Lijst van vragen en antwoorden - Rijksbeleid stedelijke vernieuwing

Deze lijst van vragen en antwoorden i is onder nr. 3 toegevoegd aan dossier 29211 - Rijksbeleid stedelijke vernieuwing.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Rijksbeleid stedelijke vernieuwing; Lijst van vragen en antwoorden  
Document­datum 30-10-2003
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST71436
Kenmerk 29211, nr. 3
Van Staten-Generaal (SG)
Commissie(s) de Rijksuitgaven (RU) en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

29 211

Rijksbeleid stedelijke vernieuwing

Nr. 3

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 30 oktober 2003

De commissie voor de Rijksuitgaven1 en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 hebben een aantal vragen aan de regering voorgelegd over het rapport «Rijksbeleid stedelijke vernieuwing».

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 30 oktober 2003. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven, B. M. de Vries

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke

Ordening en Milieubeheer,

Buijs

Adjunct-griffier van de Commissie voor de Rijksuitgaven, Stolk

1 Samenstelling:

Leden: Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), ondervoorzitter, Crone (PvdA), Rouvoet (CU), De Vries (VVD), voorzitter, De Haan (CDA), Atsma (CDA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), ten Hoopen (CDA), Balemans (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Rambocus (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA) en Schippers (VVD). Plv. leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Fierens (PvdA), Van der Vlies (SGP), De Grave (VVD), Mosterd (CDA), Kortenhorst (CDA), Van Gent (GL), Duyvendak (GL), De Ruiter (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink

(VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Hofstra (VVD), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), Vacature (CDA), Vergeer (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), Smeets (PvdA), Van Heemst (PvdA), Smits (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Kalsbeek (PvdA) en Van Beek (VVD). 2 Samenstelling:

Leden: Duivesteijn (PvdA), Hofstra (VVD), Buijs (CDA), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Van Gent (GL), Geluk (VVD), Örgü (VVD), Dijssel-bloem (PvdA), ondervoorzitter, Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van As (LPF), Van den Brink (LPF), Van Bochove (CDA), De Ruiter (SP), Duyvendak (GL), Huizinga-Heringa (CU), Koop-

mans (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Timmer (PvdA), De Krom (VVD), Verdaas (PvdA), Kruijsen (PvdA) en Samsom (PvdA). Plv. leden: Crone (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Mastwijk (CDA), Ormel (CDA), Van den Brand (GL), Luchtenveld (VVD), Oplaat (VVD), Boelhouwer (PvdA), Schippers (VVD), Dubbelboer (PvdA), Algra (CDA), Kraneveldt (LPF), Varela (LPF), ten Hoopen (CDA), Vergeer (SP), Vos (GL), Van der Staaij (SGP), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), Haverkamp (CDA), Giskes (D66), Gerkens (SP), Verbeet (PvdA), Balemans (VVD), Waalkens (PvdA), Van Heteren (PvdA) en Wolfsen (PvdA).

1

Wanneer geeft de minister de Kamer informatie over de invulling van ISV-II en de nadere reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer opdat de Kamer hierover met de minister van gedachten kan wisselen?

Het kabinet is voornemens eind november te besluiten over de vormgeving van ISV-II, in het kader van de vormgeving van de derde tranche van het Grote Stedenbeleid (GSB3), waarna de Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd zal worden over de invulling van ISV-II en de nadere reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer.

2

Hoe kijkt de minister aan tegen het idee om de Algemene Rekenkamer voorafgaand aan de definitieve afspraken over ISV-II om een oordeel te vragen over mogelijkheden van sturing en beheersing door het Rijk en de mogelijkheden van de Tweede Kamer om het proces te volgen en te beïnvloeden?

Vanuit mijn departement is openhartig richting de Algemene Rekenkamer kenbaar gemaakt welke verbeterpunten in het kader van de bijstelling van het ISV voor de 2e periode uitgewerkt worden en waarom dat gebeurt. Ik kan melden dat vele van de in het rapport van de Algemene Rekenkamer genoemde conclusies inmiddels zijn uitgewerkt.

3

In hoeverre deelt de minister de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat de doelstellingen die het kabinet landelijk met het ISV wil bereiken onvoldoende duidelijk zijn?

Indien de minister deze conclusie deelt, ziet zij dit dan ook als een probleem? Is zij voornemens hier voor de komende periode actie op te ondernemen? En voor de volgende ISV periode?

In mijn eerdere reactie (zie bijlage 2 van het Rekenkamerrapport) wordt erkend dat hier inderdaad een verbeterpunt ligt. Bedoeling is de verbetering in ISV-II te realiseren. Zie ook mijn antwoord op de vragen 2 en 7.

