Financiële verantwoording van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) - Financiële verantwoordingen over het jaar 2001 - Parlementaire monitor

Parlementaire monitor
Donderdag 17 april 2014
kalender

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2001–2002

28 380

Financiële verantwoordingen over het jaar 2001

Nr. 16

FINANCIËLE VERANTWOORDING VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN (VIII) OVER HET JAAR 2001

Deze financiële verantwoording bestaat uit:

– de rekening van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, zoals blijkt uit bijgevoegde staten, voorzien van een toelichting; – de op deze rekening aansluitende saldibalans per 31 december 2001

voorzien van een toelichting.

De financiële verantwoordingen van de baten-lastendiensten Centrale Financiën Instellingen (CFI) en de Rijksarchiefdienst (RAD) bestaan uit een rekening van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten, zoals blijkt uit bijgevoegde staten, voorzien van een toelichting en de balans op 31 december 2001 voorzien van een toelichting.

Den Haag, 5 juni 2002

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, L. M. L. H. A. Hermans

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2001

Rekening 2001

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII)

Onderdeel uitgaven en verplichtingen (x EUR1000)

 
   

(1)

(2)

 

(3)=(2)-(1)

 

Art.

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

 

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

 

Verplich- Uitgaven tingen

Verplichtingen

Uitgaven

Verplichtingen

Uitgaven

 

EUR1000 EUR1000

EUR1000

EUR1000

EUR1000

EUR1000

17

17.10 17.11 17.12 17.13 17.14 17.15

TOTAAL

Ministerie algemeen

Bestuursdepartement Inspecties Cultuurinstellingen Adviesraden Agentschappen Zelfstandige uitvoeringsorganisaties

 
 

21 158 326

 

23 022 734

 

389 908

 

468 975

134 607

134 607

140 745

144 359

39 797

39 797

44 372

44 372

31 238

31 238

42 029

42 029

5 067

5 067

5 792

5 792

69 308

69 308

88 252

88 252

 

1 864 408

 

79 067

6 138

9 752

4 575

4 575

10 791

10 791

725

725

18 944

18 944

109 891

109 891

144 171

144 171

34 280

34 280

18

18.01 18.02 18.03 18.05

19

19.03 19.05 19.06 19.09

20

20.01 20.03 20.04

21

21.01 21.03 21.04 21.05

22

22.01 22.02

22.03 22.04 22.05

22.06

23

23.01

23.04

Primair onderwijs

Personele uitgaven Materiële uitgaven Onderwijsverzorging Overige uitgaven

Voortgezet onderwijs

Onderwijsverzorging Overige uitgaven Personele en materiële uitgaven Onderwijshuisvesting Aalburg

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Personele en materiële uitgaven Overige uitgaven Huisvesting

Hoger beroepsonderwijs

Personele en materiële uitgaven Rechtspositionele uitkeringen Overige uitgaven Huisvesting

Wetenschappelijk onderwijs

Universiteiten

Instituten internationaal onderwijs en onderzoek

Overige instituten hoger onderwijs

Rechtspositionele uitkeringen

Garanties voor rente en aflossing investeringen academische ziekenhuizen

Overige uitgaven

Onderzoek en wetenschapsbeleid

Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeleid Coördinatie wetenschapsbeleid

 
 

5 804 712

 

6 290 075

 

5 082 540

5 082 540

5 353 218

5 353 218

270 678

655 955

655 955

865 648

866 811

209 693

51 220

51 220

56 062

54 729

4 842

9 141

14 997

4 339 367

16 375

15 317

4 661 290

7 234

46 471

47 885

51 048

51 509

4 577

26 228

23 853

26 278

28 069

50

4 303 881

4 267 629

4 872 717

4 577 174

568 836

0

0

2 329 922

4 538

4 538

2 473 157

4 538

2 090 660

2 087 191

2 337 038

2 219 611

246 378

46 732

48 501

44 531

49 106

  • 2 201

194 230

194 230

1 395 125

204 440

204 440

1 491 393

10 210

1 132 500

1118 867

1 361 736

1 238 847

229 236

54 068

54 068

0

0

  • 54 068

35 301

45 472

152 801

67 606

117 500

176 753

176 718

2 698 519

194 235

184 940

2 901 908

17 482

2 587 988

2 572 605

2 939 983

2 757 972

351 995

48 812

49 299

53 965

53 494

 

61 521

64 890

62 959

65 920

1 438

803

803

906

906

103

0000

485 363

270 678

210 856

3 509

320

321 923

3 624

4 216 309 545

4 538

143 235

132 420

605

10 210

96 268

119 980

  • 54 068

22 134

8 222

203 389

185 367

4 195

1 030

103

 

5 834

10 922

16 912

23 616

11 078

12 694

 

686 838

 

757 123

 

70 285

676 372

650 617

1 005 655

693 033

329 283

42 416

35 131

36 221

104 467

64 090

69 336

27 869

0

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

Art.

26.03

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

 
   

Verplich-

Uitgaven

Verplich-

Uitgaven

Verplich-

Uitgaven

   

tingen

 

tingen

 

tingen

 
 

EUR1000

EUR1000

EUR1000

EUR1000

EUR1000

EUR1000

24

Huisvesting

 

0

 

101

 

101

24.01

Huisvesting primair onderwijs

00000

0

24.02

Huisvesting voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasse-

           
 

neneducatie

0

0

101

101

101

101

25

Studiefinancieringsbeleid

 

2 113 685

 

2 318 141

 

204 456

25.01

Studiefinanciering

2 113 640

2 113 640

2 318 141

2 318 141

204 501

204 501

25.02

Garanties rentedragende leningen

45

45

0

0

  • 45
  • 45

26

Overige programma-uitgaven

 

34 200

 

167 288

 

133 088

26.01

Bemiddeling wachtgelders

9 640

9 640

19 150

9 575

9 510

  • 65

26.02

Overige rechtspositionele

           

uitkeringen

CASO, vakbondsfaciliteiten en

00000

 
 

voorzieningen

222 502

231 033

143 331

145 109

  • 79 171
  • 85 924

26.05

Internationale betrekkingen

9 248

9 741

15 224

12 604

5 976

2 863

26.06

Loonbijstelling

  • 228 252
  • 228 252

0

0

228 252

228 252

26.07

Prijsbijstelling

00000

0

26.08

Centraal beheerde middelen

8 408

8 408

0

0

  • 8 408
  • 8 408

26.09

Emancipatie-activiteiten

00000

0

26.10

Asielzoekers

3 630

3 630

0

0

  • 3 630
  • 3 630

27

Cultuur

 

1 366 050

 

1 493 283

 

127 233

27.01

Kunsten

20 171

273 779

151 857

336 666

131 686

62 887

27.02

Bibliotheken, letteren en Neder-

           
 

landse Taalunie

41 406

41 695

14 730

43 318

  • 26 676

1 623

27.03

Cultuurbeheer

46 256

222 121

319 552

270 972

273 296

48 851

27.04

Media

795 727

798 090

834 425

836 127

38 698

38 037

27.05

Garanties van rente en aflossing

           
 

van leningen

226 890

0

3 177

0

  • 223 713

0

27.07

Overige uitgaven

28 072

30 365

4 267

6 200

  • 23 805
  • 24 165

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

0

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2001

Rekening 2001

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII)

Onderdeel ontvangsten (x EUR1000)

(1)

(2)

(3) =(2)-(1)

Art.

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Ontvangsten

EUR1000

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Ontvangsten

EUR1000

Ontvangsten

EUR1000

TOTAAL

17                 Ministerie algemeen

17.01            Ontvangsten van algemene aard

18                 Primair onderwijs

18.01            Ontvangsten primair onderwijs

19                 Voortgezet onderwijs

19.01            Ontvangsten voortgezet onderwijs

20                 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

20.01            Ontvangsten beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

21                 Hoger beroepsonderwijs

21.01            Ontvangsten hoger beroepsonderwijs

22                 Wetenschappelijk onderwijs

22.01            Ontvangsten wetenschappelijk onderwijs

23                 Onderzoek en wetenschapsbeleid

23.01            Ontvangsten onderzoek en wetenschapsbeleid

24                 Huisvesting

24.01            Ontvangsten huisvesting

25                 Studiefinancieringsbeleid

25.01            Ontvangsten studiefinanciering

25.02            Ontvangsten lesgelden

26                 Overige programma-ontvangsten

26.01            Overige programma-ontvangsten

27                 Ontvangsten cultuur

27.01            Ontvangsten cultuurbeheer

27.02            Ontvangsten media

27.03            Overige ontvangsten

 

1 147 459

1 167 002

811

6 455

811

6 455

19 512

23 064

19 512

23 064

1 361

3 150

1 361

3 150

33 422

15 572

33 422

15 572

2 361

121

2 361

121

1 098

1 249

1 098

1 249

111 464

101 106

111 464

101 106

0

9

0

9

711 845

717 650

343 330

346 719

368 514

370 931

59 091

62 567

59 091

62 567

206 493

236 059

0

4 266

206 243

231 335

250

458

19 543

5 644

5 644

3 552

3 552

1 789

1  789

17 850

17 850

-2 240

  • 2 240

151

151

10 358

10 358

9

9

5 805

3 389

2 417

3 476

3 476

29 566

4 266 25 092

208

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2001

Rekening 2001

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII)

Onderdeel baten-lastendiensten (x EUR1000)

(1)

(2)

(3)

Artikel          Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Agentschap Centrale Financiën Instellingen

Totale baten Totale lasten Saldo van baten en lasten

Totale kapitaalontvangsten Totale kapitaaluitgaven

Agentschap Rijksarchiefdienst (RAD)

Totale baten Totale lasten Saldo van baten en lasten

Totale kapitaalontvangsten Totale kapitaaluitgaven

40 008 40 008

0

4 538 7 490

31 700

31 697

3

2 269

3 467

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

58 330

57 501

829

3 176 6 037

25 316

24 362

954

2 221

3 119

18 322

17 493

829

  • 1 362
  • 1 453

6 384

7 335 951

  • 48 - 348

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

1

2

TOELICHTING BIJ DE FINANCIËLE VERANTWOORDING 2001

2.

2.1 2.2 2.3

2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8

2.3.9

2.3.10

2.3.11

2.4

2.4.1

2.4.2

2.4.3

2.4.4

2.4.5

3.

3.1 3.2

3.3 3.4

3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

3.10

 
 

Pagina

 

Inleiding

7

4.

4.1

Terugblik op hoofdlijnen

8

 

Inleiding

8

4.2

Financiële kerngegevens

8

 

Terugblik op het gevoerde beleid per

 

4.3

beleidsterrein

10

 

Primair onderwijs

10

5.

Voortgezet onderwijs

20

 

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

26

 

Hoger beroepsonderwijs

35

 

Wetenschappelijk onderwijs

41

 

Onderzoek en wetenschapsbeleid

44

 

Studiefinancieringsbeleid

49

 

Arbeidsvoorwaardenbeleid (incl. onderwijs-

   

personeelsbeleid)

50

 

Informatie- en communicatietechnologie

60

 

Internationaal beleid

61

 

Cultuur

64

 

Van Zijl verantwoording

66

 

Lerarentekort

66

 

Voortijdig schoolverlaten

70

 

Materiële bekostiging

70

 

Monumentenzorg en archeologie

74

 

Onderwijsachterstandenbeleid

75

  • 1. 
    2.

(Financiële) bedrijfsvoering

76

Inleiding

76

 

Ontwikkelingen in de financiële bedrijfsvoe-

 

3.

ring

76

 

Personeelsbeleid en organisatie

78

4.

Professioneel inkopen en (europees)

 

5.

aanbesteden

80

6.

Voorlichting

80

 

Invoering euro

81

 

Vereenvoudiging financiële administratie

81

 

Verhuizing Hoftoren

81

 

De rapportage bij de rekening 2000 van de

   

Algemene Rekenkamer

81

 

Misbruik en oneigenlijk gebruik van

   

regelingen

84

 

Onderwijsdeelname

Aantal leerlingen en studenten in het schooljaar 2000/2001

Ontwikkeling van het aantal leerlingen en studenten 1990/2001

Schoolverlaters

Toelichting per beleidsterrein

Beleidsterrein 17 ministerie algemeen Beleidsterrein 18 primair onderwijs Beleidsterrein 19 voortgezet onderwijs Beleidsterrein 20 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie Beleidsterrein 21 hoger beroepsonderwijs Beleidsterrein 22 wetenschappelijk onderwijs

Beleidsterrein 23 onderzoek en wetenschapsbeleid

Beleidsterrein 24 huisvesting Beleidsterrein 25 studiefinancieringsbeleid Beleidsterrein 26 overige programmauitgaven Beleidsterrein 27 cultuur

Bijlagen:

Saldibalans

Financiële verantwoording baten-lastendienst CFI

Financiële verantwoording baten-lastendienst RAD Afkortingenlijst Trefwoordenlijst Begrippenlijst

Pagina

87

87

89 94

95

95

99

106

111 117

124

131 140 141

153 160

162

171

182 200 204 207

1.

1 INLEIDING

De begroting voor het jaar 2001 was nog niet opgesteld conform de uitgangspunten van vanbeleidsbegroting tot beleidsverantwoording , kortweg VBTB. Niettemin wordt het steeds meer gemeengoed om niet alleen stil te staan bij de middelen die ergens voor worden of zijn ingezet, maar juist ook aandacht te besteden aan de doelen die met die middelen worden beoogd of zijn bereikt. Om die reden wordt in de financiële verantwoording over 2001 aandacht besteed aan de resultaten van het beleid, naast de elementen die vanouds een rol behoren te spelen in de financiële verantwoording. De financiële verantwoording 2002 zal, net als de begroting voor dat jaar, conform de uitgangspunten van VBTB worden opgesteld.

Deze financiële verantwoording is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt op hoofdlijnen teruggeblikt op het begrotingsjaar 2001. In dat hoofdstuk wordt eerst een aantal financiële kerngegevens gepresenteerd. Daarna wordt op hoofdlijnen ingegaan op resultaten die het afgelopen jaar zijn geboekt. Het betreft onder meer de beleidsprioriteiten van het departement en informatie over de zogenaamde Van Zijl-onderwerpen. Hoofdstuk 3 behandelt de bedrijfsvoering. Hierin is onder meer aandacht voor de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer bij de vorige financiële verantwoording, misbruik en oneigenlijk gebruik, VBTB en andere projectmatige ontwikkelingen.

De aantallen leerlingen en studenten vormen een belangrijke factor in de onderwijsbegroting. In hoofdstuk 4 wordt onder meer ingegaan op de onderwijsdeelname in 2001.

In hoofdstuk 5 is per beleidsterrein ingegaan op de financiële verschillen tussen de geautoriseerde begroting en de uiteindelijke realisaties.

  • 2. 

    TERUGBLIK OP HOOFDLIJNEN

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen teruggeblikt op het begrotingsjaar 2001. Allereerst (2.2) wordt een aantal financiële kerngegevens gepresenteerd. Daarna (2.3) wordt ingegaan op resultaten die het afgelopen jaar zijn geboekt. Daarbij wordt vanzelfsprekend aandacht besteed aan de prioriteiten die in de ontwerpbegroting 2001 en daarna (nota van wijziging, amendementen, suppletore wetten) zijn weergegeven en de resultaten die op die terreinen zijn geboekt. Voorts (2.4) wordt ingegaan op de beleidsprioriteiten waarover de Tweede Kamer zelf om extra informatie heeft gevraagd. Het betreft de zogenaamde Van Zijl-onderwerpen. Het Van Zijl-onderwerp «onderwijspersoneelsbeleid» is geïntegreerd in onderdeel 2.3.8 arbeidsvoorwaardenbeleid.

2.2 Financiële kerngegevens

In tabel 2.1 is het verschil weergegeven tussen de oorspronkelijk vastgestelde begroting en de uiteindelijke realisatie.

 

Tabel 2.1: Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en realisatie (bedragen x € 1 miljoen)

     

Begroting

Realisatie

Verschil

In%

Uitgaven Ontvangsten

   

21 072,1 1 147,5

23 022,7 1 167,0

1 950,6 19,5

9,3 1,7

Totaal

   

19 924,6

21 855,7

1 931,1

9,7

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het saldo van de werkelijke uitgaven en ontvangsten ten opzichte van de begroting 2001 1 931,1 miljoen hoger is uitgekomen. Dit verschil is uit te splitsen in generale en technische mutaties. Generale mutaties zijn gelden die vanuit de algemene middelen aan de begroting van OCenW zijn toegevoegd. Hieraan ligt een beleidsmatig doel ten grondslag. Technische bijstellingen zijn onder meer uitdelingen uit de aanvullende posten van de miljoenennota voor bijvoorbeeld loon- en prijsbijstellingen. Naast generale bijstellingen en technische mutaties zijn ook de eindejaarsmarges 2000 en 2001 verklaringen voor het verschil tussen begroting en realisatie. In tabel 2.2 zijn de verschillende elementen op een rijtje gezet.

Tabel 2.2: Uitsplitsing verschil begroting en realisatie (bedragen x € 1 miljoen)

Generale bijstellingen Eindejaarsmarge 2000 Eindejaarsmarge 2001 Technische mutaties

665,7

161,0

104,3

1 000,1

Totaal

1 931,1

De generale bijstellingen vloeien voort uit nadere kabinetsbesluitvorming over de begroting 2001, amendementen en autonome mutaties. De effecten van de nadere kabinetsbesluitvorming en amendementen maken onderdeel uit van onderstaande tabel 2.3. Deze worden in paragraaf 3 van dit hoofdstuk belicht. Autonome mutaties komen aan de orde in hoofdstuk 5.

De eindejaarsmarge 2000 is conform de afspraken over de budgetdiscipline bij Voorjaarsnota aan de begroting 2001 toegevoegd. De eindejaarsmarge 2001 is negatief uitgevallen. De belangrijkste factoren hierbij zijn de nog in te vullen taakstelling van 54,0 miljoen bij Voorjaarsnota en het tekort van 50,3 miljoen in 2001. De post technische mutaties is nader uit te splitsen in loonbijstelling ( 696,5 miljoen), prijsbijstelling ( 233,9 miljoen), asielzoekers ( 7,0 miljoen) en overboekingen van/naar andere departementen ( 62,7 miljoen).

 

Tabel 2.3: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

 

Investeren in personeel en scholen

172,4

Onderwijs – arbeidsmarkt

255,5

Zorg in het onderwijs

108,9

Investeringen ict en wetenschapsbudget

104,4

Impuls cultuur

17,7

Nota van wijziging:

 

Uitbreiding en professionalisering voor- en vroegschoolse educatie

18,2

Verhoging van het decentrale schoolbudget

34,0

Bestrijding voortijdige schooluitval buiten de G-25

4,5

Versterking Genomics onderzoek

11,3

Impuls cultuur

18,2

Amendementen:

 

Aspasia-programma

0,8

Schoonmaakkosten primair onderwijs

4,5

Klassenassistenten so-zmok

2,3

Zorgleerlingen

4,5

Examensystematiek bve-sector

11,3

1e suppletore begroting 2001:

 

Arbeidsmarktknelpunten

240,5

Verbeteren materiële faciliteiten

181,5

Ruimte voor diversiteit onderwijsdeelnemers

18,2

Vervangingsfonds

18,2

Korte termijn deregulering

8,6

Investeren in beroepsonderwijs

90,8

Genomics

22,7

Invoering bachelor/master stelsel

22,7

Numerus fixus geneeskunde/tandheelkunde

0,9

Oplossen van knelpunten cultuursector

10,9

IB-Groep

2,3

Amendementen 1e suppletore begroting:

 

Stichting Plato

0,5

Huisvesting Aalburg

4,5

2e suppletore begroting 2001:

 

Monumentenzorg

34,0

Publiek-private samenwerking scholenbouw

1,1

Totaal

1 425,9

In par. 2.3 zal per beleidsterrein aandacht worden besteed aan deze intensiveringen, waarbij steeds kort het op het betreffende beleidsterrein betrekking hebbende deel zal worden herhaald. Een specifieke toelichting op de mutaties per beleidsterrein is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.3 Terugblik op het gevoerde beleid per beleidsterrein

2.3.1 Primair onderwijs

 

Tabel 2.4: Intensiveringen primair onderwijs 2001

(bedragen x € 1

miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

   

Investeren in personeel en scholen (A2)

 

83,3

Zorg in het onderwijs (A1)

 

95,3

Nota van wijziging:

   

Uitbreiding en professionalisering voor- en vroegschoolse educatie (A1)

18,2

Amendementen:

   

Schoonmaakkosten primair onderwijs (A4)

 

4,5

Klassenassistenten so-zmok (A1)

 

2,3

1e suppletore begroting 2001:

   

Arbeidsmarktknelpunten (A2)

 

93,6

Verbeteren materiële faciliteiten (A4)

 

113,4

Ruimte voor diversiteit onderwijsdeelnemers (A1)

 

18,2

Vervangingsfonds (A3)

 

18,2

Korte termijn deregulering (A2)

 

8,6

2e suppletore begroting 2001:

   

Publiek-private samenwerking scholenbouw (A4)

 

1,1

Ten behoeve van de toelichting zijn de onderwerpen in tabel 2.4 van een nummer voorzien. Op deze manier worden aan elkaar verwante intensiveringen geclusterd. In de toelichting is dezelfde volgorde aangehouden als in de algemene toelichting per beleidsterrein in de begroting 2001. Naast de intensiveringen is tevens een verantwoording gegeven van het beleid op het terrein van de brede school, bestuurlijke aspecten, groepsgrootte en kwaliteit, achterstandenbeleid en informatie- en communicatietechnologie.

Groepsgrootte en kwaliteit

De hoofddoelstelling van het project «Groepsgrootte en kwaliteit» is kwalitatief: verkleining van de groepen moet leiden tot onderwijs dat beter recht doet aan verschillen tussen leerlingen. Uit onderzoek van het Onderzoekscentrum Toegepaste Onderwijskunde (OCTO) en van de Onderwijsinspectie in het afgelopen jaar is gebleken dat de groepsverkleining een belangrijke stimulans heeft gegeven aan de kwaliteitsverbetering in het basisonderwijs. Zo weten leraren in kleinere klassen beter in te spelen op verschillen tussen leerlingen. Ook blijkt de inzet van «meer handen in de klas» samen te gaan met een verbetering van het didactisch handelen.

Gemiddelde groepsgrootte

Na een eerste stap in 1997 en een tweede in 2000 is onlangs (augustus 2001) de derde stap gezet in de verkleining van groepen in de onderbouw van het basisonderwijs. In augustus 2002 volgt de vierde en laatste stap. Scholen kunnen kiezen voor een feitelijke verkleining van groepen, maar ook voor de inzet van meer handen in de klas (bijvoorbeeld onderwijsassistenten, vakleraren, remedial teachers). Over de feitelijke grootte van de groepen in de onderbouw is bekend dat deze na drie stappen gemiddeld 21,9 bedraagt. Daarmee is de gemiddelde groepsgrootte ten opzichte van oktober 1994 gedaald met 1,8 leerling en is er ten opzichte van de meting in oktober 2000 sprake van een stabilisatie. Verder toont onderzoek naar de situatie in de praktijk aan, dat er relatief vaak gewerkt wordt met meer personeelsleden per groep.

Minder grote groepen

Een andere doelstelling in de groepsomvang is de reductie van het aantal grote groepen (groepen met meer dan 30 leerlingen). Vóór de eerste stap in de groepsverkleining bestond 30% van de groepen uit meer dan 30 leerlingen. In mei 2000 (na twee stappen) was dit 13% en na de derde stap in oktober 2001 4%. Aan het eind van het project is het de bedoeling dat in de onderbouw grote groepen met meer dan 30 leerlingen niet meer voorkomen.

Zorg in het onderwijs (A1)

Onderwijskansen

In 2001 is het onderwijskansenbeleid dat in 2000 van start is gegaan, verder uitgebreid. Hoofddoel van dit beleid is om de optimale ontplooiing van alle leerlingen dichterbij te brengen. De nota Aan de slag met onderwijskansen (juni 2000) bevat het actieprogramma van het onderwijskansenbeleid.

Schoolspecifieke aanpak.

In 2000 is met de 4 grootste gemeenten (G4) een convenant gesloten voor de aanpak van het onderwijskansenbeleid in deze gemeenten. Voor de uitvoering hiervan is in 2001 11,1 miljoen ter beschikking gesteld. In 2001 is met nog 32 andere gemeenten zo’n convenant afgesloten. Voor de uitvoeringskosten hiervan is 6,8 miljoen schikbaar gesteld. De middelen zijn direct bestemd voor scholen voor primair onderwijs die extra steun nodig hebben. Een beperkt deel van de middelen is bestemd voor lokale coördinatie.

Met het oog op de uitbreiding van de onderwijskansenaanpak naar de kleinstedelijke en plattelandsgemeenten is in 2001 3,3 miljoen ter beschikking gesteld aan de regio’s Zeeland, Friesland, Groningen en Drenthe (regionale onderwijskansenaanpak). De ervaring die hiermee in deze vier regio’s wordt opgedaan, wordt in 2002 gebruikt voor de realisatie van een dekkende aanpak onderwijskansen in Nederland.

Met de uitvoering van de maatregelen voor alle scholen met veel achterstandsleerlingen is in 2001 8,9 miljoen gemoeid. Op het terrein van informatie- en communicatietechnologie is het bedrag per leerling voor basisscholen met 70% of meer gewichtenleerlingen met 79,-verhoogd. Voor speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor (speciaal) voortgezet onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs met 50% of meer leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond is het bedrag per leerling met 120,17 verhoogd. Voor het monitoren van het onderwijskansenbeleid wordt aangesloten bij de GOA-monitor. De gegevensverzameling start bij de onderwijskansen-scholen in de G4 en heeft betrekking op de volgende outputvariabelen:

  • de Cito-scores van groep 8;
  • de toetsresultaten in groep 2, 4 en 6;
  • de slaagresultaten in het voortgezet onderwijs;
  • de vertraging in schoolloopbanen;
  • spijbelpercentages;
  • uitval en verwijzing naar speciaal onderwijs.

De eerste rapportage over het schooljaar 2001-2002 is eind 2002 gereed en heeft betrekking op de G4. Daarna volgen de andere gemeenten.

Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Het beleid voor- en vroegschoolse educatie is gericht op kinderen van 2 tot en met 5 jaar met een aanzienlijke taalachterstand. In 2001 is een vervolg gegeven aan de implementatie van activiteiten die reeds in 2000 zijn aangevangen.

De extra structurele middelen voor vve ( 45,4 miljoen) zijn in 2001 vermeerderd met 18,2 miljoen en nog eens met 9,1 miljoen bij Voorjaarsnota. Inclusief prijscompensatie was hiermee in 2001 totaal 75,4 miljoen voor vve beschikbaar. Via de aanvullende regeling vve van juli 2001 zijn deze middelen aan de gemeenten toegekend. Zij kunnen deze inzetten voor de aanschaf van (ict) vve-materialen en voor scholing en deskundigheidsbevordering van onderwijs- en welzijnsmedewerkers. Gemeenten mogen de middelen tevens inzetten voor voorbereidingsactiviteiten voor de implementatie van vve. Over de rechtmatige en doelmatige besteding verantwoorden de gemeenten, conform de regelingen, na 1 augustus 2002.

EDventure, het werkverband van schoolbegeleidingsdiensten, heeft verder vervolg gegeven aan het project van ondersteuning en deskundigheidsbevordering van medewerkers van welzijnsinstellingen en onderwijsbegeleidingsdiensten. In 2001 zijn medewerkers van welzijnsinstellingen en begeleidingsdiensten over het hele land opgeleid als trainer voor het geven van trainingen in de implementatie van voor- en vroegschoolse programma’s aan leerkrachten en leidsters. De VNG heeft in 2001 in het kader van het project bestuurlijke ondersteuning van vve-gemeenten 171 gemeenten bereikt; het project is verlengd en uitgebreid naar de 185 nieuwe vve-gemeenten; gemeenten die vanaf juli 2001 extra middelen ontvangen, krijgen gelijksoortige bestuurlijke ondersteuning bij de ontwikkeling en implementatie van het vve-beleid als de eerste gemeenten.

In totaal is er voor voor- en vroegschoolse educatie 78,7 miljoen uitgegeven. De overschrijding van 3,4 miljoen is gedekt uit de onderuitputting GOA.

Brede school

De primaire doelstelling voor brede scholen luidt: brede scholen vergroten de ontwikkelingskansen van kinderen. Naast deze primaire doelstelling is er een aantal andere doelstellingen waarvoor brede scholen een instrument zijn. Die doelstellingen kunnen verschillen per brede school en de concrete invulling hangt af van de lokale situatie. De ontwikkeling van brede scholen heeft in 2001 een grote vlucht genomen. In 2001 waren er tussen de twee- en driehonderd brede scholen operationeel. Brede scholen zijn lokale initiatieven en kennen hierdoor vele verschijningsvormen. Uit onderzoek blijkt dat het basisonderwijs in alle gemeenten nadrukkelijk betrokken is bij brede scholen. Voorschoolse voorzieningen als peuterspeelzalen en kinderopvang zijn de belangrijkste partners. Daarnaast worden brede scholen in veel gevallen uitgebreid met een bibliotheek, muziekschool, voorzieningen voor maatschappelijk werk, sport en cultuur.

Rol gemeente, provincie en rijk

Gemeente, provincie en rijk vinden elkaar in complementair bestuur, waarbij de lokale overheid de regierol heeft en provincie en rijk ondersteuning bieden op het gebied van onderzoek en bovenlokale communicatie. In 2001 zijn er door OCenW in samenwerking met VWS diverse onderzoeken uitgezet. Zo is ondermeer onderzoek gedaan naar concrete gegevens van brede scholen in Nederland op basis van een inventarisatie van de stand van zaken (het jaarbericht brede scholen). Ook zijn onderzoeken uitgezet naar de jeugdparticipatie bij de brede school, brede scholen en sociale competentie en de taakbelasting van leraren op brede scholen. De uitkomsten van uitgezet onderzoek op dergelijke thema’s, aangevuld met nieuwe aandachtspunten als coördinatie en beheer en exploitatie, zullen in 2002 worden opgeleverd.

De website www.bredeschool.net is in 2001 ingezet om gemeenten, scholen en instellingen van informatie te voorzien en de dialoog over actuele thema’s bij brede scholen te bevorderen.

In november 2001 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van brede scholen, over wat de inzet van OCenW in samenwerking met de VNG en sinds kort ook het IPO hierbij is geweest en over de plannen voor de komende tijd.

Leerlinggebonden financiering

Regionale expertisecentra (rec)

Aan de regionale expertisecentra in oprichting is in het kader van de Vierde Faciliteringsregeling REC i.o. in 2001 8,9 miljoen beschikbaar gesteld. Dit dient hen in staat te stellen die maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn ter voorbereiding op de beoogde wettelijke taken van leerlinggebonden financiering. De wegbereiders leerlinggebonden financiering ondersteunen het proces van de totstandkoming van de regionale expertisecentra. In de 5e en 6e etappe hebben de wegbereiders verslag gedaan van de resultaten van dit proces. Er zijn forse stappen gezet: de rec-vorming is op een enkel knelpunt na gereed.

Rugzak basisonderwijs

De bekostiging van de voorloper van de rugzak in het basisonderwijs, de aanvullende formatie en de ambulante begeleiding, is verbeterd. De regeling aanvullende formatie is geïndividualiseerd ( 1,1 miljoen). Tevens is deze regeling ook mogelijk geworden voor leerlingen uit cluster 4 ( 0,8 miljoen). Als laatste is naast formatie ook een bedrag van 680,70 per leerling aan materiële instandhouding toegevoegd ( 1,9 miljoen).

Toezicht op de indicatiestelling.

Voor de indicatiestelling, waaronder de instandhouding van de Landelijk commissie toezicht indicatiestelling (LCTI), is 1,95 miljoen gulden uitgegeven. In 2001 is dit besteed aan haar voorloper de Tijdelijke commissie advisering indicatiestelling (TCAI), de tweede praktijktoetsing indicatiestelling en de evaluatie van deze praktijktoetsing. Verder zijn onderzoeken en instrumentontwikkeling ten behoeve van de indicatiestelling in gang gezet. De tweede praktijktoetsing is succesvol verlopen. Dit blijkt ook uit het voorlopig advies van de TCAI. De indicatiestelling is praktisch uitvoer- baar. Daarom is in het najaar van 2001 een omvangrijk implementatietraject indicatiestelling gestart waarin alle regionale expertisecentra en overige betrokkenen participeren.

Voorlichting beleid leerlinggebonden financiering (lgf) Daarnaast zijn er middelen ingezet voor de voorbereiding op de leerlinggebonden financiering. Deze middelen zijn onder meer ingezet voor voorlichting over het lgf-beleid aan ouders, speciale en reguliere scholen. In het kader van de kwaliteitsverbetering van het onderwijs aan leerlingen met een handicap zijn kerndoelen en leermiddelen ontwikkeld, alsmede een handleiding voor de handelingsgerichte diagnostiek en een protocol voor de ambulante begeleiding. Het Landelijk Netwerk Autisme is van start gegaan en parallel hieraan is de regeling voor steunpuntscholen autisme uitgebreid. Op deze wijze worden alle regionale expertisecentra in staat gesteld autistische kinderen op te vangen. Daarnaast zijn er apparaatskosten gemaakt in verband met de kosten voor de aanpassing van het bekostigingssysteem samenhangend met de Wet leerlinggebonden financiering en met bij het lgf-project horende regelingen

Aanvullende maatregelen ter versterking van de kwaliteit van de zorg Voor de voorlichting aan het regulier onderwijs en zorginstellingen over de op handen zijnde veranderingen na invoering van leerlinggebonden financiering is 4,1 miljoen beschikbaar gesteld. Om de kwaliteit van het onderwijs aan zorgleerlingen te waarborgen, is het belangrijk dat het lesmateriaal is afgestemd op de problematiek van deze leerlingen. Omdat het in deze sector gaat om relatief weinig leerlingen, blijkt het commercieel uitgeven van onderwijsmethoden minder interessant. De kwaliteit van de onderwijsmiddelen in het speciaal (basisonderwijs is dan ook gebaat bij selectieve overheidsimpulsen. In dit verband wordt een taalmethode zorgleerlingen ontwikkeld. Ook in het rekenonderwijs wordt extra geïnvesteerd. Voor hoogbegaafden leerlingen lopen er initiatieven die moeten leiden tot een verrijkt leerstofaanbod binnen het regulier onderwijs.

Klassenassistenten so-zmok

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de begroting 2001 is het amendement Dijksma aanvaard, waarbij de uitgaven voor klassen-assistentie in het speciaal onderwijs-zmok met 2,3 miljoen zijn verhoogd. Hiervoor zijn regelingen gemaakt die de extra formatietoekenning mogelijk maakt op basis van het aantal leerlingen in de leeftijd tot 8 jaar.

Bij Voorjaarsnota 2001 is besloten om bij de invoering van leerlinggebonden financiering per 1-8-2002 over te gaan tot harmonisatie van de bekostiging met de onderwijssoorten zeer moeilijk lerende kinderen, lichamelijk gehandicapte leerlingen en de pedagogische instituten (cluster IV), waaronder de klassenassistentie. Deze uitbreiding van klassen-assistentie is nodig om de hoge werkdruk in deze onderwijssoorten te verlichten. In de brief aan de Tweede Kamer, waarin de maatregelen staan genoemd om de wachtlijsten in het speciaal onderwijs terug te dringen, wordt gesteld dat de uitbreiding van klassenassistentie al gerealiseerd wordt per 1 november 2001. Omdat de werkdruk voor de leerkrachten hiermee wordt verlaagd, wordt verwacht dat de wachtlijsten in cluster IV kunnen dalen.

Weer samen naar school (wsns)

Het beleid «weer samen naar school» heeft zich de afgelopen jaren gericht op beter onderwijs voor leerlingen met leerproblemen. Leerlingen die in het reguliere basisonderwijs de zorg niet kunnen krijgen die ze nodig hebben, moeten die zorg ontvangen op een speciale school voor basisonderwijs. De afgelopen jaren is een deel van deze leerlingen op een wachtlijst terechtgekomen. Inmiddels wordt een wetswijziging voorbereid die snellere plaatsing van deze leerlingen verplicht stelt. Een wettelijke verplichting is echter niet genoeg; de samenwerkingsverbanden moeten de wachtlijsten daadwerkelijk kunnen voorkomen. Langs diverse lijnen wordt gewerkt aan verbetering van de condities voor dit proces.

Wachtlijsten speciaal basisonderwijs

In het schooljaar 2000/2001 is een start gemaakt met het beleid ter voorkoming van wachtlijsten voor plaatsing op een speciale school voor basisonderwijs. Voor het schooljaar 2000/2001 is 8,2 miljoen beschikbaar gesteld ter voorkoming en vermindering van wachtlijsten. Van dit bedrag had 2,7 miljoen betrekking op de eerste 7 maanden van 2001.

In oktober 2001 zijn er, mede op basis van het rapport van de Expertgroep Plaatsingsbeleid, initiatieven genomen om de in dat rapport geconstateerde problematiek bij samenwerkingsverbanden op een algemene en op een specifieke wijze aan te pakken. Voor de periode 2001 tot en met 2002 is een bedrag van 16,3 miljoen beschikbaar ter intensivering van het beleid ter voorkoming en vermindering van de wachtlijstproblematiek bij samenwerkingsverbanden «weer samen naar school». Van dit bedrag is 11,8 miljoen in 2001 beschikbaar gesteld aan alle samenwerkingsverbanden.

In 2001 zijn diverse activiteiten in gang gezet om de kwaliteit van de zorg aan leerlingen in de samenwerkingsverbanden «weer samen naar school» te versterken. Zo zijn er handreikingen beschikbaar gekomen en zijn er cursussen en conferenties georganiseerd om de diverse actoren in de samenwerkingsverbanden in staat te stellen aan vergroting van de kwaliteit van de zorg te werken. Dat moet er onder andere toe leiden dat wachtlijsten voorkomen worden of in ieder geval in omvang verminderen. Ook is er materiaal ontwikkeld om ouders beter te informeren c.q. voor te lichten.

Arbeidsmarkt, personeel en scholen (A2)

Uitgangspunt

Het uitgangspunt van beleid is een verhoging van de bestuurs- en slagkracht op het gebied van personeel. Hiermee is een forse investering in instrumenten voor personeel en voor personeelsbeleid (schoolbudget) gemoeid. Dit heeft een positieve uitstraling van het onderwijs als werkgever tot gevolg. De operationalisering van dit beleid heeft plaatsgevonden via:

Investeren in personeel en scholen

In de begroting 2001 is voor het primair onderwijs 83,3 miljoen toegevoegd voor diverse beleidsdoelen op het gebied van personeel en scholen.

Een bedrag van 6,3 miljoen (motie Melkert) maakt deel uit van het budget voor de regeling vergoeding schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening voor arbeidsknelpunten achterstandscholen. Een bedrag van 25,4 miljoen voor schoolspecifieke budgetten en een bedrag van 4,4 miljoen voor btw-compensatie uitzendwerk is toegevoegd aan het schoolbudget. Het budget voor functiedifferentiatie ( 35,0 miljoen) is opgegaan in de middelen voor de cao 2000-2002. Met het extra bedrag van 3,4 miljoen voor kinderopvang, naast het reeds in de begroting aanwezige budget, is aan dit doel in 2001 in totaal 18,8 miljoen besteed. Een bedrag van 44,0 miljoen is opgegaan in de middelen voor de cao 2000-2002, voor met name functiedifferentiatie.

Arbeidsmarktknelpunten, schoolbudget

In de verlengde cao 2000-2002 zijn deels naar aanleiding van aanbevelingen van de Commissie Van Rijn extra middelen beschikbaar gesteld voor het schoolbudget ( 55,4 miljoen per augustus 2001). Met de verhoging van het schoolbudget worden scholen in staat gesteld te komen tot functiedifferentiatie binnen de leraarsfunctie en binnen de onderwijsondersteunende functies (met name die van de onderwijsassistent), tot extra inzet van ondersteunend personeel, tot beloningsdifferentiatie en tot de introductie van (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof.

Arbeidsmarktknelpunten, verkorten carrièrelijnen onderwijspersoneel en jaarlijkse toeslagen

In de verlengde cao 2000-2002 zijn, eveneens naar aanleiding van de Commissie Van Rijn, middelen uitgetrokken voor het verkorten van de carrièrelijnen ( 38,3 miljoen). De tijd die nodig is om van het aanvang-salaris door te groeien naar het maximumsalaris is ingekort tot 19 à 20 jaar. Per 1 augustus 2002 zal dit 18 jaar zijn. Leraren komen daarmee uiteindelijk drie tot vier jaar eerder uit op het maximumsalaris. Schoolleiders en leraren die hun maximumsalaris hebben bereikt, krijgen met ingang van 1 augustus 2001 een jaarlijkse toeslag in de vorm van een bindingstoelage. De structurele eindejaarsuitkering voor het onderwijsondersteunend personeel is vanaf 2001 verhoogd met€ 199,70.

Korte termijn deregulering

Per 1 augustus 2001 is een eerste stap gezet op weg naar deregulering en autonomievergroting van de scholen in het primair onderwijs. Onderdelen hiervan zijn de invoering van een schoolbudget en verruiming van de verzilveringsmogelijkheden van scholen. De invoering van het schoolbudget en de introductie van een derde verzilveringsdatum (1 februari) hebben tot gevolg, dat meer formatierekeneenheden dan voorheen benut worden. Daarnaast is het tarief voor verzilvering verhoogd van 65% tot 80% van de gemiddelde prijs van een fre. Er wordt gemonitord op welke wijze scholen het schoolbudget in de praktijk besteden. In april 2002 zal dit tot een eerste rapportage leiden.

Vervangingsfonds (A3)

In de Voorjaarsnota is 18,2 miljoen beschikbaar gesteld in verband met de onzekere financiële positie van het Vervangingsfonds. In december is 9,1 miljoen aan het Vervangingsfonds geleend om:

  • • 
    eventuele negatieve liquiditeitsontwikkelingen vanaf 2002 het hoofd te kunnen bieden;
  • • 
    het huidige premiedifferentiatiesysteem meer in evenwicht te brengen;
  • • 
    eventuele transitiekosten in verband met de invoering van een nieuw vervangingsstelsel te bekostigen.

De daadwerkelijke aanwending van deze buffer behoeft voorafgaande toestemming van de minister. De resterende 9,1 miljoen is gebruikt om een tekort op de terugvordering van scholen van de zwangerschapsuitkeringen te dekken. Dit bedrag zal namelijk pas in 2002 kunnen worden geïnd.

Achterstandenbeleid

Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa) is in de meeste gemeenten in 1998 van start gegaan. In 2001 is er in het primair onderwijs totaal 84,6 miljoen voor dit doel aan de gemeenten uitgekeerd (inclusief regeling exceptionele toename van asielzoekers). Voor onderwijs in allochtone levenden talen (oalt) is 64,7 miljoen uitgekeerd aan de gemeenten.

In september 2001 is het nieuwe landelijk beleidskader, ingaande per augustus 2002, gepubliceerd. Het bijbehorende bekostigingsbesluit is begin februari 2002 bekend gemaakt. De gemeenten zullen in maart de nieuwe beschikkingen ontvangen.

Ter verbetering van de informatie over de doelmatigheid van de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid is een goa-monitor ontwikkeld. Op basis van deze monitor komen relevante gegevens voor de groep kinderen van 4 tot 23 jaar beschikbaar. De eerste gegevens zullen eind 2002 beschikbaar komen.

De controle op rechtmatigheid is gericht op alle betrokken gemeenten. In 2001 is vooruitgang geboekt bij het streven naar integrale controle. Terwijl over 1999 nog 70% van de betreffende gemeenten nog onvoldoende informatie gaf ten aanzien van de rechtmatigheid door het insturen van de gemeenterekening, is dit bij de verantwoordingen 2000 significant veel beter, namelijk rond de 80% van de gemeenten heeft wel informatie over de rechtmatigheid gegeven door het insturen van en aparte verantwoording en een rechtmatigheidverklaring. Tot nu toe zijn er geen onrechtmatige bestedingen geconstateerd. Pas na het einde van de planperiode 1998-2002 kan de bestedingskwaliteit definitief vastgesteld worden. Indien er sprake is van onrechtmatige besteding kan er in 2003 tot terugvordering worden overgegaan.

Bestuurlijke aspecten

Algemeen

De onderwijsbeleidsbrieven en de in juli 2001 uitgebrachte notitie Kwaliteit aan de basis hebben een impuls gegeven aan het streven om scholen in het funderend onderwijs meer beleidsruimte te geven Dit moet, zowel inhoudelijk als financieel, daadwerkelijk worden gerealiseerd. In 2001 is daartoe op het punt van de bestedingsvrijheid een belangrijke stap gezet door de introductie van het schoolbudget.

In 2001 is voortgang geboekt langs de lijnen van:

  • a. 
    voortzetting van het stimuleringsbeleid bestuurlijke krachtenbundeling;
  • b. 
    versterking van de positie van ouders;
  • c. 
    flexibilisering scholenbestand.

Ad a. Bestuurlijke krachtenbundeling (bkb)

Met ingang van het schooljaar 1997/1998 wordt via een stimuleringsregeling de bundeling van bestuurlijke krachten bevorderd. Deze bundeling vindt plaats door samenwerking tussen of fusie van schoolbesturen. Doel van deze bundeling is om het beleidsvoerend vermogen te versterken op het gebied van personeelsbeleid, materieel beleid en de organisatie van bestuur en management.

In 2001 is 5,2 miljoen extra aan het budget voor bestuurlijke krachtenbundeling toegevoegd. Dit was noodzakelijk om het budget toereikend te maken om voor de vergoeding bkb in het schooljaar 2001/2002 het betaal- ritme van 5/12–7/12 te kunnen uitvoeren. Deze verhoging zal in 2002 in mindering worden gebracht op het dan aanwezige budget. Voor het schooljaar 2001/2002 maakt bijna de helft van het aantal schoolbesturen in het primair onderwijs gebruik van de regeling. Deze besturen vertegenwoordigen ruim 70% van het aantal scholen.

Het evaluatierapport uit augustus 2001 wijst uit dat de regeling onder andere een impuls geeft aan:

+ het verbeteren van het personeelsbeleid (55% van de deelnemers); + het verbeteren van ondersteuning bestuur en management (51%); + professionalisering van management door het opzetten van vormen van bovenschools management (33%). Een andere graadmeter is de ontwikkeling van het aantal schoolbesturen. Sinds de inwerkingtreding van de regeling is het aantal schoolbesturen door fusie gestaag afgenomen. Zo is in de periode 1997–2001 het aantal besturen in het primair onderwijs afgenomen van 2850 naar iets meer dan 2000 schoolbesturen.

Verder blijkt dat 75% van de niet-gebruikers streeft naar of werkt aan bestuurlijke samenwerking.

Ad b. Versterking positie ouders

In het regeerakkoord is afgesproken dat de zeggenschapspositie van ouders moet worden versterkt. Aan deze versterking wordt langs diverse wegen gewerkt, bijvoorbeeld via de beleidstrajecten leerlinggebonden financiering en onderwijskansen. Daarnaast zijn in het jaar 2001 twee notities aan de Tweede Kamer aangeboden die deze doelgroepen (mede) betreffen.

In januari verscheen de notitie De toekomst van de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs en in de bve-sector . Hierin staat dat in het primair onderwijs de Wet medezeggenschap onderwijs vooralsnog blijft gehandhaafd.

In april verscheen de notitie Ouders en de school; versterking van het partnerschap .

In deze notitie worden diverse voorstellen gedaan om ouders beter te positioneren als partner van de school. De aangekondigde maatregelen bevinden zich op het terrein van informatie, communicatie en (mede-)zeggen-schap.

Ad c. Flexibilisering scholenbestand

Als onderdeel van het beleid om de positie van ouders in het onderwijs te verstevigen heeft het kabinet voorstellen ontwikkelt die het mogelijk moeten maken om de samenstelling van het scholenbestand waar nodig beter te laten aansluiten bij de (veranderende) voorkeuren van de ouders. Deze voorstellen zijn beschreven in de beleidsnotitie Naar een flexibeler scholenbestand . Een belangrijk onderdeel van de voorstellen is dat ouders, door middel van het overleggen van voldoende ouderverklaringen, rechtstreeks de stichting van een nieuwe school kunnen realiseren. Indiening van het betreffende wetsvoorstel is voorzien in het voorjaar van 2002.

Materiële bekostiging (A4)

Algemeen

In het primair onderwijs wordt de materiële bekostiging voor scholen vastgesteld op grond van programma’s van eisen (pve’s). Hierin staan de normen op basis waarvan de bekostiging van de materiële instandhouding wordt onderbouwd.

In 2001 heeft de vijfjaarlijkse evaluatie plaatsgevonden. In overleg met vertegenwoordigers van de besturenorganisaties is besloten om het onderzoek met name te richten op die aspecten van de materiële bekostiging, waarvan verwacht werd dat de ontwikkelingen substantiële veranderingen met zich mee zouden brengen. De evaluatie heeft aangetoond dat de normen, en daarmee de bekostiging, herijkt moet worden.

Verbeteren materiële faciliteiten

In 2001 zijn belangrijke financiële stappen gezet om de scholen in het funderend onderwijs beter toe te rusten om te kunnen voldoen aan de eisen van deze tijd.

Bij Voorjaarsnota 2001 is voor materieel in het primair onderwijs eenmalig 113,4 miljoen beschikbaar gesteld.

De helft hiervan is bedoeld voor versnelde modernisering van de onderwijsleermethoden, inclusief ict. De resterende 56,7 miljoen is bestemd voor verbetering van de kwaliteit van de schoolgebouwen, met name het gebouwenonderhoud. De accountantsdienst wordt verzocht na te gaan of de scholen de extra middelen daadwerkelijk gebruiken voor de aanschaf van leermiddelen en voor gebouwenonderhoud. Deze middelen zijn in de regeling september 2001 toegekend aan de scholen en zijn een aanvulling op de ministeriële regelingen van december 2000, waarbij aan de scholen in het primair onderwijs in dat jaar 50,8 miljoen ter beschikking is gesteld voor verbetering van de kwaliteit van schoolgebouwen en modernisering van onderwijsleermethoden en voor extra ict-vergoeding.

Met de extra beschikbaar gestelde middelen zijn eveneens belangrijke stappen gezet bij de modernisering van de programma’s van eisen voor de materiële instandhouding.

Schoonmaakkosten primair onderwijs

Per amendement Lambrechts/Cornielje is het budget voor schoonmaakkosten verhoogd met 4,5 miljoen. De programma’s van eisen 2001 zijn hiertoe verhoogd. Scholen kunnen deze extra verhoging gebruiken om het aantal dagen dat de school wordt schoongemaakt te verhogen van 195 naar 200.

Huisvesting (publiek-private samenwerking (pps) scholenbouw) Het Kabinet streeft naar een verbreding van de toepassingen van pps-constructies. In dit kader is voor een onderzoek naar de mogelijkheid van publiek private samenwerking bij scholenbouw 1,1 miljoen beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn nodig om de meerkosten te dekken in de voorbereidings- en aanbestedingsfase bij één of meer van de pilotpro-jecten, waarin de pps-constructie in de praktijk zal worden toegepast. De keuze voor kansrijke projecten heeft vertraging opgelopen, zodat de pilots niet eerder dan in de eerste helft van 2002 kunnen beginnen. De middelen worden daarom doorgeschoven naar 2002.

Informatie- en communicatietechnologie

Informatie- en communicatietechnologie (ict) levert een belangrijke bijdrage aan het onderwijsleerproces en biedt mogelijkheden om leerlingen in hun eigen tempo en zelfstandig te laten werken. Daarnaast zorgt ict voor verbetering van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van het onderwijs. Om die reden is besloten om de middelen die structureel voor ict beschikbaar zouden worden gesteld, sneller toe te kennen dan aanvankelijk de bedoeling was. In 2001 is opnieuw extra geld ( 113,4 miljoen) beschikbaar gesteld voor de materiële instandhouding in het basis- en (voortgezet) speciaal onderwijs. Van dit bedrag was de helft ( 56,7 miljoen) bestemd voor versnelde modernisering van onderwijsleermethoden en uitgaven voor ict (ict: 27,7 miljoen, een bedrag van 16,30 per leerling).

  • • 
    Dit bedrag per leerling is met 9,10 verhoogd ( 15,4 miljoen). Hierbij werd aangegeven dat laatstbedoeld bedrag onder andere kon worden besteed aan contentfiltering en beveiliging.
  • • 
    Daarnaast zijn de programma’s van eisen voor 2001 verhoogd met 9,6 miljoen voor kennisnet.
  • • 
    In het kader van «aan de slag met onderwijskansen» is ook voor het jaar 2001 een extra vergoeding gegeven voor ict-toepassingen op scholen met meer dan 70% allochtone leerlingen. Het bedrag per leerling is in het basisonderwijs verhoogd met 33,66 en in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs met€ 120,17. De bedoeling van deze regeling is basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs met veel achterstandsleerlingen een éénmalige financiële impuls te geven voor ict-toepassingen, waardoor de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het onderwijs kan worden verbeterd. Met de uitvoering van deze maatregelen is in 2001 8,9 miljoen gemoeid.

ict-monitor 2000-2001

De informatie- en communicatietechnologie op de basisscholen heeft zich het afgelopen jaar verder ontwikkeld.

Gemiddeld hebben deze scholen de beschikking over één computer per 9 deelnemers; de meeste bevinden zich permanent in het klaslokaal. Over het algemeen zijn de computers uitgerust met een adequate processor. In het primair onderwijs staan verhoudingsgewijs nog veel «oude» computers. .

In het voorjaar van 2001 was 9% van de scholen aangesloten op kennisnet, in het najaar was dit 65%. De rest staat op de planning om uiterlijk in juni 2002 eveneens aangesloten te worden. Ongeveer 30% van de scholen beschikt over een intern netwerk, de helft is bezig deze te verkrijgen.

De leraren zijn redelijk tevreden over de kwaliteit van de educatieve software gezien vanuit de primaire vorm van gebruik: leerlingen zelfstandig aan het werk zetten. Zij wijzen echter ook op het tekort eraan en er is twijfel of het stimuleert tot een nieuwe onderwijsaanpak.

2.3.2 Voortgezet onderwijs

 

Tabel 2.5: Intensiveringen voortgezet onderwijs 2001

(bedragen x € 1

miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

   

Investeren in personeel en scholen

 

58,6

Onderwijs – arbeidsmarkt

 

9,6

Zorg in het onderwijs

 

13,6

Nota van wijziging:

   

Verhoging van het decentrale schoolbudget

 

34,0

Amendementen:

   

Zorgleerlingen

 

4,5

1e suppletore begroting 2001:

   

Arbeidsmarktknelpunten

 

74,2

Tabel 2.5: Intensiveringen voortgezet onderwijs 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Verbeteren materiële faciliteiten                                                                                              68,1

Investeren in beroepsonderwijs                                                                                              37,4

Amendementen 1e suppletore begroting:

Stichting Plato                                                                                                                               0,5

Huisvesting Aalburg                                                                                                                     4,5

Algemeen

Op 5 juli 2001 is de beleidsnotitie Kwaliteit aan de basis naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze notitie ging vergezeld van een actieprogramma voor het primair en het voortgezet onderwijs waarin, in aansluiting op het ontwikkelingsperspectief in de eerder verschenen onderwijsbeleids-brieven, een samenhangend overzicht van concrete maatregelen op onderwijskundig, personeel en financieel terrein is gegeven om de beleidsruimte voor scholen te vergroten.

