuten. Dit is 40%, resp 27% meer dan het gemiddelde over de eerste 25 jaar van de registratie (1976–2000), dat uitkomt op ca. 22 minuten per jaar. In vergelijking met andere landen scoort ons land hiermee overigens zeer goed. Dit illustreer ik met onderstaand overzicht van de uitvalduur in enkele Europese landen voor het jaar 1999, ontleend aan de «Storingscijfers 2002» van EnergieNed. Voorzover mij bekend is er overigens niet één duidelijk aanwijsbare oorzaak voor de toename van de gemiddelde jaarlijkse uitvalduur. Ener-gieNed noemt enkele ontwikkelingen die hiermee in verband kunnen worden gebracht. Eén daarvan is de verbetering van de storingsregistratie die de netbeheerders vanaf 1994 hebben doorgevoerd. De huidige registratie is vollediger dan voorheen, hetgeen bij gelijkblijvende feitelijke situatie tot hogere cijfers leidt. De omvang van dit effect is evenwel niet bekend. Voorts noemt EnergieNed als mogelijke oorzaken fusies, reorganisaties, wijzigingen in de regio-indeling voor storingsafhandeling en toegenomen verkeersdrukte.

16.1 Veiligheid van de gasnetten

De leden van de fractie van het CDA vroegen naar het voorgenomen beleid en inzake het toezicht op de veiligheid van gasinstallaties in woningen. Ook de leden van de SP-fractie vroegen hiernaar. Mijn ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, heeft vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht op de veiligheid van gasinstallaties in woningen het voorgenomen beleid ten aanzien hiervan op hoofdlijnen aan uw Kamer kenbaar gemaakt door middel van een brief (Kamerstukken II 2003/04, 28 325, nr. 4). Op 15 april 2004 heeft mijn ambtgenoot in overleg met de vaste commissies voor Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en voor Economische Zaken, het voorgenomen beleid nader toegelicht. Voor de antwoorden op deze vragen verwijs ik naar de uitkomsten van dat overleg.

16.3 De storingsregistratie

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de DTe toezicht zal houden op de openbaarmaking van onderbrekingsrapportages en afhandeling van storingen. De openbaarmaking van de jaarlijkse onderbrekingsrapportages en van de actuele stand van zaken betreffende geregistreerde gemelde onderbrekingen zijn verplichtingen die de netbeheerders worden opgelegd met de voorgestelde artikelen 19a respectievelijk 19e van de Elektriciteitswet 1998 en 35a respectievelijk 35e van de Gaswet. De DTe ziet hierop toe in het kader van zijn toezichthoudende taak ten aanzien van de naleving van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.

  • 19. 

    De administratieve lasten

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de doelstelling voor reductie van de administratieve lasten van 35% geldt voor het EZ-beleid of ook specifiek voor de energiesector. In antwoord daarop merk ik op dat de doelstelling van 35% reductie geldt voor het gehele EZ-domein en dus ook voor de wet- en regelgeving op het gebied van energie. Op korte termijn ontvangt u een brief waarin uitgebreid op dit onderwerp zal worden ingegaan.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel 16c

De leden van de VVD-fractie vroegen wat de gevolgen zouden zijn van het verlagen van de grens van 1 MW in artikel 16c van de Elektriciteitswet 1998 voor afnemers die een aansluiting openbaar kunnen laten aanbesteden. Artikel 16c is bij de behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn duurzame elektriciteit (richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (PbEG L 283)) in de Elektriciteitswet 1998 opgenomen (zie Kamerstukken II 2003/04, 28 782, nr. 13). Artikel 16c van de Elektriciteitswet 1998 opent de mogelijkheid een openbare aanbesteding van de aansluitingswerkzaamheden uit te schrijven voor afnemers die een aansluiting wensen met een aansluit-waarde groter dan 1 MW. De grens van 1 MW acht ik noodzakelijk, aangezien er anders onuitvoerbare en onbeheersbare situaties zouden ontstaan. Immers, in dat geval zou iedere afnemer een openbare aanbesteding uit kunnen schrijven. In één straat kunnen veel verschillende afnemers zijn met veel verschillende bedrijven die voor hun aansluiting op het net zouden moeten zorgen. De integriteit van het net en daarmee de leveringszekerheid komen dan evident in gevaar. Juist voor kleinere afnemers is het van belang dat aansluiting op het net op een eenduidige wijze en door de netbeheerder plaatsvindt. Het verlagen van de grens van 1 MW acht ik dan ook onwenselijk.