4

In hoeverre deelt de minister de conclusie dat op dit moment onvoldoende duidelijk is welke kosten uit het ISV mogen worden betaald? Is zij van plan hier voor deze periode en de volgende iets aan te doen?

Het is niet mogelijk om van tevoren precieze duidelijkheid te geven over de vraag welke kosten uit het ISV mogen worden betaald, oftewel wat precies valt onder het onderdeel fysieke omgeving, zonder de gemeentelijke beleidsruimte te zeer in te perken.

Reeds nu attendeert het Rijk de steden erop dat de besteding van de door het Rijk verstrekte gelden binnen de reikwijdte van de wettelijke bepalingen dient te blijven en dat ze, indien nodig nadere verheldering aan het Rijk kunnen vragen. Verder wordt er in overleg met de accountants (later) een handleiding opgesteld over de bestedingsverklaring en bijbehorende accountantsverklaring. Indien nuttig zullen bijeenkomsten met steden en gemeentelijke accountants georganiseerd worden om aan de hand van aan het Rijk voorgelegde verduidelijkingsvragen deze reikwijdte verder te verkennen. Ook zal het ministerie van VROM voorgelegde vragen en de antwoorden daarop bekend maken richting gemeenten en accountants.

5

Kuntuaangeven hoe de resultaten zijn met betrekking tot het multipliereffect in de verschillende steden? Op welke gronden is de multiplier van tien gebaseerd? Is een multiplier van tien een realistische verwachting?

Momenteel kunnen nog geen resultaten worden aangegeven. De huidige ISV-meerjarenperiode loopt tot 2005. Medio 2005 dienen de gemeenten zich te verantwoorden over de geboekte resultaten. Daarbij worden de gemeenten overigens niet afgerekend op de gerealiseerde multiplier. Het getal 10 heeft betrekking op één onderdeel van de stedelijke vernieuwing, te weten de herstructurering van (vooral naoorlogse) wijken. Het getal is ontstaan door de (in de Nota Stedelijke vernieuwing uit 1997) becijferde investeringsopgave voor de herstructurering te betrekken op de daarvoor beschikbaar gestelde rijkssubsidie. De investeringsopgave werd indertijd ook door betrokken andere partijen (VNG en koepels van woningcorporaties) als reëel gezien. Ook over de hoogte van de rijksbijdrage was toen niet veel discussie. Zo bezien, kan een multiplier van 10 inderdaad worden betiteld als een realistische verwachting. Bij andere onderdelen van de stedelijke vernieuwing is sprake van andere multipliers. Bij bodemsanering wordt bijvoorbeeld gerekend met een multiplier van 4 (gemiddeld genomen voor alle vormen van bodemsanering).

6

Wordt er op het ministerie van VROM nagedacht over het formuleren van meer concrete doelstellingen waarop gemeenten kunnen worden afgerekend, bijvoorbeeld het bouwen van een bepaalde hoeveelheid koop/ huurwoningen in het middensegment in het kader van de herstructurering?

Hier is inmiddels uitwerking aan gegeven. Over de uitkomsten zal het kabinet u berichten na de besluitvorming over de vormgeving van ISV-II, in het kader van de vormgeving van de derde tranche van het Grote Stedenbeleid (GSB3): zie het antwoord op vraag 1.

7

Deelt de minister de conclusie van de algemene rekenkamer dat de afspraken die in de ontwikkelingsprogramma’s zijn gemaakt niet zo meetbaar en concreet zijn als de bedoeling was? Accepteert de minister dit of ziet zij dit als een probleem? Wordt op dit punt actie ondernomen?

In het kader van ISV I is voorafgaande aan de ondertekening van de convenanten de nodige aandacht besteed aan de meetbaarheid van de opgenomen prestaties. Toch blijkt in een aantal gevallen de meetbaarheid onvoldoende te zijn. Dit is mede de reden geweest om met gemeenten en provincies (die het verantwoordingsverslag voor de niet rechtstreekse programmagemeenten dienen te beoordelen) gezamenlijk de verantwoording in 2005 voor te bereiden.De ervaringen uit dit traject worden meegenomen in het kader van de vormgeving van de derde tranche van het Grote Stedenbeleid (GSB 3/ISV-2).

8

Kan de minister aangeven welke informatie beschikbaar is om te controleren of wat de steden in hun verantwoordingsverslag schrijven juist is? Acht zij deze informatie voldoende?