In 2001 is verder gegaan met de implementatie van de drie grote onderwijsvernieuwingen en het vergroten van de beleidsruimte, met name op onderwijsinhoudelijk terrein.

In oktober 2001 bracht de Onderwijsraad het advies over de herinrichting van de basisvorming per 2004 uit. Na een kort daarna uitgebrachte reactie op hoofdlijnen is de definitieve kabinetsreactie kort voor het einde van het jaar naar de Tweede Kamer gestuurd.

Ook voor de tweede fase havo/vwo is een vernieuwingstraject gestart, waarbij een grotere vrijheid van scholen en het wegnemen van geconstateerde knelpunten bij de implementatie tot nu toe, centraal staan. In het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) zijn de vier leerwegen per 1 augustus 2001 van start gegaan en zijn goede vorderingen geboekt bij de samenwerking van het speciaal en het regulier voortgezet onderwijs. Van belang is ook dat in het najaar het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is ingediend, waarmee onder andere het zorgbudget in het voortgezet onderwijs wordt ingevoerd (per 1 augustus 2002).

Voor de onderwijsondersteuning is nu een aantal jaren het regime van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA) van kracht. Over de werking van deze wet gedurende de eerste twee jaren (1999 en 2000) is in december 2001 verslag uitgebracht aan de Tweede Kamer.

Voor zowel het primair als het voortgezet onderwijs is in 2001 een nieuwe overlegstructuur van start gegaan. Zoals ook beschreven in de beleidsbrief Onderwijs in stelling (november 2000) is het streven erop gericht een situatie te creëren, waarin in rechtstreeks contact met vertegenwoordigers van scholen overleg wordt gevoerd over de hoofdlijnen van voorgenomen beleid. Tegen die achtergrond is het Strategisch Regieoverleg Primair en Voortgezet Onderwijs tot stand gebracht, waaraan nu vertegenwoordigers van de diverse onderwijsorganisaties deelnemen. Daarnaast wordt er afzonderlijk overleg gevoerd met vertegenwoordigers van ouderen leerlingorganisaties in de Leerling- en Ouderkamer. Ook hier worden de hoofdlijnen van het voorgenomen beleid besproken. Het Onderwijsoverleg Primair Onderwijs en Voortgezet Onderwijs (POVO) is opgeheven.

Arbeidsmarktknelpunten

Onderzocht is hoe scholen de 4,8 miljoen voor arbeidsmarktknelpunten besteden. Ruim een kwart van de middelen is gebruikt voor uitbreiding van de formatie onderwijsondersteunend personeel en de werving die daarmee samenhangt. Een grotere inzet van onderwijsondersteunend personeel ontlast het onderwijzend personeel, doordat dit zich beter kan richten op zijn kerntaken. Ruim 20% is gebruikt om onderwijzend personeel te werven en voor formatie-uitbreiding van onderwijzend personeel. Ruim 25% is gebruikt voor andere activiteiten gericht op werkdrukvermindering, op opvang en coaching van nieuwe medewerkers, seniorenbeleid en na- en bijscholing. Tenslotte zijn ook middelen ingezet in de sfeer van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.

Schoolspecifieke budgetten

In de begroting 2001 zijn op drie momenten middelen toegevoegd ten behoeve van het schoolbudget. In de eerste plaats in de ontwerpbegroting, waar de toevoeging van 19,4 miljoen het gevolg was van afspraken uit de cao 2000-2002. Daar stond een relatief geringe taakstelling van - 1,6 miljoen tegenover, omdat verwacht mag worden dat de inspanningen gericht op terugdringing van ziekteverzuim en instroom in de arbeidsongeschiktheid niet alleen geld kost, maar ook zal leiden tot lagere uitgaven. In de tweede plaats is in de nota van wijziging 34,0 miljoen toegevoegd aan het schoolbudget, onder meer om schoolontwikkeling te bevorderen. Tenslotte is bij 1e suppletore begroting nog eens 74,2 miljoen toegevoegd, samenhangend met de verlenging van de cao tot

1 maart 2003 en afspraken die gemaakt zijn naar aanleiding van het rapport van de werkgroep «Van Rijn».

Bij de toevoeging van 19,4 miljoen gaat het om de uitwerking van een afspraak uit de cao 2000-2002. Daarin is afgesproken extra middelen toe te kennen aan de scholen voor een kwaliteitsimpuls in de arbeidsorganisatie. Regioplan heeft de inzet van de middelen onderzocht. Bij het doel van de inzet stond verlichting van de werkdruk van het onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel bovenaan. Meer dan 70% van de scholen, die besloten hadden over de inzet, gaf een deel van het budget hieraan uit. Onder andere voor het inhuren van meer onderwijs ondersteunend personeel, het oplossen van vervangingsproblemen en begeleiding van nieuw personeel. Ongeveer een derde van de scholen had professionalisering van het management, professionalisering van de arbeidsorganisatie en verbetering van de arbeidsomstandigheden als doel. Rond een kwart richtte zich deels op verlichting van de werkdruk van het management, verlichting van arbeidsmarktknelpunten en verbetering van de arbeidsvoorwaarden.

De toevoeging van 34,0 miljoen bij nota van wijziging was deels gekoppeld aan het begrip schoolontwikkeling. Schoolontwikkeling houdt in dat scholen gericht en voortdurend werken aan de verbetering van het onderwijsleerproces. De wijze waarop scholen deze middelen inzetten en de resultaten daarvan worden onderzocht. In de loop van 2002 zal daarover meer bekend worden.

Datzelfde geldt voor de inzet van de 74,2 miljoen, die bij 1e suppletore begroting is toegevoegd. Weliswaar zijn de scholen vrij in de besteding van de middelen, maar bij de toekenning ervan is wel een aantal moge- lijke bestedingsdoelen genoemd: schoolontwikkeling, betaald ouderschapsverlof, (her)intreders, differentiatie binnen de leraarsfunctie, extra onderwijsondersteunend personeel en het faciliteren van zij-instromers en lio’s. Tevens is aangegeven dat in de decentrale cao voor het voortgezet onderwijs afspraken zullen worden gemaakt die tot verplichtingen op schoolniveau zullen leiden. Daarbij gaat het in ieder geval om betaald ouderschapsverlof. Ook over een nieuw systeem van functiedifferentiatie zouden afspraken worden gemaakt.

Carrièrepatronen leraren

Bij begroting 2001 is in totaal 25,1 miljoen beschikbaar gekomen voor aanpassing van carrièrepatronen van leraren. Hiervan was 17,3 miljoen bestemd voor het schrappen van de zogenaamde periodiekenstop in de carrièrelijnen van leerkrachten. Dit waren wachtjaren waarin leerkrachten op hetzelfde salarisniveau bleven, waarna zij weer een periodieke salarisverhoging kregen.

Daarnaast is 7,8 miljoen aan de lumpsum toegevoegd, waarmee scholen de inkorting van de carrièrelijnen voor leraren met een jaar per 1 maart 2001 kunnen financieren. Beide maatregelen leiden ertoe dat de relatief lange carrièrelijnen in beleidsmatig gewenste richting worden aangepast, waardoor het leraarsberoep aantrekkelijker wordt gemaakt.

Structurele en incidentele impulsen materieel 2001

In lijn met de uitkomsten van de monitor over 1999 is bij Voorjaarsnota extra geld beschikbaar gesteld voor materieel: in 2001 68,1 miljoen en vanaf 2002 25,4 miljoen. Bovendien is aan de structurele 25,4 miljoen een bedrag toegevoegd van 9,1 miljoen voor inventaris uit de middelen die bestemd waren voor de versterking van de beroepskolom. Dit betekent dat met ingang van het schooljaar 2001/2002 de exploitatiekostenvergoeding als volgt structureel is verhoogd: 10,4 miljoen voor administratie bestuur en beheer, 15 miljoen voor het verkorten van de afschrijvingstermijn van inventaris in het voortgezet onderwijs en daarboven op 9,1 miljoen voor inventaris specifiek in het vmbo. Overigens hebben scholen bestedingsvrijheid bij de aanwending van de middelen, waardoor eigen accenten kunnen worden gelegd, afhankelijk van de specifieke situatie op schoolniveau.

De vergoeding voor administratie, bestuur en beheer is verhoogd zodat scholen beter kunnen inspelen op hun toegenomen zelfstandigheid en veranderende rol.

Met de verhoging van de vergoeding voor inventaris is een stap gezet bij het terugbrengen van de afschrijvingstermijn. Daarnaast heeft die intensivering een bijdrage geleverd aan de herinrichting van het onderwijsproces in het vmbo.

De structurele verhoging van de exploitatiekostenvergoeding is ingegaan op 1 augustus 2001. Door de bekostiging op schooljaarbasis is 5/12-deel van de structurele verhoging van 34,5 miljoen tot betaling gekomen in 2001; dit komt neer op 14,5 miljoen. In 2001 resteerde dus nog 53,6 miljoen voor een incidentele impuls voor het versneld vernieuwen van inventaris en extra investeringen in ict.

In de loop der jaren is er bij de inventaris een achterstand ontstaan door de lange afschrijvingstermijn. Met de incidentele impuls ( 40 miljoen) is gestart met het inlopen van die achterstand. Tenslotte hebben de scholen, naast structurele middelen voor ict, een incidentele impuls ontvangen. Deze impuls ( 13,6 miljoen) voor ict is bedoeld voor kwaliteitsverbetering en innovatie van het onderwijs. Naast de voorgaande ict-intensivering is ten behoeve van de contentfiltering en beveiliging van internetsites nog 7,8 miljoen aan aanvullende ict-middelen aan de scholen verstrekt.

Het zorgbudget

De middelen ten behoeve van de zorg in het onderwijs zijn aangewend in het kader van het zorgbudget en de kwaliteitsverbetering van de leerlingenzorg.

In verband met de invoering van het zorgbudget, is aan de samenwerkingsverbanden vo-svo in het kalenderjaar 2001 (maart 2001) een extra bedrag van 24 050,35 per samenwerkingsverband beschikbaar gesteld (totaal 2,3 miljoen). Deze extra stimuleringsbijdrage is bedoeld om samenwerkingsverbanden te helpen bij het anticiperen op de inwerkingtreding van het zorgbudget (m.i.v. 1 augustus 2002). Het gaat dan vooral om het voorbereiden van beslissingen en de werkwijzen die nodig zijn in verband met de besteding van het zorgbudget. Deze middelen kunnen ook worden gebruikt om de ontwikkeling dan wel de invoering van een kwaliteitstraject te stimuleren. Jaarlijks is een evaluatieve voortgangsrapportage voorzien.

Middels de wijziging op de regeling samenwerkingsverbanden vo-svo 2001-2002 zijn er aanvullend middelen beschikbaar gesteld in het kader van het kwaliteitstraject leerlingenzorg vmbo en praktijkonderwijs (totaal 15,9 miljoen). De veranderingen rond de zorgstructuur in het voortgezet onderwijs hebben onder andere betrekking op de inrichting van de bekostiging, maar bovenal op de inhoud van het onderwijs. De inrichting en bekostiging zijn weliswaar belangrijke voorwaarden, de veranderingsoperatie rond de zorgstructuur staat en valt uiteindelijk met de kwaliteit van de inhoud: de kwaliteit van de leerlingenzorg in het vmbo en het praktijkonderwijs. Om scholen en samenwerkingsverbanden te helpen bij de beoogde integratie en inbedding van de leerlingenzorg in het vmbo en praktijkonderwijs is het kwaliteitstraject ontwikkeld. Een traject van, voor en door de scholen.

Dit werk, waarvoor de samenwerkingsverbanden middels deze regeling worden gefaciliteerd, moeten de samenwerkingsverbanden en scholen verrichten op basis van op landelijk niveau ontwikkelde handreikingen als het gaat om verbetering van de kwaliteit van de leerlingenzorg. Ten behoeve van de noodzakelijke ondersteuning is tevens een ondersteuningsaanbod ingericht.

In de landelijke vmbo-monitor van mei 2002 worden voor dit kwaliteitstraject leerlingenzorg de volgende resultaten in beeld gebracht: start-situatie, voorgenomen verbeterpunten, gerealiseerde resultaten.

Actieprogramma vmbo/beroepskolom

De posten onderwijs arbeidsmarkt ( 9,6 miljoen) en investeren in beroepsonderwijs ( 37,4 miljoen) zijn samengevoegd en als volgt uitgegeven:

Beroepskolom

Het doel van deze regeling is het verstrekken van een aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van de school om naar eigen inzicht één of meer van de vijf geformuleerde punten van het actieprogramma vmbo na te streven. Met het oog op structurele middelen voor de beroepskolom met ingang van 2002 worden scholen tevens gevraagd om deze incidentele middelen zodanig te besteden dat daarmee vanuit de school een impuls wordt gegeven aan het denken in termen van beroepskolom-thema’s. Daarbij zou de nadruk op de (onderwijs)loopbaan van leerlingen centraal moeten staan.

De totale bekostiging, op basis van 276,80 per leerling 3e en 4e leerjaar in het voorbereidend beroepsonderwijs, kwam uit op een bedrag van 31 miljoen.

In de loop van 2002 zullen afspraken worden gemaakt met vertegenwoordigers van scholen en instellingen die samen het beroepsonderwijs vormen, omtrent het beleidsinhoudelijk monitoren van de effecten van de besteding van onderhavige incidentele middelen en de structurele middelen voor de beroepskolom met ingang van 2002.

Impuls beroepsopleidingen

In het voortgezet onderwijs zijn in 2001 middelen ingezet via landelijke en regionale impulsprojecten ( 12,1 miljoen) ter versterking van het vmbo langs de weg van relatieversteviging tussen het vmbo en de diverse branches in het bedrijfsleven.

Leerwerktrajecten basisberoepsgerichte leerweg vmbo De beleidsregel gaat over de introductie van leerwerktrajecten in het schooljaar 2001-2002 als een volwaardige leerroute binnen de basisberoepsgerichte leerweg. Dit houdt in dat ook deze route met een diploma wordt afgesloten.

De beleidsregel bevat een aanvraagprocedure waarmee vmbo-scholen zich kunnen nomineren en kwalificeren voor het voorbereiden en uitvoeren van leerwerktrajecten. De vmbo-scholen die per 1 augustus 2001 zijn genomineerd voor leerwerktrajecten moeten zich kwalificeren om per 1 augustus 2002 te mogen starten met het aanbieden van het buitenschoolse praktijkgedeelte aan leerlingen in een leerwerktraject. In oktober 2001 heeft de genomineerde vmbo-school/AOC eenmalig 18 151(en 9 076 per nevenvestiging / groenvestiging) ontvangen van OCenW respectievelijk het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Aan de scholen / AOC’s die zich kwalificeren voor het aanbieden van het vierde leerjaar van leerwerktrajecten wordt, vanwege de additionele begeleidingskosten, eenmalig 22 689 (en 22 689 per nevenvestiging /groenvestiging) van OCenW respectievelijk LNV uitbetaald in oktober 2002. Totaal is hiervoor €3,9 miljoen uitgekeerd. De leerwerktrajecten zijn daarmee onderdeel geworden van het invoeringsbeleid vmbo. En als zodanig wordt het invoeringstraject meegenomen in de tussentijdse en jaarlijkse vmbo-brede monitor.

Aalburg

Bij de behandeling van de 1e suppletore begroting 2001 is door de Tweede Kamer een amendement aanvaard van het lid Van der Vlies (27 778, nr. 6). In verband hiermee is aan de gemeente Aalburg een specifieke uitkering verstrekt van 4,5 miljoen bestemd voor de nieuwbouw van de nevenvestiging van de scholengemeenschap «Willem van Oranje College», onder het bestuur van de Stichting voor protestants-christelijk voortgezet onderwijs Bommelerwaard Land van Heusden en Altena en de Langstraat e.o. statutair gevestigd te Waalwijk.

Plato

In 2001 is een start gemaakt met een 3-jarig voorlichtingsproject over hoogbegaafden (kosten totaal 0,45 miljoen). Bij brief van 1 november 2001 heeft Plato hiervoor een eerste voorschot ontvangen. De middelen zijn aangewend voor voorlichting aan ouders, stichtingen en belangenverenigingen over problemen waarmee hoogbegaafden worden geconfronteerd. Daarnaast is geïnvesteerd in de opzet van een telefonische helpdesk, de inrichting van een website en het produceren van voorlichtingsbrochures. Tenslotte is een opzet gemaakt van een databank met gegevens over hoogbegaafden.

2.3.3 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

 

Tabel 2.6: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

 

Investeren in personeel en scholen

28,9

Onderwijs – arbeidsmarkt

53,9

Nota van wijziging:

 

Bestrijding voortijdige schooluitval buiten de G-25

4,5

Amendementen:

 

Examensystematiek bve-sector

11,3

1e suppletore begroting 2001:

 

Arbeidsmarktknelpunten

27,3

Investeren in beroepsonderwijs

25,0

Investeren in personeel en scholen

Van de middelen gericht op investeringen in personeel en scholen is 27,4 miljoen toegevoegd aan de rijksbijdrage voor de bve-instellingen. Hiermee wordt ook in de bve-sector invulling gegeven aan een kwaliteitsimpuls voor de arbeidsorganisatie. In de decentrale cao-bve zijn afspraken gemaakt om met dit budget het onderwijspersoneel beter toe te rusten voor de reguliere taken en voor de implementatie van vernieuwingen in het onderwijs. Het budget kan onder meer worden besteed aan functiedifferentiatie, het creëren van ondersteunende functies, gerichte maatregelen ter vermindering van de werkdruk, arbo-contracten en maatregelen gericht op vermindering van het ziekteverzuim, regeling voor ouderschapsverlof en mobiliteit.

De bve-instellingen hebben, net als in 2000, in 2001 4,5 miljoen ontvangen in de vorm van een aanvullende vergoeding als tegemoetkoming in de kosten als gevolg van arbeidsmarktknelpunten. Deze middelen vormen een aanvulling op het extra budget voor lerarenbeleid en arbeidsmarktknelpunten dat aan de rijksbijdrage is toegevoegd. De instellingen hebben hiermee de mogelijkheid om met voorrang knelpunten op te lossen binnen de opleidingen economie, techniek en dienstverlening en gezondheid. De aanvulling tot 4,5 miljoen is gedekt uit de overige uitgaven bve (artikel 20.03). Uit de monitorgegevens blijkt dat de bve-instellingen de middelen aanwenden voor de bedoelde maatregelen. Het betreft maatregelen gericht op het behoud van personeel of op het verbeteren van de wervingspositie van de instelling op de arbeidsmarkt. Dit laatste gebeurt door aanvullende arbeidsvoorwaardelijke maatregelen, meer ondersteunend personeel aan te trekken en (duale) scholingstrajecten te faciliteren.

Onderwijs-arbeidsmarkt / investeren in beroepsonderwijs

De stijgende deelnemersaantallen in het middelbaar beroepsonderwijs zijn vertaald in een verhoging van de rijksbijdrage mbo met 36,6 miljoen. De jaarlijks blijkende veranderingen in de deelnemersaantallen komen zo in het budget voor mbo tot uitdrukking.

Verder is een voorgenomen korting van 2,3 miljoen op het budget van de landelijke organen teruggedraaid. Deze bezuiniging werd in de begroting 2000 aangekondigd, maar is in de begroting 2001 teruggedraaid. Zowel bij de begroting 2001 ( 15,3 miljoen) als bij de 1e suppletore begroting 2001 ( 25,0 miljoen) zijn middelen voor een impuls in het beroepsonderwijs en de beroepskolom ter beschikking gekomen. Het totale investeringsbudget is deels in onderlinge samenhang ingezet. De in de bve-sector besteedde middelen zijn ingezet voor:

  • • 
    projecten rondom leven lang leren ( 4,9 miljoen). Deze betreffen onder andere de educatieve tv en de individuele leerrekening;
  • • 
    een verhoging van de rijksbijdrage mbo, educatie en inburgering van 7,7 miljoen voor ict;
  • • 
    een verhoging van de rijksbijdrage mbo van 4,5 miljoen voor de impuls verantwoording;
  • • 
    intensivering van de impuls beroepsonderwijs en verbreding van vmbo-mbo naar de hele beroepskolom.

Van de totale impuls is 17,7 miljoen ingezet voor projecten bij de onderwijsinstellingen en 3,6 miljoen bij de landelijke organen. De projecten van de instellingen en landelijke organen richten zich op het versterken van de beroepskolom door een verbetering van de aansluiting tussen vmbo, mbo en hbo. Belangrijke thema’s bij het verbeteren van de aansluiting binnen de beroepskolom voor instellingen zijn: voorlichting en loopbaanbegeleiding, de pedagogisch didactische aansluiting, de programmatische aansluiting en de relatie met het bedrijfsleven.

Belangrijke thema’s bij het versterken van de beroepskolom voor de landelijke organen zijn: het ontwikkelen van gemeenschappelijke kaders, de versterking van het werkend leren en het oplossen van knelpunten die zich voordoen in de aansluiting van de (kwalificatie)structuren binnen de beroepskolom.

De Bve-Raad en Colo ondersteunen de uitvoering van de projecten in het kader van de regeling 2001 in de regio. Dit gebeurt door het organiseren van netwerkbijeenkomsten en werkconferenties. De projecten worden afgerond op 1 juli 2002. De activiteiten die in het kader van de regeling worden ondernomen worden gemonitord door het CINOP. Hierin worden tevens de gelden vanuit de rijksbijdrage hbo en het groen onderwijs gemonitord.

De tussenrapportage is gepland voor 1 maart 2002. De eindrapportage volgt in november 2002. In hoofdlijnen wordt er gerapporteerd over de ondernomen activiteiten, inzet thema’s, de keuze van aansluitingsmomenten en samenwerkingsverbanden.

De inzet van de impulsgelden 2001 binnen de instellingen is tot op dit moment het meest geconcentreerd op de aansluiting vmbo-mbo (62%). In de aansluiting mbo - hbo is 12% geïnvesteerd. De aansluiting educatie -

mbo en de aansluiting binnen het middelbaar beroepsonderwijs betreffen beiden 13%. De impulsmiddelen worden het meest benut voor de programmatische aansluiting (32%) en de pedagogische didactische aansluiting (28%). In de voorlichting en begeleiding wordt 21% van de impulsmiddelen uitgegeven. In de verbetering van de relatie tussen het middelbaar beroepsonderwijs en het bedrijfsleven is 12% geïnvesteerd.

De impulsgelden 2001 bij de landelijke organen voor het beroepsonderwijs zijn tot nu toe het meest geïnvesteerd in de versterking van de beroepskolom. Hieronder vallen de versterking van de beroepspraktijkvorming (30%) en het oplossen van knelpunten die zich voordoen in de aansluiting van structuren binnen de beroepskolom en de ontwikkeling naar competenties in samenwerking met scholen voor vmbo, mbo en hbo (70%).

Voortijdig schoolverlaten

De middelen voor bestrijding van voortijdig schoolverlaten buiten de G-25 zijn toegevoegd aan het budget voor de regionale meld- en coördinatiefunctie. Bij de verdeling is rekening gehouden met het onderscheid G-25 en niet G-25 gemeenten. Met deze middelen kunnen de regio’s verder werken aan verbetering van de uitvoering van hun taken rondom registratie, verwijzing en begeleiding van voortijdig schoolverlaters.

Examensystematiek bve

De in 2001 vrijgemaakte middelen voor verbetering van de kwaliteit van examens in de bve-sector hebben het beleidstraject via drie lijnen ondersteund. Beeldbepalende factor in de nieuwe examensystematiek is het kwaliteitscentrum examens beroepsonderwijs (KCE), die - na de interne borg en publieke verantwoording van de examenkwaliteit door de onderwijsinstelling - de externe borg uitvoert op basis van landelijke kwaliteitsstandaarden van het KCE. Als een examen niet aan de standaarden voldoet dan kan de minister de instelling het recht op examenafname voor de betreffende opleiding afnemen. De VKC heeft de beleidsreactie besproken op 27 oktober. De Bve Raad en Colo hebben samen met het Paepon de stichting KCE opgericht. In deze implementatiefase van het KCE is er een nauwe betrokkenheid van genoemde partijen met het KCE. Een businessplan KCE wordt ontwikkeld.

Voor de inrichting van het KCE is 2,3 miljoen ingezet. Het KCE heeft de aanvragen getoetst, die de instellingen en landelijke organen hebben ingediend voor projecten gericht op verbetering en vernieuwing van de examenpraktijk in het beroepsonderwijs ( 6,8 miljoen). Daarnaast is 2,3 miljoen ingezet voor vergroting van de implementatiecapaciteit bij de instellingen en landelijke organen. Ook hierbij heeft het KCE een toetsende rol gespeeld.

OCenW bereidt een wetsvoorstel voor. Beoogde invoeringsdatum van de nieuwe systematiek: 1 augustus 2003. Tot dat moment geldt de bestaande examensystematiek (met externe legitimering door exameninstellingen en inspectietoezicht).

Arbeidsmarktknelpunten

De middelen voor arbeidsmarktknelpunten (middelen in het kader van «Van Rijn») zijn aan de rijksbijdrage mbo, lob’s, educatie en inburgering toegevoegd. De instellingen hebben hiermee de mogelijkheid zelf accenten te leggen bij de werving van nieuw personeel en op het gebied van het personeelsbeleid. Voorbeelden van maatregelen zijn verdere functiedifferentiatie binnen de leraarsfunctie, inzet van onderwijsassistenten en instructeurs, extra inzet van ander onderwijsondersteunend personeel, een bonus of extra periodiek voor de medewerkers, betaald ouderschapsverlof voor ouders met kinderen in de leeftijd van 0-2 jaar, extra faciliteiten voor zij-instromers, de aanstelling van leraren in opleiding. De middelen zijn eind 2001 aan de instellingen ter beschikking gesteld. De middelen zullen niet afzonderlijk worden gemoni-tord, maar onderdeel vormen van de monitoring rondom het lerarenbeleid OCenW.

Totaaloverzicht beroepskolom

Naast het bve-deel dat hierboven is toegelicht, zijn ook bij hbo en vo middelen ingezet voor de versterking van de beroepskolom.

HBO

In 2001 is in totaal een bedrag van 11,5 miljoen specifiek voor de versterking van de beroepskolom ingezet. Deze middelen zijn middels een rijksbijdragebrief aan alle hogescholen in augustus 2001 toegevoegd aan hun rijksbijdrage. De omvang van de middelen per hogeschool is gerelateerd aan het aantal ingeschreven studenten. De hogescholen is gevraagd zich in de besteding van de extra middelen te richten op het realiseren van kwalificatiewinst door het bevorderen van de doorstroom en het beperken van de uitval, en meer specifiek op de thema’s die in de Beroepsbrief zijn opgenomen, te weten:

  • • 
    verbetering van de doorstroom mbo-hbo;
  • • 
    versterking van de kwaliteit van stages en duale trajecten;
  • • 
    versterking van de positie van hogescholen in de regionale kennisinfrastructuur.

Voor wat betreft de monitoring wordt aangesloten bij het hiervoor vermelde onderzoek dat door CINOP wordt uitgevoerd. Momenteel worden de thema’s, waarop de hogescholen is gevraagd zich vooral te richten (zie hiervoor), geactualiseerd. Dit kan leiden tot andere of enigszins bijgestelde thema’s. De hogescholen worden hier dan direct over geïnformeerd.

VO

De Voorjaarsnotamiddelen 2001 zijn ingezet voor het versterken van de beroepskolom. Een deel van de gelden zijn specifiek ingezet in het versterken en verbreden van de samenwerking tussen vmbo- scholen en roc-instellingen om de kwaliteit van de doorstroom in de beroepskolom te verbeteren. De projecten zijn gericht op doorlopende leerwegen, aansluitingsproblemen, leerwerkplekken, maatwerken bedrijfsstages. De onderwijsloopbaan van de leerlingen staat hierbij centraal. Er zijn afspraken gemaakt met vertegenwoordigers van scholen en instellingen die samen het beroepsonderwijs vormen, omtrent het beleidsinhoudelijk monitoren van de effecten van de besteding van middelen voor de beroepskolom met ingang van 2002.

Specifiek is in 2001 een beleidsregel van kracht geworden die leerwerktrajecten als een volwaardige leerroute binnen de basisberoepsgerichte leerweg erkent. De leerwerktrajecten zijn daarmee onderdeel geworden van het invoeringsbeleid vmbo en dragen bij aan het versterken van de beroepskolom.

In 2002 zal in het kader van de beroepskolom een gezamenlijke impulsregeling (inclusief monitor) voor vmbo, mbo en hbo worden gepubliceerd.

Decentralisatie arbeidsvoorwaarden bve

Met de centrales voor overheids- en onderwijspersoneel en met werkgevers organisaties in de sector, Bve Raad en Colo, is overeenstemming bereikt over de tekst van het convenant decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in de bve-sector. In vervolg op de decentralisatie van de secundaire arbeidsvoorwaarden in 1996 is overeengekomen dat na afloop van de huidige verlengde cao-onderwijs in februari 2003 het overleg over de arbeidsvoorwaarden inzake salarisontwikkeling, bovenwettelijke aanspraken voor uitkeringen bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid op decentraal niveau gevoerd wordt.

Een wetsvoorstel tot wijzing van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) in verband met het vervallen van het centraal overleg is bij de Tweede Kamer ingediend. Met werkgevers is het overleg over omschrijving en levering van de informatiegegevens in een afrondend stadium.

Informatie- en communicatietechnologie (ict)

Voor de bve-sector is 14,1 miljoen beschikbaar gesteld voor informatie-en communicatietechnologie (ict). In deze sector heeft ict zich het afgelopen jaar verder ontwikkeld. Gemiddeld hebben de bve-instellingen één computer per negen deelnemers. Ondanks de geboekte voortgang blijft de beschikbaarheid van adequate elektronische leermiddelen een van de belangrijkste problemen voor de verdere inzet van ict in het onderwijs. De ict-vaardigheden van docenten zijn in het afgelopen jaar toegenomen, terwijl de cursisten over het algemeen behoorlijk vaardig zijn met ict. De aansluiting van de bve-instellingen op kennisnet heeft goede voortgang geboekt. Van de 61 daarvoor in aanmerking komende bve-instellingen waren er aan het eind van 2001 48 geheel en 5 gedeeltelijk aangesloten. De rest van de instellingen volgt uiterlijk 1 juni 2002. Ook bij de landelijke organen beroepsonderwijs staat ict op de agenda en is volop in ontwikkeling.

Kennisuitwisseling

In het kader van de regelingen Kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven (KeBB) en Stimulans Innovatieve Leeromgevingen bve (SILO) zijn in 2001 in totaal 56 projecten gestart, gericht op het tot stand brengen van nieuwe vormen of systemen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk (regeling KenBB), en het innoveren van opleidingen of delen daarvan door een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving te ontwikkelen en deze te implementeren (regeling SILO).

Evaluatie WEB

In juni 2001 heeft de Stuurgroep evaluatie WEB haar eindrapport over de werking van de WEB aangeboden aan de minister van OCenW. Het eindrapport was onder meer gebaseerd op de resultaten (deelrapporten) van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Het eindrapport en de deelrapporten vormden een zeer gewaardeerde basis voor verdere discussie met het bve-veld. Deze discussie heeft plaatsgevonden aan de hand van een gespreksnotitie waarin de minister een eerste inhoudelijke reactie heeft gegeven op het eindrapport van de Stuurgroep evaluatie WEB. Daarnaast is de Onderwijsraad gevraagd om een advies over de werking van de WEB. Dit advies was in september 2001 beschikbaar. Het eindrapport van de Stuurgroep evaluatie WEB, de resultaten van de discussie met het bve-veld en het advies van de Onderwijsraad hebben als basis gediend voor het evaluatieverslag WEB dat eind november 2001 aan de Eerste en Tweede Kamer werd aangeboden. In het evaluatieverslag is vooral ingegaan op de onderwerpen die gedurende de nog resterende kabinetsperiode extra actie vereisen zoals de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs, de regie van het opleidingenaanbod, de beroepspraktijkvorming, de beroepskolom, de aansturing van de volwasseneneducatie, de examinering en de bekostiging.

Koers BVE

De beleidsnota Koers BVE is in september 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden en in februari 2001 behandeld. Met Koers BVE werd beoogd om vooruitlopend op de evaluatie van de WEB een aantal onderwerpen nader te verkennen en een aantal beleidslijnen voor de middellange termijn vast te leggen. In het kader van Koers is in 2001 gestart met een aantal acties gericht op onder andere het verbeteren van de examinering, het versterken van de positie van de deelnemer, het realiseren van doorlopende leerlijnen binnen de beroepskolom, het vormgeven van de meervoudig publieke verantwoording en het operationaliseren van de onderwijsprogrammering. Met de gemaakte afspraken op deze terreinen is een belangrijke stap voorwaarts gezet in de richting van een kwaliteitsverbetering in de bve-sector. De Tweede Kamer is over de voortgang van deze acties schriftelijke geïnformeerd gevolgd door een overleg in oktober 2001.

Onderwijsprogrammering

Tijdens de behandeling van Koers BVE in februari 2001 bleek dat er een kamerbrede steun was voor een regeling voor de onderwijsinspanning van de instelling. Daarbij is verzocht om in overleg met het veld een alternatief uit te werken voor de 1000-urennorm waarvoor OCenW een wetsvoorstel aan het voorbereiden was. OCenW heeft vervolgens gezamenlijk met de Bve Raad een alternatief uitgewerkt. Dit alternatief heeft de vorm van een convenant onderwijsprogrammering tussen de minister van OCenW en de Bve Raad. In het convenant worden vier zaken geregeld: een wijziging van WEB en WSF/WTS (de 850en 1600-urennorm wordt in de WEB opgenomen, waarbij een voltijdse opleiding wordt gedefinieerd als een opleiding met 1600 uur, waarvan 850 uur zogenoemde IIVO-uren zijn (in instellingstijd verzorgd onderwijs), een plan van aanpak optimalisering en verantwoording opleidingsprogramma’s, verkenningen studiefinanciering en verkenningen bekostiging.

Het convenant is in de zomer van 2001 naar de Tweede Kamer gezonden en aan de orde gekomen tijdens het algemeen overleg over beroepsonderwijs op 17 oktober. De Kamer sprak hierbij haar waardering uit voor het convenant en vroeg regelmatig op de hoogte gehouden te worden van de acties die voortvloeien uit het convenant. Voordat de Kamer akkoord kon gaan met het alternatief, wilde zij eerst het plan van aanpak standaarden en normen beoordelen, dat de Bve Raad begin 2002 voltooit en dat vervolgens door de minister met een aanbiedingsbrief naar de Kamer gezonden wordt.

Technocentra

Na een moeizame start eind 2000 hebben de 15 technocentra zich in 2001 verder ontwikkeld. Daarbij doet zich een groot verschil voor tussen de technocentra die in 2000 vanuit een bestaande situatie zijn gestart en de technocentra die toen nieuw zijn opgericht. De eerstgenoemden zijn volledig operationeel met een breed en geschakeerd pakket activiteiten; de tweede groep is in de loop van 2001 geleidelijk overgegaan van de planfase naar een eerste start met activiteiten. Ongeacht deze verschillen zijn echter alle technocentra ultimo 2001 actief en in ontwikkeling. Tot en met 2002 werken zij op basis van de zgn. startsubsidie, waardoor zij nog niet aan alle vereisten van de Kaderregeling hoeven te voldoen. Zo kunnen zij geleidelijk naar deze vereisten (met name de subsidiëring op basis van gerealiseerde baten) groeien.

Het kader voor de technocentra is gewijzigd door de afkondiging van een nieuwe Kaderregeling technocentra in november 2001. Het doel van de wijziging was vooral verduidelijking van het kader en vermindering van de plan- en informatielast van de technocentra.

De Adviescommissie Technocentra heeft in 2001 adviezen uitgebracht over het speerpuntenbeleid (maart) en over de beoordeling van de businessplannen van de technocentra (juli). Vanaf november is de Adviescommissie bezig met de beoordeling van de businessplannen, die de grondslag moeten bieden voor de beoordeling welke technocentra (onder voorbehoud van de evaluatie van de regeling als zodanig) in 2003 definitief door kunnen gaan. Deze beoordeling wordt ondersteund door het agentschap Senter, dat in september de uitvoeringstaken betreffende de technocentra heeft overgenomen van het agentschap CFI.

Kwalificatiestructuur

De kwalificatiestructuur beroepsonderwijs is een belangrijk instrument in de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. De invulling van de structuur bepaalt mede de inhoud van het middelbaar beroepsonderwijs in de komende jaren. In 2001 heeft bij de invulling van de kwalificatiestructuur de wending naar competenties centraal gestaan. De invoering van competenties in de kwalificatiestructuur heeft tot doel de structuur dynamischer, flexibeler en transparanter te maken. In 2001 is verder uitvoering gegeven aan het ontwikkelingsplan van het Centraal orgaan van de landelijke organen beroepsonderwijs (Colo). In een aantal pilots is het gedachtegoed rond de invoering van competenties uitgetest in de praktijk. Dit heeft geleid tot een conferentie in oktober 2001 met als resultaat een principebesluit om daadwerkelijk tot invoering van competenties over te gaan, en dit te doen in gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen. De resultaten van de pilots die in 2001 zijn uitgevoerd, worden op dit moment verwerkt tot voorstellen voor verbetering van de inhoud en de bestuurlijke setting van de kwalificatiestructuur.

Apparatuur

Op grond van signalen over een slechte staat en slecht onderhoud van de apparatuurvoorziening in de bve-sector zijn in het regeerakkoord extra middelen beschikbaar gesteld. In totaal ging het over de jaren 1998 t/m 2000 om 46,3 miljoen. Uit de in opdracht van OCenW uitgevoerde apparatuurmonitor bve blijkt dat de apparatuursituatie in die periode daadwerkelijk is verbeterd, zowel wat betreft de staat van de apparatuur als van het onderhoud. Dit verhoogt de aantrekkelijkheid van het beroeps- onderwijs en de aansluiting van dit onderwijs op de arbeidsmarkt. De monitor zal binnenkort aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

ESF

De uitvoering van ESF-projecten heeft in 2001 aanzienlijke vertraging opgelopen. In de bve-sector kunnen in de nieuwe periode (2000–2006) projecten worden uitgevoerd voor voortijdig schoolverlaten (vsv) en voor versterking van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Vanwege vertraging in de besluitvorming door Brussel, heeft OCenW in 2001 voor versterking van de bbl een eigen regeling uitgebracht vooruitlopend op de regelgeving vanuit Brussel en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De scholen konden zo toch doorgaan met de projecten. Eind 2001 heeft OCenW de aanvragen bij het agentschap van SZW ingediend en inmiddels zijn hierop beschikkingen ontvangen. Eind 2001 is mede naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer een onderzoek van de Algemene Rekenkamer gestart. Verder liep in 2001 de afwikkeling van projecten uit de oude periode (1994–1999).

Bestrijding voortijdig schoolverlaten

Over de uitkomsten van het grotestedenbeleid vindt de verantwoording, conform afspraak met de G-25, eerst na vier jaar plaats. De analyse van de meerjarige ontwikkelingsplannen van de G-25 stemde over het algemeen tot tevredenheid. Voor het overige zij verwezen naar de «tussenstand» die de minister van Grote Steden- en Integratiebeleid namens het kabinet begin dit jaar uitbrengt.

De regionale meld- en coördinatiefunctie (rmc) komt steeds beter van de grond. De middelen hiervoor, ook de verhoging met ingang van 2001 bestemd voor de niet G-25, zijn structureel en met ingang van 2002 is de rmc-functie wettelijk verankerd.

Eind februari 2002 ontvangt de Tweede Kamer de voortgangsrapportage over 2001. De rapportage die bureau Sardes aan de rmc-effectrapportages wijdt en de nadere rmc-analyse 2001 worden in één keer aangeboden. Ook in volgende jaren zal deze procedure worden gevolgd.

Employability / leven lang leren

In het Najaarsoverleg van 2000 is de stuurgroep Impuls beroepsonderwijs en scholing ingesteld. In de stuurgroep werken het kabinet (ministeries van OCenW, SZW en EZ), instellingen voor beroepsonderwijs en sociale partners samen aan het formuleren van aanbevelingen inzake:

+ de versterking van het beroepsonderwijs (vmbo/mbo/hbo);

+ het vormgeven van de complementaire verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen en de sociale partners voor beroepsonderwijs en scholing; + additionele maatregelen op het gebied van scholing van werkenden en werkzoekenden. De stuurgoep heeft in maart 2001 haar rapportage Naar een stevig fundament voor de kennissamenleving aangeboden aan het kabinet. Mede op basis hiervan heeft het kabinet op 27 april bij Voorjaarsnota besloten extra middelen beschikbaar te stellen.

Naast de extra inzet van het kabinet voor het beroepsonderwijs zullen sociale partners de reeds ingezette lijn van investeringen in scholing en beroepsonderwijs voortzetten. Het kabinet is daarbij in het bijzonder geïn- teresseerd in het gebruik van de persoonlijke ontwikkelingsplannen met een bijbehorend budget. Ook zijn er afspraken gemaakt over de duurzame arbeidsintegratie van kwetsbare groepen. De resultaten van de wederzijdse inspanningen zullen worden gemonitord ten behoeve van het Voorjaarsoverleg 2002.

In het kader van de concretisering van de Employability Agenda zijn in 2001 de volgende activiteiten gestart:

Er is een Kenniscentrum evc (elders verworven competenties) opgericht dat tot taak heeft de evc-systematiek verder te ontwikkelen en te verspreiden. Het kenniscentrum is ingesteld voor een periode van vier jaar. De activiteiten lagen in het eerste jaar vooral op de inrichting van het kenniscentrum en het opbouwen van netwerken.

Er zijn acht experimenten met de individuele leerrekening gestart met als doel succesvolle systematieken te ontwikkelen en het gebruik van de leerrekeningen te onderzoeken. De experimenten lopen tot maart 2002. De eerste resultaten geven een positief beeld te zien van de bereidheid tot deelname van zowel bedrijven als individuen.

In januari 2001 is in vijf rmc’s een pilot loopbaanadviseurs gestart. De pilots hebben tot doel een begeleidingssystematiek te ontwikkelen om werkende voortijdig schoolverlaters naar een startkwalificatie te brengen. De pilots hebben een looptijd van twee jaar. Per pilot zijn twee loopbaanadviseurs aangesteld die elk 50 vsv-ers moeten begeleiden naar een startkwalificatie.

In september 2001 is het experiment educatieve tv van start gegaan. Doel is het opzetten van een lokale educatieve zender in Rijnmond ten behoeve van moeilijk te bereiken groepen. Op 23 januari 2002 is de zender officiëel in de lucht gegaan. Het experiment loopt tot september 2002 waarna zal worden gekeken of uitbreiding naar andere regio’s gewenst is. In 2001 is voor de tweede keer de «week van het leren» georganiseerd. De week is bedoeld leren lokaal en in de regio te stimuleren en om het lokale en regionale aanbod meer op elkaar af te stemmen.

Inburgering

In 2000 is de taskforce inburgering opgericht. De taskforce inburgering wordt bekostigd door de ministeries van BZK, VWS, SZW en OCenW. De opdracht aan de taskforce bestaat uit drie delen. De taskforce heeft een werkprogramma op hoofdlijnen voor 2002 vastgesteld, waarin de verschillende delen nader zijn toegelicht. In het werkprogramma zijn de activiteiten en de producten van de taskforce opgenomen.

De taskforce inburgering heeft de volgende doelstellingen:

+ het samen met gemeenten en actoren ontwikkelen van oplossingen voor bestaande knelpunten in de inburgeringsketen; + het versterken en bevorderen van de integrale aanpak van inburgering door de gemeenten; + het bevorderen van aansluiting van inburgering naar integratie.

De taskforce inburgering heeft bovenstaande opdracht uitgewerkt in een driesporenaanpak. Het eerste spoor heeft betrekking op het bevorderen van de verbetering van het inburgeringproces op decentraal niveau door het instellen van regionale taskforces. Het tweede spoor betreft het initiëren, faciliteren en coördineren van ontwikkeltrajecten. Het derde spoor behelst het verspreiden van good practices en kennis en ervaring uit de ontwikkeltrajecten en elders opgedane kennis van de taskforce. De taskforce inburgering is in samenwerking met de regionale taskforces,

in het kader van het tweede spoor, begonnen met de uitwerking van tien zogenaamde ontwikkeltrajecten. In deze ontwikkeltrajecten bundelen uitvoerders, ondersteund door de taskforce inburgering en de regionale taskforces, de krachten om oplossingen te zoeken voor de tien belangrijkste knelpunten in de uitvoering van het inburgeringsproces. De ontwikkeltrajecten worden naar verwachting eind 2002 opgeleverd. Met betrekking tot de verspreiding van kennis en good practices wordt momenteel gewerkt aan een databank-inburgering.

In de motie Melkert is uitgesproken dat destijds bestaande wachtlijsten per 1 mei 2001 weggewerkt dienden te zijn. De wachtlijst bedroeg op 1 juli 2000 ruim 10 000 personen. Tijdens de laatste meting, gehouden op 1 mei 2001, stonden van die 10 000 personen nog ongeveer 600 op de wachtlijst. Uit de rapportage valt dus op te maken dat er voortgang wordt geboekt in het terugdringen van de wachtlijsten van oudkomers voor NT2 bij regionale opleidingscentra. Ook in 2002 vinden vervolgmetingen plaats.

De bijgestelde eindtermen maatschappij oriëntatie zullen op korte termijn worden vastgesteld. Met het project «website maatschappij oriëntatie online inhouden» wordt bewerkstelligd dat de bijgestelde eindtermen voor de betrokken docenten toegankelijk zijn.

Het eindrapport van de evaluatie Wet inburgering nieuwkomers zal verschijnen in maart 2002.

Educatie

Bij de decentrale uitvoering van de volwasseneneducatie, waarbij gemeenten een rijksbijdrage ontvangen om cursusaanbod in te kopen bij een regionaal opleidingencentrum (roc), heeft de Tweede Kamer in 2001 enkele kanttekeningen geplaatst. Deze hebben ertoe geleid dat OCenW en de VNG een kaderstellende intentieverklaring educatie zijn overeengekomen die in 2002 zal worden uitgewerkt. Tevens is, na overleg met de VNG en de Bve Raad, een actieplan alfabetisering autochtone analfabeten aan de Tweede Kamer aangeboden. Een belangrijk bestanddeel hiervan is een campagne vanaf mei 2002, maar er zijn ook flankerende maatregelen voorzien voor de korte en de middellange termijn die nader zullen worden uitgewerkt.

2.3.4 Hoger beroepsonderwijs

Tabel 2.7: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Intensiveringen

Een deel van de middelen voor het oplossen van arbeidsmarktknelpunten ( 14,7 miljoen) is doorgeschoven naar 2002 en 2003.

In overleg met de HBO-raad is besloten om in 2001 25,2 miljoen van de middelen voor arbeidsmarktknelpunten en de beroepskolom toe te voegen aan de lumpsumbudgetten van de instellingen. Dit met als doel om de gevolgen te kunnen opvangen in de bedrijfsvoering vanwege de daling in budget ten gevolge van lagere studentenaantallen. Er is 11,5 miljoen voor de versterking van de beroepskolom ingezet. Op basis van het lerarenconvenant is 3,4 miljoen besteed aan de lerarenopleidingen. Het resterende bedrag van 1,5 miljoen is het aandeel van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in deze posten.

Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000 (HOOP)

In 2001 zijn belangrijke stappen gezet als het gaat om de uitwerking van de voornemens uit het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000. Drie uit het HOOP voortvloeiende wetsvoorstellen zijn bij de Tweede Kamer ingediend, te weten: de wetsvoorstellen deregulering, bachelor-master en accreditatie.

Doel van het wetsvoorstel deregulering is dat de hogescholen meer handelingsruimte krijgen om adequaat te kunnen inspelen op de grotere en meer diverse vragen vanuit de maatschappij. Het vergroten van de zeggenschap van de instellingen over de inrichting van het onderwijsaanbod speelt hierbij een belangrijke rol.

De procedure om wijzigingen in het onderwijsaanbod aan te brengen wordt versneld en eenvoudiger en de Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) wordt opgeheven bij invoering van accreditatie. Met de ruimte die de instellingen op deze manier geboden wordt, neemt hun eigen verantwoordelijkheid voor de doelmatigheid van het onderwijsaanbod toe. De ruimte voor samenwerking tussen instellingen wordt verder vergroot. Het gaat dan zowel om samenwerking tussen hogescholen onderling als tussen hogescholen en universiteiten. Een wetsvoorstel dat daarnaast een besturenfusie tussen universiteiten en hogescholen mogelijk maakt, is in voorbereiding.

Het wetsvoorstel deregulering maakt het voor de student gemakkelijker om zich flexibel in- en uit te schrijven bij hogescholen en universiteiten. Ook andere belangrijke stappen zijn gezet met het oog op de versterking van de positie van de student. Zo zijn, naar aanleiding van de Werkgroep Positie Student en het overleg met de Tweede Kamer en de studentenorganisaties over de voorstellen voortvloeiend uit deze werkgroep, afspraken gemaakt over aanpassing van de klachtenregelingen in het hbo. Ook de studiekeuze-website die wordt ontwikkeld, versterkt de positie van de student.

Daarnaast is in 2001 het wetsvoorstel bachelor-master naar de Tweede Kamer gestuurd. Doel van dit wetsvoorstel is te komen tot een beter internationaal georiënteerd hoger onderwijsbestel. Met de invoering van het bachelor-masterstelsel sluit Nederland aan bij de ambities geformuleerd in de Bologna-verklaring. De kern van deze verklaring is het streven naar een grotere vergelijkbaarheid in het Europese hoger onderwijs. De beleidsreactie op het advies van de commissie Rinnooy Kan getiteld Naar een open hoger onderwijs vormde samen met de reacties daarop de basis voor het wetsvoorstel dat inmiddels aan de Tweede Kamer is voorgelegd. In de paragraaf «accreditatie» en «vernieuwingen in het hbo» is ingegaan op de voortgang op de terreinen accreditatie en implementatie van ict in het hbo.

Het in het HOOP aangekondigde vervolgadvies van de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid en de Onderwijsraad over de rol van het hbo in de kennisinfrastructuur is inmiddels uitgebracht en naar de Tweede Kamer gestuurd. Het advies Hogeschool van kennis concentreert zich op de kennisuitwisseling tussen de beroepspraktijk en de hogescholen. In het voorjaar van 2002 wordt de beleidsreactie op het advies aan de Tweede Kamer gezonden.

Tekorten arbeidsmarkt

In het kader van de stuurgroep impuls beroepsonderwijs en scholing lopen diverse activiteiten die gericht zijn op het terugdringen van het tekort aan mbo-ers en hbo-ers.

Zoals onder het punt «beroepskolom» is aangegeven zijn in 2001 extra middelen uitgetrokken om de doorstroom te bevorderen en de uitval tegen te gaan, met als doel het aantal personen dat met een hbo (of mbo) diploma de school verlaat te vergroten.

Verder is het van belang om werkenden, die hun initiële scholing achter de rug hebben, beter in staat te stellen om zich te laten bijscholen of verder te laten scholen naar een hoger opleidingsniveau. Momenteel wordt een beleidsagenda «leven lang leren» opgesteld die naar verwachting in maart 2002 naar de Tweede Kamer gaat.

Aansluiting vo-hbo

De ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs hebben geleid tot de invoering van de profielen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Doel is dat deze invoering zal bijdragen tot een betere aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs. Hogescholen zullen bij de inrichting van de propedeuseprogramma’s rekening moeten houden met het veranderde ingangsniveau van de studenten. Inmiddels vinden op instellingen voor hoger beroepsonderwijs reeds activiteiten plaats ter verbetering van de aansluiting tussen het voortgezet- en het hoger beroepsonderwijs. Deze activiteiten gebeuren veelal in de vorm van netwerken, samenwerkingsverbanden en diverse uitwisselingsprojecten tussen vo en hbo. Als gevolg van de gefaseerde invoering van de profielen is er gedurende een aantal jaren sprake van een overgangssituatie. Om de implementatie van de profielen te faciliteren en te stimuleren is in 2000 een budget van 5,0 miljoen toegevoegd aan de lumpsum.

Om zicht te houden op de besteding van de middelen is het Landelijk Informatiecentrum Aansluiting VO-HBO (LICA) gevraagd tussentijds te monitoren welke effecten zijn opgetreden. Hiervoor is 45 000 aan het LICA ter beschikking gesteld.

Een eerste analyse laat zien dat de meeste hogescholen veel doen aan voorlichtingsactiviteiten (proefstuderen of meeloopdagen). Opvallend is dat er veel aandacht wordt besteed aan uitbreiding of versteviging van regionale netwerken, soms ook gecombineerd met docentennetwerken, studie- of workshops en schoolbezoeken. Over het geheel genomen blijkt dat de gelden bij alle hogescholen op veel terreinen en opleidingen wordt ingezet, afhankelijk van de grootte van de instellingen. In het voorjaar van 2002 zal het LICA een eindrapport opleveren.

Vernieuwingen in het hbo

In eerste instantie werd een verhoging voorgesteld van 7,9 miljoen om de beoogde vernieuwing van het hoger beroepsonderwijs verder te verbreden.

Gedurende het begrotingsjaar zijn gesprekken gevoerd met de Vereniging van hogescholen over de betekenis van het Vernieuwingsfonds hbo, mede in relatie tot de voornemens om een bijdrage te leveren aan het vergroten van de kennisinnovatie van het hoger beroepsonderwijs via lectoren en kenniskringen. Mede op basis van een externe evaluatie van het Vernieuwingsfonds is besloten om deze voorziening niet meer als zodanig te continueren. Op 29 oktober 2001 is een bestuurlijk arrangement «lectoren en kenniskringen» overeengekomen tussen de minister en de Vereniging van hogescholen, waarbij de middelen die voor het Vernieuwingsfonds zijn gereserveerd zijn ingezet om aan de bredere doelstellingen invulling te kunnen geven in verband met «lectoren en kenniskringen». De HBO-raad zal in 2002 verantwoording afleggen over de specifieke inzet van de middelen die in 2001 beschikbaar zijn gesteld.

ICT

In aansluiting op het HOOP 2000 zijn ook in het jaar 2001 middelen beschikbaar gesteld voor SURF Educatie<F>. Het fonds heeft in 2001 een bijdrage van hbo gekregen van 4,5 miljoen. Het doel van SURF Educatie<F> is vernieuwing van het hoger onderwijs met behulp van informatie- en communicatietechnologie.

SURF Educatie<F> richt zich op alle universiteiten en hogescholen. In 2001 zijn 13 van de 28 ingediende onderwijsinnovatieprojecten gehonoreerd: 6 van universiteiten, 5 van hogescholen en 2 van samenwerkingsverbanden van universiteiten en hogescholen.

Begin 2002 publiceert Surf een evaluatie over de eerste jaren 1999-2001 van het educatiefonds dat ze vergezeld zal doen gaan van een voorstel voor een vervolg.

De Digitale Universiteit, een consortium van een aantal hogescholen en universiteiten, waaronder de Open Universiteit, heeft in 2001 haar businessplan in uitvoering genomen.

In 2001 is ook het programma Onderwijs on line, waarvan de lerarenopleidingen in het hbo deel uitmaken, voortgezet. Aan de Tweede Kamer is de voortgang in april 2001 en november 2001 gerapporteerd. De taskforce «werken aan ict» (taskforce Risseeuw), ingesteld door de ministers van OCenW en Economische Zaken, heeft in de loop van 2001 zijn werkzaamheden beëindigd. De door de taskforce geformuleerde ambities, die een financiële ondersteuning vanuit genoemde departementen hebben gekregen, worden nu door de initiatiefnemers onder toezicht van het ministerie van Economische Zaken uitgewerkt. Er is in de loop van 2001 een proef gestart met de digitale keuzegids. Deze loopt tot september 2002, waarna verdere besluitvorming zal plaatsvinden.