Artikel 26 E-wet

De leden van de fractie van het CDA vroegen naar het bij voorrang toekennen van importcapaciteit aan grootverbruikers. Ik betreur het dat er nog geen sprake is van level playing field op de Europese elektriciteitsmarkt. Dit is moeilijk voor bedrijven als de grootverbruikers waar de elektriciteitsprijs zo duidelijk doorwerkt in de kostprijs en soms zelfs 40% bedraagt van deze kostprijs. In dit verband is de suggestie gedaan of op weg naar een geliberaliseerde Europese energiemarkt een tijdelijke regeling van rechtstreekse preferentiële toegang tot de Europese markt voor Nederlandse grootverbruikers tot de mogelijkheden behoort. Ook andere mogelijkheden worden onderzocht, waaronder de positie van artikel 25 van de Elektriciteitswet 1998. In juni zal ik nader hierover spreken met VNO-NCW en vertegenwoordigers van grootverbruikers. Tot die tijd onderzoek ik deze mogelijkheid in een gezamenlijke werkgroep van VNO-NCW en EZ. Of het Europese recht de preferentiële toegang voor grootverbruikers toelaat, is thans onderwerp van nader onderzoek.

Artikel 1 Gaswet

De leden van de CDA-fractie gaven aan dat de NMa recentelijk in het kader van geschillenbeslechting een uitspraak heeft gedaan over de toepassing van het wettelijk begrip aansluiting in het kader van een geschil tussen een netbeheerder en een tuinder. Deze leden vroegen wat de NMa heeft besloten en hoe deze uitspraak zich verhoudt tot het gewijzigde begrip aansluiting. Voorts vroegen de leden van de CDA-fractie of alle verbindingen van een afnemer gelegen op één onroerende zaak tot de aansluiting behoren en zo nee, op basis van welk criterium bepaald moet worden welke verbindingen al dan niet tot één aansluiting behoren. De definitie van aansluiting voor gas is gewijzigd in die zin dat een aansluiting nu ook meerdere verbindingen omvat tussen een net en een onroerende zaak. De voorgestelde wijziging strekt ertoe het onnodige verschil tussen de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet op te heffen. Met deze wijziging is

beoogd dat een afnemer, die meerdere verbindingen heeft, toch over één aansluiting kan beschikken. Het hoofdcriterium is dat als sprake is van één onderbreking van het openbare net (een zogeheten knip) ten behoeve van de aansluiting van een afnemer, ongeacht het aantal verbindingen met die onroerende zaak, altijd sprake is van één aansluiting. Ook in het geval van meerdere knippen ten behoeve van één onroerende zaak is sprake van één aansluiting, tenzij sprake is van installaties op een onroerende zaak die geheel onafhankelijk van elkaar functioneren; anders gezegd elkaar niet wederzijds beïnvloeden (vergelijk Rechtbank Rotterdam 25 juni 2003, NETER 2003, nr. 4, p. 157–158).

Het geschil tussen een tuinder en een gasnetbeheerder had betrekking op een verzoek van de tuinder om zijn aansluitingen op twee locaties als één aansluiting te beschouwen om zo de gastransportkosten te beperken. De netbeheerder had toegezegd hieraan medewerking te verlenen als de gemeente het besluit zou nemen de twee locaties als één onroerende zaak te beschouwen. Nadat de gemeente het besluit had genomen, weigerde de netbeheerder desondanks de medewerking. Uit de algemene voorwaarden van de netbeheerder blijkt dat de netbeheerder niet verplicht is om twee aparte aansluitingen als één aansluiting te beschouwen. Na tussenkomst van NMa/DTe heeft de netbeheerder voldaan aan de wens van de tuinder. Onderwerp van geschil was hier de gedane toezegging van de netbeheerder aan de tuinder. Het betrof derhalve niet de vraag welke verbindingen tot één aansluiting behoren. Materieel komt deze uitspraak evenwel overeen met het beoogde doel van de voorgestelde wetswijziging van de definitie van aansluiting.

Artikel 1 lid 1 Gaswet

De leden van de fractie van het CDA vroegen of het begrip «afnemer» in de Gaswet aangepast dient te worden. In de Elektriciteitswet 1998 wordt het begrip afnemer thans gedefinieerd als een «natuurlijke persoon of een rechtspersoon». In het wetsvoorstel wordt voorgesteld dit begrip te vervangen door «een ieder». Reden hiervoor is dat het begrip «natuurlijke persoon of rechtspersoon» te beperkend is. Met het begrip «een ieder» wordt duidelijk dat ook bij voorbeeld een maatschap een afnemer kan zijn. In de Gaswet wordt bij de definitie van afnemer gesproken over «een persoon». Met een «persoon» als drager van rechten en verplichtingen kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn bedoeld. Ook maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen vallen onder het begrip «persoon», omdat bij dergelijke organisaties de uiteindelijke dragers van rechten en verplichtingen steeds de vennoten (personen), en niet de vennootschap zelf, die geen rechtspersoonlijkheid bezit, zijn. Aanpassing van dit begrip is niet noodzakelijk, en is daarom achterwege gelaten.

De Minister van Economische Zaken, L. J. Brinkhorst

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

11 dec
'02
COM(2002)711 - Controle op concentraties van ondernemingen (“de EG-concentratieverordening”)
27 sep
'00
COM(2000)582 - Uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1017/68, Verordening (EEG) nr. 2988/74, Verordening (EEG) nr. 4056/86 en Verordening (EEG) nr. 3975/87 ("uitvoeringsverordening van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag")
29372 - Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer
 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact op met René Wijne van ANP. U kunt hem telefonisch bereiken op 070 41 41 424.