Ik onderschrijf het pleidooi van de Algemene Rekenkamer dat het Rijk borgt dat de resultaatverantwoording juist is, hoewel ik het overigens ten principale in eerste instantie aan de gemeenteraad vind om dit te controleren. Aan de voorbereiding van de eindverantwoording wordt inmiddels gewerkt. Hiervan maakt onderdeel uit dat door het Rijk zal worden bezien hoe adequaat invulling kan worden gegeven aan het borgen dat de resultaatverantwoording juist is. Vergelijken van de resultaten van de voortgangsmonitor met de verantwoording speelt daarbij een rol evenals het inzicht van de VROM-stadsaccountmanager in de feitelijke ontwikkelingen in zijn stad.

9

Wat valt er precies onder het onderdeel fysieke omgeving?

In de (toelichting bij de) Wet stedelijke vernieuwing wordt in hoofdlijnen omschreven wat met fysieke leefomgeving wordt bedoeld. De omschrijving is bewust globaal gehouden. Er worden voorbeelden genoemd van wat er wel en wat er niet onder valt. Zie verder het antwoord op vraag 4.

10

Het blijkt dat de comptabiliteitswetgeving knellend is als het gaat om gemeentelijke vrijheid en het afleggen van verantwoording inzake de rechtmatigheid en doelmatigheid door de minister. De minister komt op meer afstand te staan en moet wel verantwoordelijkheid afleggen. Is een aanpassing van de comptabiliteitswet nodig?

Van knellendheid van de comptabiliteitswet met ISV is in de praktijk niet gebleken. Aanpassing van de comptabiliteitswet is vooralsnog dan ook niet nodig.

11

Is in het kader van de deregulering een andere wijze van verantwoording

nodig?

In het algemeen gesproken heeft deregulering doorgaans consequenties voor de wijze van verantwoording. De grootste dereguleringsslag is gemaakt bij de introductie van ISV-I. Naar het zich laat aanzien zal bij ISV-II niet sprake zijn van fors verdergaande deregulering. Over de eventuele consequenties van verdere deregulering voor de wijze van verantwoording voor de ISV-II-periode zal het kabinet u berichten na de besluitvorming over de vormgeving van ISV-II, in het kader van de vormgeving van de derde tranche van het Grote Stedenbeleid (GSB3).

12

Wanneer wordt de behoefteraming voor het ISV-II opgesteld en hoe past

dit in het gehele ISV-II traject?

Er wordt voor ISV-II geen behoefteraming opgesteld, aangezien de behoefteraming van de nota Stedelijke vernieuwing de periode tot en met 2009 – en daarmee tot en met ISV-II – betreft. De eerstvolgende behoefteraming op het terrein van stedelijke vernieuwing is voorzien voor 2007, voor de periode vanaf 2010.

13

Kan de minister aangeven op welke wijze zij kan constateren dat een

gemeente in gebreke blijft?

De systematiek van het ISV legt accent op het maken van meerjarige afspraken vooraf en verantwoording door de gemeente achteraf. Het accent om te bepalen of een gemeente al dan niet in gebreke blijft zal dus primair geschieden aan de hand van de verantwoording van de gemeente achteraf. Tussentijds wordt op diverse wijzen een vinger aan de pols gehouden. De monitor is hierbij van belang, maar ook bijvoorbeeld de VROM-stadsaccountmanagers spelen hier een belangrijke rol in.

14

Kan de minister aangeven hoe zij controleert of ISV-middelen zijn ingezet

ten behoeve van stedelijke vernieuwing?

Acht de minister het onwenselijk om een koppeling te maken tussen

doelen en prestaties? Ook voor de volgende ISV periode?

Aan het eind van het investeringstijdvak dienen gemeenten een verantwoordingsverslag uit te brengen over de realisatie van de doelen. Tegelijkertijd met het verantwoordingsverslag dient een verklaring over de besteding van de verleende voorschotten te worden ingediend. Deze bestedingsverklaring dient vergezeld te gaan van een accountantsverklaring.

In eerste instantie wordt de correcte inzet van de middelen gecontroleerd aan de hand van de accountantsverklaring over het gemeentelijke verslag over de besteding van de ISV-middelen. Indien de accountantsverklaring hier aanleiding toe geeft, dan zal in tweede instantie nader onderzoek door het Rijk verricht worden om tot een oordeel te komen over de inzet van de middelen. Ook als er andere signalen zijn dat iets met de besteding van de middelen mogelijk niet in orde is, zal nader onderzoek plaatsvinden. Zo’n signaal zal des te gemakkelijker opgevangen kunnen worden door het regelmatige contact dat een VROM-stadsaccountmanager heeft met zijn gemeente en met de andere in die gemeente in de stedelijke vernieuwing actieve partijen.

Ik acht het in het komende ISV-periode, net als in de huidige periode, wenselijk om een koppeling te (blijven) maken tussen doelen en prestaties.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.