Accreditatie

In de notitie Keur aan kwaliteit (juli 2000) heeft de minister van onderwijs aangegeven te streven naar een accreditatiestelsel voor het hoger onderwijs. Beoogd wordt de transparantie van het Nederlandse hoger onderwijs te verhogen door het toekennen van een keurmerk aan opleidingen die aan eisen van basiskwaliteit voldoen.

In 2001 is aan deze doelstelling langs een aantal sporen nader vorm gegeven. Enerzijds is de wetgeving voorbereid die als wettelijke basis moet dienen voor het accreditatieorgaan, dat op basis van oordelen van externe deskundigen keurmerken zal verlenen. Het wetsvoorstel is in september 2001 ingediend bij de Tweede Kamer. De behandeling in de Tweede Kamer is begin 2002 afgerond. Op het moment dat de wet van kracht wordt zal het accreditatieorgaan worden ingesteld. Anderzijds is in 2001 de Commissie kwartiermakers accreditatie hoger onderwijs ingesteld. Deze commissie heeft in september 2001 advies uitgebracht over de inrichting en werkwijze van het beoogde accreditatieorgaan. De minister heeft hierop een beleidsreactie uitgebracht. Tot slot heeft internationaal overleg plaatsgevonden met het oogmerk de ontwikkeling van accreditatie in Europa internationaal af te stemmen. Dit overleg heeft geleid tot het zogenaamde «joint quality initiative» dat een werkplan gericht op internationale afstemming behelst.

Kunstonderwijs

Om de instellingen te ondersteunen bij de beoogde herstructurering van het kunstonderwijs is, overeenkomstig het advies van de tijdelijke commissie ondersteuning herstructurering kunstonderwijs 2000 - 2004, voor de uitvoering van de (bijgestelde) herstructureringsplannen in 2000 en 2001 in totaal 9,5 miljoen aan subsidie toegekend. In de nota Meer zicht op kwaliteit is een aantal voorstellen gedaan ter stimulering van de kwaliteit van het kunstonderwijs. Hiervoor was een bedrag van 2,3 miljoen uitgetrokken. Bij motie van 12 december 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 25 802, nr. 26) heeft de Kamer verzocht om af te zien van het afzonderen van middelen ten koste van het reguliere exploitatiebudget voor het kunstonderwijs of anderszins om kwaliteitsimpulsen te financieren. Met uitzondering van de middelen, waarvoor verplichtingen waren aangegaan (ict en culturele diversiteit) zijn deze conform de motie weer toegevoegd aan het budget voor het kunstonderwijs.

In het verlengde van de nota Meer zicht op kwaliteit is in samenspraak met de Vereniging van hogescholen invulling gegeven aan het nieuwe bekostigingsmodel voor het kunstonderwijs dat van af 2002 inwerking zal treden.

Bekostigingsmodel

In 2001 is bestuurlijke overeenstemming met de HBO-raad bereikt over de hoofdlijnen van het studiepuntenbekostigingsmodel. Doel van dit model is tweeledig: de flexibiliteit in het onderwijsaanbod vergroten, naast het scheppen van een evenwichtige relatie tussen prestatie van student/ instelling en de rijksbijdrage die hier tegenover staat (HOOP 2000). Het huidige bekostigingsmodel ondersteunt deze functies niet. Het levert een aantal belemmeringen op. Door de invoering van een bekostigingssysteem op punten wordt er een directe koppeling gelegd tussen de prestatie en de bekostiging en maakt het flexibele leerroutes in het hbo meer mogelijk.

Inmiddels is het model tot in detail uitgewerkt. De bekostiging vindt plaats op basis van instroom, studiepunten en diploma. Het studiepuntendeel wordt gebaseerd op het aantal behaalde studiepunten per uitstromende student.

Door de zorgvuldige voorbereiding van betrouwbare informatie zal het model niet voor 2005 operationeel zijn. In de begroting van 2002 is een bedrag van 8,1 miljoen opgenomen als bijdrage voor de implementatiekosten. Naar de exacte omvang van de implementatiekosten, alsmede een realistische tijdsplanning voor implementatie, wordt een onderzoek gedaan door een extern bureau. In maart 2002 worden de resultaten van dit onderzoek verwacht.

Taakstelling tweede en derde studies

In 2001 is de taakstelling tweede en derde studies verder uitgewerkt. De invulling van de taakstelling is als volgt. Instellingen worden niet langer bekostigd voor studenten die een tweede e.v. opleiding volgen, nadatz ij een eerste opleiding met diploma hebben afgerond. Dit betekent dat instellingen door deze taakstelling alleen bekostiging ontvangen voor studenten die een eerste studie volgen (tenzij de tweede studie tegelijkertijd gevolgd wordt, zie begroting 2001). De grens voor het voorschrijven van wettelijk collegegeld wordt hiermee gelegd bij het eerste diploma in plaats van bij de leeftijdsgrens van 30 jaar. De WHW moet met deze invulling gewijzigd worden. In verband met de doorlooptijd van het wetgevingstraject wordt de inhoudelijke taakstelling vanaf 2003 doorgevoerd. In 2002 worden de besparingsverliezen door hbo en wo opgevangen binnen hun eigen budget. De taakstelling geldt niet voor de doorstroom hbo-wo en tweede diploma’s voor de lerarenopleidingen. Redenen hiervoor zijn de bevordering van de doorstroom hbo-wo en arbeidsmarkttekorten in het onderwijs.

Vouchers

Per 1 september 2001 is het voucherexperiment van het Midden- en Kleinbedrijf Nederland en de HBO-raad feitelijk van start gegaan. Het project loopt tot en met 2003. Voornaamste doelstelling van het experiment is ervaring op te doen met de vergroting van de flexibiliteit en van vraag-sturing van (duale) leerroutes, die gebruikt kan worden bij het eventueel invoeren van vouchers of andere vormen van vraagfinanciering. De subsidie bedraagt in totaal maximaal 3,4 miljoen.

Lectoren en kenniskringen

Doelstelling is het bevorderen van de kennisontwikkeling en kennisover-drachtvanuit het hoger beroepsonderwijs.

Op 29 oktober 2001 heeft de minister een bestuurlijk arrangement gesloten met de Vereniging van Hogescholen over «lectoren en kenniskringen». Als uitvloeisel van dit arrangement heeft de Vereniging van Hogescholen een stichting gerealiseerd met als belangrijkste taak het beoordelen van voorstellen van hogescholen voor lectoren en kenniskringen en het verlenen van een financiële bijdrage voor de realisatie van deze voorstellen. De basis voor deze voorstellen ligt mede in de businessplannen waartoe in 2000 middelen ter beschikking zijn gesteld via de rijksbijdrage. Voor deze lectoraten en kenniskringen is in de convenantsperiode 2001-2004 in totaal 110 miljoen toegekend, waarvan in 2001 circa 15 miljoen beschikbaar is gesteld. Lectoren zijn hooggekwalificeerde professionals met ruime ervaring op hun vakgebied. Zij kunnen vanuit de hogeschool zelf komen, maar ook vanuit het bedrijfsleven. Doordat de lectoren ook andere docenten om zich heen verzamelen, ontstaat een kring van deskundigen. De lectoraten vervullen een centrumfunctie in te vormen kenniskringen, waarin naast de lector ook andere docenten deelnemen. Binnen deze kenniskringen wordt de inhoudelijke expertise op een bepaald (vak)gebied gebundeld en verder ontwikkeld. Voor 2001 zijn 89 aanvragen ingediend waarvan er 67 zijn goedgekeurd.

De Vereniging zal in 2002 verantwoording afleggen over de toekenning van middelen voor de lectoren en kenniskringen. In de bestuurlijke afspraken ligt overigens besloten dat, mede voor de evaluatie van dit arrangement die uiterlijk in 2004 is voorzien, nadere indicatoren en streefwaarden geformuleerd zullen worden ingebed in een nadere analyse van de vertreksituatie. Met de HBO-raad zijn inmiddels afspraken gemaakt dat zij eind februari 2002 komen met een nulmeting. Op basis daarvan zullen de indicatoren en streefwaarden worden ingevuld.

2.3.5 Wetenschappelijk onderwijs

Tabel 2.8: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Algemeen

Het jaar 2001 heeft in belangrijke mate in het teken gestaan van de voorbereiding van wetgeving over de invoering van een bachelor-master structuur, accreditatie en deregulering. Daarnaast is onder meer gewerkt aan de uitwerking van intensiveringen uit de begroting 2001, in lijn met het HOOP 2000.

Uitwerking HOOP 2000

Ondersteuning invoering bachelor-master structuur

In 2001 is door de universiteiten reeds veel energie gestoken in de voorbereiding van de voor 2002 voorziene invoering van een bachelor-master structuur in het hoger onderwijs. In 2001 is 22,7 miljoen extra beschikbaar gesteld aan de universiteiten om de overgangskosten te compenseren, met als doel een snelle en goede overgang naar een bachelor-master structuur te faciliteren. In 2002 is eenzelfde bedrag beschikbaar.

Oprichting nationaal accreditatie-orgaan

In september 2001 is het wetsvoorstel ter invoering van accreditatie aan de Tweede Kamer aangeboden. Parallel aan het wetgevingstraject is in 2001 gestart met de voorbereiding van de oprichting van het accreditatieorgaan. Naar verwachting kan door deze inspanningen het accreditatieorgaan in de loop van 2002 starten met zijn werkzaamheden. In 2001 is ook gestart met een verkenning van een nauwe samenwerking met Vlaanderen en van de mogelijkheid om samen met een aantal andere landen standaarden voor accreditatie te ontwikkelen. In dit kader is er deelname aan het zogeheten Joint Quality Initiative vanuit Nederland, Vlaanderen, Zweden, Denemarken, Duitsland, Ierland, Italië, Spanje en het VK.

Tekorten arbeidsmarkt en ontwikkeling deelname Niettegenstaande de mindere economische groei in 2001 blijft er een aanzienlijk tekort aan hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt (bron: rapport De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2006 van het ROA). Voor de stijging van de studentenaantallen in het wetenschappelijk onderwijs is in 2001 12,0 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag loopt op tot 32,3 miljoen in 2005.

Dualisering van het onderwijs (leren aan de universiteit en op een werkplek in een samenhangend curriculum) kan leiden tot een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en tot meer variëteit in leerroutes, waardoor het wetenschappelijk onderwijs aantrekkelijker kan worden voor specifieke groepen studenten, zoals werkenden. In de periode 1998-2001 hebben universiteiten geëxperimenteerd met duale wetenschappelijke opleidingen. In oktober 2001 is de Tweede Kamer bericht dat, op grond van de evaluatie van de experimenten, het duaal wetenschappelijk onderwijs als reguliere leerroute in de WHW wordt opgenomen. Dit heeft geen budgettaire consequenties. Uit de evaluatie blijkt dat duaal leren een belangrijke ontwikkeling is in het kader van de invoering van een bachelor-master structuur, maar ook dat opleidingen nog moeten investeren in de borging van de kwaliteit van de leerwerkplek en in de verdieping van de didactische inbedding van werkend leren.

Informatisering

OCenW ondersteunt waar mogelijk de ontwikkeling naar meer variëteit en flexibiliteit in het wetenschappelijk onderwijs. Een manier om dit te bereiken is via de stimulering van informatie- en communicatietechnologie. In dit kader subsidieert OCenW de Digitale Universiteit (DU). Deze is ontstaan nadat in juli 2000 vier universiteiten (OUNL, UvA, VU, UT) en acht hogescholen (Fontys, Haagse, HES Rotterdam, Hogeschool Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Ichthus, Saxion) een intentieverklaring ondertekenden om te komen tot een DU. De doelstellingen van de DU zijn om gezamenlijk te komen tot onderwijsvernieuwing en dit vernieuwende onderwijs aan te bieden als onderdeel van het regulier hoger onderwijs en ten behoeve van andere (nieuwe) doelgroepen, met name op de markt van een «leven lang leren». Op basis van het businessplan van de DU is door het ministerie van OCenW een bijdrage van 11,4 miljoen voor de jaren 2001 en 2002 beschikbaar gesteld. Voor de subsidiëring van de vorming van andere consortia ict in het hoger onderwijs, is aan Stichting Surf eind 2000 2,3 miljoen beschikbaar gesteld.

Specifieke stimulering innovaties

Voor de jaren 2001 tot en met 2004 is jaarlijks 2,3 miljoen beschikbaar voor de specifieke stimulering van innovaties in het veld. In 2001 is hiermee een veelheid aan kleinere en grotere projecten ondersteund. Onder meer is additionele steun verleend aan:

  • • 
    de samenwerking van de Universiteit Leiden en de Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans te Den Haag, in een Faculteit der Kunsten aan de Leidse universiteit;
  • • 
    het ISO en de LSVb voor de versterking van de positie van studenten binnen de instellingen;
  • • 
    het NACEE voor de organisatie van enkele evenementen;
  • • 
    duale opleidingen voor incidentele ontwikkelingskosten die doorlopen na afloop van de experimentele periode 1998-2001.

Uitwerking HOOP in wetgeving, inclusief deregulering Belangrijke beleidsdoelstelling is de zelfregulering in het hoger onderwijs verder te versterken en de bestaande regelgeving waar mogelijk uit te dunnen, te vereenvoudigen en te verhelderen. Deze doelstellingen vallen onder de dereguleringsinspanningen die in het regeerakkoord zijn vastgelegd. De belangrijkste onderwerpen zijn dynamisering en versobering van de registratieprocedure (het CROHO), samenwerking tussen universiteiten en hogescholen en de restitutie van het collegegeld. In juli 2001 is in dit kader het wetsvoorstel «Deregulering» ingediend bij de Tweede Kamer. De mogelijkheid van fusies tussen een universiteit en hogeschool zal bij afzonderlijke wetgeving worden geregeld.

Open Universiteit Nederland (OUNL)

Op verzoek van de Tweede Kamer is besloten de taakstelling op het budget 2001 van de OUNL van 2,3 miljoen op te heffen. Voorts is op verzoek van de Tweede Kamer in 2001 de voorgenomen bezuiniging op de OUNL voor 2002 omgezet in een opdracht aan de OUNL om een plan te ontwikkelen dat erin voorziet om het tegenbedrag van de bezuinigingen te investeren in:

  • • 
    de ontwikkeling van een methodiek voor afstandsonderwijs voor scholing van zij-instromers in het lerarenberoep;
  • • 
    nascholing/deskundigheidsbevordering van leraren;
  • • 
    voortzetting van de activiteiten van de OUNL in de Digitale Universiteit, met name in het project lerarenopleiding.

De OUNL is gevraagd om dit plan in 2002 voor te leggen aan de minister.

Numerus fixus geneeskunde en tandheelkunde

In het afgelopen jaar is een aantal maatregelen getroffen, dat er vooral op gericht is via de opleiding bij te dragen aan de opheffing van het personeelstekort in de gezondheidszorg. In 2001 is 0,9 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de ophoging van de numerus fixus geneeskunde en tandheelkunde. De doelstelling voor geneeskunde voor het studiejaar 2000/ 2001 was een instroomverhoging met 130 plaatsen van 2010 tot 2140. Voor tandheelkunde was de doelstelling in de verslagperiode een verhoging met 40 plaatsen van 260 naar 300. Beide doelstellingen zijn gerealiseerd.

Een meer fundamentele aanpak is gericht op veranderingen in de taakverdeling en beroepsuitoefening tussen artsen, verpleegkundigen en para-medici en een verkorting van de opleidingsduur, aansluitend bij de nieuwe mogelijkheden van de bachelor-master structuur. De gedachtevorming over afschaffing van de numerus fixus op langere termijn om de universiteiten zelf hun opleidingscapaciteit te laten bepalen vindt plaats tegen de achtergrond van dit gedifferentieerde opleidingsbeeld. Daarbij wordt gezocht naar een aanpassing van de financieringsstructuur, waarbij marktprikkels leiden tot een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitsverhouding voor de uitbreiding van de opleidingscapaciteit. Daarnaast is en wordt gezocht naar ruimte voor nieuwe aanbieders van opleidingsmogelijkheden geneeskunde; ook buiten de traditionele medische faculteiten.

Universitaire lerarenopleidingen

In het convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs («ulo-convenant 1998-2005») is afgesproken dat de universiteiten ervoor zorgen dat in het jaar 2002 bij alle vakinhoudelijke opleidingen (gerelateerd aan de schoolvakken) er ten minste één variant bestaat waarbij de opleiding tot leraar onderdeel uitmaakt van de initiële opleiding. Doelstelling is om hierdoor in de periode 1999-2005 te komen tot een toename van het aantal universitair geschoolde leraren tot 1200 per jaar, uiterlijk aan het eind van deze periode. Hiertoe zijn in 2001 de volgende middelen beschikbaar gesteld:

  • • 
    voor opleiding van leraren:                                                      4,4 miljoen
  • • 
    voor vernieuwingsprojecten:                                                  0,5 miljoen
  • • 
    voor vernieuwing begeleiding in het vo:                                0,8 miljoen

De inspanningen tot dusverre hebben opgeleverd dat de studentenaantallen aan de universitaire lerarenopleidingen (na 3 jaar daling) in 2000 en in 2001 weer zijn toegenomen. 1999: 528 studenten 2000: 681 studenten 2001: 735 studenten

Decentrale selectie

Sinds 1999 (Staatsblad 170,3 april 1999) kunnen instellingen gedurende een experimentele periode ervaring opdoen met alternatieve decentrale toelatingsvormen. Doel van het experiment is een verkenning van nieuwe toelatingsvormen, waarbij niet het lot, maar inzet, motivatie en specifiek talent de doorslag geven. Na een aarzelende start in 2000 vond in 2001 de tweede ronde van het experiment plaats, die een toename laat zien van de belangstelling voor decentrale toelating bij onder meer geneeskunde en bedrijfskunde. Eind 2002, begin 2003 is de eindevaluatie van het experiment voorzien.

Personeelsbeleid

Arbeidsmarktpositie van universiteiten en onderzoeksinstellingen Door het Kabinet is in de Voorjaarsnota 2001 vanuit de «Van Rijn»-middelen extra geld beschikbaar gesteld om universiteiten maatregelen te laten treffen gericht op de doorstroom van talentvolle wetenschappers en op verbetering van het perspectief van jonge onderzoekers. Het betreft 12,0 miljoen in 2001 en 32,3 miljoen structureel vanaf 2002. In 2000 is reeds structureel 18,2 miljoen aan de universiteiten beschikbaar gesteld en vanaf 2002 10,0 miljoen structureel aan de onderzoekinstellingen, voor verbetering van salarissen en loopbaanperspectief van jonge onderzoekers. Andere maatregelen in het kader van «Van Rijn» zijn gericht op de verbetering van de doorstroom van vrouwelijke wetenschappers. Verwacht wordt dat in het voorjaar van 2002 de eerste resultaten van deze maatregelen bekend zijn.

2.3.6 Onderzoek en wetenschapsbeleid

 

Tabel 2.9: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

 

Onderwijs – arbeidsmarkt

4,5

Investeringen ict en wetenschapsbudget

13,6

Nota van wijziging:

 

Versterking Genomics onderzoek

11,3

Amendementen:

 

Aspasia-programma

0,8

1e suppletore begroting 2001:

 

Arbeidsmarktknelpunten

5,2

Genomics

22,7

Algemeen

Met de begroting 2001 is de Voortgangsrapportage wetenschapsbeleid uitgebracht. Daarin staat welke voortgang is geboekt op de hoofdlijnen uit het Wetenschapsbudget 2000 (Wie oogsten wil, moet zaaien). Als hoofddoelstelling van het onderzoek en wetenschapsbeleid is in het Wetenschapsbudget geformuleerd: «zorgen voor een onderzoeksklimaat dat uitdaagt tot optimale prestaties; wetenschap van hoog niveau voor welvaart en welzijn». Uit deze hoofddoelstellingen zijn vijf hoofdlijnen van beleid afgeleid:

  • • 
    ruimte voor eigen verantwoordelijkheid;
  • • 
    onderzoek als carrière;
  • • 
    investeren in kennisopbouw voor de toekomst;
  • • 
    maatschappelijke verantwoordelijkheid;
  • • 
    nieuwe vormen van samenwerking.

Onder het kopje «overig beleid» wordt de voortgang op deze hoofdlijnen beknopt weergegeven. Onder de lijn «ruimte voor eigen verantwoordelijkheid» valt ook de voortgang op het gebied van informatieafspraken met de grote instellingen, die van het ministerie van OCenW geld ontvangen in het kader van het onderzoek en wetenschapsbeleid. Deze afspraken, waaraan nu wordt gewerkt, bieden een instrumentarium voor een bestuurlijke relatie waarin verantwoording overeenkomstig VBTB vorm kan krijgen.

Beleidsintensiveringen

Inleiding

In 2001 werden extra financiële middelen ingezet op de volgende beleidsonderwerpen: genomics en onderzoek als carrière (vernieuwingsimpuls, Aspasia en de Van Rijn-gelden arbeidsmarktknelpunten). Deze worden hieronder toegelicht.

Genomics

De ministers van OCenW, EZ, LNV, VWS en VROM hebben september 2000 de integrale nota Biotechnologie uitgebracht met beleidsaanbevelingen om de kansen die de biotechnologie biedt zorgvuldig te benutten. In de integrale nota werd aangekondigd dat een tijdelijke commissie kennisinfrastructuur genomics zou adviseren over de versterking van de genomics kennisinfrastructuur. De commissie, onder voorzitterschap van dr. H.H.F. Wijffels, bracht in april 2001 haar advies uit. Op grond daarvan heeft het kabinet in juli 2001 besloten 188,8 miljoen, waarvan 34,0 miljoen voor 2001, voor een periode van 6 jaar ter beschikking te stellen voor genomics. Dit geld is bestemd voor een integraal pakket aan maatregelen: het opbouwen van een beperkt aantal onderzoekszwaartepunten, vernieuwend onderzoek, publiek-private onderzoeksconsortia, onderzoek naar en communicatie over maatschappelijke aspecten, kennistransfer en opleidingen.

Bij NWO is een regieorgaan ingesteld dat het geheel aan maatregelen zal aansturen. Daartoe stelt het regieorgaan een strategisch plan op.

Vernieuwingsimpuls (investeringen ict en wetenschapsbudget) Het doel van de vernieuwingsimpuls is vernieuwing van onderzoek door jonge talentvolle onderzoekers, onder wie zeker ook vrouwen, jonge onderzoekers kansen te bieden en tevens te behouden voor het onderzoeksysteem. In het voorjaar van 2001 is overeenstemming bereikt tussen alle betrokken partijen (OCenW, NWO, VSNU en KNAW) over de opzet van een nieuwe aanpak van de vernieuwingsimpuls. Dat was nodig omdat in 2001 sprake was van een substantiële verhoging van het budget voor de vernieuwingsimpuls (bedrag oplopend van 22,7 miljoen in 2000 tot circa 71 miljoen in 2004 en volgende jaren). Na de eerste tranche is de opzet van de vernieuwingsimpuls geëvalueerd door een extern bureau (april 2001). Op basis daarvan is de procedure op enkele punten gewijzigd. Zo is de doelgroep voor mensen die in aanmerking kunnen komen verbreed met onderzoekers met leidinggevende ervaring. In de zomer van 2000 ging de vernieuwingsimpuls van start. In de eerste ronde is van 43 onderzoekers het voorstel gehonoreerd. In de tweede tranche van de eerste ronde (medio 2001) zijn 53 initiatieven gehonoreerd. In oktober 2001 heeft NWO de oproep gedaan voor het indienen van aanvragen voor de tweede ronde die volgens de nieuwe aanpak zal worden uitgevoerd. De toekenningen zullen in 2002 plaatsvinden, nadat de ingediende aanvragen zijn beoordeeld.

Aspasia-programma

Volgens de personeelstellingen voor 1999 is het aandeel vrouwen bij universitaire docenten 22,1%, bij universitaire hoofddocenten 8,6%, en bij hoogleraren 5,9%. Om meer vrouwelijke universitair docenten te kunnen laten doorstromen naar een functie als universitair hoofddocent is eind 1999 het programma Aspasia van start gegaan. NWO voert het programma uit. Na de eerste ronde hebben NWO en OCenW in het voorjaar van 2001 hun oorspronkelijke voorziene bijdrage verdubbeld. Met de bijdrage van de universiteiten komt het totale budget daarmee op minimaal 7,7 miljoen (waarvan 1,6 miljoen van OCenW), inclusief de verhoging van 0,8 miljoen uit het amendement Lambrechts-Cornielje, aangenomen bij de begrotingsbehandeling 2001 (Handelingen II, 2000-2001, nr. 25). De vrouwen die wel positief waren beoordeeld door NWO, maar door gebrek aan financiële middelen niet in het Aspasia-programma konden worden opgenomen, zijn inmiddels door de universiteiten zelf aangesteld als universitair hoofddocent. Met deze ronde stijgt het aantal vrouwelijke universitaire hoofddocenten van 209 eind 1999 naar 277 in maart 2001, en het aandeel van vrouwen gaat omhoog van 8,6% naar 11%. In de tweede helft van 2001 is de tweede ronde gestart. De uitkomsten worden in het voorjaar 2002 bekend gemaakt. Verwacht wordt dat daarmee het aantal extra vrouwelijke universitaire hoofddocenten uitkomt op 100.

Arbeidsmarktknelpunten

In 2001 is 5,2 miljoen beschikbaar gesteld voor maatregelen die op korte termijn geïmplementeerd kunnen worden voor het oplossen van arbeidsmarktknelpunten bij de onderzoeksinstellingen. Het gaat hier met name om het oplossen van achterstanden in de salarissen van onderzoekers in opleiding en het vergroten van het loopbaanperspectief voor jonge onderzoekers bij NWO en KNAW. Het bedrag van 2001 is ingezet in de cao van de WVOI, die in 2001 is afgesloten.

Overig beleid onderzoek en wetenschapsbeleid

Ruimte voor eigen verantwoordelijkheid

Hieronder volgt de verslaglegging overeenkomstig de hoofdlijnen uit het Wetenschapsbudget 2002. Deze onderwerpen hebben niet zelf een financiële dimensie, maar gaan over de verantwoordingsrelatie tussen OCenW en de door haar gefinancierde organisaties in de onderzoeksector.

Strategische plannen

Om de bestuurlijke relaties te verhelderen en de beheerslast te verminderen is besloten de cyclus van strategische plannen van zowel OCenW (Wetenschapsbudget) als de grote onderzoekinstellingen op vier jaar te zetten. Dit was aangekondigd in de Voortgangsrapportage Wetenschapsbeleid die in september 2000 verscheen. Voor TNO is deze cyclus al van kracht. Eerder werd al in het voorstel om de WHW uit het oogpunt van deregulering te wijzigen, een vierjaarlijkse termijn opgenomen voor de instellingsplannen van de universiteiten, de KNAW en de KB. In oktober 2001 is het Kabinet akkoord gegaan met een voorstel tot wijziging van de NWO-wet, waarin ook voor NWO de verplichting is neergelegd om elke vier jaar een strategisch plan uit te brengen. NWO heeft in 2001 de nota Thema’s met talent uitgebracht, die kan worden beschouwd als het eerste strategische plan volgens de nieuwe planning.

Informatieafspraken

Onder de titel «ruimte voor eigen verantwoordelijkheid» en onder het motto «bij een grotere autonomie past ook een transparante verantwoording» heeft OCenW met deskundigen en betrokkenen van NWO, KNAW, TNO en KB een workshop gehouden over een heldere en beknopte beleidsverantwoording. Dit paste binnen een onderzoek door Arthur Andersen, in opdracht van OCenW, naar de bestuurlijke relaties met die organisaties.

Vervolgens is, ook met het oog op de implementatie van VBTB, het project «indicatoren op maat» gestart. Dit is erop gericht op het samen met NWO, KNAW, TNO en KB afspreken van indicatoren voor verantwoording en sturing die politiek en bestuurlijk relevant zijn. Gezien het specifieke karakter van het onderzoeksdomein is daarbij nadrukkelijk gekozen voor «de indicator als kapstok voor bestuurlijk gesprek» en niét voor het formuleren van een uitputtende lijst met technische micro-indicatoren. In het voorjaar van 2002 dient er voor elk van de vier meest betrokken instellingen een eerste pakket haalbare en sturingsrelevante informatieafspraken te liggen. De verantwoording over het jaar 2002 dient daarbij als pilot. Direct daarna wordt geëvalueerd of de overeengekomen indicatoren het inzicht in de doelmatigheid en de effectiviteit van beleid daadwerkelijk hebben vergroot, en of zij ook daadwerkelijk zijn gebruikt. Op basis van de opgedane ervaringen worden vervolgens definitieve afspraken gemaakt.

Vereenvoudiging kwaliteitszorg

In opdracht van de VSNU, KNAW en NWO heeft de Werkgroep kwaliteitszorg wetenschappelijk onderzoek (Commissie Van Bemmel) een voorstel ontwikkeld voor vereenvoudiging van het stelsel van kwaliteitszorg voor universitair onderzoek, onderzoekersopleidingen en het onderzoek in KNAW- en NWO-instituten. Dit voorstel, getiteld Kwaliteit verplicht , werd uitgebracht in 2001. De werkgroep bepleit erin een combinatie van enerzijds regelmatige zelfevaluatie door universitaire onderzoekseenheden en onderzoeksinstellingen van KNAW en NWO en anderzijds maximaal eens per zes jaar een externe evaluatie door externe «peers». Voor de evaluaties is het nodig dat op termijn de informatiesystemen van de betrokken organisaties naar elkaar toegroeien en de informatie wordt gestandaardiseerd.

Onderzoek als carrière

In aansluiting op het rapport Toekomst voor talent, talent voor de toekomst (Van Vucht Tijssen, 2000) zijn in 2001 twee studies naar de arbeidsmarkt voor onderzoekers verschenen, beide opgesteld in opdracht van OCenW. Eén betreft een kwalitatief onderzoek naar de (on)aantrekke-lijkheid van een wetenschappelijke loopbaan, opgesteld door SISWO (instituut voor maatschappijwetenschappen) en getiteld Wetenschap tussen roeping en beroep . Het tweede, getiteld Jonge academici in professionele organisaties , geschreven door EIM, portretteert het beleid bij private organisaties om academici te werven en vast te houden. In het rapport van Rand Europe Toekomst van het Onderzoek , dat in augustus 2001 verscheen, wordt onderzoek als loopbaan als een belangrijk aandachtsveld benoemd.

Op het terrein van Human Resource Management voor de onderzoeksector zijn in 2001 extra middelen ingezet via de vernieuwingsimpuls, het programma Aspasia en de Van Rijn-gelden voor arbeidsmarktknelpunten (zie hiervoor, extra intensiveringen).

Investeren in kennisopbouw voor de toekomst

In juni 2001 heeft RAND Europe een inventarisatie aangeboden van de investeringsbehoeften voor onderzoekfaciliteiten van de onderzoekorganisaties ressorterend onder OCenW. Over dit rapport heeft in november 2001 overleg plaatsgehad met de betrokken partijen, NWO, KNAW en VSNU. Afgesproken is dat de betrokken organisaties zich zullen beraden over de vormgeving van een meer expliciet investeringsbeleid in de universiteiten en para-universitaire onderzoekinstituten. Ook over de aanpak van de zeer grote investeringen die de internationale positie van Nederland moeten versterken, is afgesproken dat nader overleg over de hierbij te volgen strategie wenselijk is. Dit mede in het licht van de recente ontwikkelingen binnen de EU op het gebied van samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling van nieuwe onderzoeksinfrastructuur.

ICT

Met de implementatie van de nota Concurreren met ICT-competenties , in 2000 uitgebracht door de bewindslieden van OCenW en Economische Zaken, is in 2001 een stevig begin gemaakt. De nota bepleit versterking van de kennisinfrastructuur voor ict-onderzoek en slagvaardige benutting ervan voor de innovatie van economie en samenleving. Voor de realisering van die doelstellingen zijn in 2001 diverse initiatieven genomen en acties in gang gezet. Voorbeelden hiervan zijn: + de taskforce ict – en kennis (juli 2001);

+ het ict – kenniscongres annex kennismarkt (september 2001); + een door TNO uitgevoerde scan van de ict-kennisoverdracht (oktober

2001); + een nationale onderzoeksagenda (juni 2001); + een nationaal onderzoeksplatform (met 2001); + een aantal stimuleringsprogramma’s c.q. innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s; + voorbereidingen voor een ict-forum.

In oktober 2001 heeft het Kabinet de Tweede Kamer een brief met onder andere de bouwstenennotitie ict-onderzoek eninnovatie toegestuurd, met als boodschap aan het volgende Kabinet: de met de bovengenoemde acties ingeslagen weg met voortvarendheid vervolgen.

Toegankelijkheid van publiek gefinancierdonderzoek In Amsterdam werd eind 2000 de derde Global Research Village conferentie over het thema «Toegang tot publiek gefinancierd onderzoek» gehouden, georganiseerd door Nederland samen met de CSTP (commissie voor wetenschaps- en technologiebeleid) van de OESO. Als resultaat daarvan heeft de CSTP van de OESO in maart 2001 het voorstel omarmd een werkgroep in te stellen die mogelijkheden verkent voor «principes en richtlijnen» ten aanzien van toegankelijkheid tot en het delen van data-systemen voor publiek gefinancierd onderzoek. De werkgroep, onder Amerikaans voorzitterschap en met medewerking van de European Science Foundation, zal haar eindrapport aan de CSTP aanbieden in maart 2003.

Nieuwe vormen van samenwerking

Nieuwe vormen van samenwerking worden zowel nationaal (met vakdepartementen en bedrijfsleven) als internationaal (in EU-verband en bilaterale samenwerking) ontwikkeld. Een voorbeeld op nationaal niveau is het octrooibeleid.

Octrooibeleid

Op de grenzen van onderzoek(sinstelling) en bedrijfsleven speelt de vraag hoe octrooien het beste kunnen worden gehanteerd als wijze van kennisbescherming en kennisverspreiding. Mei 2001 is een nationaal platform octrooibeleid opgericht. Op grond van het in 2001 uitgebrachte AWT-advies «Handelen met kennis», hebben de ministers van OCenW en Economische Zaken in juli 2001 de beleidsnotitie Kennisbescherming en kennisexploitatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze beleidsnotitie is eind 2001 met de Kamer besproken. Met de universiteiten en onderzoekinstellingen wordt een actieplan voor stimulering van het octrooibeleid besproken.

Internationale samenwerking

Eind 2001 werd in de Onderzoekraad van de EU een politiek akkoord bereikt over de invulling van het zesde kaderprogramma voor onderzoek over de periode 2002-2006 met een budget van 17,5 miljard. Dit programma staat in het teken van de realisering van de Europese onderzoeksruimte.

De conclusies over de bilaterale samenwerkingsverbanden met Rusland,

Hongarije, Indonesië en China, die in 2000 zijn geëvalueerd, zijn aan de

Tweede Kamer gepresenteerd. Op grond van de evaluaties zijn de MoU’s

herzien. Waar mogelijk is daarbij aansluiting gezocht met prioriteiten in het Europese onderzoekbeleid.

2.3.7 Studiefinancieringsbeleid

Tabel 2.10: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

Onderwijs - arbeidsmarkt                                                                                                        27,2

Toelichting bij de beleidsintensiveringen

In de begroting 2001 lag een deel van de intensivering onderwijs – arbeidsmarkt op het terrein van de studiefinanciering. Deze intensivering betreft voor het beleidsterrein studiefinanciering een toename in het aantal gerechtigden met recht op studiefinanciering en/of een tegemoetkoming in de studiekosten. Deze toename vloeit rechtstreeks voort uit de ontwikkeling in de toename van het aantal leerlingen en studenten in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs.

Deze toename in de deelname, die in de begroting 2001 was verwerkt, heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan. In hoofdstuk 5 bij de toelichting op het beleidsterrein studiefinanciering worden de aantallen bij de verschillende onderdelen van de studiefinanciering en de tegemoetkoming studiekosten uitgebreid toegelicht.

Overige beleidsmatige ontwikkelingen

2001 is het eerste volledige jaar dat de WSF2000 van toepassing was. De wijzigingen van de WSF2000 zijn reeds met ingang van het studiejaar 2000/2001 doorgevoerd. Een enkel onderdeel is later ingevoerd: in de loop van 2001 is, met terugwerkende kracht tot 1 september 2000, de aanvullende beurs voor eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs uit de prestatiesystematiek gehaald en direct als gift verstrekt.

In 2001 is de nota Studeren zonder grenzen uitgebracht, waarin de plannen om te komen tot een verdere internationalisering van de studiefinanciering zijn beschreven.

Met ingang van het schooljaar 2001/2002 is de WTOS in werking getreden. Deze wet regelt de tegemoetkoming in de onderwijsbijdragen en de schoolkosten, en vervangt de WTS. De WTOS betekent een uitbreiding van het aantal gerechtigden op een tegemoetkoming, door een verhoging van de inkomensgrens en introductie van de zogenoemde glijdende schaal, alsmede een verhoging van de bedragen van de tegemoetkoming. De in de begroting 2001 voorziene meeruitgaven zijn ook gerealiseerd. Gemiddeld over het jaar 2001 is het aantal gerechtigden gestegen van ruim 296 000 (op basis van de oude WTS) tot 348 000: een toename van 21%.

2.3.8 Arbeidsvoorwaardenbeleid

Tabel 2.11: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

Investeren in personeel en scholen                                                                                          0,3

Onderwijs - arbeidsmarkt

1e suppletore begroting 2001: Arbeidsmarktknelpunten

De middelen gemoeid met de bovenvermelde intensiveringen staan voor het overgrote deel op de onderwijsbeleidsterreinen.

Investeren in personeel en scholen

Op basis van het rapport De arbeidsmarkt in de collectieve sector; investeren in mensen en kwaliteitvan de interdepartementale werkgroep Van Rijn heeft het Kabinet in het voorjaar van 2001 een fors bedrag beschikbaar gesteld voor de bestrijding en voorkoming van arbeidsmarktknelpunten in het onderwijs. Ook andere overheidssectoren ontvingen «Van Rijn»-gelden. Structureel ontving de sector onderwijs een bedrag van 516 miljoen, waarvan 447 miljoen voor het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en de bve-sector. De hoger onderwijssectoren ontvingen 69 miljoen.

 

Tabel 2.12: Kabinetsmiddelen «Van Rijn» (x € 1 miljoen)

 

2001

structureel

po, vo en bve hbo, wo en owb

195 45

447 69

De Van Rijn middelen voor po, vo en bve zijn volledig ingezet via een verlenging van de cao met 11 maanden tot 1 februari 2003. Op 15 juni werd hierover een akkoord bereikt. De middelen zijn op twee manieren ingezet. Een bedrag van 195 miljoen is besteed aan de verbetering van het loopbaanperspectief van leraren via een inkorting van de carrière-lijnen. De resterende 267 miljoen is gebruikt voor een verhoging van de schoolbudgetten. Met de verhoging van de schoolbudgetten komt geld beschikbaar voor onder meer functie- en beloningsdifferentiatie, het invoeren van betaald ouderschapsverlof, het uitbreiden van ondersteunende functies, zij-instromers en lio’s. De instellingen zijn vrij deze schoolbudgetten te besteden op de wijze die voor hen het meest nuttig is. De Van Rijn middelen zijn dus volledig ingezet voor gerichte arbeidsmarkt-maatregelen en niet gebruikt voor verbetering van de generieke arbeidsvoorwaarden. Om de gewenste Van Rijn maatregelen volledig in te kunnen voeren is een beperkt bedrag vanuit de algemene arbeidsvoorwaardenruimte ingezet: 15 miljoen.

Tabel 2.13: Inzet middelen «Van Rijn» in verlengde cao 2002-2003 (x € 1 miljoen)

totaal                 po                 vo                bve

Kabinetsmiddelen «Van Rijn» ingezet vanuit arbeidsvoorwaardenruimte

Inkorting carrièrelijnen Ophoging schoolbudget

 

447

207

175

65

15

14

   

195

104

63

28

267

117

113

37

Bij de onderhandelingen over de verlenging van de cao po/vo/bve 2000– 2002 met 11 maanden is ook de zogenaamde MEV-clausule uit die cao nader uitgewerkt. In mei 2000, bij het afsluiten van de cao 2000–2002, was afgesproken dat de definitieve loonontwikkeling in 2001 af zou hangen van de loonontwikkeling in de marktsector in dat jaar zoals geraamd door het CPB in de Macro-Economische Verkenningen. De loonontwikkeling in de markt in 2001 is veel hoger uitgevallen dan een jaar daarvoor werd verwacht. Het verschil ter grootte van 1,5 procentpunt is verwerkt in de vorm van een eindejaarsuitkering van 1,25% en een persoonlijk ontwikkelingsbudget van 0,25%.

Onderwijspersoneel

In september 2001 is voor het eerst de nota Werken in het onderwijs naar de Tweede kamer gestuurd. In deze nota is een uitgebreide beschrijving gegeven van de ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt. De nota Werken in het onderwijs zal voortaan elk jaar in september, samen met de begroting, verschijnen. In de komende nota, die in september 2002 verschijnt, zal een analyse van de instroom, doorstroom en uitstroom in 2001 worden opgenomen.

De werkgelegenheid in het onderwijs is de afgelopen jaren sterk gegroeid. De afgelopen zes jaar met ongeveer 40 000 personen. Momenteel werken ongeveer 380 000 mensen in het onderwijs. Zij zetten zich in om ongeveer 3,5 miljoen leerlingen en studenten op te leiden.

De instroom vanuit de lerarenopleidingen in het onderwijs is al een paar jaar lang niet voldoende om de vacatures te vervullen. Door een reeks van beleidsmaatregelen is de toename van het aantal openstaande vacatures beperkt gebleven. Uit de resultaten van de belronde bij de start van het schooljaar 2001-2002 (Regioplan: onvervulde uren in de sectoren po, vo en bve) bleek, dat de arbeidsmarktsituatie in het primair onderwijs en de bve-sector aan het begin van het schooljaar 2001–2002 ongeveer gelijk was aan het voorgaande schooljaar. Het aantal openstaande vacatures in het voortgezet onderwijs was daarentegen wel gestegen.

In onderstaande tabel staat een overzicht van de arbeidsmarktbalans in het primair en voortgezet onderwijs 1998–2002. Volgens de prognoses waren voor deze periode ongeveer 32 500 leraren nodig (voltijdbanen). De instroom vanuit de lerarenopleiding richting onderwijs (rekening houdend met deeltijdfactor en het feit dat niet alle afgestudeerden (direct) in het onderwijs gaan werken) bedroeg ongeveer 13 000 voltijdbanen. Het arbeidsmarkteffect van verbetering van de beloningspositie van het onderwijspersoneel is aan de hand van CPB-berekeningen in kaart gebracht. Ook zijn de resultaten van een aantal concrete maatregelen, zoals functiedifferentiatie, zij-instroom, adv-verzilvering en het stimuleren van herintreden gekwantificeerd.

 

Arbeidsmarktbalans 1998-2002 primair en voortgezet onderwijs (in fte’s)

Benodigd onderwijspersoneel

32 500

   

Instroom vanuit de Ierarenopleidingen

 

13 000

 

Openen onderwijsarbeidsmarkt: waaronder

 

12 300

 

Zij-instroom

   

400

Salarismaatregelen waaronder Van Rijn

   

3 000

Functiedifferentiatie

   

2 000

Imagocampagne, arbeidsmarktknelpuntenbudget en

   

6 100

arbeidsduurverIenging

     

Herintredermaatregel PO (CCO)

 

3 850

 

ADV-verzilvering

 

1 000

 

Totaal vervulde structurele banen

 

30 150

 

Openstaande vacatures

2 350

   

Herintreders/stille reserve

De campagne, gericht op de stille reserve om terug te keren in het primair onderwijs, heeft groot succes gehad. Sinds 1998 heeft het Career Center Onderwijs (CCO), de bemiddelingsorganisatie voor de stille reserve, ongeveer 4 800 mensen geplaatst.

Uitbreiden betrekkingsomvang

In het onderwijs wordt veel in deeltijd gewerkt. Het (tijdelijk) uitbreiden van de betrekkingsomvang kan derhalve een middel zijn om knelpunten op te lossen. In het schooljaar 2000 2001 heeft dit in het primair onderwijs ongeveer 2 300 voltijdbanen opgeleverd en in het voortgezet onderwijs ongeveer 850.

Verzilveren en opplussen adv

Het verzilveren en opplussen van de adv heeft in het schooljaar 2000–2001 in het primair onderwijs ongeveer 800 voltijdbanen opgeleverd en in het voortgezet onderwijs ongeveer 200.

Zij-instroom

Sinds 2000 is het mogelijk geworden om leraar te worden via een andere route dan via de reguliere lerarenopleiding. Mensen met een afgeronde hbo/wo-opleiding kunnen aan het zij-instroom traject deelnemen. Voor dit traject is veel belangstelling. Na een moeizame start lijkt het traject nu een regulier wervingskanaal te worden. In juli 2001 waren er ongeveer 550 zij-instromers die het assessment met goed gevolg hebben doorlopen.

Functiedifferentiatie

Met de invoering van de schoolbudgetten hebben scholen veel meer mogelijkheden gekregen voor het invoeren van functiedifferentiatie. Ook kregen scholen de mogelijkheid de groepsgrootteverkleining in te vullen door het aanstellen van onderwijsasssistenten. Aan het begin van het schooljaar 2001–2002 waren er ongeveer 2 800 onderwijssassistenten. Functiedifferentiatie betekent ook dat er niet uitsluitend een beroep gedaan hoeft te worden op de arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden. Een belangrijk arbeidsmarktsegment wordt op deze wijze voor het onderwijs ontsloten.

lio

De leraar in opleiding (lio) is een vierdejaarsstudent die op basis van een leer-arbeidsovereenkomst aangesteld is bij een school. Lio’s kunnen een deel van de taak van de leraren overnemen en op deze wijze eventuele problemen in de personeelsvoorziening verlichten. In maart 2001 waren er ongeveer 800 betaalde lio’s.

Vacatures

In 2001 zijn in de sectoren po, vo en bve ruim 30 000 vacatures (CBS) ontstaan. Iets minder dan de helft daarvan betreft een verandering van baan binnen het onderwijs. Ondanks de spanning op de arbeidsmarkt lukt het scholen nog steeds de meeste vacatures te vervullen. Het is soms echter moeilijk. Vooral het ziekteverzuim is problematisch.

Jaarlijks wordt in opdracht van het ministerie van OCenW onderzoek gedaan naar de vacatures in het onderwijs (po, vo en bve). Tot nu werd vooral gekeken naar de vacatures van leerkrachten. Mede op verzoek van de Tweede Kamer is met ingang van het schooljaar 2001–2002 de opzet van de arbeidsmarktbarometer gewijzigd. Per kwartaal wordt gekeken naar de vacatures voor zowel leerkrachten, onderwijsondersteunend personeel als directieleden. Deze andere wijze van monitoring heeft tot gevolg dat gegevens van dit jaar niet zonder meer te vergelijken zijn met cijfers uit voorgaande rapportages.

Begin 2002 is door Regioplan de rapportage opgeleverd over de vacaturesituatie in het po, vo en bve in het derde kwartaal van 2001 (zie onderstaande tabel). De specifieke rapportage over het kortdurende verzuim in de eerste helft van het schooljaar 2001–2002 verschijnt rond de zomer van 2002.

Tabel 2.14: Openstaande vacatures eind september 2001 (fte en percentage van de werkgelegenheid)

Directiepersoneel

Leraren

Ondersteunend personeel

Primair onderwijs Voortgezet onderwijs bve-sector

310 (2,6%) 50 (1,3%) 15 (2,3%)

1 100 (1,1%) 600 (1,1%) 166 (0,9%)

200 (1,2%) 190 (1,3%) 190 (1,5%)

In het primair onderwijs betekent het openstaan van vacatures niet automatisch dat er ook lessen uitvallen. In nagenoeg alle gevallen wordt binnen de school een oplossing gevonden om de lessen toch door te laten gaan door bijvoorbeeld tijdelijke uitbreiding van de aanstelling van een andere leerkracht, of doordat de directeur voor de groep gaat staan. In het voortgezet onderwijs leidt een openstaande vacature in ongeveer de helft van de gevallen tot lesuitval.

Het afgelopen jaar zijn ongeveer 15 000 mensen voor het eerst (of weer opnieuw) in het onderwijs (po, vo en bve) gaan werken. Voor een groot deel zijn de ontstane vacatures ingevuld door afgestudeerden van de lerarenopleidingen. Zij moesten de vacatures opvullen die ontstaan zijn door vertrek van leerkrachten (naar pensioen, prépensioen, een andere sector of voor het op zich nemen van de zorg voor het huishouden) en door het uitbreiden van de werkgelegenheid (als gevolg van de klassenverkleining, invoering adv of stijging van het aantal leerlingen).

Maatwerk 3

In september 2001 is de voortgangsrapportage Maatwerk 3 gepresenteerd. Deze nota is een vervolg op Maatwerk voor morgen: het perspectief van een open onderwijsarbeidsmarkt van 1999 en Maatwerk 2: over een openonderwijsarbeidsmarkt van 2000. Doel van de nota is de scholen verder te ondersteunen bij het vormgeven van hun school- en personeelsbeleid. In de nota wordt de richting van het beleid naar een open onderwijsarbeidsmarkt beschreven, wat de resultaten zijn, waar de knelpunten liggen en worden aanvullende maatregelen voorgesteld.

+ Met ingang van het schooljaar 2001–2002 zijn de schoolbudgetten verhoogd. Deze budgetten kunnen naar eigen inzicht door de school ingezet worden. Scholen worden daarbij ondersteund door middel van voorlichting en advies over de mogelijkheden van de schoolbudgetten voor de verdere ontwikkeling van het personeelsbeleid. In een campagne van de besturen- en schoolleidersorganisaties worden de scholen in primair- en voortgezet onderwijs geïnformeerd en krijgen zij de mogelijkheid van advies-op-maat.

+ Verhoging van het schoolbudget geeft de scholen de ruimte voor de invoering van verdere functiedifferentiatie. Gezien de toegenomen diversiteit binnen de leerlingenpopulatie kiezen scholen voor een meer gevarieerde opzet en organisatie van hun onderwijs, om zo naar beste vermogen onderwijs-op-maat te bieden. Maatwerk 3 stimuleert door middel van ontwikkelprojecten de invoering van verdere functiedifferentiatie, gekoppeld aan een andere schoolorganisatie.

+ Door de Inspectie van het primair onderwijs is geconstateerd dat meer handen in de klas positieve resultaten opleveren voor leerlingen en personeel. Eén van de manieren om dit te bereiken is het aanstellen van onderwijsassistenten. Vanaf 1 augustus 2002 komen opnieuw extra middelen ter beschikking in het kader van groepsgrootteverkleining. Met deze middelen kunnen scholen extra leerkrachten, maar ook onderwijsassistenten aanstellen. Om scholen in de tekortregio’s in de gelegenheid te stellen na te denken over aanpassing van de schoolorganisatie en ervaring op te doen met de functie van onderwijsassistenten, kunnen scholen in de tekortregio’s al vanaf 1 januari 2002 onderwijsassistenten aanstellen waarvoor het ministerie van OCenW de salariskosten tot 1 augustus 2002 financiert. Met een aantal gemeenten zijn inmiddels afspraken gemaakt voor de aanstelling van ruim 100 onderwijsassistenten in 2002. De diversiteit in het personeelsbestand van scholen neemt sterk toe. De diversiteit in achtergrond van het onderwijspersoneel vraagt om een steeds grotere bijdrage van scholen aan het opleiden van de eigen medewerkers. Meer scholen worden in de gelegenheid gesteld in projectvorm ervaring op te doen met opleiden in de school, samen met lerarenopleidingen.

O&O-fonds

In de cao 2000-2002 voor de sector onderwijs (po, vo en bve) zijn afspraken gemaakt over het door sociale partners op te richten O&O-fonds. OCenW zou ten behoeve van het fonds zowel in 2001 als in

2002 een incidentele bijdrage van 9 miljoen verstrekken. Als gevolg van het uitblijven van de oprichting van het fonds heeft OCenW een aantal taken op het gebied van het fonds zelf ter hand genomen, zoals de subsidieregeling zij-instromers, de lio-regeling, maatregelen van de G4 en Almere, de uitbreiding van de vmbo-praktijkproef, trajecten voor de stille reserve en schoolleiding po.

Werkloosheidsuitgaven

De dalende trend van de werkloosheidsuitgaven van de laatste jaren heeft zich ook in 2001 verder doorgezet. Door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) is op basis van de realisatie van 2000 een raming van de wachtgelduitgaven gemaakt voor de jaren 2001 en verder. Deze raming laat een verdere daling van de werkloosheidsuitgaven zien, met dien verstande dat in het primair onderwijs de werkloosheidsuitgaven zich na 2005 zullen stabiliseren. Enerzijds is er sprake van een hoge uitstroom van ouderen in verband met pensionering, anderzijds zullen er ook meer ouderen instromen. Dit laatste heeft te maken met het feit dat in het primair onderwijs het aantal actieven van 50 jaar en ouder in de toekomst zal toenemen. Bij de andere onderwijssectoren doet dit effect zich in veel mindere mate voor. Daar is de uitstroom van ouderen de enige bepalende factor, waardoor de daling verder doorzet. Op 1 januari 2001 is de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) voor het onderwijspersoneel ingevoerd. Op die datum is hiermee de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW) van toepassing geworden op het onderwijspersoneel. De uitkeringen die vóór die datum zijn aangevangen blijven tot 1 januari

2003 nog op de oude manier betaald. Pas op 1 januari 2003 wordt de WW ook op deze uitkeringen van toepassing. Per 1 januari 2001 gelden daarom meerdere regelingen voor de werkloosheid in het onderwijs, namelijk de WW, het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BBWO) en het oude Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO).

Door de USZO is een nieuw betalingssysteem ontwikkeld voor de betalingen van de nieuwe uitkeringen. Van het LISV is toestemming verkregen om over informatie over de nieuwe uitkeringen te kunnen beschikken. Ten behoeve van het Wachtgeld informatiesysteem (WIS) is begin dit jaar de bouw gestart van een nieuwe interface om deze informatie elektronisch beschikbaar te krijgen voor beleidsen managementinformatie. Verwacht wordt dat deze informatie in de tweede helft van dit jaar regulier beschikbaar komt. Over de ontwikkeling van het aantal uitkeringen in 2001 zijn nu schattingen gemaakt op basis van de begrotingsuitvoeringsrapportages van USZO, informatie uit het WIS en maandelijkse rapportages van USZO over de nieuwe uitkeringen.

Onderstaande tabel toont de werkloosheidsontwikkeling in 2001 ten opzichte van die van 2000. Het betreft hier de realisaties 2000 en 2001 zoals deze blijken uit de opgaven van respectievelijk USZO Groningen en USZO Heerlen. Voor 2001 is een uitsplitsing gemaakt naar wettelijke regeling.

 

Tabel 2.15: Uitgaven werkloosheidsregelingen 2000-2001 (x € 1 miljoen)

per onderwijssector,

 
 

2000

2001

   

2001

BWOO

WW

BW

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs bve-sector

Hoger beroepsonderwijs

Wetenschappelijk onderwijs

Onderzoek en wetenschap

75,3 85,8 62,6 63,2 98,0 9,0

67,5 74,4 55,0 55,0 86,4 5,6

63,9 72,2 53,5 54,0 76,0 4,9

3,4 2,1 1,3 1,0 9,8 0,6

0,1 0,1 0,1 0,1 0,6 0,0

Totaal

393,8

343,8

324,5

18,2

1,1

Uitsplitsing uitgaven in 2001. BWOO: uitkeringen die voor 1 januari 2001 zijn aangevangen. WW en BW: uitkeringen die vanaf 1 januari 2001 zijn aangevangen (wettelijke en bovenwettelijke uitgaven).

In de volgende tabel is de ontwikkeling van de omvang van werkloosheid weergegeven, uitgedrukt in personen en fte.

1 Met ingang van 1 januari 2000 worden de uitkeringen van de VU en het AZVU door USZO geadministreerd. De enige «zelfdoeners» zijn vanaf dat moment de UvA en het AMC.

 

Tabel 2.16: Ontwikkeling 2000–2001 (personen en

omvang van de werkloosheid per fte)

onderwijssector,

     

personen

 

Fte

2000

2001

2000

2001

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs bve-sector

Hoger beroepsonderwijs

Wetenschappelijk onderwijs

Onderzoek en wetenschap

 

5 634 5 036 3 300 2 727 5 110 553

4 848 4 374 2 822 2 524 4 918 476

2 601 2 688 1 541

1  486

2 843 365

2 392 2 482 1 425

1  387

2 730 328

Totaal

 

22 360

19 962

11 504

10 744

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari, aangevuld met correcties voor UvA en AMC1.

In de volgende tabel is de gemiddelde leeftijd aangegeven.

Tabel 2.17: Gemiddelde leeftijd deelnemers werkloosheidsregeling naar onderwijssector, 2000–2001 (jaar)

2000

2001

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs bve-sector

Hoger beroepsonderwijs

Wetenschappelijk onderwijs

Onderzoek en wetenschap

 

54,1

55,1

56,9

57,2

57,6

58,2

57,6

58,0

48,9

49,3

39,0

38,6

Totaal

54,0

54,4

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.

De inspanningen die zijn gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitkeringen worden onverminderd gecontinueerd. Ook de huidige arbeidsmarktsituatie in het onderwijs zorgt voor een vermindering van de werkloosheidsuitgaven. De vermindering van de uitgaven leidt bij de instellingen die op lumpsum basis worden bekostigd tot financiële ruimte die door de instellingen wordt benut voor seniorenbeleid en voor de financiering van maatregelen gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitgaven.

Uit de cijfers blijkt tevens de vergrijzing van het bestand. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 54 jaar. 76% van de personen met een werkloosheidsuitkering is thans 50 jaar of ouder.

De instroom in de werkloosheidsregeling (zie onderstaande tabel) is voornamelijk nieuwe instroom in de WW. Ook bij de «oude» BWOO-uitke-ringen is er sprake van een – zij het geringe – instroom. Dat zijn voornamelijk herlevingen van uitkeringen van personen die wederom werkloos zijn geworden en terug kunnen vallen op hun bestaande uitkering.

1 De in- en uitstroom in fte kan hoger zijn dan die in personen. Dit heeft te maken met de wijze van registreren. Als de omvang van de werkloosheid voor een persoon gedeeltelijk afneemt vanwege nevenwerkzaamheden genereert dat een uitstroom in fte maar niet in aantal personen (de persoon blijft een deel van zijn uitkering houden). Omgekeerd genereert het beëindigen van de nevenwerkzaamheden een instroom in fte maar niet in personen. Als iemand volledig weer aan de slag gaat (en uit het bestand verdwijnt) dan is er ook uitstroomin aantal personen.

 

Tabel 2.18: Instroom in de werkloosheidsregeling

per onderwijssector,

2000-

2001 (personen en fte)1

         
   

personen

 

fte

 

2000

 

2001

2000

2001

Primair onderwijs

1 359

 

513

2 461

1 217

Voortgezet onderwijs

1 029

 

371

1 234

683

bve-sector

367

 

174

487

299

Hoger beroepsonderwijs

256

 

121

409

258

Wetenschappelijk onderwijs

1 190

 

505

1 980

887

Onderzoek en wetenschap

304

 

94

473

171

Totaal

4 505

 

1 778

7 044

3 515

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, voor 2001 aangevuld met gegevens uit de maandrapportages van USZO.

 

Tabel 2.19: Uitstroom in de werkloosheidsregeling 2001 (personen en fte)

per onderwijssector,

2000-

   

personen

 

fte

2000

 

2001

2000

2001

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs bve-sector hoger beroepsonderwijs

Wetenschappelijk onderwijs

Onderzoek en wetenschap

2 240

1 527

762

524

1 696

364

 

1 477

1 198

626

490

1 079

202

2 880

1 641 702 588

2 264 540

1 421

1 030

488

449

1 305

304

Totaal

7 113

 

5 072

8 615

4 998

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem.

Uitvoering arboconvenant onderwijs en wetenschappen

Geconstateerd kan worden dat tot en met de maand september 2001 bij 453 scholen een begeleidingstraject is gestart. In een dergelijk traject brengt de regioadviseur in samenwerking met het (boven) school(s)-management de situatie op het gebied van arbozorg en ziekteverzuimbeleid in beeld. Dit resulteert in een plan van aanpak waarin concrete maatregelen worden beschreven om de situatie op de school te verbeteren. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze maatregelen ligt bij het management van de school, waarbij de regioadviseur zorg draagt voor de begeleiding. In 2002 zal het Vervangingsfonds een uitgebreide rapportage leveren over de stand van zaken op de convenant-scholen, de werkzaamheden in 2001 alsmede de bereikte resultaten van de inspanningen.

Het totaal toegekende bedrag voor de Subsidie Individuele Reïntegratie (SIR) sinds het begin van de regeling bedraagt inmiddels bijna 3,5 miljoen. Met betrekking tot de verwachte voortijdige uitputting van het beschikbare budget is aan het begin van dit jaar overleg gevoerd tussen het Vervangingsfonds en de ministeries van SZW en OCenW voor een mogelijke extra financiële bijdrage.

Met betrekking tot de uitvoering van de deelconvenants bve en ho zijn afspraken gemaakt over een uniforme ziekteverzuimregistratie. In augustus 2001 zijn de instellingen in de sector schriftelijk op de hoogte gebracht van de op handen zijnde pilot verzuimregistratie en -analyse en uitgenodigd zich voor de pilot te melden. Vijf instellingen zijn geselecteerd (2 universiteiten, 2 hogescholen en 1 onderzoeksinstelling). De instellingen zullen per 1 januari 2002 een registratieprotocol hanteren bij ziekteverzuim en de verzuimcijfers volgens landelijke definities aanleveren.

 

Tabel 2.20: Ontwikkeling wijs, 1999–2000

ziekteverzuim in het

primair- en

voortgezet onder-

 

Ziekteverzuimpercentage

Ziekmeldingsfrequentie

Gemiddelde ziekte-duur in dagen

 

1999

2000

1999

2000

1999 2000

Basisonderwijs Speciaal onderwijs

Voortgezet onderwijs

8,65 9,43 7,36

8,90 9,61 7,92

1,04 1,28 1,39

0,99 1,25 1,48

22,0 25,5 21,2 21,2 17,4 18,4

Gesteld kan worden dat het ziekteverzuimpercentage in 2000 voor alle drie de subsectoren is toegenomen. De meldingsfrequentie is in het basis- en speciaal onderwijs gedaald, terwijl het in het voortgezet onderwijs is gestegen. Voor de gemiddelde verzuimduur geldt dat deze voor het basis en voortgezet onderwijs is gestegen en voor het speciaal onderwijs gelijk is gebleven.

Uit een vergelijking van de ziekteverzuimcijfers tussen de jaren 1998 en

1999 blijkt dat er voor het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs respectievelijk sprake was van een stijging van 0,88, 1,07 en 0,34 procentpunt. Uit dezelfde vergelijking tussen de jaren 1999 en

2000 blijkt dat de stijging respectievelijk 0,25, 0,18 en 0,56 procentpunt is. Het ziekteverzuim in het basis- en speciaal onderwijs stijgt dus nog wel, maar minder sterk dan het jaar ervoor.

Deze afvlakkende ontwikkeling wordt bevestigd door de trendcijfers ziekteverzuim primair en voortgezet onderwijs. Uit de trendcijfers van het eerste kwartaal 2001 blijkt dat het ziekteverzuim in het basisonderwijs ten opzichte van het jaar 2000 in zeer lichte mate is gedaald, terwijl het in het speciaal en voortgezet onderwijs slechts in geringe mate is gestegen. De trendcijfers van het derde kwartaal van dit jaar laten het eerste voorzichtige signaal zien dat het ziekteverzuim in het basis- en voortgezet onderwijs daalt. Voor het basisonderwijs geldt bovendien dat het ziekteverzuim in het derde kwartaal beneden het niveau van het jaar 2000 ligt.

Pilots ziekteverzuim

Op het gebied van ziekteverzuim lopen de volgende pilots:

  • • 
    het Arbeidszorgsysteem (AZS). Dit systeem is ontwikkeld door een combinatie van ABP-Reïntegratie en Interpolis, in samenwerking met OCenW en het Vervangingsfonds. Het betreft een «all care» oplossing, waarin verschillende maatregelen op het gebied van personeels- en verzuimbeleid zijn geïntegreerd. Het doel van het AZS is tweeledig: het terugdringen van het verzuim en daarmee tevens indirect een vermindering van de instroom in de WAO, en de schoolleiding handvatten bieden om zelf het ziekteverzuim te kunnen beheersen. De kosten bedragen totaal 1,4 miljoen. Eind 2001 is de voorbereiding gestart. Op dit moment worden de pilotscholen geselecteerd. Daarnaast wordt een extern bureau aangezocht voor de monitoring en evaluatie van het project;
  • • 
    de introductie van mediation (IMO-project in samenwerking met het

Vervangingsfonds en Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt voor een totaal bedrag van circa 0,7 miljoen);

  • • 
    regionale intervisie voor schoolleiders / directeuren en intervisie op teamniveau. Dit kunnen bijeenkomsten over ziekteverzuim zijn, maar andere thema’s zijn ook mogelijk (in samenwerking met het Vervangingsfonds voor een bedrag van circa 318 000).

De laatste twee projecten zijn besproken in de bestuursvergadering van het Vervangingsfonds op 7 februari 2002.

2.3.9 Informatie- en communicatietechnologie (ict)

Tabel 2.21: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

Investeringen ict en wetenschapsbudget                                                                              90,8

De begroting van het jaar 2001 heeft vooral in het teken gestaan van de uitvoering van voorgenomen activiteiten in het kader van de nota Onderwijs on Line. De ict-vergoeding is in 2001 verhoogd met 16,34, van 56,72 naar€ 73,06. Aan de begroting voor ict (projectuitgaven en contract nl.tree) zijn geen verdere toevoegingen gedaan voor nieuwe intensiveringen. De belangrijkste onderwerpen van het jaar 2001 waren:

  • • 
    het vaststellen van de koopkracht op een bedrag van 73,06 per leerling voor de sectoren primair onderwijs, voorgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;
  • • 
    het beschikbaar stellen van een bedrag van 9,08 per leerling voor beveiliging op maat;
  • • 
    het vervolgen van de aansluiting van de scholen op kennisnet;
  • • 
    het bevorderen van deskundigheid op lerarenopleidingen en de ontwikkeling van good practice projecten;
  • • 
    de ontwikkeling van methoden en programmatuur, waaronder de activiteiten van de expertisecentra;
  • • 
    De oprichting van de Stichtingen Kennisnet en Ict op School;
  • • 
    De ict subsidieregeling.

In het jaar 2001 zijn de gelden die beschikbaar waren voor ict voor het grootste deel decentraal besteed ( 279 miljoen), met name door bekostiging van de scholen ( 264 miljoen). Een toelichting op deze uitgaven is opgenomen in de toelichting per beleidsterrein. Voorts zijn generieke uitgaven gedaan voor specifiek beleid tot een bedrag van 78 miljoen.

Tabel 2.22: Verdeling ict middelen per sector in 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

Realisatie 2001

Primair onderwijs                                                                                                                     148,4

Voortgezet onderwijs                                                                                                                 80,3

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie                                                                         35,2

Lerarenopleiding                                                                                                                          4,5

Onderzoek en wetenschapsbeleid                                                                                            2,3

Agrarisch onderwijs                                                                                                                     8,3

Generieke uitgaven                                                                                                                    78,0

Totaal                                                                                                                                          357,0

De verantwoording van de decentrale middelen wordt gedaan op de desbetreffende artikelen van de onderwijsvelden, en voor wat betreft het agrarisch onderwijs op de landbouwbegroting. De generieke activiteiten komen ten laste van artikel 26.03.

2.3.10 Internationaal beleid

In december 2001 is de hoofdlijnenbrief internationaal beleid Onderwijs voor wereldburgers uitgebracht. De bilaterale samenwerking staat vooral in het teken van leren van het buitenland, het bevorderen van mobiliteit en de positionering van het Nederlandse onderwijs in het buitenland. In de multilaterale samenwerking met de nadruk op de Europese samenwerking is vooral ingezet op «open coördinatie» en internationale benchmarking als gevolg op de Top van Lissabon.

Bilaterale Samenwerking

Mobiliteit

De BISON-monitor, die de in- en uitstroom van studenten, leerlingen en docenten meet, toont een lichte stijging van mobiliteit in alle sectoren. Naast programmamobiliteit, met name in het hoger onderwijs, is er ook spontane mobiliteit: 27% van alle studenten is voor een studiedeel of stage in het buitenland geweest.

Een maatregel ter verdere stimulering van mobiliteit is beschreven in de nota Studeren zonder grenzen van 2001, die het meenemen van studiefinanciering naar het buitenland mogelijk maakt.

Huygensprogramma

Dit programma is de afgelopen jaren getransformeerd van een diffuus aan de culturele verdragen gekoppeld beurzenprogramma tot een samenhangend instroomprogramma met een nadere prioritering van landen (gebaseerd op de beleidsbrief Kennis: geven en nemen ) en selectie op talent.

DELTA-beurzenprogramma

Dit programma is in 2001 gestart. Het stelt Nederlandse instellingen in staat beurzen te verlenen aan studenten uit China, Taiwan, Indonesië en Zuid-Afrika.

Netherlands Education Support Offices zijn in partnerschap tussen overheid en instellingen gerealiseerd in Beijing, Taipei en Jakarta met het oog op het beter positioneren van het Nederlandse onderwijs in die landen.

Mobiliteitsbelemmeringen

In samenwerking met andere departementen (Justitie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken) zijn een aantal procedures voor toelating en het verrichten van arbeid vereenvoudigd of verruimd.

Samenwerkingsverbanden

Grenslandenbeleid

De afgelopen jaren is er onder het grenslandenbeleid een breed scala van gemeenschappelijke opleidingen ontstaan. Een voorbeeld van verdergaande institutionele samenwerking is de Transnationale Universiteit Limburg.

Duitsland

Onder coördinatie van het Duitsland Instituut Amsterdam is medio 2001

het nieuwe Duitslandprogramma voor het hoger onderwijs gestart. De

belangrijkste doelstelling is de verbreding van kennis over Duitsland in

Nederland.

Frankrijk

Het Frans-Nederlands netwerk voor hoger onderwijs en onderzoek is in november 2001 opgezet en beoogt een sterke stimulans te geven aan de samenwerking tussen Nederlandse en Franse instellingen.

Nederlandse Antillen en Aruba

In 2001 is een OESO-review uitgevoerd naar het onderwijsbeleid van de Nederlandse Antillen en Aruba. De beleidsaanbevelingen zijn bedoeld voor de onderwijsministers van de Nederlandse Antillen en Aruba. Op de tripartiete conferentie in 2001 van onderwijsministers (Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba) is bovendien vastgesteld dat Nederland de OESO-review als referentiepunt zal gebruiken voor de verdere onderwijssamenwerking.

Multilaterale samenwerking

Europese Unie

Als gevolg van de Europese top in Lissabon is onderwijs een belangrijke speler in (nationale) sociaal-economische beleidsontwikkeling. Het beleid is gericht op het verder uitbreiden van Europese kaders voor onderwijs (studiepunten, diploma-erkenning, accreditatie, bachelor-masterstructuur), het Europese schoolnet EUN en e-learning en life long learning.

OESO

In OESO-verband wordt samengewerkt in het Growth-project, waarin wordt aangetoond dat onderwijs en onderzoek belangrijke determinanten zijn van economische, duurzame groei en wordt gewerkt aan de ontwikkeling van country profiles. Het O8-project, gericht op de internationale positie van het Nederlandse onderwijs in de westerse wereld, het identificeren van sterkten en zwaktes in relatie tot relevante andere landen, het formuleren van voorstellen voor de verbetering en uitbreiding van de internationale statistieken, is voortgezet.

De samenwerking in het kader van de Raad van Europa stond in het teken van het Europese jaar van de talen 2001. Op de 31e algemene conferentie van de Unesco heeft Nederland verder ingezet op de vorming van Unesco tot een internationaal kennissysteem. Tevens heeft de 31e algemene conferentie ingestemd met de omvorming van het IHE te Delft tot een Unesco Institute for Water Education.

Emancipatie activiteiten

Het Europees Platform voor het Nederlandse onderwijs is in opdracht van OCenW een onderzoek gestart gericht op de verhoging van deelname van (met name) allochtone meisjes aan internationale uitwisselingen. De resultaten worden in 2002 bekend.

Nederlandse Taalunie

Het betreft hier het onderwijsdeel van de OCenW-bijdrage aan de Nederlandse Taalunie. Het Comité van Ministers heeft besloten in de nieuwe meerjarenbeleidsperiode 2003 – 2007 op hoofdlijnen te sturen binnen de door haar vastgestelde beleidsprioriteiten en taakstellend begrotingskader.

Internationalisering

Begin 2001 is de derde editie van de BISON-mobiliteitsmonitor uitgebracht. Deze monitor wordt verder ontwikkeld tot een internationaliseringsmonitor, die de volledige internationale mobiliteit – dus ook die buiten programma’s om – als ook andere vormen van internationalisering bestrijkt.

Midden en Oost-Europa

Voor de samenwerking met Rusland en Hongarije is uitvoering gegeven aan de werkplannen 2000–2002. De verbreding van de samenwerking met Polen, Tsjechië en Slovenië is in oktober 2001 vastgelegd in een memorandum of understanding. Deze samenwerking is gericht op onderwijs voor etnische en culturele minderheden, hoger onderwijs, beroepsonderwijs, kwaliteitszorg en ict.

Internationale samenwerking

In het kader van de positionering van het Nederlandse hoger onderwijs op de internationale onderwijsmarkt is het DELTA-beurzenprogramma ontwikkeld (gericht op instroom van studenten uit de opkomende markten China, Indonesië, Taiwan en Zuid-Afrika) en zijn de Netherlands Education Support Offices opgezet.

2.3.11 Cultuur

 

Tabel 2.23: Intensiveringen 2001 (bedragen x € 1 miljoen)

UITGAVEN

Begroting 2001:

 

Impuls cultuur

17,7

Nota van wijziging:

 

Impuls cultuur

18,2

1e suppletore begroting 2001:

 

Oplossen van knelpunten cultuursector

10,9

2e suppletore begroting 2001:

 

Monumentenzorg

34,0

Algemeen

In het jaar 2001 is de Cultuurnota 1997–2000 afgesloten. De evaluatie van deze cultuurnota is gaande. In het jaar 2001 is de uitvoering van de Cultuurnota 2001–2004 van start gegaan. Dit heeft mede tot gevolg gehad dat een aantal instellingen buiten de subsidiesystematiek van de cultuurnota is gevallen. Dit heeft extra uitgaven in 2001 aan frictiekosten en wachtgelden met zich meegebracht. Er zijn na het uitkomen van de Cultuurnota 2001–2004 127 bezwaarschriften ingediend waarvan door de commissie van bezwaarschriften voor 8 van de 127 het advies gegrond verklaard is gegeven. Van die 8 heeft het, na advies van de Raad voor Cultuur, in één geval geleid tot extra uitgaven. Voor de rest van die 8 heeft het, wederom na advies van de Raad voor Cultuur, geleid tot handhaving van het oorspronkelijke besluit. De eerste VBTB-verantwoording over de Cultuurnota 2001–2004 wordt later verwacht. De instellingen die middels de cultuurnota worden gefinancierd, zullen voor het eerst in mei 2002 in hun jaarrekeningen verantwoording afleggen over de ontvangen subsidie in 2001.

Daarnaast loopt momenteel een aantal onderzoeken en monitors, die nu nog geen informatie opleveren, maar waarover in de volgende financiële verantwoording zal worden gerapporteerd.

Het Commissariaat voor de Media heeft in het onderzoeksplan monitor mediaconcentraties (augustus 2001) aangegeven op welke wijze de monitoring van mediaconcentraties zal plaatsvinden. De feitelijke monitoring is in de loop van 2001 ter hand genomen. De staatssecretaris heeft bij brief van 5 oktober 2001 met de voorgestelde aanpak ingestemd. De eerste inhoudelijke rapportage wordt in het 1e kwartaal 2002 verwacht en zal zich richten op dagbladen, omroepbedrijven, kabelexploitanten en internetproviders.

De Tweede Kamer nam december 2001 de motie-Wagenaar c.s. aan, waarin de regering wordt verzocht een onderzoek te verrichten naar de totstandkoming van anti concentratiewetgeving en de toezichthoudende rol van het Commissariaat van de Media, met «pluriformiteit» als criterium. Deze motie wordt betrokken bij de standpuntbepaling over de rapportage van het Commissariaat voor de Media.

Er worden sectoranalyses uitgevoerd aan de hand van informatie die beschikbaar komt uit de jaarrekeningen van de instellingen. De uitkom- sten van de evaluatie van de jaarrekeningen over het jaar 2000 wordt in het 1e kwartaal 2002 afgerond. De jaarrekeningen van de instellingen die middels de Cultuurnota 2002-2004 gesubsidieerd worden komen in mei 2002 binnen. Evaluatie eind 2002De Erasmus universiteit Rotterdam voert een onderzoek uit naar de versterking van de programmering bij lokale en regionale overheden. Hierover zijn eind 2002 gegevens beschikbaar. De overige thema’s van het actieplan cultuurbereik bij lagere overheden wordt aan de hand van gegevens uit jaarrekeningen geëvalueerd Deze gegevens zijn aan het eind van het jaar beschikbaar.

Het vergroten van de culturele competentie van de jeugd wordt door middel van cultuurvouchers bevorderd. De effecten van de cultuur-vouchers wordt door de Universiteit van Utrecht onderzocht. Een tussenrapport van dit onderzoek is beschikbaar. Het tweede rapport wordt eind april opgeleverd, waarna de uitkomsten geëvalueerd kunnen worden.

Op het gebied van de film zijn al wel resultaten over 2001 bekend. De fiscale stimuleringsmaatregelen voor de Nederlandse filmindustrie hebben de afgelopen jaren geleid tot een substantieel hoger productieniveau en inmiddels ook marktaandeel. In 2001 was het marktaandeel bijna 10 procent; twee keer zo veel als het gemiddelde van het afgelopen decennium. Publieksfilms als Minoes, Kruimeltje, Costa! en De ontdekking van de hemel trokken ongekend hoge bezoekersaantallen en zijn daarom ook in psychologische zin belangrijk voor de bereidheid van particulieren om in speelfilms te investeren.

Intensiveringen Cultuur

Impuls cultuur

Dit betreft de intensiveringen uit het regeerakkoord voor een impuls voor cultuur van 4,5 miljoen voor het jaar 2000 en 9 miljoen voor het jaar 2001, waarbij het bedrag voor 2000 is doorgeschoven naar 2001 om ingezet te worden voor de Cultuurnota. Verder heeft 2,3 miljoen betrekking op een structurele bijstelling voor de vervangingsinvesteringen voor de instandhouding van de huisvesting van musea. Tenslotte is in 2001 1,8 miljoen beschikbaar gekomen voor vernieuwing van het Rijksmuseum. Deze bedragen zijn volledig ingezet.

Bij de behandeling van de begroting 2001 is het cultuurbudget naar aanleiding van een motie van de Tweede Kamer (motie 21) structureel verhoogd met 18 miljoen. Dit bedrag is volledig ingezet voor de uitvoering van het aanvullend advies van de Raad voor Cultuur met betrekking tot de Cultuurnota 2001-2004.

Oplossen van knelpunten cultuursector

Dit betreft beschikbaar gekomen intensiveringsgelden ter hoogte van 4,5 miljoen voor 2001. Dit bedrag is volledig ingezet voor het oplossen van knelpunten en frictiekosten Cultuurnota 2001-2004. Een bedrag van 1,8 miljoen heeft betrekking op het budget voor de technische instandhouding van musea. Ook dit bedrag is volledig ingezet voor het oplossen van knelpunten en frictiekosten Cultuurnota 2001-2004. Tenslotte is een bedrag van 4,5 miljoen beschikbaar gekomen voor het Instrumentenfonds; dit bedrag is hier volledig voor ingezet.

Monumentenzorg

Voor monumentenzorg is bij Najaarsnota 34 miljoen extra beschikbaar gekomen. Dit bedrag is overgemaakt aan het Nationaal Restauratiefonds.

Het geld wordt op een zodanige manier ingezet voor het inlopen van restauratieachterstanden dat tevens wordt bijgedragen aan een nieuw instandhoudingsbeleid voor rijksmonumenten.

2.4 Van Zijl-onderwerpen

In drie achtereenvolgende jaren heeft de Tweede Kamer verzocht aanvullende informatie op te nemen over de zogenaamde Van Zijl-onderwerpen. Deze komen hieronder aan de orde. Het Van Zijl-onderwerp «onderwijs-personeelsbeleid» is geïntegreerd in onderdeel 2.3.8 (arbeidsvoorwaardenbeleid).

2.4.1 Lerarentekort (po/vo/bve)

Primair onderwijs

Om inzicht te verkrijgen in de behoefte aan personeel wordt de vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in het primair onderwijs met elkaar vergeleken.

De vraagzijde

Ramingscijfers over ontwikkeling van onderwijsdeelnemers in het basisonderwijs over de jaren 2000–2004 zijn weergegeven in tabel 2.24.

Conform de referentieraming 2001 en de rijksbegroting 2002. Hier is het aantal leerlingen weergegeven dat de basis vormt voor de personele bekostiging in het desbetreffende kalenderjaar.

Ramingscijfers over de klassenverkleining zijn opgenomen in tabel 2.25.

Tabel 2.25: Effect in fte van de klassenverkleining (x 1000)

2000             2001              2002

Effect1estap klassenverkleininginfte 2,8                2,8                 2,8

Effect vervolgstappen klassenverkleininginfte 1,0                3,1                 5,7

De aanbodzijde

Ramingscijfers over het aantal pabo-instromers en afgestudeerden 2000–

2004, conform referentieraming 2000, zijn opgenomen in tabel 2.26. In

2001 was de instroom van voltijdstudenten conform de raming en van deeltijdstudenten 300 hoger. Het aantal afgestudeerden ligt voor voltijders

200 lager en voor deeltijders 400 hoger.

De instroom na 2001 neemt voor beide categorieën toe, voor de voltijders iets minder dan op grond van de vorige referentieraming werd verwacht en voor de deeltijders juist meer. Het aantal afgestudeerden neemt na

2001 voor beide categorieën meer toe dan vorig jaar werd verwacht.

 

7,2

7,4

7,8

8,0

8,3

1,6

1,8

1,8

1,8

1,9

4,2

4,7

5,1

5,2

4,7

0,9

1,0

1,1

1,2

1,3

Tabel 2.26: Pabo instromers en uitstromers (afgestudeerden) (x 1000)

Referentieraming ’02                          2001             2002             2003             2004              2005

Instroom voltijd pabo Instroom deeltijd pabo Uitstroom voltijd pabo Uitstroom deeltijd pabo

Om aan de vraag naar personeel te voldoen is het aanbod van de pabo’s niet meer toereikend. Bovendien hebben de scholen met de invoering van het schoolbudget veel meer mogelijkheden gekregen voor de invoering van functiedifferentiatie. Andere bronnen die in 2001 zijn gebruikt om het personeelstekort te reduceren zijn beschreven in het onderdeel onderwijspersoneel van paragraaf 2.3.8.

Uitgaven arbeidsmarktbeleid in 2001

Voor arbeidsmarktbeleid is in 2001 de 0,68 miljoen geïnvesteerd in een opfriscursus herintreders.

Met de regeling vergoeding schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening is vanaf het schooljaar 1999-2000 aan scholen met minimaal 70% leerlingen met factor 0,9 op basisscholen of minimaal 50% leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond in de speciale scholen voor basisonderwijs dan wel de WEC-scholen een extra bedrag van in totaal 16,5 miljoen toegekend. De regeling is in principe voor twee jaar getroffen: van 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2001. Vanaf 1 augustus 2001 maakt deze regeling onderdeel uit van het schoolbudget.

Vacatures

Begin 2002 is door Regioplan de eerste rapportage opgeleverd over de vacature-situatie per ultimo september 2001. Dit levert het volgende beeld op:

 

Tabel 2.27: Vacatures

 

Directiepersoneel

Leraren

Ondersteunend personeel

Vacatures

310 fte

1 100 fte

200 fte

Dit betreft vacatures waarvoor geworven werd en die bleven openstaan. In veel gevallen is daar door de school creatief op een andere manier in voorzien, onder andere door tijdelijke uitbreiding aanstellingsomvang, tijdelijke opschorting adv, opvang door een (adjunct)-directeur, een interne begeleider, een activiteitenbegeleider, een remedial teacher, een stagiair / lio-er of een onderwijsassistent.

Voortgezet onderwijs

De arbeidsmarkt voor leraren is in 2001 wederom krapper geworden (Regioplan, 2001). Aan het begin van het schooljaar is in het voortgezet onderwijs de totale vacaturevoorraad van scholen gestegen, de gemiddelde werving is hoger geworden, het percentage onvervulde uren is gestegen en het aanbod van kandidaten is afgenomen. Ook in het speciaal voortgezet onderwijs, waar de problemen altijd al beduidend groter zijn dan in het reguliere voortgezet onderwijs, zijn de problemen gegroeid, zij het minder sterk dan in het voortgezet onderwijs.

Het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs (inclusief svo) blijft vrij constant, zoals blijkt uit onderstaand overzicht. Het laatste jaar trekt het echter iets aan.

Tabel 2.28: Aantal leerlingen vo en svo (x 1000)

Jaar                                 95–96           96–97           97–98           98–99           99–00            00–01

Aantal leerlingen          894,1           884,9            880,0            884,5           891,0             894,9

De leerling / leraar ratio wordt kleiner, zoals blijkt uit onderstaand overzicht. Minder leerlingen per leraar betekent een kwalitatieve impuls (gemiddeld kleinere klassen), maar doet ook een groter beroep op het arbeidspotentieel.

 

Tabel 2.29: Aantal leerlingen per leraar

Jaar 95–96 96–97

97-98

98–99

99–00

00-01

Leerling/leraar 17,4

17,3

16,1

15,9

15,8

Tenslotte stijgt het percentage leraren ouder dan 50 jaar. De gemiddelde leeftijd fluctueert tussen 45 jaar in 1995/96 en 45,4 jaar in 1997/98 en 2000/01, maar het aandeel leraren boven de 50 is sterk toegenomen tot bijna 40% van het personeel. Dat trekt de komende jaren een zware wissel op het vermogen van scholen om met hun zittend personeel te voldoen aan een adequate personeelsvoorziening: veel leraren stromen binnenkort uit omdat ze de vut- of pensioengerechtigde leeftijd behalen.

Tabel 2.30: Percentage leraren ouder dan 50 jaar

Jaar                                 95–96           96–97           97–98           98–99           99–00            00–01

Percentage leraar ouder dan50jaar                                 32,8              36,2              37,0              38,3               39,4

Om de effecten van de krapte op de onderwijsarbeidsmarkt op te vangen, is voor het voortgezet onderwijs in de nota’s Maatwerk voor Morgen , Maatwerk 2 en Maatwerk 3 beleid gestart. Dit beleid is gericht op het verhogen van de instroom in het beroep van leraar (zij-instroom, herintreders), het aanboren van andere segmenten van de arbeidsmarkt door het bevorderen van functiedifferentiatie en het sterker in positie brengen van scholen met integraal personeelsbeleid en opleiden in de school.

Blijkens het onderzoek van Regioplan is de gemiddelde werving en het percentage onvervulde uren in de loop van het schooljaar ten opzichte van vorig jaar nauwelijks veranderd. Meer veranderingen zijn er bij de vervulling van vacatures. Er is een toename van de vervulling door herintreders, zij-instromers en leraren van andere scholen (intersectorale mobiliteit). Interne vervulling van vervangingsvacatures is steeds minder mogelijk. Dat heeft onder meer te maken met het toenemende aantal oudere leraren. Ook merkten scholen op dat de werkdruk van leraren steeds hoger wordt en dat ze hen daarom niet nog meer kunnen belasten.

In zowel het voortgezet als speciaal voortgezet onderwijs is de mobiliteit toegenomen. Dit veroorzaakt zowel aan het begin als tijdens het schooljaar de meeste vacatures. Deze mobiliteit blijkt ook uit de vervulling van vacatures, aangezien vacante uren voor een groot deel vervuld worden door leraren van een andere school. Mobiliteit heeft voor de scholen het gevolg dat ze vaker op zoek moeten naar personeel. Vacatures worden als het ware «doorgeschoven» van school naar school. Door fricties die daarbij ontstaan zorgt mobiliteit voor extra spanning op de arbeidsmarkt.

De krappe arbeidsmarkt en de toenemende vraag naar onderwijsgevenden leiden ertoe dat leraren sneller een keuze maken om te werken aan een school die beter aan hun wensen voldoet. Daarbij kunnen ligging van de school, onderwijssoort of de samenstelling van de leerlingenpopulatie van doorslaggevende betekenis zijn. Vacatures voor banen die als onaantrekkelijk worden beschouwd zijn lastiger te vervullen. Er is een hoog percentage onvervulde uren op scholen met veel cumi-leerlingen en op scholen in de vier grote steden.

Zij-instromers nemen langzaamaan een steeds groter deel van de vacaturevervulling voor hun rekening. Toch vormen ze nog niet in alle gevallen een oplossing. Na een tamelijk moeizame start, begint het zij-instroombeleid steeds meer vruchten af te werpen.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Jaarlijks heeft de bve-sector een instroom aan nieuwe docenten nodig van rond de 1 000 fte’s. Vanaf 2002 is er echter ten opzichte van voorgaande jaren een stijging met circa 50% te verwachten. De bve-sector verlangt dan een nieuwe instroom van circa 1 500 fte’s, die daarna geleidelijk groeit naar een behoefte aan nieuwe instroom van rond de 200 nieuwe leraren vanaf het jaar 2007 (Arbeidsmarktramingen bve 1999–2010). De jaarlijkse meting in de arbeidsmarktbarometer bve 2000–2001 van de onvervulde vacatures geeft aan dat de arbeidsmarkt voor onderwijsgevenden in de bve-sector meer en meer verweven raakt met de arbeidsmarkt voor ondersteunend- en beheerspersoneel. Inzet van bepaalde ondersteunende functies kan de vraag naar docenten beperken, maar ook bij het ondersteunend personeel blijven vacatures onvervuld door krapte op de arbeidsmarkt.

De vacature intensiteit voor leraren is gestegen van 4,5% in 2000 naar circa 5,2% in 2001. Dit wordt verklaard door een stijging in de deelnemersaantallen en de projecten en door meer uitstroom van personeel. De berekening van de onvervulde vacature intensiteit laat een positiever beeld zien, de intensiteit neemt af van 1% in 2000 naar 0,8% in 2001. Echter de verschillen tussen de regio’s worden groter. In het noorden en westen zijn de problemen het grootst, in het zuiden het kleinst en het oosten neemt een middenpositie in.

Gemiddeld genomen bedraagt het aantal onvervulde vacature uren voor de algemeen vormende vakken 18,7 en voor beroepsgerichte vakken 19,8 bij de units van de onderzochte instellingen.

In de sectoren techniek (36,7 roc en 40,4 bij vakinstellingen) en economie (52,4) liggen het aantal onvervulde vacature uren het hoogst. De helft van de instellingen is nog op zoek naar vervulling van meerdere vacatures. In de sectoren DGO (23,2) en educatie (19,7) hebben een op de vijf units nog één of meer vacatures. Ook de vraag naar onderwijsondersteunend personeel neemt toe.

Naast de verhoging van het decentrale budget voor de instellingen en extra investering vanuit de van Rijn middelen is de uitbereiding van de capaciteit van de didactische cursus bve met 200 plaatsen (van 228 naar 448), kosten 0,7 miljoen, geheel benut.

Aanvullend is in 2001 de regeling subsidie duale opleidingstrajecten bve van start gegaan met een beschikbaar budget van 3,5 miljoen. Dit om instellingen te stimuleren personeel aan te nemen en deze al werkend te scholen naar een verdere kwalificatie met het oog op toekomstige inzet en dit nieuwe personeel via scholing een loopbaan perspectief te bieden. De regeling voorziet in een bedrag voor scholing en begeleiding en voor loonverletkosten tot een maximum van 0,2 fte voor vrijstelling van werkzaamheden ten behoeve van scholing.

2.4.2 Voortijdig schoolverlaten (bve)

Door verbetering van de meld- en registratiepraktijk is het aantal voortijdige schoolverlaters in 2001 gestegen. Ondanks een aanmerkelijk toegenomen aantal herplaatsingen (48% van het totaal) is hierdoor de netto uitval niet gedaald.

 

Tabel 2.31: Aantal aangemelde voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) bij rmc-functies (x 1000)

 

1999

2000

2001

Aantal aangemelde vsv’ers Aantal herplaatste vsv’ers Netto uitval

39,4 16,2 23,2

39,9 18,1 21,8

47,1 22,4 24,7

Bron: RMC-rapportages 1999, 2000, 2001; Sardes analyses 2000, 2001; deelnemerstellingen OCenW

De Sardes analyses over voortijdig schoolverlaten zijn aan de Tweede Kamer gestuurd.

2.4.3 Materiële bekostiging (po/vo)

Primair onderwijs

In 2001 heeft in het primair onderwijs de vijfjaarlijkse evaluatie plaatsgevonden, waarbij in overleg met de besturenorganisaties werd onderzocht of de bekostiging van met name leermiddelen, gebouwenonderhoud en administratie op een zodanig niveau is dat de scholen in staat worden gesteld om bij de materiële instandhouding te voldoen aan de eisen van deze tijd. Tevens is besloten om de gevolgen van de veranderingen in de Arbo-wetgeving te onderzoeken. Hieruit is naar voren gekomen dat de normen op deze punten herijkt moeten worden. Vanaf 2002 zullen voor het primair onderwijs dan ook structureel de volgende verhogingen in de normatieve onderbouwing plaatsvinden:

Tabel 2.32: verhogingen in de normatieve onderbouwing (x € 1 miljoen)

Leermiddelen                                                                                                                              20,4

Gebouwonderhoud                                                                                                                    13,6

Meubilair                                                                                                                                        2,3

Schoonmaken                                                                                                                             20,0

Administratie                                                                                                                                 9,1

Totaal                                                                                                                                            65,3

Voortgezet onderwijs

Inleiding

In de toelichting op de Wet op het voorgezet onderwijs is opgenomen dat jaarlijks de inkomsten en uitgaven van de scholen aan de hand van de financiële jaarverslagen gemonitord worden.

Het jaarverslag 2000 bevatte de uitkomsten van de eerste monitor. De daarin opgenomen gegevens waren gebaseerd op de financiële jaarverslagen 1999, opgesteld door alle vo-scholen, aangevuld met onderzoeksgegevens van Regioplan en gegevens over de rijksbekostiging. De tweede monitor maakt onderdeel uit van het jaarverslag 2001 en is gebaseerd op de financiële jaarverslagen 2000 van de vo-scholen en borduurt voort op de monitor over 1999.

In het kader van de onderlinge vergelijkbaarheid is gebruik gemaakt van dezelfde indeling van de baten en lasten als gehanteerd in de monitor over 1999. Dat wil zeggen dat de baten en de lasten van de scholen zijn ingedeeld naar personeel en materieel, waarbij materieel weer is onderverdeeld in de drie categorieën van het bekostigingsstelsel materieel (bsm), te weten: schoonmaak, instandhouding gebouwen en overige exploitatie. Door elk jaar de monitor aan te vullen met de gegevens uit de nieuwe financiële jaarverslagen van de vo-scholen, kunnen ook trends zichtbaar worden gemaakt.

Daarnaast is op verzoek van de Tweede Kamer een extern onderzoek uitgevoerd naar de toereikendheid van de materiële bekostiging. Het onderzoeksrapport, voorzien van een beleidsreactie, is begin 2002 aan de Kamer aangeboden. De uitkomsten van de voorliggende monitor liggen weliswaar in lijn met de conclusies van dat externe onderzoek, maar moeten toch met enige voorzichtigheid worden bezien. Gezien de lump-sumbekostiging is het niet mogelijk één-op-één relaties te leggen tussen inkomsten en uitgaven. Dat betekent dat net als vorig jaar enkele aannames nodig waren om baten en lasten met elkaar te kunnen vergelijken.

 

Tabel 2.33: Exploitatierekening (toegerekend) (bedragen x € 1000)

Baten

2000

Exploitatielasten

2000

Verschil 2000

Categorie I: schoonmaak

 

Categorie I: schoonmaak

   

.basisbekostiging BSM1)

115 322

.schoonmaak (materieel)

60 202

 

.aanvullende rijksbijdrage

0

.schoonmaak personeel3)

49 916

 

.overige inkomsten

0

     

Subtotaal categorie I

115 322

Subtotaal categorie I

Categorie II: instandhouding

110 118

5 204

Categorie II: instandhouding gebouw

 

gebouw

   

.basisbekostiging BSM

68 928

.dotatie onderhoudsvoorziening

72 563

 

.aanvullende rijksbijdrage

53 830

.klein onderhoud

20 496

 

.overige inkomsten

11 863

.overige huisvestingslasten 50%

35 800

 

Subtotaal categorie II

134 621

Subtotaal categorie II

128 859

5 762

Categorie III: overige exploitatie

 

Categorie III: overige exploitatie

   

.basisbekostiging BSM2)

202 989

.administratie, bestuur, beheer

92 598

 

.aanvullende rijksbijdrage5)

102 023

.energie en water

48 126

 

.overige inkomsten

122 618

.inventarissen

.heffingen

.dotatie overige mat. voorzieningen

.overige beheerslasten (50%)

.overige materiële lasten

152 497

6 292

29 579

71 239

19 631

 

Subtotaal categorie III

427 630

Subtotaal categorie III

419 962

7 668

Subtotaal BSM

677 573

Subtotaal BSM

658 938

18 635

Niet-BSM: overige inkomsten

56 443

Niet-BSM: lasten Overig materieel

Financiële lasten Buitengewone lasten

Subtotaal niet BSM

29 010

5 135 22 298

56 443

 

Personeel:

 

Personeel:

   

.basisbekostiging (BSP)

2 892 165

.personele lasten4)

3 036 488

 

.aanvullende rijksbijdrage6)

154 758

.overige beheerslasten materieel

71 239

 

.overige inkomsten

110 374

     

Subtotaal personeel

3 157 297

Subtotaal personeel

3107 727

49 570

Totaal baten

3 891 313

Totaal lasten

3 823 108

68 205

Negatieve correctie voor overboeking van 4,5 miljoen naar categorie III voor bedrijfsgezondheidszorg.

Positieve correctie voor overboeking van 4,5 miljoen van categorie I voor bedrijfsgezondheidszorg.

Exploitatielast van categorie I betreft de materiële en personele schoonmaak uitgaven conform de jaarrekeningen plus de toerekening van 49,9

miljoen personele uitgaven voor schoonmaak.

Van de personele uitgaven is 49,9 miljoen toegerekend aan schoonmaak (categorie I van de materiële uitgaven).

Negatieve correctie van 15,5 miljoen naar de aanvullende personele rijksbijdrage voor de personele kant van de ict-vergoeding.

Positieve correctie van 15,5 miljoen van de aanvullende rijksbijdrage van categorie III voor de personele kant van de ict-vergoeding.

Toelichting op de cijfers

Uit het overzicht blijkt dat in 2000 de baten hoger zijn dan de bijbehorende lasten: er is sprake van een positief exploitatieresultaat van 68 miljoen, waarvan 49 miljoen bij personeel en 19 miljoen bij materieel. Het is de vraag hoe dit overschot geïnterpreteerd moet worden. Mag de conclusie getrokken worden dat scholen echt «over» hebben op bijvoorbeeld materieel? Nee, het is waarschijnlijker dat deze uitkomsten bepaald zijn door het volgende. De scholen hebben een groot deel van de aanvullende vergoedingen pas in november en december ontvangen en hebben dat vanzelfsprekend niet meer geheel in 2000 kunnen besteden. Het zou voor de hand hebben gelegen als scholen deze middelen rechtstreeks op hun balans hadden opgenomen, zeker als ze de ermee samenhangende uitgaven over een aantal jaren hadden willen uitsmeren. Maar een deel van de scholen heeft de bedragen rechtstreeks ten gunste van de exploitatierekening gebracht. Het exploitatieresultaat geeft daardoor een onevenredig positief beeld in relatie tot de toereikendheid van de personele en materiële bekostiging. Als hiermee rekening wordt gehouden, is het overschot veel kleiner of is er mogelijk zelfs sprake van een tekort in de materiële bekostiging. Dit laatste wordt bevestigd door de uitkomsten van het in de inleiding genoemde externe onderzoek naar de toereikendheid van de materiële bekostiging.

Door het exploitatieoverschot toe te voegen aan hun reserves, zijn scholen in staat gedegen financieel beleid te voeren. Het is immers noodzakelijk dat scholen zelf financiële tegenvallers over de jaren heen kunnen opvangen. Daarnaast is een reserve noodzakelijk om lange termijn investeringen te plegen zonder dat die hoge rentekosten met zich meebrengen. Bovendien maakt het toevoegen aan de reserves van incidentele rijksbijdragen het mogelijk om investeringen gelijkmatig over de jaren uit te smeren. De incidentele vergoedingen die pas in november en december 2000 zijn toegekend, hebben vooral betrekking op inventaris, administratie, bestuur en beheer, ict en achterstallig onderhoud. Vandaar dat ook bij de categorieën II en III in het overzicht overschotten zichtbaar zijn. Deze overschotten zijn dus niet echt vrij besteedbaar, maar gereserveerd voor noodzakelijke investeringen. Nog steeds is het nodig om te investeren in de kwaliteit van de materiële toerusting (met name inventaris) om in alle geledingen van het voortgezet onderwijs met eigentijds materieel onderwijs te kunnen verzorgen. Daarnaast leidt het overheidsbeleid gericht op meer zelfstandigheid en ruimte voor de scholen, gecombineerd met het verder invulling geven aan de diverse onderwijsvernieuwingen, tot extra bestuurs- en beheerslasten.

Om meer dan één reden blijft het dus lastig om, op basis van het overzicht, uitspraken te doen over die toereikendheid. Naast bovengenoemde effecten van aanvullende rijksbijdragen aan het einde van het jaar, opereren scholen binnen de financiële ruimte die beschikbaar is. Tevens wordt het positieve exploitatie-resultaat behoorlijk beïnvloed door de «overige inkomsten» van in totaal 301 miljoen. Deze bestaan uit onder andere deelnemersbijdragen, detachering van personeel, verhuur van gebouwen, verkoop van materiaal en rentebaten. Hier moet benadrukt worden dat tegenover die inkomsten ook uitgaven staan. Uit onderzoek van Regioplan blijkt echter dat de integrale bedrijfsvoering van de meeste scholen het onmogelijk maakt om deze «overige inkomsten» rechtstreeks te relateren aan één van de materiële of personele uitgaven. Deze integrale bedrijfsvoering is ook in lijn met de doelstellingen bij de invoering van de lumpsumsystematiek. Scholen geven wel aan te opereren binnen de beschikbare financiële kaders en dat betekent dus dat een af- of toename van de «overige inkomsten» zal leiden tot een recht evenredige af- of toename van de uitgaven.

Tenslotte

Het overzicht geeft een indicatie van mogelijke knelpunten maar geeft nog geen oordeel over de toereikendheid van de materiële bekostiging. In het in de inleiding genoemde externe onderzoek is getracht daar wel een antwoord op te vinden. Door middel van schouwingen (beoordeling op technische en functionele kwaliteit) en interviews met scholen (motieven en achtergronden) is een oordeel gevormd over de kwaliteit van de materiële toerusting. Het rapport kwalificeert enerzijds de materiële bekostiging van een deel van de scholen als matig (24%) of zelfs slecht (5,5%). Een situatie van slechte en deels ook matige kwaliteit wordt niet verantwoord geacht. Anderzijds is het zo, dat het grootste deel van de scholen (70,5%) wel met de vergoeding uit de voeten kan. Bovenstaand oordeel heeft met name betrekking op de inventaris en de structurele component van de diverse onderwijsvernieuwingen. Overigens is in 2001 (zie pagina 17 en 18) een fors bedrag, met name incidenteel, in materieel geïnvesteerd. Door de late toekenning in het jaar zijn deze investeringen in beperkte mate meegewogen in het onderzoek.

2.4.4 Monumentenzorg en archeologie

Het afgelopen jaar is op het beleidsterrein cultuurbeheer vooruitgang geboekt bij het inlopen van de restauratieachterstanden in de monumentenzorg. Tevens is een belangrijke stap gezet op weg naar een nieuw beleid, waarmee het accent moet verschuiven van herstel naar instandhouding.

Wat betreft het inlopen van de restauratieachterstanden geeft de in 2001 gehouden vierjaarlijkse behoefteraming een duidelijk beeld van de resultaten sinds 1997. De restauratiebehoefte in de categorie woonhuizen/ boerderijen is met 36% fors teruggelopen, van 1,1 naar 0,7 miljard. Bij de overige monumenten is de teruggang 4%, van 938 naar 900 miljoen. Er resteert een behoefte van 1,6 miljard.

Daar staat tegenover dat de restauratiebehoefte bij de tienduizend jonge monumenten, die in het kader van het Monumenten Selectie Project aan de lijst zijn toegevoegd, aanmerkelijk groter is dan in 1997 werd aangenomen. Bij woonhuizen/boerderijen blijkt de extra behoefte 117 miljoen, bij de overige monumenten 418 miljoen. Dit brengt de totale restauratiebehoefte op 2,1 miljard, waarvan ruim 0,5 miljard (ruim 25%) is toe te schrijven aan jonge monumenten.

De restauratiebehoefte van 2,1 miljard komt neer op een subsidiebehoefte van 0,7 miljard (de overige financiering komt uit andere bronnen). Hiervan hebben de kabinetten Paars I en II reeds 545 miljoen beschikbaar gesteld, zodat een bedrag van 182 miljoen resteert. Zie ook de brief van 18 december 2001 over de nieuwe behoefteraming restauratie monumentenzorg (nieuw beleid monumentenzorg).

Het afgelopen jaar werd voor de monumentenzorg 34 miljoen incidenteel ter beschikking gesteld. Dit bedrag kwam bovenop het structurele jaarlijkse restauratiebudget van 34 miljoen, om verder te gaan met het inlopen van de restauratieachterstanden en tegelijkertijd een begin te maken met het nieuwe «instandhoudingbeleid». In 2002 zal 29,5 miljoen vrij worden gemaakt voor de zogenaamde kanjerproblematiek. Dit bedrag zal worden bestemd voor de restauratie van projecten die in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties (Brgr) wegens onvoldoende middelen niet konden worden gehonoreerd.

2.4.5 Onderwijsachterstandenbeleid inclusief voortijdig schoolverlaten (po/vo/bve)

Eind 2000 heeft de Tweede Kamer onderstaande vragen geformuleerd over het onderwijsachterstandenbeleid.

Waaraan zijn de gewichtenmiddelen besteed?

Uit de basisrapportage PRIMA-cohortonderzoek, derde meting 1998–1999 blijkt dat de gewichtenmiddelen door ruim 15% van de scholen vrijwel volledig worden gebruikt voor verkleining van de groepen, door ruim 60% van de scholen gedeeltelijk voor verkleining van de groepen en gedeeltelijk voor specifieke activiteiten en door ruim 23% van de scholen volledig voor specifieke activiteiten (bijvoorbeeld Nederlands als tweede taal, algemene taalstimulering voor leerlingen uit achterstandgroepen).

Hoe groot was het bereik van voor en vroegschoolse educatie in 2001? Het aantal gemeenten dat extra middelen ontvangt, is toegenomen van 171 naar 364 in 2001. Daarmee kunnen globaal 100 000 doelgroepkinderen worden bereikt: 50 000 2- en 3-jarigen in de voorschoolse periode en 50 000 4- en 5-jarigen in de onderbouw van de basisschool.

Hoeveel leerlingen namen in 2001 deel aan vve? Medio november 2002 moeten de gemeenten de inzet van middelen hebben verantwoord. Dan is exact aan te geven waaraan de middelen zijn besteed en hoeveel doelgroepkinderen zijn bereikt.

  • 3. 

    (FINANCIËLE) BEDRIJFSVOERING

3.1 Inleiding

De verantwoording 2001 is de laatste verantwoording «oude stijl». Langzaam maar zeker begint het VBTB-gedachtegoed zijn weg te vinden in het departement en daarbuiten.

In dit hoofdstuk zullen, naast de verantwoording over de «going concern» zaken, ook de onderwerpen die in de begroting van 2001 specifiek aandacht hebben gekregen de revue passeren.

Verder wordt gekeken naar de onderwerpen die de Rekenkamer onderzoekt in het kader van het jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek.

3.2 Ontwikkelingen in de (financiële) bedrijfsvoering

Rekenschap, toezicht en controle

In 2001 is het in 1998 begonnen project Accountability, toezicht en controle (ATC) afgerond. Het project heeft veel bijgedragen aan een beter inzicht in verantwoording, toezicht en controle. Mede dankzij dit project zijn er geharmoniseerde richtlijnen voor de jaarrekeningen van de instellingen gekomen. De jaarlijkse analyse van de jaarrekeningen biedt de minister de mogelijkheid op stelselniveau de continuïteit per sector te beoordelen (een resumé van deze analyse per sector is in dit jaarverslag opgenomen), rekening houdend met de mate van autonomie van de sector.

In het kader van de voortdurende verbetering van het financieel beheer van instellingen voor onderwijs en onderzoek is in 2001 de Regeling beleggen en belenen tot stand gekomen. Deze regeling schrijft voor dat instellingen de aan hen toevertrouwde publieke middelen risicomijdend beheren en besteden aan de doelen waarvoor die middelen zijn verstrekt. Wat betreft de private middelen van instellingen zijn geen regels gesteld, indien het private vermogen voldoende is afgescheiden van de publieke middelen.

Welke middelen publiek en welke privaat zijn is een vraag die niet alleen van belang is in het kader van de Regeling beleggen en belenen. Ook in andere wetsvoorstellen, zoals Markt en Overheid en de Kaderwet ZBO’s, komt dit onderscheid aan de orde. In 2001 is een project gestart dat in kaart heeft gebracht of het wenselijk is een administratieve scheiding in publiek en private activiteiten te bewerkstelligen in de sectoren wo, hbo en bve. In 2002 zal dit project worden voortgezet, onder meer door in kaart te brengen welke aanpassingen tegen welke kosten bij de instellingen noodzakelijk zijn om een dergelijke scheiding te kunnen aanbrengen.

Het afgelopen jaar zijn er ontwikkelingen geweest op het gebied van de specifieke uitkeringen aan gemeenten en provincies. OCenW heeft meegedaan in de rijksbrede doorlichting van deze uitkeringen. Daarbij is geconstateerd dat de eisen die OCenW stelt aan beleidsinformatie en verantwoordingsinformatie van de decentrale overheden doelmatig zijn. Deze doorlichting heeft tevens geleid tot een kabinetsstandpunt over de wenselijkheid van de zogenaamde bestuursuitkering, waarbij de financiële verantwoordingsinformatie aan het Rijk geheel komt te vervallen.

Kwantitatief informatiebeleid (KIB)

In relatie tot het onderwijsveld beoogt het kwantitatief informatiebeleid het «makkelijker en leuker» te maken. Makkelijker door efficiënte gege-vensbevraging en leuker door instellingen gerichte informatie terug te leveren mede in de vorm van benchmark informatie. Met het kwantitatief informatiebeleid worden twee doelen nagestreefd. + het verbeteren van de informatievoorziening met name waar het gaat om flexibiliteit, consistentie, samenhang en betrouwbaarheid; + het informatieverkeer «makkelijker en leuker» maken voor onderwijsinstellingen.

Het project KIB is een groeitraject. Vanuit een visie is een start gemaakt met een aantal projecten die de basis leggen voor een informatiehuishouding die beter aansluit op de eisen van vandaag en morgen. In 2001 waren twee sporen te onderscheiden.

Het eerste spoor betreft het bestuurlijke draagvlak. Zo zijn convenants afgesloten met vertegenwoordigers van onderwijssectoren over informatievoorziening. Tevens is een tijdelijke commissie informatie-onderwijs aan de slag gegaan met als belangrijkste opdracht afspraken te maken over fatsoenlijk informatieverkeer. Het creëren van vertrouwen staat daarbij centraal, te starten in de sectoren po en vo. Het tweede spoor is de ontwikkeling van systemen en producten. Het gaat om de ontwikkeling van gegevensdepots met geconsolideerde gegevens en instrumenten voor ontsluiting. In 2001 is de basisregistratie personeel ontwikkeld en de eerste versie van de site Onderwijs in cijfers op kennisnet voor scholen in het voortgezet onderwijs. Deze site die in het voorjaar operationeel wordt bevat managementinformatie voor de school. Informatie over de eigen school wordt gespiegeld aan relevante referentiegroepen (scholen).

Het veld krijgt medezeggenschap over de invulling van de site. In 2002 start het overleg met de bve-sector over de uitbreiding van de site.

Doorlichting regelingen op accountancyaspecten (Doreac) Doreac is een interdepartementaal project voor het systematisch doorlichten van subsidieregelingen. De doorlichting richt zich op de consistentie van de besturingsfilosofie en de wijze van bekostiging, verantwoording en toezicht.

In 2001 is de tweede tranche van doorgelichte regelingen opgeleverd. De doorlichting heeft niet geleid tot een aanpassing van de regelingen. De huidige bestuurlijke visie, de daarbij behorende bekostigingswijze en de gehanteerde toezichtsinstrumenten volstaan en geven de gewenste mate van zekerheid. Met het opleveren van de tweede tranche heeft OCenW de Doreac doorlichting afgerond.

Het Doreac-gedachtegoed wordt in 2002 ingebed in de Verantwoordings-wijzer, een praktische handleiding voor de directies bij het opstellen van subsidieregelingen.

Hiermee wordt een zekere mate van uniformiteit per (onderwijs)sector bereikt voor de keuze van het toezichtsinstrumentarium.

Invoering baten-lastenstelsel voor de gehele rijksoverheid In vervolg op het voornemen van het kabinet om de gehele rijksbegroting over een aantal jaren te baseren op het baten-lastenstelsel, heeft de Beleidsgroep Begrotingsstelsel advies uitgebracht aan het kabinet in het rapport Eigentijds begroten . Conclusie van dit rapport is dat het gezien de in het rapport geschetste ontwikkelingen mogelijk en wenselijk is om bij de rijksoverheid een specifiek op de overheid toegepaste vorm van het baten-lastenstelsel in te voeren.

1 Cijfers in deze paragraaf bevatten alleen het bestuursdepartement.                                     invoeren van een kwaliteitssysteem.

In de Miljoenennota 2002 heeft het kabinet vervolgens aangegeven dat het nieuw ontworpen begrotingsstelsel in de volgende kabinetsperiode zal worden ingevoerd.

Op dit moment wordt door Financiën gewerkt aan een projectplan voor de invoering van een integraal baten-lastenstelsel. Parallel hieraan werkt OCenW aan een departementsspecifiek projectplan. Als hulpmiddel hierbij dient de vragenlijst, die Financiën gebruikt heeft voor een departementale inventarisatieronde. Met deze vragenlijst is een eerste inschatting gemaakt van de consequenties op het gebied van interne sturing, activa, personeel en informatisering.

Implementatie baselines financieel en materieel beheer In juni 2001 heeft het ministerie van Financiën de baseline financieel en materieelbeheer uitgebracht. De doelstelling van de baseline is het uitwerken van de algemene normen uit de Comptabiliteitswet in een aantal criteria teneinde transparantie te bereiken over de normen. Alle betrokken partijen – het management van de ministeries, FEZ, het ministerie van Financiën, de Accountantsdienst en de Algemene Rekenkamer kunnen dan bij de uitvoering van hun taken uitgaan van hetzelfde referentiekader. Bovendien kan het kader van belang zijn voor de communicatie met de Tweede Kamer.

Per ministerie kan het noodzakelijk zijn dat enkele criteria verder worden uitgewerkt.

Binnen OCenW heeft een werkgroep de Baseline financieel en materieel-beheer geconcretiseerd in de bedrijfsvoeringstabel OCenW. Aan de hand van deze bedrijfsvoeringstabel kunnen directies een risico-analyse uitvoeren om eventuele tekortkomingen op te sporen. De verwachting is dat de huidige richtlijnen binnen het departement de baseline volledig zullen afdekken. De baseline zal eind 2002 geïmplementeerd zijn.

Richtlijn materieel beheer

In 2001 is de Richtlijn materieelbeheer OCenW uitgebracht. Deze richtlijn bevat een nadere invulling voor OCenW van het Besluit materieelbeheer 1996. De richtlijn is van toepassing op het gehele ministerie van OCenW, dus inclusief de inspecties, de cultuurdiensten, de adviesraden en de agentschappen. De richtlijn bevat de voor OCenW relevante elementen van de baseline materieelbeheer.

3.3 Personeelsbeleid en organisatie1

Het in het jaar 1999, onder de naam Sprong, gestarte veranderingstraject van het bestuursdepartement heeft tot doel om te komen tot een meer effectieve en slagvaardige organisatie van OCenW. Een voorwaarde om beter te kunnen inspelen op de maatschappelijke ontwikkelingen en de gevolgen daarvan in het onderwijs.

Het bereiken van een dergelijk samenspel tussen departement, maatschappij en onderwijs vraagt een cultuurverandering binnen OCenW. Ook OCenW zal slagvaardiger en effectiever moeten gaan opereren. Het Sprong-traject heeft in het jaar 2001 vastere vormen aangenomen wat heeft geleid tot de vaststelling van een achttal prioriteiten in de verdere ontwikkeling van de OCenW-organisatie: een goede planning- en control-cyclus, strategisch informatiebeleid, een transparante apparaatskosten budgetsystematiek, competentiemanagement, leiderschapsprofiel, meer extern gericht communicatie-netwerk, projectmatig werken en het

In 2001 is duidelijk geworden dat de organisatie van OCenW niet voldoende is meegegroeid met de steeds weer veranderende omgeving. Met de genoemde prioriteiten zal te beginnen in 2002 een proces in gang gezet worden om deze achterstand in te lopen.

De uitwerking van dit proces zal tot in alle uithoeken van de organisatie veranderingen veroorzaken.

Werving van personeel.

Het algemene beeld van de vervulling van vacatures laat zien dat in zijn algemeenheid die vervulling geen reden tot zorg is. De respons op opengestelde vacatures biedt kwantitatief voldoende ruimte voor selectie en een keuze. Voor de 155 opengestelde vacatures heeft het bestuursdepartement 71 keer extern geworven op de arbeidsmarkt. Een nadere analyse wijst verder uit dat de benodigde tijd voor het vervullen van vacatures in 2001 gemiddeld 7 weken vraagt. Dat is meer dan een halvering in vergelijking met 2000, waardoor hetzelfde niveau is bereikt als in 1999.

Personeelsopbouw

De opbouw van het personeelsbestand laat zien dat de verdeling man/vrouw uitgedrukt in procenten bijna in evenwicht is. Wel is opvallend dat van het totaal aantal vrouwen het percentage vrouwen in de leeftijd tot 36 jaar zo’n 75% is.

De constatering dat de leeftijdscategorie met de hoogste aantallen medewerkers rond de vijftig jaar ligt en zelfs een groot deel daarboven, geeft aan dat het personeel van OCenW behoorlijk vergrijst. Het saldo van instroom en uitstroom over 2001 laat een stijging van het aantal medewerkers zien van 67. Daarbij valt op dat de in- en uitstroom van medewerkers met een vast dienstverband gelijk is. Dit betekent dat het aantal medewerkers met een tijdelijk dienstverband stijgt. Het aantal wachtgelders laat nog steeds een dalende trend zien. Van 193 in 2000 naar 111 in 2001.

In het verlengde van het hiervoor reeds genoemde wordt voor de bemensing van het bestuursdepartement gestreefd naar een afspiegeling van de bevolkingssamenstelling. Een van de meerjarige aandachtspunten daarbinnen is nog steeds de bezettingsgraad van hoog gekwalificeerde vrouwen in functies vanaf schaal 13. In 2001 is het aantal vrouwen in functies vanaf schaal 13 verder toegenomen van 70 tot 85. Een groei van ruim 20%.

Ziekteverzuim

Naast de vaststelling dat de spreiding van de omvang van het ziekteverzuim bij de verschillende delen van het bestuursdepartement groot is, verontrust het nog steeds stijgende percentage ziekteverzuim van de gehele organisatie. Over de afgelopen jaren geeft het verloop van dat percentage het volgende beeld.

Het ziekteverzuim, exclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof en inclusief verzuim langer dan 1 jaar, was in 2001 8,2%. De stijging die zich in de laatste jaren al liet zien gaat nog steeds verder (1998: 6,5/1999: 7,1/2000: 7,8).

In 2001 is een aanzet gemaakt om te komen tot een intensievere begeleiding van de zieke medewerker. Dit heeft nog niet tot een trendbreuk geleid.

Inzet externe menscapaciteit

In 2001 is door OCenW voor een bedrag van bijna 14 miljoen externe menscapaciteit ingehuurd. In dit bedrag zijn meegenomen de inhuur van uitzendkrachten (ruim 1 miljoen) en de inhuur van menscapaciteit voor informatiserings- en automatiseringsactiviteiten (ruim 1,4 miljoen). In 2001 is het aantal mantel- en raamcontracten van OCenW met leveranciers verder uitgebreid. Het ook daarmee beoogde materiële voordeel zal eerst in 2002 vorm kunnen krijgen.

Door middel van een andere structuur van kostensoorten en een verbetering van een algemeen raadpleegbare centrale registratie van dergelijke overeenkomsten wordt verder gewerkt aan de noodzakelijke verhoging van dat niveau.

3.4  Professioneel inkopen en (europees) aanbesteden

Het ministerie van OCenW participeert actief in het Project professioneel inkopen en aanbesteden (PIA). Dit heeft zich, naast voortzetting van de activiteiten die in 2000 zijn gestart, in 2001 onder meer geuit in:

  • • 
    het starten van een inkoopdiagnose over 2000 bij het bestuursdepartement en de onder het ministerie ressorterende instellingen (conceptrapport was in december gereed);
  • • 
    binnen het samenwerkingsproject met de ministeries VROM en VWS deelnemen aan een op maat gesneden workshop offertebeoordeling en het uitwisselen van bestekken, pve’s en ervaringen;
  • • 
    actieve deelname aan door PIA, in samenwerking met het interdepartementaal overleg facilitaire directeuren, georganiseerde inkopers contactdagen;
  • • 
    participatie door de coördinerend directeur Aanschaffingen aan het interdepartementale overleg van coördinerend directeuren aanschaffingen en inkoop (CDI-overleg);
  • • 
    deelname aan de diverse door PIA gestarte werkgroepen (visie, gezamenlijk inkopen en aanbesteden);
  • • 
    een verdere ondersteuning van het bestuursdepartement bij het toepassen van de Europese aanbestedingsregelgeving door meer modellen te ontwikkelen en een nog groter aanbod op het intranet van informatie.

3.5 Voorlichting

De directie Voorlichting van OCenW heeft een groot deel van haar activiteiten in 2001 gericht op het openbaar maken en toelichten van het beleid. Voor de externe voorlichting zijn circa 170 persberichten uitgegeven, bijna 479 werkbezoeken van bewindslieden georganiseerd en ruim 400 speeches geschreven. Daarnaast is de website (OCenW-plein) geactualiseerd en uitgebouwd en is het blad Uitleg 30 keer uitgebracht. De afdeling publieksvoorlichting heeft telefonisch meer dan 30 000 publieksvragen beantwoord. Via de e-mail zijn bijna 6 500 antwoorden gegeven: een vertienvoudiging ten opzichte van 1999. Het beantwoorden van vragen via e-mail ging overigens gepaard met een geringe afname van het aantal schriftelijke vragen. Verder zijn voorlichtingsplannen opgesteld en uitgevoerd voor alle beleidsveranderingen waar het algemene publiek en professionele doelgroepen mee zijn geconfronteerd (zoals leerling-gebonden subsidies).

In 2001 heeft de directie Voorlichting via Postbus 51 twee massamediale voorlichtingscampagnes gevoerd. Voor het introduceren van het vmbo zijn radio- en tv-spotjes ingezet, advertenties geplaatst en is een prijsvraag onder jongeren georganiseerd op de geactualiseerde website. In het kader van de lerarenproblematiek is in het voorjaar van 2001 de lopende campagne Leraar elke dag anders herhaald. Doordat de schaarste op de arbeidsmarkt in toenemende mate in alle sectoren van het onderwijs plaatsvindt, is de campagne qua doelgroep en boodschap uitgebreid. De hernieuwde, meerjarige voorlichtingscampagne Je groeit in het onderwijs is in het najaar gestart. Daarnaast heeft de samenwerking met de opleidingsinstituten verder inhoud gekregen door een gezamenlijke voorlichtingsstand op de Studiebeurs.

3.6 Invoering euro

Het jaar 2001 stond in het teken van de testfase en de implementatiefase. Deze zijn goed doorlopen. OCenW heeft de overgang naar de euro zonder noemenswaardige problemen gemaakt. Begin 2002 wordt het proces geëvalueerd en zal de projectorganisatie worden afgebouwd.

3.7 Vereenvoudiging financiële administratie (VFA)

OCenW heeft gekozen voor een nieuwe, vereenvoudigde financiële administratie. Daarbij voeren de uitvoeringsorganisaties een eigen administratie. De financiële gegevens uit de deeladministraties worden verzameld in de «hoofdadministratie». Op 1 januari 2001 zijn de hoofdadministratie en de apparaatskostenadministratie in gebruik genomen. De administratie van de programmakosten wordt nog in de bestaande financiële administratie gehouden. In 2001 zijn de cultuur-directies gestart met een onderzoek om, vooruitlopend op de ontwikkeling van de programmakostenadministratie, de financiële informatievoorziening binnen het beleidsterrein cultuur te verbeteren. De administratie van de budgetstanden is in 2001 geïmplementeerd en zal in 2002 in productie worden genomen.

3.8 Verhuizing Hoftoren

De verhuizing van het bestuursdepartement naar Den Haag is met een jaar vertraagd. In de bijgestelde planning zal «de Hoftoren» nu worden opgeleverd in april 2003 en vindt de verhuizing plaats in de zomer van 2003.

Voor de opgetreden vertraging zijn diverse oorzaken. Deze zijn onder meer de krapte op de arbeidsmarkt in de bouw, de benodigde voorzichtigheid tijdens het bouwproces in de buurt van de tunnels bij het Centraal Station, de extra logistieke handelingen wegens de geringe ruimte op en rond de bouwplaats en de nodige aanpassingen aan het casco.

3.9 De rapportage bij de rekening 2000 van de Algemene Rekenkamer

Hieronder wordt de afwikkeling van de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer over de financiële verantwoording over 2000 weergegeven met daarbij de ingezette acties en maatregelen naar aanleiding van het Rechtmatigheidsonderzoek 2000.

1. Tekortkomingen IBG terzake van (de actualisatie van) het MenO-beleid In 2001 heeft de IB-Groep in samenwerking met de directie Studiefinancieringsbeleid de werkgroep MenO (misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen) ingesteld. De werkgroep heeft een beleidskader opgesteld voor het zoveel mogelijk terugdringen van MenO. Deze is al vastgesteld. Verder heeft de werkgroep input geleverd voor het actualiseren van de gedragslijn MenO. Eind 2001 is gestart met de actualisatie daarvan.

2.  Tekortkomingen IBG terzake van (de organisatie van) de automatisering In 2000 vertoonden de informatiebeveiliging van de IB-Groep en de organisatie van de automatisering nog diverse tekortkomingen. In 2001 zijn verschillende verbeteractiviteiten uitgevoerd, waardoor een groot deel van de tekortkomingen is weggenomen. Het resterende deel wordt in 2002 opgepakt.

Op het terrein van het beveiligingsbeleid is het statuut voor de informatiebeveiliging geactualiseerd, waarbij rekening is gehouden met de «Code voor de informatiebeveiliging». Dit voorziet in een baseline voor de beveiliging. In het plan van aanpak is de implementatie van een baseline voor de informatiebeveiliging voor de gehele organisatie eind 2002 voorzien. Voor het informatiebeleid is een informatieplan vastgesteld. Afronding van het plan zal in juli 2002 plaatsvinden.

3.  Dubbele uitgave aan huurkosten musea

Medio 2001 zijn er contracten afgesloten door de musea met de Rijksgebouwendienst. Eveneens is de bevoorschotting door de directie Cultureel Erfgoed aangepast. Op dit moment zijn nog niet alle contracten ondertekend maar naar verwachting zal dit begin 2002 wel het geval zijn.

4.  Gebruik kengetallen in de toelichting bij de rekening behoeft verbetering

De Rijksarchiefdienst (RAD) heeft dit jaar invulling gegeven aan de vorig jaar gedane toezegging om helderder geformuleerde kengetallen te ontwikkelen. Deze kengetallen zijn echter opgenomen in de individuele jaarverantwoordingen van de archieven.

Vanwege de diversiteit van de verschillende archieven zijn de kengetallen niet geconsolideerd weergegeven in de jaarverantwoording van de RAD. Verder is het voor de RAD lastig om de output met een aantal korte en eenduidige kengetallen te definiëren (zie de evaluatie van het agentschap, welke eind 1998 is gehouden). De kengetallen die de archieven gebruiken zijn meer prestatie-eenheden, zoals aantallen bezoekers en bezettingsgraden van depots. Echte kengetallen (bijvoorbeeld kosten per specifiek product/kosten per bezoeker / kosten per bewaard archief) hebben tot nu toe slechts een betrekkelijke waarde als sturingsinstrument gehad.

5.  Actieplan ter verbetering AO-beschrijving Rijksarchiefdienst mist tijdpaden

Begin 2001 was er bij de Rijksarchiefdienst sprake van een achterstand in het onderhoud van de administratieve organisatie (AO). Op basis van een plan van aanpak (met een tijdpad) is het actualiseren van de AO (in het bijzonder van de kritische processen) uitgevoerd. Dat heeft geresulteerd in een Handboek financieel beheer en AO voor het Beleidsbureau (november 2001) en een beschrijving op CD-ROM voor de Rijksarchiefinspectie (januari 2002). Voor het Algemeen Rijksarchief is een concept beschrijving van de meest kritische processen opgeleverd. Voor de paar resterende rijksarchieven zal de actualisatie van de AO in 2002 worden afgerond

6.  Achterstanden onderhoud AO bij de CFI, RDMZ en IBG

AO Centrale Financiën Instellingen (CFI)

Begin 2001 was er bij het agentschap CFI sprake van enige achterstand in de actualisering van de administratieve organisatie. Niet bij alle product- groepen waren de resterende processen beschreven. Inmiddels beschikken 85% van de bedrijfsprocessen bij CFI over een actuele (en door de Accountantsdienst goedgekeurde) procesbeschrijving. Bij 15% van de processen is de actualisatie van de beschrijving grotendeels in concept gereed. De afronding van de actualisatie zal in het eerste kwartaal van 2002 plaatsvinden.

AO Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ)

De RDMZ beschikt nog niet over een toereikende actuele beschrijving van de administratieve organisatie. Inmiddels heeft de RDMZ wel maatregelen getroffen om de achterstand in het onderhoud weg te werken. In een masterplan is de aanpak van de uitwerking van de gehele AO weergegeven. Dit plan heeft tot doel een geheel nieuwe beschrijving van de AO van de RDMZ te maken. Met de uitvoering van dit plan wordt beoogd in de beschrijving, naast de financiële aspecten, ook de aspecten doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen mee te nemen.

AO Informatie Beheer Groep (IBG)

Nadat in 2000 door de IBG al een inhaalslag is gepleegd bij het onderhoud van de administratieve organisatie, zijn er in 2001 weer verdere resultaten geboekt. De Klantenservice heeft de AO van de programmagelden geactualiseerd.

Tevens zijn de primaire bedrijfsprocessen en ondersteunende processen beschreven. In 2002 vindt een verdieping plaats van de procesbeschrijvingen en zal er een aansluiting worden gemaakt met de procedures en werkinstructies.

7. Onvoldoende zicht op de rechtmatige besteding van de verstrekte middelen voorgemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (goa) en onderwijs in allochtone levende talen (oalt) en over de rechtmatige besteding van de specifieke uitkering schoolbegeleiding. De Algemene Rekenkamer was van mening dat in de toelichting bij de financiële verantwoording ingegaan moest worden op het toezicht op de rechtmatige besteding van de specifieke uitkeringen aan gemeenten. Daarnaast was het gevoerde financieel beheer met betrekking tot specifieke uitkeringen nog onvoldoende ordelijk. Er moesten (verdere) verbeteringen komen om tot een afdoende toezicht te komen.

De Algemene Rekenkamer beval aan een afdoende toezichtsbeleid te ontwikkelen ten aanzien van specifieke uitkeringen, waarin onder meer eisen voor verantwoordings- en controle-informatie alsmede een sanctiebeleid worden uitgewerkt. Het ministerie is inmiddels vergevorderd met het opstellen van verantwoordingseisen, waaronder de eisen ten aanzien van de rechtmatigheidscontrole. Deze worden opgenomen in een controleprotocol voor specifieke uitkeringen. Het ministerie van OCenW verzoekt in het controleprotocol aan de gemeenten zich via één document te verantwoorden.

In het controleprotocol specifieke uitkeringen 2001 staat, binnen de mogelijkheden die de wet- en regelgeving biedt, opgenomen aan welke eisen de gemeenten met het verantwoorden moeten voldoen.

Als niet aan de gestelde eisen wordt voldaan kan er worden gesanctioneerd. Het begin van het sanctiebeleid is vastgelegd in de brief van 8 maart 2001 van de staatssecretaris van onderwijs aan de gemeenten inzake goa en oalt 2000. Bij de verdere ontwikkeling van het controleprotocol zal ook aandacht worden besteed aan het sanctiebeleid. Vooralsnog gaat het agentschap CFI er van uit dat gemeenten die nog niet juist hebben verantwoord over het jaar 2000 nog één maal in de gelegenheid worden gesteld om op de juiste wijze te verantwoorden. Is de rechtmatigheid dan niet aangetoond dan zal met instemming van de beleidsdirectie geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

De tweede aanbeveling hield in dat het ministerie ter zake controleprotocollen moest opstellen waar die er nog niet zijn. Voor goa, oalt, schoolbegeleidingsdiensten en ondersteuning onderwijs aan zieke leerlingen is een controleprotocol in concept gereed. In het protocol wordt aangekondigd dat voor voor- en vroegschoolse educatie (vve) nog aparte richtlijnen voor de verantwoording zullen verschijnen. Tevens wordt in het controleprotocol verwezen naar het controleprotocol inburgering nieuwkomers 2001 en het controleprotocol educatie 2001. In 2002 wordt ook de regionale meld- en coördinatiefunctie in het protocol meegenomen.

De derde aanbeveling betrof het toezicht van het departement op de naleving van de specifieke voorschriften door scholen en gemeenten, onder meer door reviews door de Accountantsdienst.

Het ministerie heeft alle verantwoordingen inzake goa en oalt over 1999 en 2000 opgevraagd bij de gemeenten. De Accountantsdienst heeft accountantsverklaringen bij verantwoordingen 1999 over goa, oalt en schoolbegeleidingsdiensten gereviewd.

Het ministerie van OCenW verwachtte dat veel van de problematiek rond de rechtmatigheid door de aanpassing van de Gemeentewet zou worden opgelost. Inmiddels weten we dat door het hanteren van tolerantiegrenzen problemen ten aanzien van de rechtmatigheid kúnnen blijven bestaan. Het ministerie van OCenW beraadt zich momenteel over de te treffen maatregelen.

3.10 Misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen

De wet- en regelgeving is voor een belangrijk gedeelte van de uitgaven en ontvangsten gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) door derden. Dit is onvermijdelijk omdat het ministerie gegevens van belanghebbenden moet gebruiken voor het bekostigen van instellingen en het verstrekken van beurzen en dergelijke. Een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid kan de hiermee verbonden risico’s sterk verminderen. Fraude in individueel geval kan door dit beleid nooit geheel worden uitgesloten. Echter recente ontwikkelingen in het hbo-veld geven aan dat een aanscherping van het MenO beleid noodzakelijk is. De Tweede Kamer wordt hierover separaat geïnformeerd in het licht van de rapportage over de ontwikkelingen in het hoger beroepsonderwijs. Sinds 1997 wordt de MenO-gevoeligheid in alle regelingen geïnventariseerd en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Toch kan in een beperkt deel van de regelingen de MenO-gevoeligheid niet of niet geheel worden weggenomen door een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid. Dit vormt het restant MenO. Hierna zijn deze regelingen weergegeven.

Primair onderwijs

Leerlinggewichten

Het grootste deel van de uitgaven voor het basisonderwijs is MenO-gevoelig. Het belangrijkste, niet afgedekte risico betreft het toekennen van formatie aan basisscholen op grond van leerlinggewichten. Het financiële effect hiervan is ongeveer 220 miljoen per jaar. Het leerlinggewicht is afhankelijk van de opleiding van de ouders, hun beroep, de gezinsomstandigheden en het land van herkomst. Ook het inkomen kan van invloed zijn. De directeur van de basisschool kent de gewichten toe op basis van de gegevens die de ouders verstrekken. Deze gegevens worden tot nu toe bij de ouders niet geverifieerd. Redenen daarvoor liggen op het vlak van privacy- en doelmatigheidsaspecten. Het niet hebben van een opleiding is bovendien niet controleerbaar.

Cumi-leerlingen

Onder het primair onderwijs vallen ook de speciale scholen voor basis onderwijs. Deze scholen kennen geen leerlinggewichten maar maken wel aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. De hiermee gemoeide uitgave van 12 miljoen is MenO-gevoelig. Het MenO-risico betreft het toekennen van extra formatie op basis van gegevens van leerlingen en hun ouders zonder dat nog aangetoond hoeft te worden dat deze juist zijn.

Expertisecentra

Scholen die onder de Wet op de expertisecentra vallen maken aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. In 2001 is hiervoor aan extra formatie 12 miljoen uitgegeven. Het MenO-risico bij deze scholen is aanzienlijk beperkt doordat voorgeschreven is dat de leerlingenadministratie een of meer documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.

Voortgezet Onderwijs

In 2001 kent het voortgezet onderwijs naast scholen voor voortgezet onderwijs (vo) ook scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). Dit zijn de vroegere vso-lom en mlk-scholen of afdelingen. Zowel de vo- als de svo-scholen en afdelingen hebben aanspraak op extra formatie om onderwijsachterstanden te bestrijden van leerlingen uit culturele minderheidsgroepen. Voor vo-scholen is hiervoor in 2001 circa 56 miljoen uitgegeven en voor svo-scholen circa 9 miljoen. Het MenO-risico wordt bij de vo-scholen aanzienlijk beperkt, doordat de leerlingenadministratie een of meer documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van de leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.

Voor svo-scholen geldt dit voorschrift niet. Zij dienen minimaal te voldoen aan de regelgeving zoals die tot 31 juli 1998 krachtens de interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gold. Op grond van die regelgeving hoeft de school de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders niet aan te tonen. Door de overgang van declaratiebekostiging op lumpsumfinanciering vervalt deze problematiek op termijn.

Tegemoetkoming ziektekosten

In diverse begrotingsartikelen is in totaal circa 195 miljoen voor de tegemoetkoming van ziektekosten opgenomen. Dit bedrag betreft het departementale personeel en het personeel in het primair onderwijs en een gedeelte van het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming is van diverse factoren afhankelijk, zoals de aanspraken op gelijksoortige regelingen, de aard van de verzekering, de ontvangen uitkering van de partner en de gezinssamenstelling. De aanvrager van de tegemoetkoming verstrekt deze gegevens. Sinds enige jaren is een intensief controle- en sanctiebeleid voorgeschreven. Daarmee is het risico van het betalen van te hoge tegemoetkomingen aanzienlijk beperkt. Het restantrisico bestaat nog voornamelijk bij de tegemoetkoming voor medebelanghebbenden en kinderen. Hiervoor is in 2001 in totaal circa 55 miljoen betaald.

Studiefinanciering

Woonsituatie

In het boekjaar 2001 is 355 miljoen aan uitwonende toelage verstrekt op grond van de Wet studiefinanciering en voor 4 miljoen op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten. Het is onder beide regelingen voor studerende voordelig om zich als uitwonende op te geven. De mogelijkheden om de woonomstandigheden van studenten te controleren is beperkt. Het percentage misbruik en oneigenlijk gebruik is hierdoor niet precies te berekenen. De minimale omvang is via steekproefcontroles in eerdere jaren bepaald op ongeveer 0,8%. Met ingang van het studiejaar 2002/2003 worden de adresgegevens van studenten die voor het eerst vallen onder de Wet studiefinanciering gekoppeld aan de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Deze studenten komen dan alleen nog in aanmerking voor een uitwonenden-beurs als de uitwonendheid kan worden geverifieerd met de GBA. Dit kan het MenO-risico verder terugdringen.

Voor studenten die vallen onder de Wet tegemoetkoming studiekosten onderdeel VO18+ is de GBA-status reeds bepalend voor de woonsituatie. Het restant-MenO wordt voor laatstgenoemde regeling dan ook lager ingeschat.

Inkomen

De hoogte van de toelage op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) is vrijwel volledig afhankelijk van het inkomen. Het totaal van de uitgaven voor de verschillende onderdelen bedraagt 331 miljoen, waarvan 293 miljoen inkomensafhankelijk is. Voor de toelage onderdelen WTS18- en Tegemoetkoming Lerarenopleiding (TLO) is het inkomen van zowel de aanvrager als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een aanvrager geen partner heeft.

Voor de toelage onderdeel VO18+ is het inkomen van zowel de geregistreerde verzorgende ouder als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een ouder geen partner heeft. Voor de toelage onderdeel WTS18+ is de hoogte van het inkomen van de aanvrager in de drie maanden voorafgaande aan het studiejaar relevant voor de toekenning. De belastingdienst registreert alleen jaarinkomens. Hierdoor is uitwisseling van inkomens met de belastingdienst niet mogelijk.

In de Wet studiefinanciering doet zich de afhankelijkheid van het inkomen van een eventuele partner ook voor bij studenten die verzoeken om draagkrachtmeting bij het terugbetalen van hun studieschulden.

  • 4. 

    ONDERWIJSDEELNAME

4.1 Aantal leerlingen en studenten in het schooljaar 2000/2001

Het totaal aantal leerlingen en studenten dat in het schooljaar 2000/2001 (telling op 1.10 2000) deelnam aan het onderwijs bedroeg 3 394 600 (exclusief leerlingen in de volwasseneneducatie en enkele vormen van deeltijd-beroepsonderwijs). De verdeling over de beleidsterreinen is weergegeven in onderstaande grafiek.

Grafiek 1: Verdeling leerlingen en studenten 2000–2001 over sectoren

bol-dt bbl bol

bao avo/vbo lwoo pro

Voor de meeste onderwijssoorten geldt dat de bekostiging 2001 door de zogenaamde t-1 systematiek wordt gebaseerd op de leerlingen en studenten in de cursusjaren 1999/2000 en 2000/2001. Dit is 7/12 x aantal leerlingen 1999/2000 + 5/12 x aantal leerlingen 2000/2001. Deze regel geldt echter niet voor:

– materiële bekostiging basisonderwijs (alleen 2000/2001 is bepalend);

– totale budget hoger onderwijs (budgetfinanciering);

– studiefinanciering (directe doorwerking, dus 7/12 x aantal 2000/2001 +

5/12 x aantal 2001/2002); – middelbaar beroepsonderwijs gebaseerd op t-2, dus 7/12 x aantal

1998/1999 + 5/12 x aantal 1999/2000. Tijdens het opstellen van de begroting 2001 waren de leerlingentellingen 1999/2000 reeds bekend; de enige onzekerheid als gevolg van het aantal leerlingen/studenten was gelegen in de raming voor 2000/2001 volgens de Referentieraming 2000.

w

vso

 

Tabel 1: Vergelijking realisatie/raming schooljaar 2000/2001

   

(leerlingen x

1000)

     
   

Referentieraming

Reali-

Verschil

   

2000

satie

 

Bao

 

1 548.8

1 546.6

  • 2.2

Sbao

 

51.7

51.6

  • 0.1

So

 

30.0

30.3

0.3

Vso

 

15.0

15.5

0.5

Avo/vbo

 

772.5

766.9

  • 5.6

Pro

 

18.1

18.9

0.8

Lwoo*

 

79.0

79.9

0.9

Bol-vt

 

257.5

254.8

  • 2.7

Bol-dt

 

20.3

26.9

6.6

Bbl

 

137.8

142.6

4.8

Hbo-vt

 

246.8

241.6

  • 5.2

Hbo-dt

 

57.0

57.4

0.4

Wo

 

159.5

161.5

2.0

TOTAAL

 

3 394.0

3 394.6

0.6

  • Het betreft vmbo leerlingen met een lwoo begeleiding.

De afwijking ten opzichte van deze raming (3 394 000 leerlingen en studenten) bedroeg 600 leerlingen/studenten, ofwel 0,0176 procent. Per beleidsterrein zijn er zowel positieve als negatieve verschillen. De grootste afwijkingen komen voor bij de beroepsopleidende leerweg in deeltijd (6 600 meer leerlingen dan geraamd), voortgezet (beroeps)onderwijs (5 600 minder leerlingen dan geraamd), de beroepsbegeleidende leerweg (4 800 meer leerlingen dan geraamd) en het voltijd hoger beroepsonderwijs (5 200 minder leerlingen dan geraamd).

4.2 Ontwikkeling van het aantal leerlingen en studenten 1990– 2001

Primair onderwijs

Als gevolg van het toenemende geboortecijfer vanaf 1983 zijn de leerlingenaantallen in het primair onderwijs in de afgelopen jaren toegenomen. Dit geldt vooral voor het basisonderwijs. De groei van het speciaal basisonderwijs is de afgelopen jaren tot stilstand gekomen, wat vooral een gevolg is van het gevoerde beleid Weer samen naar school . Het (voortgezet) speciaal onderwijs groeit daarentegen nog steeds.

Grafiek 2: Leerlingenontwikkeling primair onderwijs (1990 = 100)

180 170 160 150 140 130 120 110 100

90

80

90/91

i --------r

92/93

i --------r

94/95

1---------T

96/97

i -------r

98/99

i -------r

00/01

 
 

90/91

91/92

92/93

93/94

94/95

95/96

96/97

97/98

98/99

99/00

00/01

01/02

Leerlingen x 1000

                       

Bao

1 399.4

1 408.1

1 417.5

1 428.3

1 451.7

1 477.4

1 501.4

1 520.0

1 534.0

1 543.2

1 546.6

1 552.5

Sbao

51.9

55.4

55.6

56.4

57.1

57.5

55.6

54.7

53.6

52.1

51.6

51.9

So

23.5

21.2

21.8

22.4

23.2

23.5

24.7

25.8

27.1

28.9

30.3

31.6

Vso

9.7

9.9

10.3

10.7

11.1

11.5

12.2

13.0

13.9

14.6

15.5

16.6

Totaal

1 484.5

1 494.5

1 505.1

1 517.8

1 543.1

1 569.9

1 593.9

1 613.5

1 628.6

1 638.8

1 644.0

1 652.6

Voortgezet onderwijs

Het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs is t/m 2000/2001 gedaald door een vermindering van de diplomastapeling (dat wil zeggen minder doorstroom van mavo-gediplomeerden naar havo 4 en van havogediplomeerden naar vwo 5) en een afname in het zittenblijven. De daling geldt voor alle schoolsoorten binnen het voortgezet onderwijs, met uitzondering van het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs. Deelname aan deze schoolsoorten is de afgelopen jaren juist gestegen, onder meer als gevolg van een toename van het aantal allochtonen leerlingen.

In 2001/2002 begint het totaal aantal leerlingen weer toe te nemen als gevolg van de eerdere groei bij het primair onderwijs.

Grafiek 3: Leerlingenontwikkeling voortgezet onderwijs (1990 = 100)

180 170 — 160 — 150 — 140 — 130 — 120 — 110 — 100 —I 90

80

"1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1---------1

90/91             92/93             94/95             96/97             98/99             00/01

 
   

90/91

91/92

92/93

93/94

94/95

95/96

96/97

97/9 8

98/99

99/00

00/01

01/02

Leerlingen x Avo/vbo Pro Lwoo

1000

847.8 12.1 58.6

826.6 12.2 60.2

816.9 12.7 60.7

811.8 13.7 62.1

803.3 14.5 62.8

789.9 15.2 64.1

779.0 15.7 64.3

770.9 16.2 65.9

769.7 16.8 69.7

769.6 17.6 74.4

766.9 18.9 79.9

770.1 20.7 83.1

Totaal

 

918.5

899.0

890.3

887.6

880.6

869.2

859.0

853.0

793.2

861.2

865.7

873.9

/

Beroepsonderwijs

Zowel de beroepsopleidende leerweg als de beroepsbegeleidende leerweg zijn vanaf 1990 gedaald. Deze daling kan verklaard worden door genoemde afname van de geboorten in de jaren zeventig, maar wordt wel afgezwakt door een stijging van de relatieve deelname. De laatste drie jaar stijgt de deelname aan de beroepsbegeleidende leerweg.

Grafiek 4: Leerlingenontwikkeling beroepsonderwijs (1990 = 100)

130

120 110 100

90

80 70 60 50

90/91

i ----------1----------1----------1----------1----------1----------1----------1----------1----------r

92/93              94/95              96/97              98/99               00/01

 
   

90/91

91/92

92/93

93/94

94/95

95/96

96/97

97/98

98/99

99/00

00/01

01/02

Leerlingen x Bol Dt-bol Bbl

1000

270.1

42.1

128.6

269.5

43.5

128.5

267.7

42.9

128.1

269.0

36.4

124.6

272.8

35.2

122.3

271.9

31.6

119.4

268.2

24.6

123.2

267.4

23.1

119.7

259.4

25

120.1

255.0

23.4

131.9

254.8

26.9

142.6

255.6

31.7

153.4

Totaal

 

440.8

441.5

438.7

430.0

430.3

422.9

416.0

410.2

404.5

410.3

424.3

440.7

Hogerberoepsonderwijs

De studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs zijn vanaf 1990 toegenomen. Net als bij de beroepsopleidende leerweg geldt bij het hoger beroepsonderwijs dat de omvang van de relevante leeftijdsgroep gedaald is. De stijging van de deelname aan het hoger beroepsonderwijs was echter sterker dan deze daling van de relevante leeftijdgroep, zodat per saldo de instroom in het hoger beroepsonderwijs is toegenomen. De stijging komt bijna volledig voor rekening van de voltijdopleidingen; het deeltijd-hbo is vanaf 1990 juist gedaald, maar sinds 1996 is er weer sprake van stijging. Bij het voltijd-hbo is er enige verkorting van de gemiddelde studieduur waarneembaar, die samenhangt met het gevoerde studiefinancieringsbeleid, maar dit effect wordt volledig overschaduwd door de stijging van de instroom.

Grafiek 5: Studentenontwikkeling hoger beroepsonderwijs (1990 = 100)

140 — 130 — 120 — 110 — 100 —

90

80

70

1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1

90/91               92/93              94/95              96/97              98/99               00/01

 
   

90/91

91/92

92/93

93/94

94/95

95/96

96/97

97/98

98/99

99/00

00/01

01/02

Studenten x

Vt-hbo

Dt-hbo

1000

184.4 54.7

194.8 49.7

202.7 48.3

210.2 46.3

216.8 43.1

218.3 40.7

222.4 41.6

226.3 42.2

230.4 45.9

239.1 51.7

241.6 57.4

245.2 62.3

Totaal

 

239.1

244.5

251.0

256.6

259.9

259.1

264.0

268.4

276.4

290.8

299.1

307.5

Wetenschappelijk onderwijs

De studentenaantallen in het wetenschappelijk onderwijs zijn tot 1993 toegenomen en daarna gedaald. Deze ontwikkeling is deels demografisch bepaald. De daling is versterkt door minder doorstroom van hbo-gediplomeerden en door verkorting van de gemiddelde verblijfsduur als gevolg van het gevoerde studiefinancieringsbeleid. Omdat het aantal eerstejaars na 1996 weer toeneemt, is het totaal aantal studenten in de afgelopen drie jaar weer gestegen. De recente stijging van het aantal eerstejaars komt vooral voort uit meer instroom van hbo-gediplomeerden.

Grafiek 6: Studentenontwikkeling wetenschappelijk onderwijs (1990 = 100)

110

100

90

80

70 1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------1

90/91               92/93              94/95              96/97              98/99               00/01

 

90/91

91/92

92/93

93/94

94/95

95/96

96/97

97/98

98/99

99/00

00/01

01/02

Ingeschrevenen x 1000 Wo 171.0

178.5

179.4

179.8

177.5

170.5

160.3

155.8

154.7

157.4

161.5

167.9

4.3 Schoolverlaters

De uitstroom uit het onderwijs is de afgelopen tien jaar vrijwel stabiel gebleven op een niveau van ongeveer 200 000 leerlingen. Dit komt ongeveer overeen met de omvang van één leeftijdsgeneratie. Dit cijfer is ook van toepassing op de totale uitstroom uit het voltijd-onderwijs. Van de schoolverlaters uit het voltijd-onderwijs heeft ongeveer 60% een diploma behaald in het laatstgenoten onderwijs, dit komt neer op een totaalcijfer van circa 120 000. In toenemende mate zijn gediplomeerden uit het voortgezet onderwijs direct gaan doorstromen naar het hoger onderwijs. Hierdoor neemt het aantal schoolverlaters met een hoger onderwijs diploma relatief steeds meer toe. De ontwikkeling bij het wetenschappelijk onderwijs is ook beïnvloed door de verkorting van de gemiddelde studieduur rond 1996. Dit resulteert in een tijdelijke toename van aantallen afgestudeerden.

Grafiek 7: Gediplomeerde schoolverlaters

 

50,0-

 
     
         

40,0-

   
           
             

30,0-

     
                 
         

20,0-

10,0-

0,0-

   
                         
                         
                         

bol

12

2001

 

Gediplomeerde schoolverlaters voltijd onderwijs (x 1000)

 

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

Vo

43,3

35,5

32,3

28,7

27,5

27,5

27,5

29,6

29,3

27,3

25,4

24,4

Bol

Hbo

Wo

47,2 24,3 16,9

46,0 26,1 17,4

42,5 28,3 19,2

43,5 30,5 20,9

41,4 31,7 21,9

44,5 36,8 23,2

48,1 40,3 26,8

44,2 40,1 22,2

47,0 37,8 19,1

48,5 37,1 18,3

48,8 38,4 18,3

44,8 36,9 17,2

Totaal

131,8

125,1

122,3

123,5

122,6

132,0

142,7

136,1

133,3

131,2

130,9

123,3

hbo                              wo vo

  • 5. 

    TOELICHTING PER BELEIDSTERREIN Beleidsterrein 17 Ministerie algemeen.

  • 1. 

    Algemeen

Op dit beleidsterrein worden de apparaatsuitgaven van het ministerie verantwoord. Het betreft de apparaatsuitgaven van:

+ het bestuursdepartement (artikel 17.10);

+ de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Cultuurbezit (artikel 17.11);

+ de cultuurinstellingen: Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en het Instituut Collectie Nederland (ICN) (artikel 17.12);

+ de drie adviesraden: Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (artikel 17.13);

+ de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en Rijksarchiefdienst (RAD) (artikel 17.14);

+ de vier zelfstandige uitvoeringsorganisaties: Informatie Beheer Groep, Dienst Ziektekostenverzekering Overheidspersoneel (DZVO), Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) en Vervangingsfonds/bedrijfsgezondheidszorg (artikel 17.15).

  • 2. 

    Verantwoording van de totale uitgaven en ontvangsten.

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor

beleidsterrein 17 (x € 1 miljoen)

 
   

Begroting

Realisatie

Verschil

Artikel 17.10 Bestuursdepartement

Artikel 17.11 Inspecties

Artikel 17.12 Cultuurinstellingen

Artikel 17.13 Adviesraden

Artikel 17.14 Agentschappen

Artikel 17.15 Zelfstandige uitvoeringsorganisaties

134,6

39,8

31,2

5,1

69,3

109,9

144,3

44,4

42,0

5,8

88,3

144,2

9,7

4,6

10,8

0,7

19,0

34,3

Totaal uitgaven

 

389,9

469,0

79,1

Totaal ontvangsten

 

0,8

6,5

5,6

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Het verschil tussen de gerealiseerde en begrote uitgaven is 79,1 miljoen. De grootste posten die verantwoordelijk zijn voor dit verschil worden hierna toegelicht per artikel.

Artikel 17.10

De realisatie op dit artikel is 144,3 miljoen: een stijging ten opzichte van de begroting met 9,7 miljoen. Het betreft hier onder meer:

  • • 
    een verhoging van 5,7 miljoen voor loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    een verhoging van 1,8 miljoen voor de verdere ontwikkeling van de eigen organisatie in het Sprong-traject;
  • • 
    een verhoging van 9,2 miljoen door een overboeking van het positief resultaat van 2000;
  • • 
    een verlaging van 6,1 miljoen door een overboeking van onderzoeksbudgetten naar programmakosten-artikelen;
  • • 
    een verhoging van 3,1 miljoen voor het project Verbetering Financiële Administratie (VFA) en de voorbereiding van VBTB;
  • • 
    een verlaging van 1,9 miljoen door een overboeking naar het agentschap CFI voor de stelselwijziging rijkshuisvesting en de ontvlechting van CFI en bestuursdepartement als gevolg van de verhuizing naar Den Haag.

Artikel 17.11

De realisatie in 2001 is uitgekomen op 44,4 miljoen: een stijging met 4,6 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn de volgende. De Inspectie van het onderwijs is uitgebreid met de inspectie voor de kunstzinnige vorming en amateurkunst. Van het beleidsterrein cultuur is hiervoor 0,6 miljoen overgeboekt. Op het terrein van het primair onderwijs is de Inspectie dit jaar sterk betrokken geweest bij het toezicht op het onderwijskansenplan en de controle op de regeling voor en vroeg-schoolse educatie In totaal is voor deze nieuwe taken 0,8 miljoen door het primair onderwijs beschikbaar gesteld. Ook de voortgang van en het onderzoek naar ict in de schoolpraktijk heeft geleid tot 0,3 miljoen aan extra werkzaamheden. Voor€ 0,4 miljoen heeft de inspectie een aantal kleinere opdrachten uitgevoerd en de beleidsdirecties hebben met€ 0,1 bijgedragen aan de viering van het 200 jarige bestaan van de inspectie dit jaar.

Voor de Inspectie cultuurbezit is het budget verhoogd met 0,7 miljoen door hogere apparaatskosten en het project «herkomst gezocht».

Artikel 17.12

Met een realisatie van 42,0 miljoen is er een verschil ontstaan van

10,8 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

  • • 
    een verhoging van 1,3 miljoen voor loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    een verhoging als gevolg van een aantal interne overboekingen met een saldo van 3,1 miljoen;
  • • 
    een verlaging van 0,2 miljoen door overdracht van formatie van de ROB naar het bestuursdepartement en een negatieve eindejaarsmarge;
  • • 
    een overboeking van 5,0 miljoen (onder gelijktijdige verhoging van het corresponderende ontvangstenartikel) naar dit artikel om de algemene ontvangsten van de RDMZ, ontvangsten uit projecten bij de ROB en de inkomsten uit dienstverlening door het ICN beschikbaar te maken;
  • • 
    een verhoging van 0,2 miljoen met een overbruggingslening voor de ROB, een verhoging van 2,0 miljoen voor compensatie van tekorten bij de RDMZ en 0,1 miljoen bij het ICN ten laste van het begrotingsjaar 2002;
  • • 
    een verhoging van 1,0 miljoen voor de RDMZ in het kader van de Cultuurnota 2001-2004;
  • • 
    een verhoging van 1,3 miljoen voor de ROB bestemd voor de uitvoering van het Verdrag van Valetta, de culturele planologie en de archeologische beleidskaart.

Artikel 17.13

Met een verschil van 0,7 miljoen is de realisatie over 2001 uitgekomen op 5,8 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

  • • 
    een verhoging met 0,2 miljoen voor loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    een verhoging van 0,1 miljoen door een overboeking van het positief resultaat van 2000;
  • • 
    een verhoging van 0,1 miljoen met een overbruggingskrediet ter introductie van de nieuwe structuur van de Raad voor Cultuur;
  • • 
    een verhoging van 0,1 miljoen voor door de Onderwijsraad uitgevoerde werkzaamheden voor de Adviescommissie Onderwijsaanbod.

Artikel 17.14

De uiteindelijk over geheel 2001 gerealiseerde uitgaven komen totaal uit op 88,3 miljoen. Een verschil van 19,0 miljoen ten opzichte van de begroting.

Het agentschap CFI heeft de taak voor het verzorgen van beleidsinformatie uit CASO, het salarissysteem voor onderwijspersoneel, voor 1,9 miljoen overgenomen van het bestuursdepartement. Naar het bestuursdepartement is het winstaandeel 2000 ten bedrage van 0,5 miljoen overgemaakt. Het agentschap heeft zich dit jaar sterk gericht op het inrichten van gegevensdepots voor informatiebeleid, het structureren van informatiestromen en de invoering van het onderwijsnummer. In totaal is hiervoor 6,3 miljoen beschikbaar gesteld. Extra werk, ten bedrage van 1,3 miljoen, heeft CFI verricht voor de uitvoering van ESF op het terrein van het beroepsonderwijs. De invoeringskosten van beleidswijzigingen, voor onder meer leerling-gebonden financiering in het primair onderwijs, bedroegen 2,2 miljoen. Het agentschap CFI verhuist niet mee met het bestuursdepartement naar Den Haag. Gezien de komende scheiding zijn voorbereidingen getroffen voor de infrastructuur en is het huurbudget van 1,9 miljoen toegevoegd aan de begroting van CFI.

Een saldo van verhogingen en een verlaging ter grootte van 4,7 miljoen voor de Rijksarchiefdienst voor onder andere het programma luchtzuivering rijksarchieven, meerkosten rijkshuisvesting, loon- en prijsbijstelling, formatie in het kader van Pivot (project verkorting overbrengingstermijn) en de bestuurlijke vernieuwing in het kader van de Cultuurnota 2001-2004.

Artikel 17.15

De realisatie van 144,2 miljoen laat een verschil van 34,3 miljoen zien ten opzichte van de begroting. De volgende grote wijzigingen zijn opgetreden.

De IB-Groep heeft de verantwoordelijkheid voor de (staats) examens overgenomen van de directies vo en bve ( 5,9 miljoen). In 2001 werd een groot aantal beleidswijzigingen doorgevoerd met een totaal aan invoerings- en structurele kosten van 19,7 miljoen. Te noemen zijn: het onder de prestatiebeurs brengen van de ov-studentenkaart, de invoering van onderdelen van WSF-2000, de koppeling Gemeentelijke Basis Administratie - WSF, de invoering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en studiekosten (WTOS), het studiehuis havo/vwo en de invoering van de bachelor master structuur. Mede in dit bedrag zijn begrepen de voorbereidende werkzaamheden voor de invoering van het onderwijsnummer. In aanloop tot het prestatiecontract 2002 werd het budget voor reguliere exploitatie verhoogd met 11,3 miljoen en werd een budget voor procesen systeemverbetering beschikbaar gesteld van 2,8 miljoen. Bij de USZO, de uitvoeringsorganisatie voor de sociale zekerheid voor overheidspersoneel, speelde in 2001 een aantal zaken. Zo werden de arbeidsvoorwaarden voor het hoger onderwijs en het beroepsonderwijs gedecentraliseerd en de uitvoeringskosten ad 7,7 miljoen voor de sociale zekerheid in die sectoren overgemaakt naar de beleidsterreinen wo, hbo en owb.

Per 1 januari 2001 werd gestart met de invoering van de OOW die overheids- en onderwijspersoneel onder de werking van de WW gaat brengen. De uitvoeringskosten van ontslaguitkeringen na die datum worden gefinancierd uit de door de werkgevers af te dragen premies. Naar de beleidsterreinen po, vo en bve is 4,8 miljoen overgemaakt voor de door deze stelselwijziging gestegen premieafdrachten. Met een bijdrage van 0,8 miljoen is de uitvoering van uitkeringen met een ingangsdatum van voor 1 januari 2001 en de uitvoering van alle bovenwettelijke uitkeringen geregeld.

Per 1 augustus 2001 is DZVO, het dienstonderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken dat de uitvoering van de ziektekosten regelingen voor overheidspersoneel verzorgt, overgedragen aan KPMG flexsourcing.

Ontvangsten

De verhoging van de ontvangsten van 0,8 miljoen naar€ 6,5 miljoen wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door de algemene ontvangsten van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, ontvangsten uit projecten bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek en de inkomstem uit dienstverlening door het Instituut Collectie Nederland.

Beleidsterrein 18 Primair onderwijs

  • 1. 

    Algemeen

Op het beleidsterrein primair onderwijs zijn de uitgaven opgenomen voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Totaal zijn per 1 oktober 2000 in het primair onderwijs 1 645 000 leerlingen ingeschreven, waarvan 1 546 700 in het basisonderwijs, 51 600 in het speciaal basisonderwijs en 45 800 in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Het primair onderwijs legt de basis voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.

Het basisonderwijs is bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar tot maximaal 14 jaar. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zijn bestemd voor leerlingen van circa 3 tot 20 jaar, voor wie vaststaat dat een overwegend orthopedagogische en orthodidactische benadering de aangewezen weg is. Het betreft kinderen met zeer uiteenlopende handicaps.

De uitgaven voor het primair onderwijs bedroegen in 2001 6 290,1 miljoen en de ontvangsten 23,1 miljoen. Het saldo van de uitgaven en ontvangsten komt daarmee op 6 267,0 miljoen.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor

beleidsterrein 18 (x € 1 miljoen)

 

PO

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Artikel 18.01 Personeel

Artikel 18.02 Materieel

Artikel 18.03 Onderwijsverzorging

Artikel 18.05 Overige uitgaven

 

5 082,5

655,9

51,2

15,0

5 353,2

866,8

54,7

15,3

270,7

210,9

3,5

0,3

Totale uitgaven

 

5 804,7

6 290,1

485,4

Totale ontvangsten

 

19,5

23,1

3,6

Gesaldeerde uitgaven po Gesaldeerde uitgaven basisonderwijs Gesaldeerde uitgaven speciaal basisonderwijs Gesaldeerde uitgaven (voortgezet) speciaal onderwijs

5 785,2

4 869,7

352,9

562,6

6,267,0

5 274,2

376,3

616,5

481,8

404,5

23,4

53,9

Totale uitgaven en ontvangsten

In 2001 hebben ruim 1,6 miljoen leerlingen basis- of (voortgezet) speciaal onderwijs genoten (zie tabel 3.1). Daaraan is in totaal 6 290,1 miljoen uitgegeven, exclusief de uitgaven voor huisvesting. De huisvestingskosten komen namelijk per 1 januari 1997 voor rekening van het Gemeentefonds.

Deze leerlingen stonden ingeschreven bij één van de 7 720 instellingen voor primair onderwijs, waarvoor deze instellingen in 2001 5 353 miljoen aan personele en 867 miljoen aan materiële vergoedingen ontvingen.

De uitgaven per leerling in het primair onderwijs zijn uitgekomen op circa 3 811,75 (zie tabel 3.5).

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Het verschil in de gesaldeerde totale uitgaven tussen de realisatie en de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2001 bedraagt 481,8 miljoen. Dit is 8,3% hoger dan de oorspronkelijke begroting.

Het verschil bij de personele uitgaven

Uit tabel 2.1 blijkt dat in 2001 270,7 miljoen meer aan personeel is uitgegeven dan op het beleidsterrein primair onderwijs was begroot. Dit verschil is voornamelijk het gevolg van:

Technische mutaties

Waarvan de belangrijkste is een loon-en prijsbijstelling uit de algemene middelen van circa 87,1 miljoen gebaseerd op afspraken uit de cao 2000-2002 en de cao 2001-2003.

Autonome mutaties

Waarvan de belangrijkste mutaties zijn:

  • • 
    in het kader van de OOW-operatie (onderwijs onder werknemersverzekeringen) betalen de scholen premie voor de kosten van zwangerschapsverlof. Deze premie wordt door het ministerie van OCenW integraal aan de scholen vergoed. Daartegenover staat dat de uitkeringen aan de scholen op basis van deze verzekering in mindering moeten komen op de door het Rijk aan de scholen betaalde integrale loonkosten. Om technische redenen is het niet gelukt de in 2001 betaalde uitkeringen nog in 2001 te verrekenen met de loonkosten. Dit zal nu in 2002 in het kader van de rijksvergoeding 2001 geschieden. Per saldo zijn hierdoor in 2001 29,9 miljoen meer uitgaven gedaan dan begroot. Dit is voor 9,1 miljoen gedekt uit de extra middelen per Voorjaarsnota voor het Vervangingsfonds. Het resterende tekort leidt tot een bijstelling van 20,8 miljoen;
  • • 
    een verhoging van de middelen voor bestuurlijke krachtenbundeling met 5,2 miljoen om het betaalritme 5/12-7/12 voor het schooljaar 2001/2002 mogelijk te maken;
  • • 
    het totaal van de opslag Vervangingsfonds blijkt in werkelijkheid 6,2 miljoen hoger dan was geraamd;
  • • 
    als gevolg van een fout in de rekenregels, waarmee de uitbetaling van de verlengde subsidieregeling aanpak plaatsingsproblematiek wsns is berekend, is in totaal 14,1 miljoen te veel uitbetaald aan de centrale diensten. Deze foutieve betaling heeft aan het einde van 2001 plaatsgevonden, waardoor het voor de centrale diensten niet meer mogelijk was in dat jaar terugstorting te realiseren. In 2002 zal het totale bedrag worden teruggestort op de rekening van OCenW.

Beleidsmatige mutaties

Waarvan de belangrijkste mutaties zijn:

  • • 
    knelpunten arbeidsmarktbeleid 93,6 miljoen;
  • • 
    diversiteit onderwijsdeelnemer 18,2 miljoen. Dit betreft een verho- ging van het budget voor voor- en vroegschoolse educatie met 9,1 miljoen en van onderwijskansen, eveneens met 9,1 miljoen;
  • • 
    een kasverschuiving wsns van 2000 naar 2001 van 4,5 miljoen door het kasritme van de beleidsuitvoering;
  • • 
    korte termijn deregulering 8,6 miljoen. Dit betreft kosten, samenhangende met de regulering;
  • • 
    een eenmalige opvang van het tekort van het Vervangingsfonds €18,2 miljoen.

Het verschil bij de materiële uitgaven

Uit tabel 2.1 blijkt dat in 2001 210,9 miljoen meer aan materieel is uitgegeven dan op het beleidsterrein primair onderwijs was begroot. Dit verschil is voornamelijk het gevolg van:

Technische mutaties

  • • 
    prijscompensatie 25,2 miljoen;
  • • 
    verhoging ict-vergoeding per leerling 46,6 miljoen;
  • • 
    eenmalige vergoeding beveiliging ict 15,4 miljoen;
  • • 
    vergoeding kennisnet 9,6 miljoen.

Beleidsmatige mutaties

De belangrijkste beleidsmatige mutatie betreft verbetering veiligheid schoolgebouwen en leermiddelen 113,4 miljoen.

Het verschil bij de ontvangsten

Uit tabel 2.1 blijkt dat in 2001 3,6 miljoen meer ontvangsten zijn gerealiseerd dan op het beleidsterrein primair onderwijs was begroot. De belangrijkste verklaringen zijn:

  • • 
    meer opbrengst afrekening personele vergoeding over de jaren 1999 en 2000 1,3 miljoen;
  • • 
    minder opbrengst van 0,7 miljoen, omdat de afrekening buitenlandse scholen niet heeft plaatsgevonden (hier staan minder uitgaven van 0,7 miljoen op het uitgavenartikel tegenover);
  • • 
    desalderingen met het uitgavenartikel van circa 2,9 miljoen;
  • • 
    de toets van het Participatiefonds op het recht op een uitkering heeft geleid tot 0,1 miljoen meer ontvangsten.
  • 3. 

    Financiële verschillen toegelicht met kengetallen

Leerlingvolume

 

Tabel 3.1: Leerlingen primair onderwijs (x 1000)

   

Begroting

 

Realisatie

Verschil

 

01-10-2000

01-10-2001

01-10-2000

01-10-2001

01-10-2001

  • a. 

    Aantal ingeschreven leerlingen op teldatum

1 645,5

1 650,8

1 644,0

1 652,7

1,9

a.1 basisonderwijs

1 548,8

1 552,9

1 546,7

1 552,5

  • 0,4

a.2 speciaal basisonderwijs

51,7

51,5

51,6

51,9

0,4

a.3 (voortgezet) speciaal onderwijs

45,0

46,4

45,8

48,2

1,8

 

2000

2001

2000

2001

2001

  • b. 

    Aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar

1 641,6

1 647,7

1 641,0

1 647,7

0,0

b.1 basisonderwijs

1 545,6

1 550,5

1 544,7

1 549,1

  • 1,4

b.2 speciaal basisonderwijs

51,9

51,6

51,8

51,7

0,1

b.3 (voortgezet) speciaal onderwijs

44,1

45,6

44,5

46,8

1,2

  • c. 

    Aantal leerlingen voor de personele bekostiging naar

         

kalenderjaar

 

1 641,6

 

1 641,0

  • 0,6

c.1 basisonderwijs

 

1 545,6

 

1 544,7

0,9

c.2 speciaal basisonderwijs

 

51,9

 

51,8

  • 0,1

c.3 (voortgezet) speciaal onderwijs

 

44,1

 

44,5

0,4

  • d. 

    Aantal leerlingen naar gewicht voor de personele bekosti-

         

ging bao

         

Geen gewicht

 

1 099,8

 

1 103,1

3,3

0.25

 

241,4

 

237,7

-3,7

0.4

 

1,2

 

1,1

  • 0,1

0.7

 

3,4

 

3,4

0,0

0.9

 

199,5

 

199,1

  • 0,4

Subtotaal

 

1 545,3

 

1 544,4

0,9

Trekkende bevolking

 

0,3

 

0,3

0,0

*) de aantallen per 1-10-2001 betreffen voorlopige realisatiecijfers

Toelichting bij de tabel

  • a. 
    Begroting conform referentieraming 2000, realisatie conform referentieraming 2002.
  • b. 
    Het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum van 1 oktober wordt naar een aantal leerlingen op kalenderjaar t omgerekend door 7/12 van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1 te nemen en 5/12 van het aantal op 1 oktober van t.
  • c. 
    Het aantal leerlingen dat op 1 oktober van jaar t staat ingeschreven, vormt de basis voor de personele bekostiging in het schooljaar t+1/t+2. Door het vervallen van de 3% opslag is de relatie tussen ingeschreven leerlingen en bekostigde leerlingen gewijzigd. Het aantal ingeschreven leerlingen in jaar t is nu gelijk aan het aantal bekostigde leerlingen in het jaar t+1. Ter wille van de vergelijkbaarheid zijn de aantallen in de kolom begroting onder c en d ook op de nieuwe manier weergegeven.
  • d. 
    Hier is een uitsplitsing gegeven van c naar de diverse gewichtencategorieën in het basisonderwijs.

Tabel 3.1 presenteert het aantal leerlingen. Hierbij zijn de bekostigde aantallen (c en d) bepalend voor het uitgavenniveau. De vermindering van het aantal leerlingen met gewicht 0,25 gaat gepaard met een vrijwel gelijke toename van de leerlingen zonder gewicht. Het verschil tussen begroting en realisatie van het aantal bekostigde leerlingen in het basisonderwijs is minder dan 1 promille. In het speciaal basisonderwijs is dat verschil circa 0,2% en in het (voortgezet) speciaal onderwijs circa 0,9%.

Personele uitgaven

In tabel 3.2 zijn de personele uitgaven naar diverse categorieën uitgesplitst. De verschillen zijn voornamelijk te verklaren door loonbijstellingen en diverse beleidsprioriteiten, zoals toegelicht bij «het verschil bij personele uitgaven».

 

Tabel 3.2: Personele uitgaven primair onderwijs (bedragen

x € 1 miljoen)*

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Basisonderwijs Speciaal basisonderwijs (Voortgezet) speciaal onderwijs

4 254,6 320,0 507,9

4 468,2 334,9 550,1

213,6 14,9 42,2

Totaal personele uitgaven

5 082,5

5 353,2

270,7

  • inclusief adv en opslagen voor Participatiefonds en Vervangingsfonds

Verreweg het grootste deel van de personele uitgaven bestaat uit groepsformatie. Het aantal bekostigde leerlingen, zoals dat in tabel 3.1 is weergegeven, leidt via de bekostigingsregels tot een aantal fte’s groepsformatie.

In tabel 3.3 zijn de aantallen fte’s en de uitgaven per leerling weergegeven.

Tabel 3.3: Totale bekostigde formatie primair onderwijs (fte’s)*

Begroting

Realisatie

Verschil

Basisonderwijs

Speciaal basisonderwijs

(Voortgezet) speciaal basisonderwijs

Totaal primair onderwijs

Totaal personele uitgaven primair onderwijs **

Uitgaven per fte in het primair onderwijs

92 868,0       92 976,0              108,0

7 728,0         7 503,0          -225,0

12 639,0       13 159,0             520,0

113 235,0     113 638,0             403,0

5 082,5         5 353,2             270,7

44 884,3       47 107,8          2 223,5

  • inclusief adv

** bedragen x 1 miljoen

Er is wel meer uitgegeven per fte dan was geraamd. Dit komt door de forse uitgavenverhoging zoals toegelicht onder «het verschil bij de personele uitgaven».

In de tabel zijn in de kolom realisatie de fte’s voor het schoolprofielbudget meegenomen; ter wille van de vergelijkbaarheid is daarom het aantal per fte in de begroting eveneens hiervoor gecorrigeerd. De stijging in uitgaven per fte (circa 5%) is procentueel in dezelfde orde van grootte als de stijging van de totale personele uitgaven.

Materiële uitgaven

In tabel 3.4 staan de materiële uitgaven uitgesplitst naar (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De twee grootste categorieën zijn de groepscomponent en de leerlingen component (VeLo). Bij de berekening van de groepscomponent wordt gebruik gemaakt van het aantal inschreven leerlingen op teldatum (tabel 3.1.a). Zo is het aantal leerlingen op 1 oktober 2000 de basis voor de bekostiging in 2001. Voor het berekenen van de leerling-afhankelijke component wordt dit aantal leerlingen nog vermenigvuldigd met het instroom correctiepercentage van 3%.

In het primair onderwijs is sprake van een uitgavenverhoging van per saldo 210,9 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn toegelicht bij materiële uitgaven.

 

Tabel 3.4: Materiële uitgaven primair onderwijs (x € 1 miljoen)

 

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

Uitgaven basisonderwijs

569,8

757,4

187,6

Leerlingencomponent Velo

259,9

348,0

88,1

Groepscomponent Velo

281,0

281,1

0,1

Nederlands onderwijs anderstaligen

3,2

3,3

0,1

Aanvullend formatiebeleid

1,0

3,2

2,2

Overig

24,7

121,8

97,1

Uitgaven speciaal basisonderwijs

32,4

41,8

9,4

Leerlingencomponent Velo

10,1

12,3

2,2

Groepscomponent Velo

16,2

17,1

0,9

Overig

6,1

12,4

6,3

Uitgaven(voortgezet) speciaal onderwijs

53,6

67,5

13,9

Leerlingencomponent Velo

24,1

27,6

3,5

Groepscomponent Velo

21,6

23,2

1,6

Overig

7,9

16,7

8,8

Uitgaven primair onderwijs

655,9

866,8

210,9

Leerlingencomponent Velo

294,1

387,9

93,8

Groepscomponent Velo

318,9

321,4

2,5

Nederlands onderwijs anderstaligen

3,2

3,3

0,1

Aanvullend formatiebeleid

1,0

3,2

2,2

Overig

38,7

151,0

112,3

Uitgaven per leerling

 

Tabel 3.5: Uitgaven per leerling

in constante prijzen (x € 1 000)

 
 

Begro- Reali-ting satie

Verschil

Basisonderwijs Speciaal basisonderwijs (Voortgezet) speciaal onderwijs

3,0 3,4

6,6 7,3

11,9 13,2

0,4 0,7 1,3

Totaal primair onderwijs

3,4 3,8

0,4

De uitgaven per leerling voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs zijn opgebouwd uit de uitgaven op het beleidsterrein verminderd met de ontvangsten. De totale uitgaven zijn gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar (tabel 3.1b).

De stijging met 400,- (circa 12%) van de uitgaven per leerling in het basisonderwijs wordt voor ongeveer de helft veroorzaakt door een stijging van de personele kosten; de rest is het gevolg van de stijging van de materiële kosten.

De toename in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs geeft een analoog beeld te zien.

Beleidsterrein 19 Voortgezet onderwijs

  • 1. 

    Algemeen

Het beleidsterrein voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), voor hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), voor praktijkonderwijs (pro) en landelijke onderwijsondersteunende instellingen. De wettelijke regelingen hiervoor zijn neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA). Delen van het speciaal voortgezet onderwijs (svo/leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen) zijn per 1 augustus 1999 onder de werking van de WVO (deel II) gebracht.

Het voortgezet onderwijs sluit aan op het basisonderwijs en bereidt voor op het beroepskwalificerend onderwijs (bbo, sbo en hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo). Het aantal ingeschreven leerlingen bedroeg in 2001 869 117.

De uitgaven voor het voortgezet onderwijs bedroegen 4 661,3 miljoen en de ontvangsten 3,2 miljoen.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor beleidsterrein 19 (x € 1 miljoen)

VO

Begroting

Realisatie

Verschil

Artikel 19.06 Personeel

Artikel 19.06 Materieel

Artikel 19.03 Onderwijsverzorging

Artikel 19.05 Overige uitgaven

Artikel 19.09 Onderwijshuisvesting

3 760,7

506,9

47,9

23,9

0,0

3 950,2

626,9

51,5

28,1

4,5

189,5

120,1

3,6

4,2

4,5

Totale uitgaven

4 339,4

4 661,3

322,0

Totale ontvangsten

1,4

3,2

1,8

Totale uitgaven en ontvangsten

In 2001 hebben 869 117 leerlingen voortgezet onderwijs genoten. De uitgaven hiervoor bedroegen 4 661,3 miljoen. De uitgaven per leerling bedroegen 5 363,-. Aan 786 scholen (per augustus 2001) is door middel van een normatieve bekostiging een budget ter beschikking gesteld, waarmee de scholen in totaal 70 700 personen op voltijdsbasis in het voortgezet onderwijs kunnen bekostigen. De scholen hebben bestedingsvrijheid.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

De totale uitgaven op het beleidsterrein zijn 322 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd in de oorspronkelijke begroting. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven.

Een groot deel van de verhoging wordt veroorzaakt door de loon- en prijsbijstelling (zoals cao-afspraken, algemene salarismaatregelen en premies); gesommeerd betreft het een mutatie van 112,6 miljoen.

Voorts is met de Voorjaars- en Najaarsnota 2001 176,2 miljoen aan het budget toegevoegd voor beleidsintensiveringen. Naar het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is hiervan ten behoeve van het landbouwonderwijs 8,3 miljoen overgeboekt. Daarnaast is aan dit beleidsterrein nog een bedrag van 20,6 miljoen toegevoegd voor informatie- en communicatietechnologie, alsmede per saldo 8,8 miljoen voor asielzoekers, 1,6 miljoen voor extra uitgaven scholen Volendam, 4,5 miljoen ten behoeve van de huisvesting gemeente Aalburg en 0,5 miljoen voor uitgaven hoogbegaafdheid.

Van de met de Voorjaars- en Najaarsnota 2000 verkregen middelen voor de beleidsintensiveringen is een deel van de besteding pas in 2001 gerealiseerd ( 10,9 miljoen). Ook een deel van de middelen lerarenbeleid die in 2000 waren voorzien, zijn eerst in 2001 gerealiseerd ( 7 miljoen). Ten slotte is de begroting neerwaarts bijgesteld in verband met leerlingvolume-effecten ( 5,6 miljoen), kaseffecten op de gemiddelde personeelslast ( 4,8 miljoen) en waren op diverse onderdelen de uitgaven lager dan geraamd ( 2,2 miljoen).

  • 3. 

    Financiële verschillen toegelicht met kengetallen

Leerlingvolume

Tabel 3.1: Aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar (x 1000)

VO                                                                                                                       Begro-             Reali- ting               satie

Ingeschreven leerlingen                                                                                   876,1              869,1

Bron: Leerlingentelling 2000 en 2001

De leerlingen in het speciaal voortgezet onderwijs (svo) worden meegeteld als leerlingen in het voortgezet onderwijs.

De feitelijke bekostiging is gebaseerd op de leerlingaantallen per schooljaar. Deze werken in de personeelsaantallen door met een vertraging van één jaar (de zogenaamde t-1 bekostiging).

Aantal formatieplaatsen

 

Tabel 3.2: Personeelsaantallen per kalenderjaar (fte x 1000)

VO Begroting

Realisatie

Totaal personeel 69,8 Waarvan onderwijzend 55,7

70,7 56,9

Het betreft normatief berekende aantallen. Dat wil zeggen dat ze op basis van de personele formatieformules zijn berekend. Scholen kunnen afwijken van het normatieve patroon door meer of minder personeel in de categorie directie, onderwijzend of onderwijsondersteunend personeel aan te trekken.

Uitgaven per leerling

Tabel 3.3: Uitgaven per leerling (x € 1000)

VO                                                                                                                      Begro-            Reali- ting              satie

Bruto uitgaven per leerling excl. huisvesting                                                  5,0                 5,4

De bruto uitgaven per leerling zijn opgebouwd uit de gesaldeerde uitgaven en de ontvangsten op het beleidsterrein naar de stand van respectievelijk «begroting» (inclusief nota van wijziging en amendement) en naar de stand «realisatie». De uitgaven zijn gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen in het kalenderjaar 2001.

De overige tabellen in de begroting 2001 waarin sprake is van aantallen leerlingen ingedeeld naar diverse posities in het onderwijsgebouw, hebben als doel om enig inzicht in de lumpsumsector voortgezet onderwijs te verschaffen. Het gaat hier veelal om berekeningen en niet om feiten.

  • 4. 

    Financiële positie van het vo-veld 1997-2000

De solvabiliteit en de liquiditeit zijn in 2000 iets afgenomen. De liquiditeit laat sinds 1997 een dalende lijn zien. De solvabiliteit is redelijk stabiel.

De rentabiliteit is iets verbeterd. Er zit ruim 1% ruimte tussen reguliere inkomsten en verplichtingen/uitgaven. De stijging van het exploitatieresultaat 2000 komt met name door de gestegen rijksbijdrage en de overige overheidsbijdragen, waarvan een deel eerst laat in het jaar aan de scholen ter beschikking is gesteld. Daarnaast kan vacatureruimte een rol spelen. Ondanks het gestegen resultaat geven instellingen in het directie-/ bestuursverslag aan dat de personele lasten moeilijk in de hand zijn te houden. Daarnaast geven veel instellingen in het directie/bestuursverslag aan in de komende jaren aanzienlijke investeringen te gaan plegen (ten laste van de reserves).

Ook in 2000 hebben er weer omvangrijke investeringen plaatsgevonden. De vo-instellingen hebben in het totaal voor€ 222,8 miljoen geïnvesteerd in materiële vaste activa. Dat was in 1999 ruim 203,3 miljoen. Hiervan is 109,4 miljoen in huisvesting ((eigen) gebouwen en terreinen) en 113,4 miljoen in inventaris en apparatuur geïnvesteerd. Dat was in 1999 respectievelijk 93,5 miljoen en 109,8 miljoen.

4.1 Financiële kengetallen

De financiële positie wordt geschetst aan de hand van de volgende drie kengetallen. Solvabiliteit zegt iets over de financiële positie voor de langere termijn, liquiditeit en rentabiliteit voor de kortere termijn. Bij de solvabiliteit gaat het om de vermogensverhoudingen. Met deze verhoudingen wordt gemeten in welke mate de instelling op langere termijn aan haar verplichtingen tegenover vreemde vermogensverschaffers kan voldoen. Liquiditeit laat de mate zien waarin de instelling haar korte termijnschulden kan terugbetalen en kent twee dimensies: snelheid en zekerheid. Rentabiliteit laat het resultaat zien van de instelling in een bepaald jaar: zijn de uitgaven en de inkomsten in evenwicht.

De kwalificaties zijn gegeven op grond van de volgende normering:

Legenda:

Goed:

Matig / voldoende:

Slecht:

Het kengetal geeft een gunstig beeld aan.

Het kengetal geeft aan dat er niet direct sprake is van een zorgwekkende positie, doch dat extra oplettendheid is geboden. Het kengetal geeft een zorgwekkende positie aan. Afhankelijk van het kengetal kan dit betrekking hebben op de vermogenspositie (solvabiliteit), de liquiditeitspositie of het resultaat uit gewone bedrijfsvoering (rentabiliteit).

 

Kengetal

1997

1998

1999

2000

Solvabiliteit 1 (excl. voorzie-

       

ningen)

0,50

0,50

0,50

0,49

Solvabiliteit 2 (excl. voorzie-

       

ningen

0,67

0, 67

0,67

0,66

Liquiditeit

2,22

2,19

1,96

1,86

1,5%

Rentabiliteit

1,2%

1,0%

1,0%

Trends 1997–2000, solvabiliteit

0,8

0,7-

0,6-

0,5-

0,4-

0,3-

0,2-

0,1 -

1997

1998

1999

2000

0

Trends 1997–2000, liquiditeit

2,30-

2,20-

2,10-

2,00-

1,90

1,80-

1,70

1,60-

1997

1998

1999

2000

Trends 1997–2000, rentabiliteit gewone bedrijfsvoering

1,6%

1,4%-

1,2%-

1,0%

0,8%-

0,6%-

0,4%-

0,2%-

0,0%-

1997

1998

1999

2000

4.2 De 12 besturen met drie jaar een rentabiliteit lager dan 1%

Tijdens de behandeling van de begroting 2002 is naar aanleiding van een vraag over het begrotingstekort van vo-scholen toegezegd de kamer te informeren over de financiële positie van de betrokken twaalf besturen in het voortgezet onderwijs.

De financiële jaarverslagen van de twaalf besturen die drie jaar achter elkaar exploitatietekorten hebben, zijn nader door OCenW bekeken. Van de 12 besturen is het weerstandsvermogen vooralsnog voldoende om de tekorten op te vangen. Van twee van de twaalf besturen is de situatie wel zorgelijk. OCenW is momenteel in gesprek met de betrokken besturen. Twee besturen met een zorgelijke financiële positie zijn inmiddels gefuseerd met financieel gezonde partners.

De overige besturen geven in het algemeen aan maatregelen te treffen om de situatie te verbeteren. De ontwikkelingen zullen echter nauwlettend gevolgd blijven worden.

Beleidsterrein 20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

  • 1. 

    Algemeen

Het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie omvat het middelbaar beroepsonderwijs, de landelijke organen beroepsonderwijs, de educatie en de inburgering. De wettelijke grondslag is de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet inburgering nieuwkomers. In 2001 waren ruim 599 000 deelnemers ingeschreven, waarvan 432 200 deelnemers in het beroepsonderwijs en 167 100 deelnemers bij de educatie.

Het beroepsonderwijs kent de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg. Het richt zich op deelnemers in de leerplichtige leeftijd en volwassenen met een vooropleiding op het niveau van het vmbo.

De volwasseneneducatie biedt tweedekansonderwijs, opleidingen voor primaire (sociale) vaardigheden en Nederlands voor anderstaligen. Volwasseneneducatie wordt onderverdeeld in educatie en inburgering waarbij educatie zich richt op oudkomers en autochtone volwassenen en inburgering op nieuwkomers in Nederland.

De uitgaven voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie bedroegen in 2001 2 473,1 miljoen. De ontvangsten (excl. cursusgeldontvangsten) bedroegen 15,6 miljoen.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor beleidsterrein 20

   

(bedragen x € 1 miljoen)

     

BVE

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

Uitgaven (inclusief cursusgeldontvangsten)

2 329,9

2 473,1

143,2

Ontvangsten

33,4

15,6

  • 17,9

Gesaldeerde uitgaven

2 296,5

2 457,6

161,1

Artikel 20.01

2 087,2

2 219,6

132,4

- middelbaar beroepsonderwijs

1 648,9

1 783,7

134,9

– educatie

211,9

214,1

2,3

– inburgering

104,8

102,2

2,5

– landelijke organen

89,6

92,6

3,0

– overig (incl. examens)

32,1

27,0

-5,1

Artikel 20.03 Overig

48,5

49,1

0,6

Artikel 20.04 Huisvesting

194,2

204,4

10,2

Totale uitgaven en ontvangsten

In 2001 is voor beroepsonderwijs en educatie 2 473,1 miljoen uitgegeven voor het onderwijs aan circa 599 000 deelnemers. Het grootste deel van dit budget (ruim 70%) is uitgegeven aan de exploitatie van het middelbaar beroepsonderwijs.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

De totale realisatie op dit beleidsterrein is 143,2 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting voor 2001. De belangrijkste mutaties die deze toename van ongeveer 7% veroorzaken zijn hieronder weergegeven.

Uitgaven

De belangrijkste aanpassing wordt gevormd door de loon- en prijsbijstellingen. In totaal leidt dit tot een toename met 69,9 miljoen.

De realisatie op het mbo-budget is 134,9 miljoen hoger dan geraamd. Dit wordt met name veroorzaakt door de volgende mutaties: de impuls beroepsonderwijs heeft tot een toename van het mbo-budget met 17,7 miljoen geleid.

Via een intertemporele compensatie is 16,9 miljoen van niet tot besteding gekomen middelen in 2000 in 2001 aan het mbo-budget toegevoegd. Dit betreft hoofdzakelijk middelen voor het ESF-project bestrijding voortijdig schoolverlaten en het wachtgeldbudget.

De ict-impuls zorgt voor een stijging van dit budget met 7,9 miljoen. En verder zijn de middelen voor arbeidsmarktknelpunten ( 27,3 miljoen) op dit budget bijgevoegd.

De realisatie op het educatiebudget is 2,3 miljoen hoger dan verwacht. Het budget voor educatie is verhoogd met name vanwege de ict-impuls.

De realisatie op het inburgeringsbudget is 2,5 miljoen lager dan geraamd. Dit komt met name door de volgende mutaties: de consequenties van de invoering van de nieuwe vreemdelingenwet hebben geleid tot een verhoging van 4,2 miljoen in 2001. Verder is 5,4 miljoen minder door gemeenten aangevraagd dan geraamd.

Het verschil tussen realisatie en begroting op het budget landelijke organen bedraagt 3,0 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door de impuls beroepsonderwijs van 3,8 miljoen.

Het budget «overig (inclusief examens)» op artikel 20.01 is 5,1 miljoen lager dan geraamd. De overboeking van het budget voor staatsexamens ( 5,6 miljoen) naar beleidsterrein 17 is hiervan de belangrijkste oorzaak.

De realisatie op artikel 20.03 is met 11,9 miljoen gestegen. Dit wordt voor 11,3 miljoen veroorzaakt door de extra middelen voor de examens in het mbo (amendement Cornielje). Daarnaast leiden de middelen voor ESF-trajecten gericht op versterking van de beroepsbegeleidende leerweg, die in 2000 niet tot besteding waren gekomen, tot een stijging van 3,6 miljoen.

Daarnaast is op een aantal onderdelen minder gerealiseerd dan verwacht. Het gaat om de middelen voor versterking van de beroepsbegeleidende leerweg, KeBB, ondersteuning examens en vsv-activiteiten.

Het huisvestingsbudget op artikel 20.04 is met ruim 10,4 miljoen gestegen door de eerder genoemde prijsbijstelling.

Ontvangsten

Het verschil tussen de begroting en realisatie is - 17,9 miljoen. Dit is met name het gevolg van lagere ESF-ontvangsten ad 25,4 miljoen. Op de afrekeningen is 7,5 miljoen ontvangen.

  • 3. 

    Financiële verschillen toegelicht met kengetallen

Aantal deelnemers

 

Tabel 3.1: Deelnemers mbo (aantal x 1 000)

BVE

Begroting

Realisatie

Verschil

MBO – bol – bbl – bol-dt

414,6

257,4

137,4

19,8

432,2

255,1

148,2

28,9

17,6

  • 2,3

10,8

9,1

Deze cijfers wijken af van de cijfers uit hoofdstuk 4 onderwijsdeelname. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat in hoofdstuk 4 is gewerkt met aantallen per schooljaar en in onderstaande tabellen met aantallen per kalenderjaar.

De deelnemersaantallen in het mbo zijn in 2001 17 600 hoger dan geraamd. De stijging wordt veroorzaakt door trajecten waarin werken en leren kunnen worden gecombineerd. De deelname aan de bbl blijkt 8% hoger dan geraamd, de deelname aan bol-dt trajecten is 46% hoger dan geraamd. De deelname aan het bol is nagenoeg gelijk aan de raming (– 1%).

 

Tabel 3.2: Aantal deelnemers niveau 1

en 2 mbo (aantal x

1 000)

 

BVE

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

MBO

136,8

139,8

3,0

– bol

55,5

49,4

  • 6,1

– bbl

76,1

76,3

0,2

  • bol-dt

5,2

14,1

8,9

De deelname aan niveau 1 en 2 heeft in 2001 een verschuiving ondergaan ten opzichte van de raming. In de bol is de deelname aan niveau 1 en 2 11% lager dan geraamd. In het bol-dt blijkt de stijging van de deelname vrijwel geheel in niveau 1 en 2 te zijn gesitueerd.

 

Tabel 3.3: Gediplomeerde uitstroom in het mbo (aantal x

1 000)

 

2000

Gedi-

Totale

Gediplo-

 

plomeerd

uitstroom

meerd1

bol-vt

65 726

110 222

60%

1-2

15 960

30 241

53%

3-4

49 766

79 981

62%

bbl

42 949

74 742

57%

1-2

22 198

40 919

54%

3-4

20 751

33 823

61%

bol-dt

4 125

10 274

40%

1-2

466

3 355

14%

3-4

3 659

6 919

53%

Totaal

112 800

195 238

58%

1 Gediplomeerd heeft betrekking op het halen van een diploma in de laatste opleiding. Van de ongediplomeerden heeft een deel eerder een diploma gehaald in het mbo, al dan niet op een lager niveau.

Het rendement uitgedrukt in een percentage is iets gedaald ten opzichte van 1999. De daling van het rendement doet zich met name voor op de niveaus 1 en 2.

Het absolute aantal diploma’s is echter gestegen.

De daling van het rendement is mogelijk een gevolg van de stijging van het aantal ongediplomeerde uit het voortgezet onderwijs. Met de 0-meting in het kader van de beroepskolom zal het mogelijk worden de ontwikkelingen in het rendement nauwkeuriger te volgen en maatregelen meer gericht in te zetten.

Tabel 3.4: Deelnemers educatie (aantal x 1000)

BVE

Begroting

Realisatie

Verschil

De deelname aan educatie is licht gestegen ten opzichte van de raming in de begroting.

Uitgaven per deelnemer

 

Tabel 3.5: Financiële kengetallen (bedragen x € 1000)

BVE

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

MBO

     

– uitgaven per deelnemer

4,9

5,2

0,3

– uitgaven huisvesting per deelnemer mbo

0,6

0,6

0,0

VOA-uitgaven per deelnemer niveau 1 en 2

0,5

0,5

0,0

Educatie

     
  • uitgaven regulier per volwassen inwoner ( 1)

0,02

0,02

0,00

– uitgaven per inburgeraar

4,54

4,08

  • 0,45

De uitgaven per deelnemer beroepsonderwijs zijn als volgt opgebouwd: de gesaldeerde uitgaven op het beleidsterrein (exclusief huisvesting en uitgaven WSF/WTS) gedeeld door het aantal ingeschreven deelnemers naar kalenderjaar (waarbij deelnemers beroepsbegeleidende leerweg en overige beroepsleerwegen voor de helft meetellen).

Het verschil tussen begroting en realisatie in de uitgaven per deelnemer is grotendeels het gevolg van de loon- en prijsbijstelling en de beleidsimpulsen. De stijging is gematigd door de groei van het aantal deelnemers.

  • 4. 

    Financiële positie bve-sector

Op grond van de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit kan worden gesteld dat de financiële positie van de bve-sector gemiddeld genomen gezond is. Wel is er in 2000 sprake van een lichte daling van de scores op de kengetallen ten opzichte van 1999. Het gaat hier om een momentopname voor de hele sector (regionale opleidingscentra en vakinstellingen en landelijke organen beroepsonderwijs).

Solvabiliteit is goed

De solvabiliteit (eigen vermogen inclusief voorzieningen/totaal vermogen) van de sector bevindt zich onverminderd op een relatief hoog niveau van 60%. Ten opzichte van het vorige jaar is sprake van een lichte daling. Deze wordt veroorzaakt doordat instellingen voor investeringen in huisvesting en inventaris een beroep hebben gedaan op de kapitaalmarkt. Daardoor zijn de langlopende schulden van 398,5 miljoen in 1999 tot 432,8 miljoen in 2000 gestegen (bijna 9%). Na de OKF-operatie is sprake van een reorganisatie van de huisvesting in een belangrijk deel van de sector. Hierdoor kan de solvabiliteit de komende jaren onder druk komen te staan. Wordt dit kengetal nader ontleed naar de afzonderlijke organisaties, dan verschilt de solvabiliteit gemiddeld genomen niet tussen roc’s en vakinstellingen. Wel zijn er 3 roc’s en één vakinstelling waarvan de solvabiliteit relatief zwak is (< 30%).

Liquiditeit is voldoende

Hoewel de liquiditeit (vlottende activa/kortlopende schulden) ten opzichte van vorig jaar is afgenomen tot 1,33 is deze nog steeds goed te noemen. De daling van de liquiditeit heeft met name van doen met de eerder genoemde investeringen in huisvesting en inventaris die ook voor een deel met liquide middelen zijn gefinancierd. Zeven roc’s kennen een zwakke liquiditeit (< 0,6).

Rentabiliteit is goed

De rentabiliteit (resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering) van de bve-sector is in 2000 ruim verdubbeld ten opzichte van 1999 tot 1,3. Dat is goed te noemen. Het resultaat uit gewone bedrijfsvoering is met 17,7 miljoen toegenomen tot 32,0 miljoen. Het totale exploitatieresultaat bedraagt 34,2 miljoen. Het resultaat is veroorzaakt door een sterkere stijging van de baten ten opzichten van de lasten. Niettemin worden 14 roc’s en 3 vakinstellingen geconfronteerd met een negatieve exploitatie (waarvan 9 ook in 1999). Deels wordt dit veroorzaakt door de invoering in 2000 van een nieuwe bekostigingssystematiek. Bij bijna 40% van de roc’s werd een negatief exploitatieresultaat (rentabiliteit) behaald.

Contractactiviteiten afgenomen

De omvang van de contractactiviteiten, voor zover die door de instellingen in de jaarrekening van 2000 worden verantwoord, is ten opzichte van de totale baten vergeleken met 1999 afgenomen tot 4,5%. De opbrengst van werk voor derden bedraagt in 2000 108,1 miljoen.

Voorzieningen stabiel

De relatieve omvang van de voorzieningen (circa 9% van het balanstotaal) is ten opzichte van vorig jaar stabiel gebleven. Voor een belangrijk deel worden voorzieningen getroffen voor huisvesting, inventaris en apparatuur en ten behoeve van personeel en wachtgelden.

Algemene reserves groeien

De post algemene reserves van de instellingen bedroeg in 2000 863,5

miljoen, een stijging van bijna 7% ten opzichte van 1999.

Beleggen en belenen

De post effecten is ten opzichte van 1999 aanzienlijk afgenomen. Deze portefeuille bedraagt thans nog circa 3,2 miljoen. Tegenover deze ontwikkeling staat een toename van de financiële activa (deelnemingen). In totaal zijn er 18 van de 62 instellingen met effecten. Hiervan zijn er 3 instellingen die hebben aangegeven in het bezit te zijn van aandelen.

Beleidsterrein 21 Hoger beroepsonderwijs

  • 1. 

    Algemeen

Het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs (hbo) omvat de voorzieningen van het hoger beroepsonderwijs inclusief de huisvestingsvergoeding. De totale uitgaven op het beleidsterrein bedroegen in 2001 1 491,4 miljoen. Het overgrote deel (ruim 95%) van de uitgaven op dit beleidsterrein bestaat uit de zogenaamde normatief berekende rijksbijdrage. Deze rijksbijdrage is opgebouwd uit personele en materiële uitgaven en uit huisvestingsvergoeding. Vanaf 2001 maken ook de middelen voor werkloosheidsuitkeringen deel uit van de personele uitgaven. Als gevolg van de inwerkingtreding van het besluit Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen hebben de instellingsbesturen zelf de ruimte en verantwoordelijkheid over de arbeidsvoorwaardenvorming en dragen zij ook de aansprakelijk voor de werkloosheidsuitkeringen van het personeel en gewezen personeel van de instellingen.

De verdeling van het budget dat beschikbaar is voor de normatief berekende rijksbijdrage vindt plaats op basis van de bekostigingsregels die zijn vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs. Deze rijksbijdrage wordt als één bedrag aan de hogescholen uitgekeerd. De hogeschool beslist zelf over de meest doelmatige manier om deze middelen aan te wenden voor personele, materiële en huisvestingsuitgaven. De gerealiseerde ontvangsten bedroegen in 2001 0,1 miljoen.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor

beleidsterrein 21 (x € 1 miljoen)

 

HBO

Begroting

Realisatie

Verschil

Rijksbijdrage

– waarvan rechtspositionele uitkeringen1

– waarvan huisvestingsuitgaven

Overig

1 349,6

67,2

176,7

45,5

1 423,8

0,0

184,9

67,6

74,2

  • 67,2

8,2

22,1

Totale uitgaven

1 395,1

1 491,4

96,3

Totale ontvangsten

2,4

0,1

-2,2

1 De werkloosheidsuitkeringen zijn in verband met de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming in de loop van 2001 toegevoegd aan de normatief berekende rijksbijdrage (zie tabel 2.2). Tot dat moment werden de werkloosheidsuitkeringen «oud» verantwoord op artikel 21.03 en de werkloosheidsuitkeringen «nieuw» op artikel 21.01.

 

Tabel 2.2: Financiële kerncijfers per artikel voor beleidsterrein 21 (x € 1 miljoen)

HBO

Begroting

Realisatie

Verschil

Artikel 21.01 Personele en materiële uitgaven Artikel 21.03 Rechtspositionele uitkeringen1 Artikel 21.04 Overige uitgaven Artikel 21.05 Huisvesting

1 118,9

54,1

45,5

176,7

1 238,8

0,0

67,6

184,9

120,0

  • 54,1

22,1

8,2

Totale uitgaven

1 395,1

1 491,4

96,3

Totale uitgaven en ontvangsten

In 2001 hebben gemiddeld 301 900 studenten een hogere beroepsopleiding gevolgd. De uitgaven hiervoor bedroegen 1 491,4 miljoen.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting (zie tabel 2.2)

Het verschil tussen de gerealiseerde uitgaven en de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand bedraagt 96,3 miljoen ofwel een stijging van bijna 7%. De ontvangsten liggen in 2001 2,2 miljoen lager dan de raming.

Het verschil bij de personele en materiële uitgaven (artikel 21.01)

Van de wijzigingen die hebben geleid tot een verhoging van 120 miljoen van de personele en materiële uitgaven worden als belangrijkste genoemd:

  • • 
    de bijstelling voor loon- en prijsontwikkeling (incl. de vergoeding voor de kosten van de uitvoering van de werkloosheidsuitkeringsregelingen, de spaarloonregeling en de maatregelen voor zorg en arbeid), in totaal 74 miljoen;
  • • 
    de autonome verlaging van 27,7 miljoen als gevolg van de daling van de studentenaantallen (zie de Referentieraming 2001);
  • • 
    de toevoeging aan de normatief berekende rijksbijdrage van de middelen voor werkloosheidsuitkeringen, 54,1 miljoen;
  • • 
    de overboekingen binnen het beleidsterrein hbo, in totaal - 21,6 miljoen. Het betreft hier middelen die vanwege aard van bestemming en wijze van financiering zijn overgeboekt naar het (subsidie)artikel 21.04. De belangrijkste hiervan zijn: de middelen voor vernieuwing van de lerarenopleidingen basisonderwijs ( 4,5 miljoen), de middelen voor lectoren/kenniskringen ( 6,8 miljoen), de middelen voor zij-instroom ( 3,2 miljoen) en de middelen voor het Convenant lerarenopleidingen voortgezet onderwijs en beroepsen volwasseneneducatie ( 6,2 miljoen) en
  • • 
    een beleidsmatige verhoging voor de middelen die in het kader van de Voorjaarsnota voor het hoger beroepsonderwijs beschikbaar zijn gekomen voor het oplossen van knelpunten op het gebied van arbeidsmarktbeleid ( 28,2 miljoen) en voor de versterking van het beroepsonderwijs ( 28,4 miljoen). Hierbij wordt opgemerkt dat een deel van de middelen voor arbeidsmarktbeleid is verschoven naar 2002 ( 11,4 miljoen) en 2003 ( 3,3 miljoen).

Het verschil bij de rechtspositionele uitkeringen (artikel 21.03) In de loop van 2001 zijn de middelen die op artikel 21.03 waren geraamd voor de werkloosheidsuitkeringen van het «oude wachtgeldbestand» (ingestroomd vóór 1 juli 1996) én voor het flankerend arbeidsmarktbeleid, toegevoegd aan de normatief berekende rijksbijdrage (artikel 21.01). Deze toevoeging was het gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen. Met dit besluit hebben de instellingsbesturen niet alleen zelf de ruimte en de verantwoordelijkheid gekregen over de arbeidsvoorwaardenvorming, maar werden zij ook aansprakelijk voor de werkloosheidsuitgaven van het personeel en het gewezen personeel van de instellingen.

De middelen voor de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen van het «nieuwe wachtgeldbestand» (ingestroomd ná 1 juli 1996) maakten al eerder deel uit van artikel 21.01.

Het verschil bij de overige uitgaven (artikel 21.04) Het verschil van 22,1 miljoen op de overige uitgaven wordt naast een loon- en prijsbijstelling van 2 miljoen met name verklaard door€ 21,6 miljoen aan overboekingen binnen het beleidsterrein hbo. Deze overboekingen hebben betrekking op de middelen die vanwege de aard van de bestemming en wijze van financiering zijn overgeboekt van het artikel 21.01. Als belangrijkste worden genoemd: de middelen voor vernieuwing van de lerarenopleidingen basisonderwijs ( 4,5 miljoen), de middelen voor lectoren/kenniskringen ( 6,8 miljoen), de middelen voor zij-instroom ( 3,2 miljoen) en de middelen voor het Convenant lerarenopleidingen voortgezet onderwijs en beroeps- en volwasseneneducatie ( 6,2 miljoen).

Het verschil bij de huisvesting (artikel 21.05)

Het verschil bij de huisvesting van 8,2 miljoen houdt nagenoeg geheel verband met de prijsbijstelling 2001.

Het verschil bij de ontvangsten (artikel 21.01)

Ten opzichte van de raming ligt de realisatie 2,2 miljoen lager. Deze verlaging wordt bijna volledig verklaard door een desaldering op de geraamde ontvangsten voor teveel betaalde werkloosheidsuitkeringen. Als gevolg van de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming voor de werkloosheidsuitkeringen (zie de verklaring van het verschil bij artikel 21.03) worden ook de ontvangsten rechtstreeks met de instellingen verrekend.

  • 3. 

    Financiële verschillen toegelicht met kengetallen

Studentenvolume

Tabel 3.1: Aantal studenten in fte naar kalenderjaar (x 1000)1

HBO                                                                                                                   Begro- Realisa- ting2                 tie3

1  fte- student = omrekening van cursusjaren naar kalenderjaar. Voor de omrekening naar kalenderjaar t wordt een gemiddelde genomen van 2 collegejaren (2/3 x collegejaar t-1/t en 1/3 collegejaar t/t+1).

2  Bron: Referentieraming 2000, exclusief de studenten in het hoger agrarisch onderwijs; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV.

3  Bron: CRI-HO (voorlopige gegevens), idem exclusief de studenten in het hoger agrarisch onderwijs.

Uit tabel 3.1 blijkt dat het totaal aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs – na omrekening van cursusjaren naar kalenderjaar – 3 500 lager is dan destijds voor 2001 is geraamd. Dit is een afwijking van circa 1,2% ten opzichte van het oorspronkelijk geraamd aantal. De raming van in- en doorstroom voor de berekening van het aantal studenten op peildatum 2000/2001 viel ten opzichte van de oorspronkelijke circa 1,6% te hoog uit. De raming van de in- en doorstroom percentages voor 2001/2002 kent een afwijking van ± 0,3%.

Collegegelden

 

Tabel 3.2: Met beleidsterrein 21 samenhangende financiële kerncijfers (x € 1 miljoen)

HBO Begroting

Realisatie

Collegegelden* 377,1

376,7

  • Opbrengst collegegelden is geschat op basis van het aantal studenten (peildatum collegejaar) x het normbedrag.

De ontvangen collegegelden door de hogescholen zijn 0,4 miljoen minder dan was geraamd. Dit heeft twee oorzaken. Het verschil van 0,2 miljoen is toe te rekenen aan het groter aantal ingeschreven studenten. In werkelijkheid hebben zich voor het collegejaar 2001/2002 ongeveer 2 200 voltijd-studenten meer en 3 300 deeltijd-studenten minder ingeschreven dan geraamd. Het restantverschil van 0,6 miljoen (negatief) werd veroorzaakt doordat het gehanteerde indexatiepercentage van 1,94% (prijsindex gezinsconsumptie) als gevolg van een afronding iets lager uitviel dan het geraamde percentage van 2,1%.

Uitgaven per student

 

Tabel 3.3: Uitgaven per student (x € 1000)

HBO

Begroting

Realisatie

Uitgaven per student excl. WSF/WTS en huisvesting*

Uitgaven huisvesting per student

Uitgaven per student excl. WSF/WTS, huisvesting in constante prijzen

4,0 0,6

4,0

4,3 0,6

4,0

  • De uitgaven per student zijn berekend door de gesaldeerde uitgaven op het beleidsterrein, exclusief de studietoelagen en huisvestingsuitgaven, te delen door het aantal ingeschreven studenten in fte naar kalenderjaar

De gestegen uitgaven per student zijn grotendeels het gevolg van loon- en prijsbijstellingen. De hoogte van de uitgaven per student is verder beïnvloed door de autonome verlaging als gevolg van de bijstelling van de studentenaantallen. Daarnaast zijn in het jaar 2001 extra middelen aan de begroting van het beleidsterrein toegevoegd. Het betreft onder meer een beleidsmatige verhoging van de middelen voor het oplossen van knelpunten op het gebied van arbeidsmarktbeleid ( 13,5 miljoen) en versterking van het beroepsonderwijs ( 28,4 miljoen).

De stijging van de uitgaven voor huisvesting bedraagt feitelijk iets meer dan 8,2 miljoen (door een rekenkundige afronding is deze stijging in de uitgaven per student niet zichtbaar). De stijging werd positief beïnvloed door het verwerken van de prijsbijstelling.

Ontwikkeling rendement

Uit tabel 3.4 blijkt dat het percentage gediplomeerden na 6 jaar in het initieel hbo van studenten die zijn ingestroomd in 1991-1995 licht fluctueert.

 

Tabel 3.4: Ontwikkeling rendement

Cohort 1991

1992

1993

1994

1995

Percentage gediplomeerden na6jaar 59,7

59,8

60,2

59,7

60,2

Bron: CRIHO

  • 4. 

    Financiële positie hogescholen

Inleiding

Hogescholen leggen jaarlijks verantwoording af over hun beleid en financiële positie via een jaarverslag. De meest recent verwerkte jaarverslagen zijn die over 2000.

Globale beoordeling

In het algemeen is er eind 2000 sprake van een lichte verbetering ten opzichte van het jaar ervoor. Dat de negatieve trend van de laatste jaren lijkt te zijn doorbroken wordt ook nu evenals in 1999 opnieuw bevestigd.

De financiële positie eind 2000 kan gekwalificeerd worden als matig tot voldoende. Dat is echter een momentopname en geldt voor alle hogescholen gezamenlijk.

4.1 Kengetallen financiële positie hogescholen

Feitelijke ontwikkelingen:

Ontwikkeling financiële kengetallen HBO-totaal, 1996–2000

200

150-

100

50

-50-

1996

1997

1998

1999

2000

Solvabiliteit (exclusief voorzieningen)

Na een terugval in de jaren 1997 en 1998 stabiliseert de solvabiliteit in

1999 en heeft het gehele hoger beroepsonderwijs zich in 2000 hersteld op het niveau van 1996. De hoogte van de gewogen gemiddelde solvabiliteit bedraagt in 2000 24%, hetgeen gekwalificeerd kan worden als matig tot voldoende.

De ontwikkeling:

In 1997 hebben 9 hogescholen een slechte solvabiliteit. In 1998 is dat aantal gestegen tot 10 en in 1999 afgenomen tot 6. In 2000 zitten nog slechts

3 hogescholen in een slechte solvabele situatie, waarvan 2 dezelfde hogescholen zijn als die uit 1997 en 1 hogeschool uit 1999.

Liquiditeit

Na een periode van daling in 1997 en 1998 ten opzichte van 1996 is een herstelperiode in 1998 ingezet, die in 1999 en 2000 nog lichtelijk doorzet. De liquiditeitsratio ultimo 2000 bedraagt 0,93, hetgeen wordt gekwalificeerd als matig tot voldoende.

De ontwikkeling:

In 1997 hebben 10 hogescholen een slechte liquiditeit. In 1998 is dat aantal toegenomen tot 11 en in 1999 afgenomen tot 9. In 2000 hebben nog slechts 6 hogescholen een slechte liquiditeitspositie, waarvan 3 dezelfde zijn als die uit 1997, 1 hogeschool uit 1998 en 2 uit 1999.

0

Rentabiliteit

Na twee tegenvallende resultaten in de jaren 1997 en 1998, heeft het gehele hoger beroepsonderwijs in 1999 al een herstel laten zien, maar in

2000 is dat pas duidelijk zichtbaar, een aanzienlijke verbetering van het resultaat van bijna 85% ten opzichte van 1999. De rentabiliteitsratio 2000

bedraagt 2,4% en evenals in 1999 wordt deze ratio gekwalificeerd als

«goed».

De ontwikkeling:

In 1997 hebben 11 hogescholen een slechte rentabiliteit. In 1998 is dat aantal aanzienlijk toegenomen tot 20 en in 1999 sterk afgenomen tot 9. In 2000 hebben 7 hogescholen een slechte rentabiliteitswaarde; er zitten géén hogescholen meer uit 1997, wel 2 dezelfde hogescholen uit 1998 en 2 uit 1999.

Beleidsterrein 22 Wetenschappelijk onderwijs

  • 1. 

    Algemeen

Dit beleidsterrein omvat de universiteiten en academische ziekenhuizen (artikel 22.01), de instituten van internationaal onderwijs en onderzoek (artikel 22.02) en de overige instituten van hoger onderwijs (artikel 22.03). De bekostiging en subsidiëring van deze instellingen geschiedt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), een aantal subsidieregelingen en in een aantal gevallen op basis van afzonderlijke wetgeving.

De uitgaven voor het wetenschappelijk onderwijs bedroegen 2 901,9 miljoen en de ontvangsten 1,2 miljoen.

In hoofdstuk 2 van dit financieel jaarverslag 2001 is aandacht besteed aan diverse onderwerpen die (eveneens) betrekking hebben op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor beleidsterrein 22 (x € 1 miljoen)

WO

Begroting

Realisatie

Verschil

Universiteiten (inclusief werkplaatsfunctie academische ziekenhuizen) (artikel 22.01) Bekostiging overige instellingen (artikel 22.02 + 22.03)

Rechtspositionele uitkeringen (artikel 22.04) Overige uitgaven (artikel 22.06)

2 572,6

114,2

0,8

10,9

2 758,0

119,4

0,9

23,6

185,4

5,2

0,1

12,7

Totale uitgaven

2 698,5

2 901,9

203,4

Totale ontvangsten

1,1

1,2

0,1

Totale uitgaven en ontvangsten

Tegenover het totale uitgavenbedrag (voor onderwijs en onderzoek) van 2 901,9 miljoen staat onder meer dat in 2001 (uitkomsten gebaseerd op tabel 3.1) 163 654 studenten universitair onderwijs hebben genoten. Het wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2001/2002 bedraagt 1 329,58. De onderwijskosten per student op basis van de rijksbijdrage, exclusief huisvesting, bedragen 4 750,-. De huisvestingskosten per student bedragen ca. 200,-.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Het verschil tussen de begroting en realisatie 2001 van + 203,4 miljoen wordt voornamelijk veroorzaakt door mutaties uit aanvullende posten zoals algemene salarismaatregelen en prijsbijstellingen (totaal + 134,0 miljoen). Het restant van dit verschil is ontstaan door bijstellingen op de diverse artikelen binnen beleidsterrein 22 te weten: overboekingen ten laste van het ministerie van Buitenlandse Zaken en ten gunste van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

( 3,1 miljoen);

  • • 
    interne overboekingen binnen het ministerie (-€ 1,1 miljoen);
  • • 
    autonome mutaties ( 7,4 miljoen)
  • leerlingenvolume
  • bekostiging universiteiten
  • kasrealisaties
  • • 
    beleidsmatige mutaties ( 60,0 miljoen)
  • numerus fixus geneeskunde en tandheelkunde
  • arbeidsmarktknelpunten
  • invoering bachelor-master structuur
  • wachtgelden/incidenteel
  • ict in het hoger onderwijs
  • kasbeleid

Verantwoording van de HGIS/ODA-uitgaven

(Homogene Groep Internationale Samenwerking/Official Development

Association)

Tabel 2.2: Overzicht van HGIS/ODA-uitgaven 2001 (x € 1 miljoen)

Begro-           Reali- Verschil ting             satie

Instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek (art. 22.02)                                                                               44,2              45,7                  1,5

Het verschil in HGIS-uitgaven tussen begroting en realisatie 2001 van 1,5 miljoen wordt veroorzaakt door bijstellingen op het gebied van de (doorwerking van) loon- en prijsmaatregelen 2000 en 2001.

  • 3. 

    Financiële verschillen toegelicht met kengetallen

Studentvolume

Tabel 3.1: Aantal ingeschreven studenten kalenderjaar 2001 (x 1000)

WO                                                                                                                     Begro-             Reali- ting               satie

Aantal studenten                                                                                                160,1              163,7

Bron: Referentieraming 2000 en voorlopige CRIHO telling januari 2002

Dit betreft het bruto aantal studenten, inclusief de extraneï maar exclusief de studenten van de Wageningen Universiteit en OUNL naar kalenderjaar. Ten opzichte van de Referentieraming 2000 die gehanteerd is bij de begroting 2001 is het verwachte aantal studenten in het kalenderjaar 2001 met ruim 2% toegenomen.

Collegegelden

 

Tabel 3.2: Opbrengst collegegelden 2001 (x € 1 miljoen)

WO

Begroting

Realisatie

Opbrengst collegegelden (schatting)

207,8

214,8

Op basis van de in tabel 3.1 gepresenteerde studentenaantallen en het naar kalenderjaar berekende collegegeld is in tabel 3.2 een schatting gemaakt van de begrote en gerealiseerde collegegeldontvangsten in 2001. De collegegelden worden door de studenten rechtstreeks betaald aan de universiteiten.

Uitgaven per student

 

Tabel 3.3: Onderwijsuitgaven per student 2001 (x € 1 000)

WO

Begroting

Realisatie

Onderwijsuitgaven per student, excl. WSF en huisvesting Uitgaven huisvesting per student (onderwijsdeel) Collegegelden per student

4,0 0,2 1,3

4,8 0,2 1,3

(Uitgaven in lopende prijzen)

Het verschil in de uitgaven per student tussen de begroting 2001 en de realisatie laat zich verklaren doordat het aantal studenten ten opzichte van de begroting 2001 is gestegen van 160 084 naar 163 654. Het percentage onderwijsuitgaven binnen de totale uitgaven volgens de nieuwste inzichten is vastgesteld op 34,9% (in de begroting 2001 is uitgegaan van 31,2%). De totale uitgaven aan het wetenschappelijk onderwijs zijn gestegen met 203,4 miljoen.

De onderwijsuitgaven exclusief WSF en exclusief huisvesting bedragen circa 4 750,- per student en inclusief huisvesting circa 4 950,- per student (zie tabel 3.3).

Toelichting bij de uitgaven per student

De onderwijsuitgaven per student zijn opgebouwd uit het onderwijsdeel van de rijksbijdrage aan universiteiten, vermeerderd met het onderwijsdeel van de overige uitgaven ten behoeve van de universiteiten en verminderd met de ontvangsten op dit beleidsterrein. De uitgaven voor universitaire lerarenopleidingen zijn volledig aan het onderwijsdeel toegerekend. Voor de berekening van de uitgaven per student is het bruto aantal studenten gebruikt.

Overigens zijn bovengenoemde bedragen illustratief bedoeld. De onzekerheidsmarge is groot omdat de hier gehanteerde scheiding tussen onderzoek en onderwijs gegeven de lumpsum en niet geoormerkte financiering kunstmatig is.

Instroom in het wetenschappelijk onderwijs

 

Tabel 3.4: Aantal studenten 1e jaar (x 1 000)

WO

Begroting

Realisatie

Aantal studenten 1e jaar

31,1

33,6

Bron: Referentieraming 2000 en voorlopige CRIHO telling januari 2002

Doorstroom vwo–wo

Tabel 3.5: Doorstroom vwo – wo 2000/2001

WO                                                                                                                                             Reali- satie

Aantal vwo-diploma’s                                                                                                           26329

Directe instrominginwo                                                                                                      18832

% direct                                                                                                                                           72

Bron: voorlopige CRIHO telling januari 2002

In 2001 koos ca. 72% van de vwo-gediplomeerden direct voor het wo. Daarnaast stroomt circa 10% indirect door en vindt nog doorstroom plaats na het voltooien van een hbo opleiding.

Instroom Bèta/techniek

 

Tabel 3.6: Instroom in bèta opleidingen 2001

WO

Natuur

Techniek

Totaal

2 508

4 419

33 585

% natuur t.o.v. totaal % techniek t.o.v. totaal

7,5 13,2

Bron: CRI, OCenW telling (incl. landbouw)

De instroom in bèta- en techniekopleidingen vertoont al jaren een lichte afname. Binnen deze sector is veel variatie waarbij opvalt dat enkele nieuwe opleidingen stijgende aantallen laten zien en klassieke vakken als scheikunde en wiskunde forse dalingen vertonen. De sectoren economie en gedrag & maatschappij vertonen een stijging.

Percentage vrouwenonder eerstejaarsNederland

 

Tabel 3.7: Percentage vrouwen onder eerstejaars

Nederland

         

Landbouw

Natuur Techniek

Gezondheid

Economie

Recht

G&M

T&C

Totaal

Vrouwen 54,9

32,3 18,3

67,4

30,8

60,6

74,2

67,9

51,5

Bron: Referentieraming 2001

Sinds het collegejaar 1999/2000 is het percentage vrouwen hoger dan 50% in het eerste jaar. Ook in het collegejaar 2000/2001 is dit percentage verder toegenomen. Wel blijft het percentage in sommige sectoren (met name economie, techniek en natuur) sterk achter.

Rendementen

 

Tabel 3.8: Rendementen

Wo diploma na

Natuur

Techniek

Gezond-

Rechten

Economie

G&M

T&C

Land-

Gemid-

8 jaar

   

heid

       

bouw

deld

1989/90

67

60

82

55

60

59

52

77

61

1990/91

67

60

78

54

59

59

51

79

60

1991/92

65

59

79

54

59

59

49

77

59

hbo diploma

Natuur

Techniek

Gezond-

Rechten

Economie

G&M

T&C

Land-

Gemid-

na 8 jaar

   

heid

       

bouw

deld

1989/90

6

15 3 5 8 6 7 7

7

1990/91

5

13

5

6

10 6 8 5

8

1991/92

7

13

4

6

10 6 8 6

8

ho diploma na

Natuur

Techniek

Gezond-

Rechten

Economie

G&M

T&C

Land-

Gemid-

8 jaar

   

heid

       

bouw

deld

1989/90

73

75

85

60

68

65

59

84

68

1990/91

72

73

83

60

69

65

59

84

68

1991/92

72

72

83

63

69

65

57

83

67

Bron: VSNU (KUO) en OCenW in kerncijfers 2002

Personele inzet bij universitair onderzoek en aantal wetenschappelijke publicaties

Tabel 3.9: Onderzoeksinput en -output

Wetenschappelijke publicaties/ wetenschappelijk personeel onderzoek

Totaal aantal publicaties                                                                                                       51496

Exclusief landbouw                                                                                                               49218

Totale inzet wetenschappelijk personeel onderzoek incl. landbouw                           14 245

Exclusief landbouw                                                                                                               13383

Gemiddeld aantal publicaties perWPincl. landbouw                                                          3,6

Exclusief landbouw                                                                                                                     3,7

Bron: VSNU, kengetallen universitair onderzoek 1998

Een substantieel deel van de middelen van de universiteiten wordt ingezet voor onderzoek. Het Nederlandse onderzoek wordt internationaal gezien goed gewaardeerd. Het aandeel van Nederland in het mondiale aantal onderzoeksartikelen stijgt. Nederland bezet in de periode 1994–1998 hiermee de tiende positie. In de ranglijst van de citatie-impact bezet Nederland in deze periode de derde positie (bron: Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie, NOWT indicatoren 2000).

  • 4. 

    Financiële positie wo-veld

De financiële weerbaarheid van de gezamenlijke universiteiten, exclusief Wageningen Universiteit en Open Universiteit Nederland, vertoont een gestage daling. Wanneer deze trend zich de komende jaren voortzet vereist dit wel de nodige aandacht. Dit ook in het licht van de omvangrijke, voorgenomen investeringen in de huisvesting. Deze conclusie blijkt uit de onderstaande financiële kengetallen (gewogen gemiddelde):

Liquiditeit (current ratio):

definitie: vlottende activa / kortlopende schulden

Bron: Financiële rapportage 1995–2000 door CFI

Solvabiliteit (exclusief voorzieningen): definitie: eigen vermogen / totaal vermogen

Bron: Financiële rapportage 1995–2000 door CFI

Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%)

definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering /totale baten uit gewone bedrijfsvoering

Bron: Financiële rapportage 1995 – 2000 door CFI

Zowel de liquiditeit als de solvabiliteit tonen een dalende tendens. Het aanwenden van liquiditeiten en het aantrekken van lang vreemd vermogen – beide ten behoeve van investeringen in de huisvesting – zijn hiervoor de belangrijkste verklaringen.

Bij het kengetal rentabiliteit uit gewone bedrijfsvoering moet de kanttekening geplaatst worden, dat een universiteit geen profitorganisatie is en derhalve streeft naar continuïteit en niet naar winst. Desondanks is het vormen van een financiële buffer voor het opvangen van toekomstige onvoorziene tegenvallers en ook als financieringsbron voor toekomstige investeringen in intussen ook in prijs gestegen – vaste activa noodzakelijk.

Beleidsterrein 23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

  • 1. 

    Algemeen

De totale uitgaven van het beleidsterrein onderzoek en wetenschapsbeleid bedroegen in 2001 757,1 miljoen en de ontvangsten 101,1 miljoen. De uitgaven zijn voor meer dan 91% toebedeeld aan artikel 23.01 en voornamelijk aangewend voor de financiering op lumpsumbasis van 30 grote(re) en kleinere instellingen van verschillend karakter. Hieronder vallen onder andere de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO).

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor beleidsterrein 23 (x € 1 miljoen)

OWB

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 
  • KNAW

67,8

74,8

7,0

  • NWO

270,0

309,4

39,4

– TNO

180,1

186,2

6,1

– BPRC / Nationaal Herbarium

3,2

4,4

1,2

– Grote technologische instituten

3,5

3,5

0,0

– Bibliotheken en informatieverzorging

36,8

39,7

2,9

– Instellingen voor alfa / gamma onderzoek

3,6

3,8

0,2

– Internationale onderzoekinstellingen

65,3

67,5

2,2

– COS

0,4

0,5

0,1

– Publieksvoorlichting en technologische aspecten-

     

onderzoek

2,3

2,9

0,6

– Rechtspositionele lasten

14,5

0,3

  • 14,2

– Stelselwijziging rijkshuisvesting

3,1

0,0

-3,1

Totaal artikel 23.01 Onderzoekinstellingen

650,6

693,0

42,4

Totaal artikel 23.04 Nationale en internationale coör-

     

dinatie wetenschapsbeleid

36,2

64,1

27,9

Totaal uitgaven

686,8

757,1

70,3

Totaal ontvangsten

111,5

101,1

  • 10,4

Totale uitgaven en ontvangsten

De bovengenoemde uitgaven van 757,1 miljoen zijn samengesteld uit enerzijds uitgaven voor nationale en internationale onderzoeksinstellingen en anderzijds uitgaven voor coördinatieactiviteiten. Voorbeelden van dit laatste zijn Genomics en investeringen vanuit het Fonds Economische Structuurversterking in de vernieuwingsimpuls ( 11,3 miljoen), Biomade ( 1,6 miljoen), Delft Cluster ( 5,9 miljoen) en Watergraafsmeer ( 4,5 miljoen).

De ontvangsten bestaan voor het merendeel uit doelsubsidies aan TNO van de ministeries van Economische Zaken en Defensie en uit ontvangsten uit het Fonds Economische Structuurversterking.

Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeleid

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) In 2001 zijn convenanten getekend tussen OCenW en de KNAW voor de samenwerkingsprogramma’s met China en Indonesië. De KNAW heeft het programma wetenschappelijke verkenningen daadwerkelijk gestart en overlegt hierover regelmatig met OCenW. Eind 2001 bracht de KNAW de notitie Wetenschappelijke integriteit uit, waarin een leidraad wordt gegeven voor de omgang met verschillende vormen van wetenschappelijk wangedrag.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) NWO is in het afgelopen jaar voortvarend verder gegaan met de verdere vormgeving van de vernieuwingsimpuls. Ook heeft de organisatie een belangrijke rol gekregen bij de toedeling van middelen voor Genomics. In 2001 bracht de organisatie de nota Thema’s met talent uit. Aan deze nota is een intensief consultatieproces voorafgegaan. NWO wil de komende vier jaar vooral inzetten op het bieden van kansen aan jonge, talentvolle onderzoekers en op negen geselecteerde grote onderzoekthema’s. De minister heeft hierop instemmend gereageerd in de Voortgangsrapportage wetenschapsbeleid 2002.

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)

De belangrijkste activiteit voor TNO in 2001 was de voorbereiding van de strategienota 2003–2006. Deze nota, waarin de organisatie de koers voor de genoemde jaren uitzet, is eind 2001 door de Raad van Toezicht vastgesteld en zal begin 2002 aan de minister van OCenW, als penvoerend minister, worden aangeboden.

Adviesraad voor Wetenschaps- enTechnologiebeleid (AWT) De AWT is in 2001 door de onafhankelijke commissie Dittrich geëvalueerd. Het Kabinet ondersteunt de conclusie van de Commissie Dittrich dat ingrijpende wijzigingen in de adviesrol van de AWT niet aan de orde zijn. Wel moet de AWT zich concentreren op zijn signalerende en proces-sturende rol. Daarmee vervalt de taak om zelf verkenningen te ondernemen.

Internationale faciliteiten

Zoals reeds in de begroting 2001 aangegeven, zal NWO bestaande verplichtingen voor internationale onderzoekfaciliteiten correct afhandelen, maar geen nieuwe voorstellen meer in behandeling nemen.

Publieksvoorlichting en maatschappelijke oordeelsvorming

Wetenschap- en techniekcommunicatie

Begin 2001 heeft de Tweede Kamer het meerjarenplan van de stichting WeTeN ontvangen en ter kennisgeving aangenomen. Het plan schetst het perspectief voor de komende jaren. In 2001 is WeTen gestart met de uitvoering van de beleidsprioriteiten. Dit zijn onder andere het adoptieplan onderwijs, het fonds voor wetenschapsredacteuren en een platform voor themagebonden activiteiten (zoals tentoonstellingen en workshops).

Naast het nationale beleid voor publiekscommunicatie over wetenschap en techniek is er in internationaal verband steeds meer aandacht voor de relatie tussen wetenschaps- en techniekontwikkeling en de samenleving. Bij de voorbereidingen voor het zesde EU-kaderprogramma verscheen in de zomer een mededeling van de Europese commissie over science and society. Deze mededeling werd op de Onderzoekraad van 10 december 2001 gevolgd door een action plan. Het action plan sluit goed aan bij het Nederlandse beleid voor publiekscommunicatie over wetenschap en techniek. Ook hier wordt veel aandacht geschonken aan de rol van de media en het imago van wetenschap en techniek. Niet alleen volwassenen, maar ook jongeren zijn een belangrijke doelgroep voor dit beleid dat onder meer gericht is op bewustwording van het belang om een carrière te kiezen in de richting van wetenschap of techniek in de kennisintensieve samenleving.

Rathenau Instituut

In de zomer van 2001 verscheen het kabinetsstandpunt over de evaluatie van het Rathenau Instituut. Het kabinet onderstreept, juist in deze tijd, het belang van technology assessment. Ook onderschrijft het kabinet de aanbevelingen van de evaluatiecommissie dat het instituut meer moet werken aan zijn bekendheid. Het Rathenau Instituut was in het werkprogramma 2000-2001 al vooruitgelopen op de aanbevelingen, door activiteiten aan te kondigen waarmee zichtbaarheid en transparantie worden bevorderd.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

De stand ontwerpbegroting 2001 is verhoogd met 11,3 miljoen ter versterking van het fundamenteel onderzoek (nota van wijziging) en met 0,5 miljoen voor het budget Aspasia-programma (amendement).

De meeruitgaven van 70,3 miljoen ten opzichte van de begroting zijn voor een bedrag van 19,8 miljoen het resultaat van beleidswijzigingen. Hiervan is 4,5 miljoen verstrekt aan NWO in het kader van Genomics. Verder zijn budgetverhogingen ontvangen voorde primatenhuisvesting BPRC, knelpunten arbeidsmarktbeleid en omvormingskosten Stichting We Ten (totaal 8,8 miljoen). Daarnaast is de geplande kasschuif NWO voor 2001 verschoven naar 2002 ( 6,8 miljoen) en vond een verlaging plaats door intertemporele compensatie (-€ 0,3 miljoen).

De meeruitgaven zijn verder het resultaat van technische mutaties voor een totaal van circa 51,6 miljoen. Dit betreft de loon- en prijsbijstelling ( 26,5 miljoen), budgetneutrale desalderingen (-€ 10,3 miljoen), overboekingen voor Genomics ( 18,1 miljoen), een overboeking van ict-middelen voor het programma Het geheugen van Nederland ( 2,3 miljoen), een overboeking van de middelen voor TNO - Dino ( 12,2 miljoen) en enkele overboekingen van per saldo 2,8 miljoen. De autonome verlaging van 1,1 miljoen is het saldo van de middelen voor de verlenging van het programma Infodrome, een bijstelling van het huisvestingsbudget en verminderde uitgaven voor het programma Economie, Ecologie, Technologie.

De ontvangsten zijn per saldo 10,4 miljoen lager door budgetneutrale desalderingen. Dit bedrag houdt voor 13,8 miljoen verband met de overdracht van de doelfinanciering TNO van het ministerie van Economische zaken in het kader van het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG). Het verhogend effect op de ontvangsten is vrijwel geheel het gevolg van de loon- en prijsbijstelling van de ministeries van Economische zaken en Defensie ten aanzien van de financiering van TNO.

  • 3. 

    De beleidsdoelen op basis van kengetallen

Beleidsdoelen en kengetallen

Er zijn verschillende niveaus waarop met behulp van kengetallen de algemene ontwikkelingen op het terrein van wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gevolgd, van algemeen tot meer specifiek, van onderwerp tot instelling. Hierna worden enkele thema’s van het Wetenschapsbudget met algemene kengetallen langsgelopen. Daarbij kunnen vergelijkingen met andere landen een indicatie geven van de positie die Nederland internationaal inneemt, al moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden in de diverse landen.

Onderzoek als carrière

Het menselijk kapitaal vormt de basis voor het functioneren van wetenschappelijk onderzoek, maar ook voor het gebruik van in wetenschappelijk onderzoek geproduceerde kennis. Nederland heeft een goede basis in de vorm van een hoogopgeleide beroepsbevolking, maar heeft problemen wat betreft de aantrekkingskracht voor een baan in het wetenschappelijk onderzoek, zoals blijkt uit diverse studies. Als aandeel van de beroepsbevolking neemt Nederland een middenpositie in binnen Europa, zoals blijkt uit de volgende figuur.

Figuur 1: Aantal onderzoekers per 1000 personen van de beroepsbevolking, 1999

Japan EU

Finland

Iceland

Sweden

Switzerland (96)

Denmark

France

Germany

Netherlands

Norway

Belgium (98)

United Kingdom (93)

Austria (98)

Ireland (97)

Spain

Italy (97)

Greece

Portugal

Bron: OESO

_

"I I I I I

----------1

---------1

~l ~l

0,0

5,0

10,0

15,0

20,0

25,0

Daar komt bij dat voorzien kan worden dat er de komende 10 jaar een grote uitstroom plaatsvindt bij publieke kennisinstellingen, met name universiteiten. Om te voorzien in de behoefte aan wetenschappelijk onder-

1 EUROSTAT, Women in public research and higher education in Europe, uitgave is de serie Statistics in focus, 7/2001.

zoekers, wordt er een toenemend beroep gedaan op onderzoekers uit het buitenland. Het aantal tewerkstellingsvergunningen voor assistenten in opleiding (aio’s), onderzoekers in opleiding (oio’s), bursalen en academieonderzoekers is tussen 1996 en 2000 gestegen van 760 tot 1859.

Een belangrijke karakteristiek wat betreft onderzoekspersoneel is het lage aandeel vrouwen. Tabel 3.1 laat zien dat bij de universiteiten het aandeel vrouwen in de diverse wetenschappelijke functies stijgend is, maar dat de inhaalslag slechts langzaam gaat. Ondanks die stijgende lijn laat een internationale vergelijking zien dat Nederland een relatief laag aandeel heeft1. Nederland deelt deze lage positie met België en Duitsland.

 

Tabel 3.1: Aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies bij

universiteiten

OWB

1990

1995

1999

2000

Hoogleraren

2,6

4,2

5,9

6,3

UHD’s

6,1

7,0

8,6

10,7

UD’s

15,8

18,2

22,1

22,4

Overig WP

28,8

32,5

32,7

32,8

AIO’s

28,1

32,5

42,0

43,0

Stud. assistenten

37,2

39,7

40,1

40,0

Totaal WP

20,2

22,9

26,7

27,7

Bron: VSNU/WOPI

Investeren in kennisopbouw en output

Maatschappelijke ontwikkelingen vragen om nieuwe kennis. Aan de andere kant leidt nieuwe kennis ook tot nieuwe diensten en producten. Ten behoeve van de internationale concurrentiepositie is het van belang te blijven investeren in de ontwikkeling van nieuwe kennis. De volgende figuur bevat de R&D-uitgaven in Nederland voor 1999, onderscheiden naar financieringsbron. De figuur laat zien dat de omvang van de financiering voor alle bronnen stijgt, zij het wisselend. Aan de totale stijging in de periode 1990–1999 draagt de overheid voor 11% bij, bedrijven voor 53%, overig Nederland voor 7% en het buitenland voor 29%. Wanneer de gegevens worden gerelateerd aan de ontwikkeling van het BBP, dan blijkt dat dit percentage voor Nederland in deze periode schommelt rond de 2% met een spreiding van ongeveer 0,1% naar boven en beneden.

Figuur 2: R&D-uitgaven Nederland, in miljarden euro’s, naar financieringsbron, 1990–1999

i--------1--------1--------1--------1--------1--------1--------r

1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999

Overi ie d

Overi eder d Overheid

D edri ve

Bron: CBS

Nederland heeft in 1999 een BBP-percentage dat boven het EU-gemiddelde uitkomt, maar kent een benedengemiddeld groeipercentage vanaf 19951. In vergelijking met andere landen financiert de overheid relatief veel en financieren bedrijven relatief weinig, maar neemt de overheidsfinanciering als percentage van het BBP vanaf 1990 af (1,00% in 1990, 0,72% in 1999).

Neemt Nederland op het aspect investeren in kennisopbouw een middenpositie in, deze investeringen hebben in de tweede helft van de jaren negentig geleid tot een bovengemiddelde output, wat betreft wetenschappelijke publicaties (10de positie mondiaal), citaties (20% boven het mondiale gemiddelde) en patenten. In die zin is sprake van een relatief doelmatige inzet van middelen.

1 European Commission, Key Figures 2001, 2001.

Samenwerking

Betrokkenen in het Nederlandse onderzoek hebben steeds meer contacten, zowel nationaal als internationaal. Nationaal in de vorm van opdrachtonderzoek en de vorming van netwerken, internationaal tot het in steeds grotere mate publiceren met onderzoekers uit andere landen. Het aandeel extern gefinancierd onderzoek bij publieke kennisinstellingen is hoog vergeleken met andere landen, maar geldt vooral voor niet-universitaire instellingen. Het aandeel publiek-private co-publicaties is de laatste jaren (weer) stijgend.

Daarnaast is er een toename van het aantal publicaties in internationale tijdschriften, waarbij Nederlandse onderzoekers samen met buitenlandse onderzoekers publiceren. Daarbij is een toenemende Europeanisering te

8

7

6

5

4

3

2

zien. Nederland werkt met onderzoekers in meer dan honderd andere landen samen, en dat aantal is stijgende.

Dat Nederlandse kennisinstellingen netwerken, blijkt ook uit een recent onderzoek van Senter naar de deelname van deze instellingen aan regelingen van Senter (als uitvoerder van het ministerie van Economische Zaken). Voorbeelden zijn de regeling Bedrijfsgerichte Technologische Samenwerkingsprojecten (BTS), het programma Economie, Ecologie Technologie (EET), de Innovatiegerichte Onderzoekprogramma’s (IOP) en de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). Omdat kennisinstellingen bij verschillende regelingen geen aanvrager kunnen zijn, moeten ze samenwerken met een bedrijf. Kennisinstellingen ontvingen in de periode 1998-2000 iets meer dan 136 miljoen. Hiervan namen de universiteiten 46% voor hun rekening, TNO 18%, Dienst Landbouwkundig Onderzoek 16% en de grote technologische instituten 11%. De overige middelen zijn verdeeld onder de overige kennisinstellingen. Het merendeel van het geld kwam de hierboven genoemde regelingen (BTS, EET, IOP en WBSO).

Specifieke kengetallen

Drie belangrijke instellingen in het publieke onderzoekbestel zijn NWO, KNAW en TNO. De volgende tabel geeft een overzicht van de inzet van personeel in de afgelopen jaren.

 

Tabel 3.2:

Personeelsgegevens

voor

NWO, KNAW

en TNO (in fte)

 
 

1995

1996

1997

1998

1999

2000

NWO

KNAW

TNO

4 341

971

3 997

4 348

992

3 997

4 246 1 002 4 192

4 419 1 022 4 442

4 286 1 067 4 941

4 554 1 130 4 975

Noot: de NWO-gegevens vanaf 1999 zijn inclusief de medewerkers die NWO financiert, maar in dienst zijn van de universiteiten

  • 4. 

    Financiële positie owb-veld

In 2000/2001 is bij NWO, TNO, KNAW en KB een onderzoek naar de wenselijke omvang van het eigen vermogen uitgevoerd. Daaruit blijkt dat indien NWO, TNO en KNAW per ultimo 1999 hun bedrijfsmiddelen hadden moeten vervangen, hun vermogen niet toereikend was om die vervanging volledig uit eigen middelen te financieren. Bij deze gevolgtrekkingen past wel de kanttekening dat de toepassing van de geüniformeerde systematiek met een aantal onzekerheden is omgeven. Ten behoeve van latere herberekeningen zijn en worden bij alle betrokken instellingen daarom - in samenspraak met de instellingsaccountants aanpassingen in de registratie van vermogensbestanddelen aangebracht.

NWO

De rijksbijdrage over 2000 bedroeg 294 miljoen (in 1999 268 miljoen), ofwel circa 81% van de inkomsten (1999: 88%). Deze relatieve afname hangt samen met het toegenomen aandeel van bijdragen door de andere departementen. De jaarrekening toont een exploitatietekort van 20 miljoen over 2000 (1999: 35 miljoen negatief). Hoewel in financiële termen niet van risico ontbloot, is dit gezien de aard van de NWO activiteiten (geldverdeling) geen slecht resultaat. Dit is acceptabel zolang het eigen vermogen voldoende blijft. De financiële kengetallen van NWO laten zien dat de vermogensverhoudingen voldoende zijn : het eigen vermogen inclusief de als bestemmingsreserve te bestempelen «speciale fondsen» bedroeg per ultimo 2000 circa 44% van het totale vermogen (in 1999 circa 46%). De liquiditeitspositie is op dit moment zonder meer goed. Op enig moment zal echter wel meer inkomen moeten ontstaan, dan wel in de activiteiten gesnoeid.

TNO

De rijksbijdrage aan TNO bedroeg in 2000 173 miljoen (1999: 176 miljoen), ofwel circa 36%. De overige baten haalt TNO uit opdrachten voor overheden en bedrijven. Het jaar 2000 is afgesloten met een positief resultaat van 7 miljoen. (1999: 6 miljoen). De rentabiliteit over 2000 is daarmee op het eerste gezicht voldoende. Dat resultaat was echter voor een groot deel toe te schrijven aan het resultaat op effecten. De omvang van de effectenportefeuille is inmiddels fors verminderd. In 2000 is beduidend minder geïnvesteerd dan in 1998 en 1999. Nadat de vermogensverhoudingen in 1999 flink achteruit waren gegaan, zijn zij in 2000 licht verder gedaald. Het eigen vermogen ad 219 miljoen bedraagt nog steeds 54% van het totale vermogen. Hoewel de liquiditeit nog als matig tot voldoende bestempeld kan worden, ziet het er naar uit dat deze voor 2001 lager zal uitvallen.

KNAW

De rijksbijdrage aan de KNAW bedroeg in 2000 69 miljoen (1999: 71 miljoen), ofwel ruim 74% van de inkomsten. Het netto resultaat van de KNAW bedroeg 9 miljoen, waarmee de rentabiliteit van het totale vermogen op 10% kwam te liggen (in 1999 nog 3 miljoen en 1,9%). Dit resultaat is enerzijds het effect van een technische stelselaanpassing, anderzijds het kwalitatief verbeterde financieel beheer. Het volledige verbeteringstraject zal overigens nog doorlopen tot in het boekjaar 2002. Door deze ontwikkelingen is de financiële positie van de KNAW goed aan het worden. Het aandeel van het eigen vermogen lag per ultimo 2000 op 65% (exclusief de uit particuliere bijdragen gevoede fondsen overigens op 45%) en de liquiditeit was goed.

Koninklijke Bibliotheek

De rijksbijdrage voor de KB bedroeg in 1999 en 2000 circa 18 miljoen. Dit komt overeen met 81% van de totale baten. De KB is dus evenals de NWO grotendeels afhankelijk van de rijksoverheid. Na een te verwaarlozen resultaat in 1999, volgde in 2000 een negatief resultaat van 0,7 miljoen. Het eigen vermogen daalde naar 5 miljoen. De liquiditeit van de KB is overigens nog redelijk. Een in het oog springende kostenpost betreft de kosten van de externe advisering. Deze is vooral veroorzaakt door vervangingsproblematiek bij de staf. De hoge kosten van digitalisering, conservering en het elektronisch depot (die slechts incidenteel zijn afgedekt) zijn een punt van aandacht. Gezien het grotendeels incidentele karakter van het negatieve resultaat kan voor 2001 een herstel van de rentabiliteit tegemoet worden gezien. De financiële positie van de KB is echter niet riant.

Samenvatting voor de vier grote instellingen

De financiële positie van de owb-instellingen garandeert hun continuïteit. NWO neemt echter (gecalculeerde) risico’s, terwijl de TNO-resultaten verslechteren. De KNAW heeft het beheer aanzienlijk verbeterd en is een financieel degelijke positie aan het opbouwen. Bij de KB bestaan knelpunten ten aanzien van de (structurele) financiering van nieuwe wettelijke taken. Bij NWO is het vermogen niet volledig toereikend voor de vervanging van de vaste activa en bestaan huisvestingsproblemen, terwijl het voor die vervanging bij de KNAW per 1999 nog tekortschietende vermogen een flinke verbetering laat zien.

Beleidsterrein 24 Huisvesting

  • 1. 

    Algemeen

In 1997 is de zorg voor de huisvesting van het primair en voortgezet onderwijs definitief overgedragen naar de gemeenten en die van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie naar de instellingen zelf. In

verband met deze overdracht omvat het onderhavige beleidsterrein nog slechts de nazorg voor de afwikkeling van oude huisvestingsberoepen en

-bezwaren.

In 2001 is er 0,1 miljoen uitgegeven en 9 000 ontvangen.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor beleidsterrein 24 (x € 1 miljoen)

Begro- Reali-ting satie

Verschil

Huisvesting primair onderwijs 0,0 0,0 Huisvesting voortgezet onderwijs en volwasseneneducatie 0,0 0,1

0,0 0,1

Totale uitgaven 0,0 0,1

0,1

Totale ontvangsten 0,0 0,01

0,01

Totale uitgaven en ontvangsten

In verband met een bezwaarschrift is in de sector huisvesting beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 0,1 miljoen uitgegeven. De ontvangst van 9 000 betreft een terugstorting van een te hoog toegekende huurvergoeding aan het Vechtdal College te Hardenberg.

Beleidsterrein 25 Studiefinancieringsbeleid

  • 1. 

    Algemeen

Het beleidsterrein studiefinanciering en onderwijsretributies omvat de volgende wetten en regelingen:

+ Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000)In de Wet Studiefinanciering

2000 is bepaald welke studerenden recht hebben op studiefinanciering en hoe die rechten zijn opgebouwd. + Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) De

WTOS bevat bepalingen voor de tegemoetkoming in de schoolkosten en onderwijsbijdrage voor drie groepen leerlingen/studenten:

  • 1. 
    leerlingen tot 18 jaar voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (TS17 hoofdstuk 3);
  • 2. 
    leerlingen van 18 jaar en ouder in voortgezet onderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (VO18+: hoofdstuk 4);
  • 3. 
    studenten aan een lerarenopleiding alsmede leerlingen in deeltijd VO18+ en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (WTOS18+: hoofdstuk 5).

+ Les- en cursusgeldwet (LCW)

In de LCW is bepaald vanaf welke leeftijd leerlingen in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg lesgeldplichtig zijn. Daarnaast is in de LCW vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het les- en cursusgeld wordt vastgesteld.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers voor

beleidsterrein 25 (x € 1 miljoen)

 

Uitgaven SFB

Begroting

Realisatie

Verschil

WSF-relevant

Reisvoorziening

WTOS

944,6 133,7 294,6

922,5 251,2 330,7

  • 22,1

117,5

36,1

Subtotaal relevant WSF niet-relevant

1 372,9 740,8

1 504,4 813,8

131,5 73,0

Artikel 25.01 totale uitgaven Artikel 25.02 garanties

2 113,6 0,0

2 318,1 0,0

204,5 0,0

Totale uitgaven

2 113,6

2 318,1

204,5

 

Tabel 2.2: Financiële kerncijfers voor

beleidsterrein 25 (x € 1 miljoen)

 

Ontvangsten SFB

Begroting

Realisatie

Verschil

SF-relevant SF niet-relevant

256,6 86,7

269,3 77,4

12,7 -9,3

Artikel 25.01 Studiefinanciering Artikel 25.02 Lesgeld

343,3 368,5

346,7 370,9

3,4 2,4

Totale ontvangsten

711,8

717,7

5,8

Totale uitgaven en ontvangsten

De totale uitgaven op het beleidsterrein studiefinancieringbeleid bedroegen in 2001 ruim 2,3 miljard. Dit is besteed aan basisbeurs, aanvullende beurs, rentedragende leningen, de ov-studentenkaart en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. In 2001 waren er ruim 461 000 basisbeursgerechtigden. In totaal ontvingen ruim 348 000 scholieren een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.

De ontvangsten op studieleningen bedroegen 346,7 miljoen. De lesgeldontvangsten waren 370,9 miljoen.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Uit tabel 2.1 blijkt dat vooral de gerealiseerde uitgaven over 2001 afwijken van de oorspronkelijke begroting. Deze afwijking ( 204,5 miljoen) is al voor een groot deel ( 117,5 miljoen) toe te schrijven aan de reisvoorziening WSF, voornamelijk als gevolg van een in 2001 vooruit betaalde vergoeding voor het jaar 2002 aan de gezamenlijke ov-bedrijven. Hieronder wordt voor alle posten uit de tabellen 2.1 en 2.2 kort ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen.

WSF relevant inclusief overig SF: - € 22,1 miljoen

 

Tabel 2.3: WSF relevant

en overig SF (x € 1 miljoen)

   
 

Begroting

Realisatie

Verschil

  • a. 
    Basisbeurs
  • b. 
    Aanvullende beurs
  • c. 
    Bijstelling/overig SF

420,7

441,2

82,8

422,9

431,1

68,4

2,2

  • 10,0
  • 14,4

Totaal relevant WSF

944,6

922,5

  • 22,1

ad a: hogere basisbeursuitgaven: + 2,2 miljoen

 

Tabel 2.4: Uitgaven basisbeurs (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Normale betalingen bol-beurs Normale betalingen tempobeurs Studievoortgangscontrole tempobeurs Studievoortgangscontrole prestatiebeurs Achterstallig hoger recht (bol- en tempobeurs) Omzetting prestatiebeurs

165,8 34,9 - 4,1 -8,6 9,8 222,8

169,0

32,1

-3,3

  • 10,7

3,7

232,2

3,2

  • 2,9 0,8
  • 2,1
  • 6,2 9,4

Totale uitgaven

420,7

422,9

2,2

In de uitgaven basisbeurs wordt onderscheid gemaakt tussen de tempobeurs (voor studenten in het hoger onderwijs die al vóór 1996/1997

studeerden), de prestatiebeurs (voor studenten in het hoger onderwijs die vanaf die periode zijn gaan studeren) en de beurs voor deelnemers in de beroepsopleidende leerweg.

De tempobeurs wordt in eerste instantie als gift uitgekeerd en wordt, als een student niet aan de gestelde norm voldoet, omgezet in een lening. De prestatiebeurs wordt uitgekeerd als voorwaardelijke lening en omgezet in een gift als een student voldoet aan de gestelde normen. Wanneer niet aan deze norm is voldaan, wordt de voorwaardelijke lening omgezet in een definitieve lening. De beurs voor deelnemers in de beroepsopleidende leerweg is in alle gevallen een gift. Begrotingstechnisch worden (voorwaardelijke) leningen als niet-relevante uitgaven geboekt; giften vallen onder de relevante uitgaven.

De totale basisbeurs laat een tegenvaller zien van ruim 2 miljoen. De verschillende onderdelen zullen in de volgende alinea’s worden toegelicht.

De normale betalingen basisbeurs voor tempobeursstudenten en bol-deelnemers zijn 0,3 miljoen hoger dan geraamd. Dit verschil bestaat uit een negatief volume-effect en een positief prijseffect (geraamd waren 463 089 gerechtigden; de realisatie is 461 242). Het volume-effect is te verklaren door dat het daadwerkelijke aantal studenten dat recht heeft op een beurs ruim 1 800 lager is dan het geraamde aantal. De afwijking wordt bepaald door een hoger aantal studenten in het hoger onderwijs (+ 6 500) en een lager aantal in de beroepsopleidende leerweg (-8 300).

Het positieve prijseffect is te verklaren doordat het aantal uitwonende studenten (per saldo) meer is geworden in alle onderscheiden onderwijssoorten. Aangezien de beurs voor uitwonenden in 2001 op jaarbasis ongeveer 1 670,- hoger lag dan die voor thuiswonenden, zorgt een hoger percentage uitwonenden voor een hogere gemiddelde prijs.

De studievoortgangscontrole voor studenten in het hoger onderwijs leidt tot een geringe meevaller. Op deze post is 1,3 miljoen meer in een definitieve lening omgezet dan in de begroting was geraamd.

Het achterstallig hoger recht voor tempobeursstudenten en bol-deelnemers is 6,2 miljoen lager. Achterstallig hoger recht betreft het alsnog toekennen van een (hogere) basisbeurs nadat deze op grond van eerdere controles was verlaagd.

De uitgaven omzetting prestatiebeurs op de basisbeurs zijn 9,4 miljoen hoger dan geraamd. De prestatiebeursomzettingen die voor het grootste deel in januari 2001 zijn gerealiseerd, zijn voornamelijk de omzettingen van de prestatiebeurzen van eerstejaars studenten 1999/2000. De budgettaire tegenvaller is ontstaan doordat de gemiddelde hoogte van de basisbeurs in de begroting iets te laag blijkt ingeschat. De ervaring op het gebied van de prestatiebeurs was tijdens het opstellen van de begroting 2001 nog steeds relatief gering en op bepaalde punten waren er nog onvoldoende realisatiegegevens voorhanden. Dat vormt de kern van de afwijking.

Het aantal studenten dat in 2001 een omzetting van de prestatiebeurs heeft gekregen, is in de begroting goed ingeschat.

ad b: Lagere uitgaven aanvullende beurs: - 10,0 miljoen

 

Tabel 2.5: Uitgaven aanvullende beurs (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Normale betalingen bol-beurs Normale betalingen tempobeurs Studievoortgangscontrole tempobeurs Studievoortgangscontrole prestatiebeurs Achterstallig hoger recht (bol- en tempobeurs) Aanvullende beurs 1e jaar uit prestatiebeurs Omzetting prestatiebeurs

256,6 9,3 - 1,4 -3,1 23,2 63,8 92,7

234,5 8,3

  • 1,0

-3,9 28,6 61,1

103,6

  • 22,1
  • 1,0 0,4
  • 0,8 5,4
  • 2,8 10,9

Totale uitgaven

441,2

431,1

  • 10,0

Het totaal van de normale betalingen voor de aanvullende beurs aan tempobeursstudenten en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg is 23,1 miljoen lager dan geraamd. Dit heeft voor 22,1 miljoen betrekking op deelnemers in de beroepsopleidende leerweg en 1,0 miljoen op tempobeursstudenten.

Een belangrijke verklaring voor de verschillen in de betalingen houdt verband met de aantallen gerechtigden. De raming voor deelnemers in de beroepsopleidende leerweg bedroeg 92 700 gerechtigden tegenover een realisatie van 88 500, een verschil van circa 4 200 deelnemers. De raming tempobeursstudenten bedroeg 5 100 tegenover een realisatie van 4 500, een verschil van 600 studenten. Dit volumeverschil verklaart - 13,0 miljoen. Daarnaast was het gemiddelde bedrag van de aanvullende beurs op jaarbasis 109,-lager dan geraamd wat een prijsverschil van - 10,1 miljoen geeft.

De omzetting van de aanvullende beurs naar een definitieve lening voor studenten in het hoger onderwijs als gevolg van de studievoortgangscontrole is 0,4 miljoen hoger dan verwacht.

Het achterstallig hoger recht voor tempobeursstudenten en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg is in de begroting 2001 5,4 miljoen te laag geraamd.

De aanvullende beurs 1e jaar uit prestatiebeurs, die met ingang van de WSF 2000 direct als gift wordt verstrekt, is 2,8 miljoen lager dan geraamd.

Tot slot de omzetting prestatiebeurs. Dit betreft de omzettingen van de voorwaardelijke lening in een gift voor studenten, waarvan is gebleken dat aan het eind van de studie het diploma binnen de daarvoor gestelde diplomatermijn is behaald. De realisatie ligt 10,9 miljoen hoger dan het bedrag dat was begroot voor 2001. Dit betreft voor 2,7 miljoen WO en 8,1 miljoen HBO.

Het verschil tussen begroting en realisatie zit vooral in een verschil van het aantal omzettingen. Het aantal omzettingen blijkt in de begroting te laag te zijn ingeschat. Oorzaak hiervan was dat er ten tijde van het opstellen van de begroting 2001 onvoldoende realisatiegegevens van de prestatiebeurs voorhanden waren.

ad c: Lagere bijstelling: - 14,4 miljoen

 

Tabel 2.6: Uitgaven bijstelling (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Lesgeldvoorschotten Achterstallig recht Overige bijstellingen

64,2

2,9

15,7

59,4 -3,5 12,4

  • 4,7
  • 6,4 -3,3

Totale uitgaven

82,8

68,4

  • 14,4

In de post «bijstelling» worden drie uitgaven ondergebracht. Ten eerste de lesgeldvoorschotten. Voor studerenden onder de WSF die tevens lesgeldplichtig zijn, wordt het lesgeld door de IB-Groep in één keer voorgeschoten en intern verrekend. Daar staat tegenover dat elke maand een bedrag wordt ingehouden op de rechten naar studerenden. De realisatie is 4,7 miljoen lager dan de begroting en staat in verband met een lager aantal gerechtigden in 2001.

De tweede post op de «bijstelling» is het achterstallig recht. Achterstallig lager recht ontstaat als geconstateerd wordt dat een student in het verleden een te hoge beurs, prestatiebeurs of lening is toegekend en uitbetaald. Dit wordt teruggevorderd, dan wel verrekend met volgende uitbetalingen. Ook kan de ontstane schuld worden omgezet in een rentedragende lening.

Per saldo is de realisatie 6,4 miljoen lager uitgekomen, voor 4,0 miljoen betrekking hebbend op meer omzettingen van kortlopende vorderingen in langlopende leningen (een verschuiving van relevante naar niet-relevante uitgaven).

De derde post overige bijstellingen betreft uitgaven die in hoofdzaak bestaan uit vergoedingen van collegegeld voor studenten uit EU-landen die in Nederland komen studeren. De realisatie op dit onderdeel komt 3,3 miljoen lager uit dan de oorspronkelijke begrotingsstand.

Reisvoorziening WSF: + € 117,5 miljoen

 

Tabel 2.7: Relevante uitgaven reisvoorziening WSF (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Totale uitgaven ov-studentenkaart Ov-studentenkaart in prestatiebeurs

258,6 - 130,1

363,3 - 118,4

104.5 11,7

Totaal ov-contract Reisvoorziening overig

128,6 5,1

244,9 6,4

116,2 1,3

Totale reisvoorziening

133,7

251,2

117,5

De hogere uitgaven van 117,5 miljoen worden als volgt verklaard: Een verschil van 4,1 miljoen betreft afrekeningen met de ov-bedrijven over voorgaande jaren.

Een bedrag van 86,2 miljoen wordt veroorzaakt door het kasbeleid op de begroting. Dit bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. 
    De voorziene betaling in 2001 aan de ov-bedrijven is met 136,6 miljoen verlaagd omdat deze al in 2000 is betaald.
  • 2. 
    In 2001 is besloten, om op dezelfde manier als het voorafgaand jaar, de betalingen aan de gezamenlijke ov-bedrijven voor het jaar 2002 deels al in 2001 te doen en zo het beeld van het volgende begrotingsjaar te ontlasten. In 2001 ging het om een bedrag van 222,8 miljoen. De uitgaven 2002 worden met ditzelfde bedrag verlaagd.

Het bedrag van 86,2 miljoen is het saldo van 222,8 miljoen minus 136,6 miljoen. De ramingen voor de ov-studentenkaart waren gebaseerd op het prijspeil 2000, de uitgaven zijn volgens het prijsniveau 2001. Dit geeft een verschil van 14,2 miljoen.

In de loop van 2001 is gebleken dat de omzetting van ov-studentenkaart voor studenten in het hoger onderwijs, die per 1 september 2000 onder de prestatiesystematiek is gebracht, in de begroting 2001 te hoog is ingeschat. Er is 118,4 miljoen als lening verstrekt waar in de begroting nog werd uitgegaan van 130,1 miljoen. Dit leidt tot een bedrag van 11,7 miljoen meer relevante uitgaven.

Betalingen aan overige reisvoorzieningen (buitenland studerenden, waddenregeling etc.) geven een verschil ten opzichte van de begroting van 1,3 miljoen.

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS): + € 36,1 miljoen

 

Tabel 2.8:

Uitgaven WTOS (x € 1 miljoen)

     
   

Begroting

Realisatie

Verschil

TS 17-VO 18+ WTOS 18+

 

229,9

60,9

3,8

276,6

48,8

5,3

46,7

  • 12,1

1,5

Totale uitgaven

294,6

330,7

36,1

De totale uitgaven zijn 36,1 miljoen hoger dan begroot.

De uitgaven TS17- zijn 46,7 miljoen hoger dan begroot. De uitgaven in 2001 voor het schooljaar 2000/2001 zijn ten opzichte van de begrotingsraming met 22,5 miljoen gestegen. Deze stijging wordt voor een deel veroorzaakt door een hoger aantal gerechtigden dan geraamd. Voor het schooljaar 2000/2001 was een vergoeding voor een tegemoetkoming in de overige schoolkosten geraamd voor circa 253 800 gerechtigden. De realisatie bedraagt 286 700. Een vergoeding voor lesgeld was geraamd voor 85 300 lesgeldplichtigen; de realisatie is 94 100. Daarbij is begin 2001 het tweede deel van de verhoging van de tegemoetkoming voor het schooljaar 2000/2001 uitbetaald, waar in de begroting nog geen rekening mee was gehouden.

Deze stijging van het aantal gerechtigden werkt ook door in de aantallen voor het schooljaar 2001/2002. Daarbij is van belang dat met ingang van het schooljaar 2001/2002 het bereik van de tegemoetkoming voor onderwijsbijdrage en schoolkosten is vergroot door een verhoging van de inkomensgrens en invoering van een zogenoemde glijdende schaal. Als gevolg van deze maatregelen is zowel het aantal gerechtigden voor een lesgeldvergoeding als voor overige schoolkosten nog eens gestegen. In de begroting 2001 is wel rekening gehouden met de verwachte uitgaven die deze intensiveringen met zich meebrengen, maar nog niet met het aantal gerechtigden. De totale geraamde aantallen gerechtigden in verband met tegemoetkoming in de overige schoolkosten voor het schooljaar 2001/2002 zijn: 258 400 geraamd en 333 600 gerealiseerd, waarvan 53 500 met aanspraak op een gedeeltelijke vergoeding als gevolg van de uitbreiding van de WTOS. Voor het schooljaar 2001/2002 waren 87 500 vergoedingen geraamd voor lesgeld en zijn 118 300 vergoedingen gerealiseerd, waarvan 31 900 gerechtigden die aanspraak konden maken op een gedeeltelijke lesgeldvergoeding als gevolg van de uitbreiding van de WTOS. In totaal vallen de uitgaven voor het schooljaar 2001/2002 18,7 miljoen hoger uit.

Daarnaast is er nog sprake van overige betalingen, die vooral betrekking hebben op voorgaande schooljaren. Deze betalingen zijn 5,5 miljoen hoger dan geraamd.

De uitgaven VO18+ zijn 12,1 miljoen lager dan begroot. Het aantal scholieren met recht op een basistoelage bedroeg in 2001 ±25 500. Dit aantal is ongeveer 6 200 lager dan begroot, wat leidt tot 11,7 miljoen minder uitgaven. Ongeveer 13 100 scholieren hebben recht op een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Begroot waren ruim 14 600 scholieren. Een en ander leidt tot 0,3 miljoen minder uitgaven. Tenslotte is de realisatie van het achterstallig hoger recht 0,1 miljoen lager dan geraamd.

De uitgaven WTOS18+ (deeltijd vo-scholieren en hbo-studenten aan een lerarenopleiding zonder WSF-recht) zijn 1,5 miljoen hoger en zijn te verdelen in een volume-effect van 1,3 miljoen en een prijseffect van 0,2 miljoen. Dit is het gevolg van de stijging van de aantallen gerechtigden. Het aantal vo-toekenningen is ten opzichte van de raming 2001 weliswaar met ±400 gedaald maar het aantal ho-toekenningen is ten opzichte van de raming 2001 met ±1 900 gestegen.

WSF uitgaven niet-relevant: + € 73,0 miljoen

 

Tabel 2.9: Uitgaven niet-relevant (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Reguliere lening

Prestatiebeurs

Studievoortgangscontrole

264,6

459,0

17,2

379,8

415,1

18,9

115,2

  • 43,9

1,7

Totale uitgaven

740,8

813,8

73,0

De betalingen aan de reguliere lening zijn 115,2 miljoen hoger. Er zijn meer studenten gaan lenen dan in de begroting was ingeschat. Bovendien is het gemiddeld leenbedrag ook gestegen. Hierbij speelt een rol dat de WSF 2000, die per 1 september 2000 van kracht is, studenten de mogelijkheid biedt om per maand 45,38 meer te lenen dan voor die tijd. In totaal bedraagt het 111,2 miljoen. 4,0 miljoen heeft betrekking op meer omzettingen van kortlopende vorderingen in langlopende leningen.

De uitgaven prestatiebeurs zijn 43,9 miljoen lager. Voor het grootste deel komt dit omdat het totaalbedrag van de normale betalingen en de omzettingen basisbeurs en aanvullende beurs onder de prestatiebeurs-systematiek 32,2 miljoen hoger uit is gekomen. Dit leidt weer tot lagere niet-relevante prestatiebeursuitgaven.

Daarnaast is de ov-studentenkaart voor studenten in het hoger onderwijs, die per 1 september 2000 onder de prestatiesystematiek is gebracht, in 2001 voor een lager bedrag omgezet in een definitieve gift dan in de begroting werd geraamd. Dit leidt tot een bedrag van 11,7 miljoen minder niet-relevante uitgaven.

Dit geldt niet voor het resultaat (+€ 1,7 miljoen) op de studievoortgangscontrole. De niet-relevante uitgaven zijn hoger omdat een lager aantal studenten voldoende studieprestaties heeft geleverd. Dit is de tegenhanger van het totaal van de studievoortgangscontrole opgenomen in de tabellen 2.4 en 2.5.

Garanties: - € 0,045 miljoen

Garanties zijn leningen die door private banken aan studenten zijn verstrekt onder rijksgarantie. Het zijn leningen van vóór de invoering van de WSF. Net als in 2000 is ook in 2001 geen beroep gedaan op het garantieartikel.

WSF-ontvangsten: + € 3,4 miljoen

De ontvangsten WSF (bestaande uit relevante en niet-relevante ontvangsten) zijn 3,4 miljoen hoger dan geraamd. Het resultaat is toegelicht in tabel 2.10.

 

Tabel 2.10: Ontvangsten studiefinanciering (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Kortlopende vorderingen Renteloze voorschotten Relevante rentedragende leningen

122,9

25,8

108,0

117,6

24,5

127,2

  • 5,3
  • 1,3 19,3

Totaal relevant Niet-relevante ontvangsten

256,6 86,7

269,3 77,4

12,7 -9,3

Totaal ontvangsten WSF

343,3

346,7

3,4

Relevante ontvangsten: + 12,7 miljoen

De relevante ontvangsten bestaan ten eerste uit de realisatie op de kortlopende schulden. De realisatie is 5,3 miljoen lager dan de stand begroting.

De tweede post betreft de terugbetalingen van de renteloze voorschotten. Deze ontvangsten wijken - 1,3 miljoen af van de oorspronkelijke raming. De voorschotten worden sinds 1986 niet meer verstrekt, er wordt dus niet meer uitgegeven aan de voorschotten. De ontvangsten lopen jaarlijks terug.

De derde soort ontvangsten, vanwege verstrekte studieleningen, zijn ten dele relevant. Deze ontvangsten bestaan uit oude studieleningen en uit de rente van de nieuwe studieleningen. Deze ontvangsten zijn (per saldo)

19,3 miljoen hoger dan geraamd. Ten opzichte van de raming is gebleken dat in de ontvangsten het aandeel van de rentecomponent hoger is uitgevallen. Dit verklaart het grootste deel ( 15,3 miljoen) van het verschil.

Niet-relevante ontvangsten: - 9,3 miljoen

De ontvangsten op de hoofdsom van de studielening, die verstrekt zijn vanaf 1992, zijn niet-relevant voor het beleidsmatig financieringssaldo. Ten opzichte van de inschatting bij de begroting is in de realisatie sprake van minder ontvangsten op de termijnbetalingen en op de spontane aflossingen. In de raming is het aandeel van de hoofdsom te hoog ingeschat.

Lesgeldontvangsten: + € 2,4 miljoen

 

Tabel 2.11: Lesgeldontvangsten (x € 1 miljoen)

 

Begroting

Realisatie

Verschil

Lesgeldontvangsten

368,5

370,9

2,4

De gerealiseerde lesgeldontvangsten zijn 2,4 miljoen hoger dan begroot.

Van dit verschil is - 8,3 miljoen een volume-effect. Het geraamde aantal lesgeldplichtigen bedroeg 442 500 tegenover een realisatie van 432 900.

Een prijsverschil van + 10,7 miljoen wordt verklaard door het verschil in de gemiddelde prijs in de realisatie ten opzichte van de raming.

  • 3. 

    Kengetallen

Volume-ontwikkelingen

 

Tabel 3.1: Aantallen gerechtigden

 

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

Basisbeurs uitwonend

206 208

210 526

4 318

Basisbeurs thuiswonend

256 881

250 716

  • 6 165

Aanvullende beurs

201 012

201 936

924

Reisvoorziening WSF

507 864

509 255

1 391

TS17-

259 965

315 858

55 893

VO18+

31 684

25 503

  • 6 181

WTOS18+

5 280

6 974

1 694

Lesgeldplichtigen

442 554

432 907

-9 647

Basisbeurs

Het aantal basisbeursstudenten is in totaal lager dan geraamd. Het aantal uitwonende studenten is hoger, het aantal thuiswonende studenten is lager. De stijging van het aantal uitwonenden treedt op in het hoger onderwijs. In de beroepsopleidende leerweg is juist sprake van een daling.

Tabel 3.2: Aantal studenten met basisbeurs naar schoolsoort

Begroting

Realisatie

Verschil

Wetenschappelijk onderwijs Hoger beroepsonderwijs Beroepsopleidende leerweg

94 774          98 066             3 292

201 343 204 508             3 165

166 972 158 668          -8 304

Totaal

463 089 461 242

1 847

De daling van – 1847 is het saldo van een stijging in het wetenschappelijk onderwijs (+ 3 292) en in het hoger beroepsonderwijs (+ 3 165) en een daling in de beroepsopleidende leerweg (– 8 304).

Behalve in schoolsoort is voor het hoger onderwijs ook onderscheid te maken naar tempobeurs- en prestatiebeursstudenten (zie tabel 3.3). Hieruit blijkt dat iets minder studenten dan geraamd nog onder het tempobeursregime vallen.

 

Tabel 3.3: Aantal studenten met basisbeurs per regime

Begroting

Realisatie

Verschil

Tempobeurs 16123 Prestatiebeurs 279 994 Beroepsopleidende leerweg 166 972

13 841 288 733 158 668

  • 2 282

8 739

-8 304

Totaal 463 089

461 242

  • 1 847

Aanvullende beurs

Tabel 3.4: Aantal studenten met aanvullende beurs naar schoolsoort

Begroting

Reali- Verschil satie

Wetenschappelijk onderwijs Hoger beroepsonderwijs Beroepsopleidende leerweg

26 687          28 166

81 632          85 257

92 693          88 513

1 479

3 625

4  180

Totaal

201 012 201 936

924

In bovenstaande tabel is het totaal aantal van de toegekende aanvullende beurzen is 924 hoger dan geraamd. In het hoger onderwijs hadden in 2001 meer studenten een aanvullende beurs (5104), waar in de beroepsopleidende leerweg dit aantal juist lager lag (– 4180). Deze verschillen vloeien rechtstreeks voort uit verschillen in de aantallen basisbeursgerechtigden.

Reisvoorziening WSF

Tabel 3.5: Aantal studenten met een ov-studentenkaart naar schoolsoort

Begroting

Reali- Verschil satie

Wetenschappelijk onderwijs Hoger beroepsonderwijs Beroepsopleidende leerweg

113 999 120 800             6 801

226 193 225 306             -887

167 672 163 149          -4 523

Totaal

507 864 509 255

1 391

Het aantal studerenden dat recht heeft op een ov-studentenkaart is hoger dan het aantal basisbeursgerechtigden. Ook studenten bij wie de basis-beursrechten zijn verlopen, maar die nog wel recht hebben op een integrale rentedragende lening, kunnen nog gedurende drie jaar beschikken over een ov-studentenkaart.

Het aantal gerechtigden met een ov-studentenkaart is in 2001 per saldo iets hoger geweest dan het geraamde aantal in de begroting (1391). De stijging in aantallen bij het hoger onderwijs (5914) en daling bij de beroepsopleidende leerweg (– 4523) volgt de trend in 2001 van hogere basisbeursaantallen bij het hoger onderwijs en lagere aantallen bij de beroepsopleidende leerweg (zie tabel 3.2).

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten De ontwikkeling in het aantal studenten dat recht heeft op de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) is te zien in onderstaande tabel. De realisatie in het begrotingsjaar 2001 komt uit twee schooljaren, namelijk 2000/2001 en 2001/2002. De resultaten van beide schooljaren tellen mee naar rato van het aantal maanden in 2001: schooljaar 2000/2001 voor 7 maanden en schooljaar 2001/2002 voor 5 maanden. De verschillen voor het kalenderjaar 2001 tussen begroting en realisatie zijn als volgt:

 

Tabel 3.6: Aantal leerlingen schoolkosten

met tegemoetkoming onderwijsbijdrage

en

 

Begroting

Realisatie

Verschil

TS17-

VO18+

WTOS18+

259 965

31 684

5 280

315 858

25 503

6 974

55 893

  • 6 181

1 694

Totaal

296 929

348 335

51 406

Waarvan (v)so

Vo

Bol

Hbo

2 781 249 114

41 660

3 374

1 806

289 287

51 685

5 557

-975 40 173 10 025

2 183

Het aantal gerechtigden in TS17- (tegemoetkoming studiekosten voor scholieren t/m 17 jaar) is gemiddeld over het kalenderjaar 55 893 hoger dan geraamd. Dat betekent een toename van ruim 21%. Het aantal gerechtigden voor het schooljaar 2000/2001 is hoger dan geraamd, wat ook doorwerkt in de aantallen voor het schooljaar 2001/2002. De stijging van het aantal tegemoetkomingen is echter in belangrijke mate het gevolg van de invoering van de WTOS, waaronder een verhoging van de inkomensgrens en invoering van de zogenoemde glijdende schaal. Het aantal gerechtigden dat als gevolg van genoemde maatregelen voor het schooljaar 2001/2002 aanspraak had op een gedeeltelijke tegemoetkoming in de overige schoolkosten bedroeg 53 500. Daarnaast waren er 31 900 gerechtigden voor een gedeeltelijke lesgeldvergoeding voor het schooljaar 2001/2002. In de begroting 2001 was wel een bedrag voor deze uitbreiding geraamd, maar was deze intensivering nog niet vertaald in een aantal gerechtigden.

Het aantal studerenden in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder

(de zogenoemde VO18+ ) met recht op een tegemoetkoming is 6181 lager dan begroot.

Het dalende aantal, een ontwikkeling die al eerder zichtbaar werd bij de begrotingsvoorbereiding 1999, zette ook in 2001 door.

In deze aantallen zijn begrepen, net zoals hiervoor al bij TS17staat beschreven, gerechtigden voor een gedeeltelijke tegemoetkoming.

Het aantal rechthebbenden op WTOS18+ is gestegen met per saldo 1 694 tegemoetkomingen ten opzichte van de begroting 2001. Het aantal studenten dat dit kreeg toegekend is gestegen met 2183 toekenningen in het hoger beroepsonderwijs en gedaald met 489 toekenningen in het voortgezet onderwijs.

De realisatie 2001 in het hbo bedraagt 5557 waarvan 2505 in de vakken voor een lerarenopleiding.

Lesgeldplichtigen

Het aantal lesgeldplichtigen ligt in 2001 9647 lager dan was begroot. De realisatie is gebaseerd op het schooljaar 2001/2002. De daling houdt voor 3765 verband met het aantal deelnemers in de beroepsopleidende leerweg en voor 5882 met het aantal deelnemers in het voortgezet onderwijs.

 

Tabel 3.7: Aantal lesgeldplichtigen naar onderwijssoort

Begroting

Realisatie

Verschil

Lesgeldplichtigen 442 554 Waarvan vo 186675 Bol 255879

432 907 180 793 252 114

-9 647 - 5 882 -3 765

Beleidsterrein 26 Overige programma-uitgaven

  • 1. 

    Algemeen

Op het beleidsterrein overige programma-uitgaven worden uitgaven verantwoord voor veldoverstijgende beleidsprojecten of het faciliteren van beleid. Dit betreft de volgende artikelen:

26.01 Bemiddeling wachtgelders 26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

26.05 Internationale betrekkingen

Binnen dit beleidsterrein vallen ook artikelen die als intermediair dienen totdat de exacte verdeling over de betrokken beleidsterreinen bekend is. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord. Het betreft de artikelen:

26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

26.06 Loonbijstelling

26.07 Prijsbijstelling

26.08 Centraal beheerde middelen

26.09 Emancipatieactiviteiten

26.10 Asielzoekers

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en ontvangsten

 

Tabel 2.1: Financiële kerncijfers

voor beleidsterrein 26 (bedragen x

ë 1

miljoen)

       

Overige programma-uitgaven

 

Begroting

Realisatie

Verschil

26.01 Bemiddeling wachtgelders

 

9,6

9,6

0,0

26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

0,0

0,0

0,0

26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en

voorzieningen

231,0

145,1

  • 85,9

26.05 Internationale betrekkingen

 

9,7

12,6

2,9

26.06 Loonbijstelling

 
  • 228,3

0,0

228,3

26.07 Prijsbijstelling

 

0,0

0,0

0,0

26.08 Centraal beheerde middelen

 

8,4

0,0

-8,4

26.09 Emancipatieactiviteiten

 

0,0

0,0

0,0

26.10 Asielzoekers

 

3,6

0,0

-3,6

Totale uitgaven

 

34,2

167,3

133,1

Totale ontvangsten

 

59,1

62,6

3,5

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Artikel 26.01 Bemiddeling wachtgelders

Op artikel 26.01 worden uitgaven bekostigd voor de arbeidsmarktprogramma’s van de sectoren po/vo/bve, hbo en wo. Dit gebeurt door organisaties als het Participatiefonds, de Stichting mobiliteitsfonds hoger beroepsonderwijs, de Stichting Soflokes en de Bve Raad. De coördinatie van de afzonderlijke programma’s vindt plaats door het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO), dat tevens fungeert als adviesorgaan voor het Ministerie van OCenW voor zaken over de arbeidsmarkt.

In een convenant dat de minister met het bestuur van het SBO op 30 juni 2000 heeft afgesloten, zijn afspraken gemaakt over de aansturing van de onderwijsarbeidsmarkt en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen sociale partners en de minister. Er vindt periodiek overleg plaats over relevante ontwikkelingen en initiatieven in het onderwijsarbeidsmarkt-beleid.

Vanaf 2001 stelt de minister jaarlijks een budget aan de sociale partners ter beschikking om aandacht te besteden aan situaties en knelpunten die specifieke aandacht vragen. Het convenant regelt op hoofdlijnen het proces rond de besteding van dit budget dat bijna 10 miljoen bedraagt.

Artikel 26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

Dit artikel is gereserveerd voor de budgetten voor rechtspositionele uitkeringen die niet aan een beleidsterrein zijn toegekend. In de begroting 2001 zijn dergelijke budgetten niet aanwezig geweest.

Artikel 26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen Op artikel 26.03 vinden de uitgaven plaats voor het CASO-systeem, vakbondsfaciliteiten, de Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO) en informatie- en communicatietechnologie.

 

Tabel 2.2: Verdeling over (bedragen x € 1 miljoen)

de artikelonderdelen

van artikel 26.03

 

Artikelonderdelen

 

Begro- Realis ting atie

Verschil

CASO

Vakbondsfaciliteiten

DZVO

Informatie- en communicatietechnologie

2,9 0,0

15,5 28,9

41,7 41,2

170,9 75,0

  • 2,9 13,4
  • 0,5 - 95,9

Totale uitgaven

 

231,0 145,1

  • 85,9

Deelbudget CASO(Commissie Automatisering Salarisadministratie Onderwijs)

Het CASO salarissysteem voor betaling van personeelsleden in het onderwijsveld is eigendom van OCenW. De exploitatie en het beheer zijn in 1995 geprivatiseerd en ondergebracht bij Roccade. Op het deelbudget CASO zijn in 2001 geen uitgaven gedaan.

Deelbudget vakbondsfaciliteiten

Dit budget omvat met name vakbondsfaciliteiten (facilitering van organisaties van onderwijspersoneel voor werkzaamheden voor het georganiseerd overleg en vakbondswerkzaamheden) en betreft een gelijkblijvend bedrag (ongeveer 10 miljoen), dat jaarlijks wordt geïndexeerd (loonbijstelling 2001).

Door de maatregelen die aangekondigd zijn in de voortgangsrapportage Maatwerk 3 is het budget op dit artikel verhoogd met ruim 9 miljoen. Maatwerk 3 stimuleert de invoering van verdere functiedifferentiatie, gekoppeld aan een andere schoolorganisatie. In het primair en voortgezet is gestart met ontwikkelprojecten op dit gebied. Daarnaast wordt scholen de gelegenheid gegeven om ervaring op te doen met het opleiden in de school en is extra geld beschikbaar gekomen ten behoeve van zij-instroom in het beroep. Verder is in 2001 ongeveer 2,5 miljoen besteed aan voorlichting over schoolbudgetten, personeelsbeleid en schoolontwikkeling, 2 miljoen aan het project TOM (team onderwijs op maat) en 1,4 miljoen voor onderwijsassistenten. Verder is 1,5 miljoen besteed voor diverse onderwerpen, zoals 0,6 miljoen voor het start-project duobanen, 0,5 miljoen voor het terugdringen van ziekteverzuim en 0,4 miljoen voor het opleiden in de school.

Tevens is het budget van dit artikel verhoogd met een bedrag van 1,3 miljoen voor de invoering van integraal personeelsbeleid in het onderwijs. Overige maatregelen die uit dit deelbudget zijn bekostigd zijn onder andere de kosten van cursorische activiteiten in verband met de Wet medezeggenschap onderwijs ( 1,2 miljoen), het door het CAOP gevoerde secretariaat van het overleg met werknemers- en werkgeversorganisaties (ongeveer 0,5 miljoen), ontwikkelingsactiviteiten in het kader van een beroepsstandaard en de publiciteitscampagne voor het beroep van leraar ( 0,5 miljoen).

Deelbudget Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO) Dit budget betreft de uitgaven voor de ziektekostenvoorziening voor onderwijs en onderzoekspersoneel (zvoo). De zvoo-uitgaven staan sinds 1998 op dit artikel. De bedragen zijn erg afhankelijk van het declaratiegedrag en de uitgaven van (gewezen) personeel voor particuliere ziektekosten en de ZFW-ontwikkeling in de marktsector. In het jaar 2001 bedroegen de uitgaven 41,2 miljoen.

Deelbudget informatie- en communicatietechnologie (ict) De begroting van het artikelonderdeel ict is gestart met een bedrag van 170,9 miljoen en wordt bij de realisatie afgesloten met een bedrag van 75 miljoen. De middelen voor de verhoging van de koopkracht per leerling van 65,5 miljoen zijn doorgeboekt naar de onderwijsdirecties. Het realisatieverschil wordt verder veroorzaakt door het doorboeken van het budget ( 27,2 miljoen) voor beveiliging en content-filtering naar de onderwijsdirecties. Deze middelen zijn vervolgens via bestaande bekostigingsregelingen aan de scholen ter beschikking gesteld. Hieronder is een overzicht opgenomen van de begroting en de bestedingen van de generieke uitgaven:

 

Tabel 2.3 Verantwoording van de uitgaven ict (bedragen x

€ 1 miljoen)

 
 

Begro-

Reali-

Verschil

 

ting

satie

 

Deskundigheidsbevordering

2,0

2,6

0,6

Methoden en educatieve programmatuur

12,4

9,5

  • 2,9

Beheer

3,2

3,3

0,1

Ontwikkeling Kennisnet

20,2

26.4

6,2

Algemeen

5,7

6,5

0,8

Kennisnet aansluitingen

61.8

26,8

  • 35,0

Decentrale uitgaven (verhoging koopkracht per

     

leerling van 57,86 naar€ 73,06)

65.6

0,0

  • 65,6

Totaal

170,9

75,1

  • 95,8

In 2001 is de inspanning gericht op de volgende hoofdlijnen van beleid:

Deskundigheidsbevordering

Onder dit budget worden projecten uitgevoerd om de ict vernieuwing en deskundigheid voor de lerarenopleidingen te bevorderen. De belangrijkste ontwikkeling is het aangaan van de projecten Grassroots voor€ 0,7

miljoen. Daarbij is het Canadese model gevolgd: kleinschalige ict-projecten uit te voeren in de schoolklas. Daarnaast is additioneel 0,2 miljoen uitgetrokken voor het Carmel project, dat ten doel heeft in een consortium van 20 scholen van het voortgezet onderwijs een extra experimenteerschool op te richten om te komen tot een Creating Learning Centrum. Totaal is 2,6 miljoen besteed.

Methoden en programmatuur

Hieronder is opgenomen de uitvoering van de subsidieregeling via Senter, waarbij het onderwijsveld de gelegenheid wordt geboden om via Senter ict-projectaanvragen in te dienen voor verbetering van netwerken en de bevordering van ict-implementatie. In dit kader is, op basis van de oordelen van een onafhankelijke jury, voor 7,5 miljoen verplichtingen aangegaan voor ict-projecten, waarvan 7,2 miljoen is betaald.

Beheer (oprichting stichtingen)

Om een vervolg te geven aan het ict-beleid voor de jaren na 2001 is de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de integratie van ict in het onderwijs door het onderwijsveld zelf opgepakt. Hiertoe zijn dit jaar twee stichtingen (Kennisnet en Ict op school) opgericht in samenwerking met de besturenorganisaties en het onderwijsveld. De stichtingen zijn met een afgebakende taakopdracht van start gegaan en hebben in overleg met het departement gewerkt aan de invulling van hun takenpakket. De vorm en inhoud zijn vastgelegd in de doelstellingen van de stichtingen en wordt nader vorm gegeven in jaarlijks vast te stellen activiteitenplannen. De financiering vindt plaats op basis van deze plannen.

Stichting ict op school

De Stichting ict op school heeft een subsidie ontvangen van 2,7 miljoen op basis van het activiteitenplan Vier in balans. Naast de subsidiebeschikking is aan de stichting nog 0,2 miljoen aan additionele projecten toegekend.

Stichting OenI

Daarnaast is de Stichting onderwijs en informatiesamenleving (OenI) in 2001 opgericht. Het doel van de stichting is het bevorderen van ict in het primair en voortgezet onderwijs door samenwerking van het bedrijfsleven en het onderwijs. De stichting tracht haar doel te verwezenlijken door in samenwerking met marktpartijen er voor te zorgen dat een groot aantal projecten wordt opgezet voor de integratie van ict in het onderwijs. Aan de stichting is in 2001 een subsidie verstrekt van 0,1 miljoen.

Ontwikkeling kennisnet (Stichting kennisnet) De basis voor het budget van de Stichting kennisnet bedraagt 20 miljoen. Voor wat betreft het activiteitenplan is in 2001 6,4 miljoen meer geïnvesteerd onder meer voor het Entreeproject ( 1,1 miljoen) en het project Teleac NOT ( 1,6 miljoen).

Algemeen (w.o. onderzoek, communicatie, internationaal en cultuur en emancipatie)

Het budget voor de begrotingspost communicatie/draagvlak is met 0,5 miljoen verhoogd om de extra inspanningen, nodig in verband met de oprichting van de stichtingen ict op school en kennisnet en de toekomstverkenning op ict-terrein, te financieren. Onderzoek/monitoring en evaluatie vergt een verhoging van het budget met 1,6 miljoen door de verbreding van de joint venture met de inspectie, met name nodig voor het verzorgen van extra schoolportretten en de extra ict-monitors voor het hoger onderwijs en speciaal onderwijs.

Verder is het budget Internationaal verhoogd met 0,6 miljoen om daarmee meer internationale studies te bekostigen. In totaal is aan deze post een bedrag van 6,5 miljoen besteed.

Aansluitingen kennisnet

Eind 2000 is een achterstand met betrekking tot de aansluiting van alle scholen op kennisnet (met name in het primair onderwijs) geconstateerd. Het contact met nl.tree is geïntensiveerd en er zijn nadere afspraken gemaakt met nl.tree, die inmiddels in een addendum bij het contract hun beslag hebben gekregen. Bij kamerstuk 25 733 nr. 78 van 7 november 2001 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de aansluitingen. Hierin is geschreven dat 8 000 van de 10 500 onderwijsinstellingen zijn aangesloten op kennisnet. De voortgang heeft ultimo 2001 in financiële zin geen directe invloed op de uitvoering en realisatie voor het jaar 2001. In totaal is 26,8 miljoen besteed.

Beveiliging en filtering

In de ict-begroting was een bedrag gereserveerd voor het project Beveiliging op maat. Dit budget ( 27,2 miljoen) is decentraal aan de scholen beschikbaar gesteld. De gelden zijn bestemd voor beveiliging en content-filtering.

Decentrale uitgaven

De decentrale uitgaven, inclusief een verhoging van de koopkracht per leerling voor ict voorzieningen, zijn overgeboekt naar de onderwijs-directies voor een bedrag van 65,6 miljoen.

Artikel 26.05 Internationale betrekkingen

In grote lijnen is het voorgenomen beleid gerealiseerd. De uitgaven zijn 2,9 miljoen hoger ten opzichte van de oorspronkelijke begroting van 9,7 miljoen. Het verschil is met name te verklaren door:

  • • 
    een technische mutatie door een interne overboeking naar dit artikel van 1,7 miljoen voor het Beurzenprogramma Delta;
  • • 
    een toevoeging voor prijs- en loonbijstelling van 0,3 miljoen;
  • • 
    een verhoging van de begroting met 1,0 miljoen door een kasmutatie ten laste van het jaar 2000. De gelden zijn bestemd voor:
  • • 
    de uitvoering van het MATRA-programma, dat eerst in het begrotingsjaar 2001 tot uitgaven heeft geleid. Het gaat hier om een bedrag van 0,6 miljoen;
  • • 
    het CENESA-II programma voor Zuid-Afrika, waarvan de start in het jaar 2000 vertraging heeft ondervonden, de intensivering van de samenwerking met Zuid-Afrika en de vervolgsubsidie voor het O8-project. Het gaat hier om een bedrag van 0,4 miljoen;
  • • 
    een lagere realisatie ten opzichte van de uiteindelijke begroting met 0,2 miljoen. Dit is grotendeels het gevolg van een vertraging van het Duitslandprogramma hoger onderwijs en extra uitgaven op dit artikel, voor de projecten met de Russische federatie en met Hongarije.

Artikel 26.06 Loonbijstelling

Artikel 26.06 vervult dezelfde functie als de zogenaamde aanvullende post in de Miljoenennota. De bijstelling van de begroting voor de nominale loonontwikkeling wordt in eerste instantie geraamd op de aanvullende post in de Miljoenennota. Na de vaststelling van de feitelijke loonontwikkeling per begrotingshoofdstuk worden de bedragen overgeheveld naar de begroting van OCenW, op dit artikel. Daarna worden ze binnen OCenW uitgedeeld naar de verschillende beleidsterreinen.

 

Tabel 2.4: Loonbijstelling toegevoegd uit de aanvullende post miljoenennota

(bedragen x € 1 miljoen)

     
 

Toegevoegd

Uitgedeeld

Verschil

Arbeidsvoorwaarden O&W

696,5

 

696,5

CAO-sector (po/vo/bve)

 
  • 179,2
  • 179,2

HO-sector (hbo/wo/owb)

 
  • 152,9
  • 152,9

Arbeidsvoorwaarden GenG

 
  • 34,0
  • 34,0

Arbeidsvoorwaarden Rijk

 
  • 11,2
  • 11,2

Arbeid en zorg / spaarloon / REA/UFO-premie

 
  • 29,5
  • 29,5

Integraal personeelsbeleid (IPVL)

 
  • 24,9
  • 24,9

Zij-instromers (maatwerk 2)

 

-9,1

-9,1

Fonds voor opleiding en ontwikkeling

 

-9,1

-9,1

Intertemporele compensatie

4,5

 

4,5

ZW-vangnet

7,1

 

7,1

ADV-verzilvering

 
  • 10,9
  • 10,9

Diversen: arbeidsvoorwaarden

 
  • 19,0
  • 19,0

Totaal

708,1

  • 479,8

228,3

In 2001 hebben zich een aantal wijzigingen op dit artikel voorgedaan. De ontvangen loonbijstelling bedroeg in totaal 696,5 miljoen. Op de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en secundair beroepsonderwijs zijn de budgetten uitgedeeld voor de gevolgen van de cao 2001-2003. De budgetten voor arbeidsvoorwaarden in het hoger onderwijs en het onderzoek en wetenschapsbeleid zijn bijgesteld. Ook de budgetten van de begrotingsonderdelen die vallen onder de sector Rijk en GenG zijn bijgesteld.

Er heeft een loonbijstelling plaatsgevonden voor reïntegratie arbeidsgehandicapten/uitvoeringsfonds overheid (REA/UFO), voor «arbeid en zorg» en spaarloon.

Er zijn middelen voor integraal personeelsbeleid uitgedeeld en Maatwerk 2.

Daarnaast heeft er nog een overboeking voor het fonds voor opleiding en ontwikkeling plaats gevonden.

Bovendien zijn er nog middelen uitgedeeld in het kader van een adv-verzilvering voor het akkoord dat met de onderwijsbonden is gesloten en voor de uitvoering van de OOW/UFO operatie.

Uit 2000 is 9,1 miljoen voor het vervangingsfonds doorgeschoven naar 2001 en 16,8 miljoen centraal beheerde middelen. Uit 2001 is er 19,1 miljoen naar 2002 geschoven om de cao 2001-2003 sluitend te krijgen. Daarnaast is er een kasverschuiving van 2,3 miljoen naar 2000 voor «Maatwerk voor morgen» gedaan.

Artikel 26.07 Prijsbijstelling

Dit artikel heeft dezelfde functie als het artikel Loonbijstelling, maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie. In 2001 is 162,7 miljoen aan prijsbijstelling ontvangen en 163,2 miljoen is uitgedeeld. Bovendien is 3,2 miljoen prijsbijstelling voor het Fonds Economische Structuurversterking ontvangen en uitgedeeld.

Artikel 26.08 Centraal beheerde middelen

Het verschil tussen de vastgestelde begroting 2001 en de realisatie van artikel 26.08 is - 8,4 miljoen. Hieronder wordt toegelicht welke bedragen voor welk doel zijn toegevoegd en uitgedeeld. Ook de tekorten en overschotten op het totaal van de begroting zijn ten laste en ten gunste van dit artikel geboekt.

 

Tabel 2.5: bedragen x € 1

miljoen

       
     

Toegevoegd

Uitgedeeld

Verschil

VBTB

Leraren in opleiding (lio’s)

IBG

Euro

Intertemporele compensatie

Voordelig saldo van toevoegingen en

onttrekkingen

3,1 0,3

12,1 4,9

-7,5

-7,2

  • 11,3
  • 2,8
  • 4,4
  • 6,9 - 11,3
  • 2,8 12,1

4,9

Totaal

   

20,4

  • 28,8

-8,4

Het verschil van 8,4 miljoen is als volgt te verklaren. Aan de financiering van lio’s (leraren in opleiding) is 7,2 miljoen besteed. In 2001 is voor 7,5 miljoen aan VBTB besteed. Hiervan is een bedrag van 4,8 miljoen voor het project kwantitatief informatiebeleid ingezet. Aan de IB-Groep is 11,3 miljoen overgemaakt. Het betreft eenmalige kosten die worden gemaakt voor de aanpassing van de systemen voor de uitvoering van beleid op het gebied van studiefinanciering.

Bij Voorjaarsnota heeft OCenW een taakstelling gekregen van 45,4 miljoen. Bij de behandeling van de 1e suppletore begroting zijn drie amendementen aangenomen voor een totaal van 9,4 miljoen ten laste van dit artikel. Het aandeel van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is 0,8 miljoen. De taakstelling is hierdoor verhoogd naar 54,0 miljoen. De taakstelling is uiteindelijk in 2001 niet ingevuld.

Artikel 26.09 Emancipatieactiviteiten

Op artikel 26.09 worden de middelen geraamd voor stimulering van emancipatieprojecten. Vanaf de begroting 1999 zijn de middelen naar de artikelen van de beleidsterreinen overgeboekt. Het artikel 26.09 is leeg.

Artikel 26.10 Asielzoekers

De oorspronkelijke begroting en de eindstand zijn nagenoeg gelijk. Er zijn middelen toegevoegd, omdat de prognose voor asielzoekers in het onderwijs is gestegen, die vervolgens naar de beleidsterreinen zijn uitgedeeld.

 

Tabel 2.6: bedragen x € 1 miljoen

 

Toegevoegd

Uitgedeeld

Verschil

Aanpassing van de asielzoekersraming

Uitstel nieuwe vreemdelingenwet

Loon- en prijsbijstellingen

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

8,9

  • 2,0

0,2

-7,0

  • 4,9

1,2

8,9

  • 2,0 0,2

-7,0

  • 4,9 1,2

Totaal

7,1

  • 10,7

-3,6

Beleidsterrein 27 Cultuur

  • 1. 

    Algemeen

Het beleidsterrein cultuur omvat het beleid van de rijksoverheid voor: + podiumkunsten, beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving, film,

amateurkunst en kunsteducatie; + omroep, pers, nieuwe media, letteren en bibliotheken; + musea, monumenten, archieven en archeologie. In 2000 is de Cultuurnota 2001–2004 uitgebracht. De Cultuurnota 2001– 2004 leidt tot uitgaven in de jaren 2001 tot en met 2004. De instellingen die middels de cultuurnota worden gefinancierd zullen in mei 2002 financiële verantwoording afleggen over het eerste uitvoeringsjaar 2001.

  • 2. 

    Verantwoording van de uitgaven en de ontvangsten

 

Tabel 2.1 Financiële kerncijfers

voor

beleidsterrein 27 (bedragen x € 1

miljoen)

       

Begroting

Realisatie

Verschil

27.01 Kunsten

27.02 Bibliotheken, letteren en

27.03 Cultuurbeheer

27.04 Media

27.05 Garanties 27.07 Overige uitgaven

Nederlandse Taalunie

273,8

41,7

222,1

798,1

0,0

30,4

336,7

43,3

271,0

836,1

0,0

6,2

62,9

1,6

48,9

38,0

0,0

  • 24,2

Totale uitgaven

     

1 366,1

1 493,3

127,2

Totale ontvangsten

     

206,5

236,1

29.6

Totale uitgaven en ontvangsten

De totale uitgaven voor cultuur bedroegen over 2001 1 493,3 miljoen, de ontvangsten waren 236,1 miljoen.

Afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van de begroting

Het verschil tussen de gerealiseerde en de begrote uitgaven is 127,2 miljoen. Het verschil tussen de gerealiseerde en de begrote ontvangsten is 29,6 miljoen.

De grootste posten die verantwoordelijk zijn voor dit verschil worden hierna toegelicht.

Voor intensiveringen cultuur was in 2001 80,7 miljoen beschikbaar. Dit bedrag is enerzijds ingezet voor de uitvoering van de Cultuurnota 2001-2004 en het oplossen van de knelpunten en frictiekosten die voortvloeiden uit de Cultuurnota 2001-2004; anderzijds zijn hiervoor een aantal intensiveringen uitgevoerd. Daarnaast is voor het projectbureau Belvedère een bedrag van 7,4 beschikbaar gesteld, deels als gevolg van een bijdrage in de subsidiering van de ministeries van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en deels als gevolg van een intertemporele compensatie van 2000 naar 2001. Verder is voor loon- en prijsbijstellingen cultuur een budget van 25,3 miljoen beschikbaar gekomen. Tegenover deze verhogingen van de budgetten staat een tweetal verlagingen. Ten eerste het overboeken van totaal 5,4 miljoen naar beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) voor tal van beleidsmatige onderwerpen en projecten in het kader van de Cultuurnota 2001-2004. Daarnaast vond er op artikel 27.03 incidenteel een overboeking plaats van 9 miljoen naar Domeinen in verband met het budget huur musea. Het betrof hier het terugboeken van de middelen die bij de verzelfstandiging van de musea door Domeinen zijn overgeheveld naar het ministerie van OCenW. Het ministerie sluisde deze middelen vervolgens door aan de voormalige rijksmusea om daarmee hun huren aan Domeinen te kunnen betalen. Deze zogenaamde rond-pompconstructie wordt nu beëindigd. Dit in verband met de invoering van de stelselwijziging rijkshuisvesting, naar aanleiding van de verzelfstandiging van de Rijksgebouwendienst.

Op het artikelonderdeel Media is er sprake van een verhoging van het mediabudget overeenkomstig de begrotingsbrief van 8 november 2000 ( 24,5 miljoen) en hogere uitgaven voor subsidies mediabeleid als gevolg van hogere renteontvangsten op de algemene omroepreserve ( 5,4 miljoen). Daarnaast is er voor Media een loon- en prijsbijstelling beschikbaar gekomen van 13,5 miljoen.

Het museaal aankoopfonds

De stand van het museaal aankoopfonds bedroeg per 31 december 2000 45,6 miljoen. In 2001 hebben de volgende onttrekkingen plaatsgevonden:

  • • 
    twee werken van Monet zijn aangeschaft ten behoeve van het Van Gogh museum ad 0,45 miljoen;
  • • 
    voor aankopen voor de collectie Nederland 2000 is 1,35 miljoen besteed.

De rente over 2001, die is bijgeschreven, bedraagt 2,2 miljoen. Als gevolg van deze mutaties bedraagt de stand van het museaal aankoopfonds per 31 december 2001 45,9 miljoen.

BIJLAGE 1

SALDIBALANS

Tabel 1: saldibalans per 31 december 2001 (bedragen x € 1 000)

DEBET

31-12-2001

31-12-2000

CREDIT

31-12-2001 31-12-2000

Uitgaven 2000 Uitgaven 2001 Kasbeheerders

Debiteuren

Te verrekenen extern museaal aankoopfonds

23 022 732 2 198

82 45 920

21 347 306 - 2 017

2 410 45 829

Ontvangsten 2000

Ontvangsten 2001

Crediteuren

Begrotingsreserve museaal aankoopfonds

Rekening-courant

1 167 002 4 812

45 920 21 853 198

1 146 047 2 909

45 829 20 198 743

 

Subtotaal (A)

23 070 932

21 393 528

Subtotaal (A)

23 070 932

21 393 528

Voorschotten

Studieleningen

Debiteuren

5 727 336

4 754 415

175 436

5 625 106

4 041 220

247 269

Garanties

Verplichtingen

Sluitrekeningen

627 276 12 479 456 - 2 449 545

650 841 11 490 545 - 2 227 791

Subtotaal (B)

10 657 187

9 913 595

Subtotaal (B)

10 657 187

9 913 595

Totaal-generaal

33 728 119

31 307 123

 

33 728 119

31 307 123

De subtotalen in de balans hebben tot doel het onderscheid aan te geven tussen het intra-comptabele gedeelte (A) en het extra-comptabele gedeelte (B).

Het intra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de financiële transacties die in directe relatie staan met de kasstromen die via de rekening-courant met het ministerie van Financiën worden bijgehouden. Het extra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de overige rekeningen die met de sluitrekeningen in evenwichtsverband worden gehouden.

Toelichting bij de saldibalans

Uitgaven/ontvangsten 2000

De departementale rekening van uitgaven en ontvangsten over het jaar

2000 is bij wet van 14 september 2001 (Staatsblad 443) vastgesteld en is in

2001  in de rekening-courant met het ministerie van Financiën afgewikkeld. In verband hiermee zijn deze uitgaven en ontvangsten ultimo 2001 niet meer in de departementale boekhouding verantwoord.

Uitgaven/ontvangsten 2001

De uitgaven over 2001 zijn uitgekomen op 23 022 732000 en de ontvangsten over 2001 op 1 167 002000. In de departementale rekening komen de uitgaven uit op 23 022 734 000 en de ontvangsten op 1 167 002000. Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de realisatie volgens de departementale rekening 2001, wordt veroorzaakt door de in deze rekening gehanteerde afrondingsregel.

Kasbeheerders ( 2 198 000)

Deze balansrekening geeft de saldi van bank- en girotegoeden van de kasbeheerders weer. De samenstelling is als volgt:

 

Tabel 2: kasbeheerders (bedragen x € 1000)

   

Openstaand 31-12-2001

Openstaand 31-12-2000

Informatie Beheer Groep Centrale Financiën Instellingen Cultuurinstellingen Overige kasbeheerders

 

1 258

941 - 1

  • 2 416

-320

720

  • 1

Totaal

 

2 198

  • 2 017

Debiteuren ( 82 000)

 

Tabel 3: debiteuren (bedragen x € 1000)

 

Openstaand 31-12-2001

Openstaand 31-12-2000

Te verrekenen personeel en voormalig personeel Rijksgebouwendienst

82

141 2 269

Totaal

82

2 410

Crediteuren (€4 812 000) De specificatie is als volgt:

 

Tabel 4: crediteuren (bedragen x € 1000)

 

Openstaand 31-12-2001

Openstaand 31-12-2000

Loonheffing en inhoudingen ABP/USZO Diversen

4 633 179

3 011 - 102

Totaal

4 812

2 909

De af te dragen loonheffing en inhoudingen ABP/USZO (departementaal personeel) heeft betrekking op de maand december 2001. In januari 2002 is dit verschuldigd bedrag betaald.

Begrotingsreserve museaal aankoopfonds ( 45 920 000) In 1998 is het museaal aankoopfonds opgericht. Dit is een intra-comptabel fonds met het karakter van een interne reserverekening. Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor kunstaankopen voor latere jaren beschikbaar is. In december 1998 is er 45,4 miljoen ten laste van artikel 27.03 in dit fonds gestort.

In 2001 zijn er 3 aankopen verricht.

Tabel 5: rekening courant museaal aankoopfonds

Saldo per 31 december 2001

45 920

Rekening courant ministerie van Financiën (€21 853 198 000)

Op de rekening-courant wordt de financiële verhouding met het ministerie van Financiën geadministreerd.

Tevens worden door middel van deze administratie de begrotingsuitgaven en ontvangsten met het ministerie van Financiën afgewikkeld.

Voorschotten ( 5 727 336 000)

De stand van de voorschotten per 31-12-2001 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsterrein:

 

Tabel 6: voorschotten naar beleidsterrein (bedragen

x € 1000)

 
 

Openstaand

Openstaand

 

31-12-2001

31-12-2000

17 Ministerie algemeen

13 619

13 530

18 Primair onderwijs

4 907 972

4 865 363

19 Voortgezet onderwijs

302 214

322 116

20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

69 482

104 689

21 Hoger beroepsonderwijs

120 896

68 884

22 Wetenschappelijk onderwijs

83

379

23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

977

776

26 Overige programma-uitgaven:

   
  • • 
    ICT

13 244

6 272

  • • 
    ZVVO-regeling

86 364

75 810

+ Internationale betrekkingen (incl. CROSS)

13 542

10 397

27 Cultuur

198 389

154 873

Onverdeeld:

   

Onderwijsverzorging

0

1 463

Permanente voorschotten

554

554

Totaal

5 727 336

5 625 106

Het overgrote deel van de voorschotten van OCenW heeft betrekking op de personele uitgaven van scholen in het primair onderwijs. Tussen het uitbetalen van het voorschot en het vaststellen van de definitieve vergoeding bestaat een tijdsverloop. Dit tijdsverloop is afhankelijk van de wettelijk vastgestelde data van indiening van de declaraties. Voor het primair onderwijs geldt dan een aanvaardbaar tijdsverloop van 2 jaar. Onder overige programma-uitgaven (beleidsterrein 26) zijn de uitgaven in verband met de zvvo-regeling als voorschot verantwoord, omdat de accountantsverklaringen 2000 en 2001 niet tijdig konden worden afgerond. De stand van de voorschotten per 31-12-2001 wordt als volgt gespecificeerd naar vergoedingsjaar:

 

Tabel 7: voorschotten naar

vergoedingsjaar (bedragen x € 1000)

 
     

Openstaand

Openstaand

     

31-12-2001

31-12-2000

1992

   

35

801

1993

   

108

234

1994

   

4 908

6 506

1995

   

7 152

9 918

1996

   

14 841

18 891

1997

   

26 076

34 943

1998

   

27 476

150 090

1999

   

79 373

579 738

2000

   

282 246

4 823 431

Subtotaal scholen

en instellingen

442 215

5 624 552

2001

   

5 284 567

 

Totaal scholen en

instellingen

 

5 726 782

5 624 552

Permanente voorschotten

 

554

554

Totaal-Generaal

   

5 727 336

5 625 106

Van een achterstand in de afrekening van oude jaargangen voorschotten is geen sprake, omdat deze vooral betrekking hebben op langlopende projecten op de verschillende beleidsterreinen.

Studieleningen ( 4 754 415 000)

Dit betreft de door de productgroep Studiefinanciering van de Informatie

Beheer Groep te Groningen verstrekte leningen en voorschotten aan studenten ingevolge de oude regeling studiefinanciering en de nieuwe

Wet studiefinanciering.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd:

 

Tabel 8: studieleningen (bedragen

x € 1000)

   
   

Openstaand 31-12-2001

Openstaand 31-12-2000

Rentedragende leningen Renteloze voorschotten Overige vorderingen

 

4 564 447

146 053

43 915

3 790 861

198 462

51 897

Totaal

 

4 754 415

4 041 220

De specificatie van het verloop van de posten rentedragende leningen en renteloze voorschotten is als volgt:

 

Tabel 9: verloop (bedragen x € 1000)

 

Rentedragende leningen

Openstaande voorschotten

Openstaande bedragen per 01–01–2001

Nieuw verstrekt

Afgelost

Correcties en omzettingen

Overige mutaties, buiten invordering en kwijtschelding

3 790 861 989 528

  • 204 754 -8 431 - 2 757

198 462 2 856

  • 24 764 - 406

-30 095

Totaal

4 564 447

146 053

Voor de bedragen voor rentedragende leningen en renteloze voorschotten geldt de nominale waarde. De werkelijke waarde (uiteindelijk inbaar) hiervan wordt grotendeels beïnvloed door:

  • • 
    de mate waarin de als voorlopige rentedragende leningen uitgekeerde studiefinanciering (prestatiebeurs) zullen worden omgezet in beurzen, vanwege het voldoen aan de eerstejaars prestatienorm en/of diploma norm;
  • • 
    het sociaal risico bij de (aflosbaar gestelde) langlopende leningen en renteloze voorschotten in verband met de wettelijk beperkte aflossingstermijnen;
  • • 
    de mate waarin de achterstallige vorderingen studiefinanciering (achterstallig lager recht en aflosbaar gestelde leningen en voorschotten) uit het deurwaarderstraject geïnd kunnen worden.

Het bedrag aan (niet aflosbaar gestelde) rentedragende leningen in het toekenningstraject bedraagt ultimo 2001 3,1 miljard. Naar verwachting zal hiervan in de toekomst 1 311 miljoen worden omgezet van voorlopig rentedragende leningen naar beurzen. Verder moet een bedrag van 129 miljoen op grond van garantiebepalingen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan aflosbaar gestelde leningen en voorschotten (exclusief deurwaarderstraject) bedraagt ultimo 2001 1,7 miljard. Daarvan moet een bedrag van 165 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd. Het bedrag aan achterstallige vorderingen studiefinanciering in het deurwaarderstraject bedraagt ultimo 2001 75 miljoen. Daarvan moet een bedrag van 36 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Debiteuren ( 175 436 000)

De stand van de debiteuren per 31-12-2001 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsterrein en overige onderdelen:

 

Tabel 10: debiteuren (bedragen x € 1000)

 

Openstaand

Openstaand

 

31-12-2001

31-12-2000

17 Ministerie algemeen

97

947

18 Primair onderwijs

14 567

396

19 Voortgezet onderwijs

731

1 385

20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

9 531

10 996

21 Hoger beroepsonderwijs

1 602

1 650

22 Wetenschappelijk onderwijs

8

-

23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

23

73 752

24 Huisvesting

-

49

25 Studiefinancieringsbeleid

123 834

125 095

26 Overige programma-uitgaven

71

69

27 Cultuur

1 282

811

Onverdeeld:

   

+ onderwijsverzorging

79

70

+ wachtgelden onderwijspersoneel

12 574

16 795

+ solvabiliteitsbuffer Participatiefonds

11 037

15 254

Totaal

175 436

247 269

De openstaande vorderingen op de onderwijsbeleidsterreinen hebben onder meer betrekking op de afrekeningen van voorschotten. De openstaande vorderingen studiefinancieringsbeleid (beleidsterrein 25) betreffen voor het overgrote deel nog te ontvangen lesgelden voor een bedrag van 110 miljoen. Het bedrag aan vorderingen in het deurwaarderstraject ultimo 2001 (merendeel is lesgelden) bedraagt circa 28 miljoen. Daarvan moet een bedrag van 12 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag van 12,6 miljoen aan openstaande vorderingen wachtgelden onderwijspersoneel betreft vorderingen op het participatiefonds als gevolg van door OCenW teveel betaalde wachtgelduitkeringen in het verleden vóór invoering van het participatiefonds. De langlopende vordering in verband met de solvabiliteitsbuffer participatiefonds heeft betrekking op een betaling in 1996 ter optimalisering van de liquiditeitspositie van het fonds. Bij beëindiging van het fonds wordt deze vordering direct opeisbaar.

De afname van de wachtgelden onderwijspersoneel en de solvabiliteitsbuffer participatiefonds wordt veroorzaakt door uittreding van de bve-sector.

Garantieverplichtingen ( 627 276 000)

In het verleden zijn instellingen zelfstandig op de kapitaalmarkt leningen aangegaan ter financiering van bouwinvesteringen, onder garantiestelling van het Rijk jegens de geldverschaffers voor de rente en aflossingsverplichtingen. De destijds vigerende garantieregelingen zijn inmiddels niet meer van kracht. Het bedrag van de garantieverplichtingen (nog openstaande rente en aflossingsverplichtingen op lopende leningen) is het theoretisch maximale risico dat het ministerie ultimo 2001 nog loopt in verband met garantiestellingen op bouwleningen en overige garantieleningen.

In onderstaand overzicht zijn de openstaande garanties gespecificeerd opgenomen in vergelijking met ultimo 2000:

 

Tabel 11: garanties (bedragen x € 1000)

 

Openstaand

Openstaand

 

31-12-2001

31-12-2000

Bouwleningen aan academische ziekenhuizen (art.

   

22.05)

464 865

480 870

Bouwleningen aan scholen en instellingen vo (art.

   

24.02)

42 214

51 769

Bouwleningen aan scholen en instellingen bve (art.

   

24.02)

12 755

16 539

Bouwleningen aan scholen en instellingen hbo (art.

   

21.05)

4 467

5 808

Leningen studiefinanciering (art. 25.02)

188

828

Garanties cultuur (art. 27.05)

102 787

95 027

Totaal

627 276

650 841

Voor de academische ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

In het hoger beroepsonderwijs zijn sinds 1985 geen garanties op bouwleningen meer verstrekt. In het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneductie worden eveneens geen garanties op bouwleningen meer verstrekt. Dit in verband met de decentralisatie van de huisvesting vo en de OKF-operatie bve. De meeste van deze leningen hebben een looptijd van gemiddeld 25 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2013 volledig hebben plaatsgevonden. Het feitelijk risico op deze garanties wordt als beperkt ingeschat.

De post leningen studiefinanciering is gebaseerd op de waardering van de uitstaande schuld inclusief de rente volgens de opgave van de desbetreffende bankinstellingen naar de stand ultimo 2001.

De uitstaande garanties bij cultuur bedragen ruim 102 miljoen. Hiervan is 69 miljoen aan garanties verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds en 2 miljoen betreft een garantie onder de indemniteitsregeling. Voorts heeft OCenW zich garant gesteld voor eventuele toekomstige tekorten bij de kunstfondsen voor een bedrag van 28 miljoen. Dit is het gevolg van de in 2000 en 2001 gerealiseerde afroming van de liquiditeiten bij de fondsen.

OCenW heeft zich garant gesteld voor een lening van het Archeologisch Dienstencentrum. Het Dienstencentrum heeft de aflossing en rente 2001 niet betaald. Tot nu toe heeft de geldverschaffer nog geen beroep gedaan op de garantiestelling door OCenW. De garantieverplichting is opgenomen voor hetzelfde bedrag als ultimo 2000 ( 1,4 miljoen).

Verplichtingen ( 12 479 456 000)

De opbouw van de stand van de aangegane verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

Tabel 12: verloop verplichtingen (bedragen x € 1000)

Stand 31 december 2001

12 479 456

De specificatie van de stand van de openstaande verplichtingen per artikel ultimo 2001 is hieronder opgenomen.

 

Tabel 13: verplichtingen per artikel (bedragen x € 1000)

17 Ministerie algemeen

 

17.10 Bestuursdepartement

4 585

18 Primair onderwijs

 

18.02 Materiële uitgaven

5 718

18.03 Onderwijsverzorging

54 454

18.05 Overige uitgaven

16 204

19 Voortgezet onderwijs

 

19.03 Onderwijsverzorging

48 468

19.05 Overige uitgaven

4 110

19.06 Personele en materiële uitgaven

3 027 852

20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

 

20.01 Personele en materiële uitgaven

2 024 712

20.03 Overige uitgaven

11 191

20.04 Huisvesting 193 252

 

21 Hoger beroepsonderwijs

 

21.01 Personele en materiële uitgaven

1 207 517

21.04 Overige uitgaven

119 474

21.05 Huisvesting

185 874

22 Wetenschappelijk onderwijs

 

22.01 Universiteiten

2 758 662

22.02 Instituten internationaal onderwijs en onderzoek

51 911

22.03 Overige instituten hoger onderwijs

60 209

22.06 Overige uitgaven

7 231

23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

 

23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeleid

863 002

23.04 Coördinatie wetenschapsbeleid

81 378

26 Overige programma-uitgaven

 

26.01 Bemiddeling wachtgelders

9 575

26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

89 131

26.05 Internationale betrekkingen

5 174

27 Cultuur

 

27.01 Kunsten

813 818

27.02 Bibliotheken, letteren en Nederlandse Taalunie

101 236

27.03 Cultuurbeheer

724 429

27.04 Media

2 351

27.07 Overige uitgaven

7 938

Totaal

12 479 456

Saldo sluitrekeningen ( 2 449 545 000)

Het saldo sluitrekeningen is als volgt opgebouwd:

 

Tabel 14: saldo sluitrekeningen (bedragen x € 1000)

Bedrag 31-12-2001

Bedrag 31-12-2000

Sluitrekeningen inzake:

Verplichtingen –12479 456 Voorschotten 5727 336 Leningenenvoorschotten aan studenten 4754 415 Garantieverplichtingen –627 276 Debiteuren 175 436

  • 11 490 545

5 625 106

4 041 220

  • 650 841

247 269

Totaal –2449 545

  • 2 227 791

BIJLAGE 2

FINANCIËLE VERANTWOORDING 2001 CENTRALE FINANCIËN INSTELLINGEN

  • 1. 

    Balans per 31 december 2001

 

Tabel 1: Balans per 31 december 2001

x € 1000 (voor verwerking resultaat)

 

Balans per

Balans per

 

31-12-2001

1-1-2001

Activa

   

Immateriële vaste activa

   

Materiële vaste activa

   
  • grond en gebouwen

145

0

  • installaties en inventaris

8 440

8 354

  • overige
   

Voorraden

0

0

Debiteuren

1 973

2 697

Nog te ontvangen

   

Vooruitbetaalde kosten

210

243

Liquide middelen

9 408

11 884

Totaal activa

20 176

23 178

Passiva

   

Agentschapvermogen

   
  • exploitatiereserve

2 306

2 306

  • onverdeeld resultaat

829

0

Leningen bij Financiën

8 077

7 487

Voorzieningen

2 795

1 769

Crediteuren

2 077

4 406

Betalingen onderweg

0

1 316

Vooruit ontvangen bedragen

2 467

5 714

Nog te betalen

1 625

180

Totaal passiva

20 176

23 178

1.1 Toelichting op de individuele balansposten Activa

Gebouwen, installaties en inventaris

 

Tabel 2: Gebouwen, installaties en

inventaris (bedragen x € 1000)

         
 

Bedrijfs-

Hardware

Meubilair

KA en

Gebouw

Totaal

 

proces

     

bedrijfs-

   
 

onder-

     

software

   
 

steu-

           
 

nende

           
 

systemen

           

Historische aanschaf waarde

14 743

 

2 830

1 592

1 332

 

20 498

Cumulatieve afschrijving

8 700

 

1 385

783

1 275

 

12 144

Boekwaarde 1/1/01

6 043

 

1 445

809

57

 

8 354

Mutaties 2001

             

– investeringen

1 706

 

1 388

138

0-

218

3 450

– afschrijvingen

1 989

 

954

165

38

73

3 219

Totaal mutaties

  • 283
 

434

  • 27

38

145

231

Aanschafprijs

16 449

 

4 218

1 730

1 332

218

23 948

Cumulatieve afschrijvingen

10 689

 

2 339

948

1 313

73

15 363

Boekwaarde 31/12/01

5 760

 

1 879

782

19

145

8 585

Afschrijvingstermijn

5 jaar

 

3 jaar

10 jaar

3 jaar

3 jaar

 

De investeringen in het gebouw zullen overeenkomstig het huurcontract worden afgeschreven in drie jaar.

Debiteuren

Tabel 3: Debiteuren (bedragen x € 1000)

Totaal

1 973

In 1999 is CFI gevraagd om voor de tekorten in de apparaatskosten-budgetten van het moederdepartement een bijdrage te leveren ter grootte van 1,8 miljoen in de vorm van een kaskorting. Dit bedrag wordt in termijnen van 0,5 miljoen per jaar terugbetaald door het moederdepartement.

Vooruitbetaalde kosten

Dit betreft voornamelijk een vooruitbetaling voor kosten van cursussen en opleidingen van personeel.

Liquide middelen

Dit is het saldo van de rekening-courant ad 9,4miljoen bij de Rijkshoofd-boekhouding en het saldo van de kas (inclusief waardebonnen). De mutatie in liquide middelen ten opzichte van 2000 wordt grotendeels veroorzaakt door de sterk afgenomen post vooruit ontvangen baten (vooruit ontvangen bedragen).

Passiva

Exploitatiereserve

Aan de exploitatiereserve is het onverdeelde resultaat 2000 toegevoegd,

onder aftrek van de voorgeschreven afdracht aanhet moederdepartement.

Tabel 4: Vreemd vermogen (bedragen x € 1000)

Stand 31-12-2000 Beroep op de leenfaciliteit Aflossing op vreemd vermogen

7 487

3 176

-2 587

Totaal

8 077

 

Hoofdsom

Resterend looptijd

Rente

454

1 jaar

5%

454

2 jaar

5%

726

2 jaar 10 maanden

5,19%

1 361

3 jaar

5%

1 134

3 jaar

3,94%

1 906

3 jaar 10 maanden

5,22%

2 042

5 jaar

4,4%

8 077

De aflossingen op de leningen zijn lineair. Voorzieningen

 

Tabel 5: Voorzieningen (bedragen x € 1000)

 

01-01-2001

Onttrekkingen

Dotaties

31-12-2001

Flankerend beleid / wachtgeld Voorziening reorganisatie Geschillen Roccade

1 633 136

  • 665
  • 136

1 267 560

2 235

560

0

Stand 31-12-2001

1 769

-801

1 827

2 795

De voorzieningen flankerend beleid en wachtgelden zijn overeenkomstig de richtlijnen een nominale vertegenwoordiging van het wachtgeldrisico. In 2001 heeft CFI het voornemen uitgesproken om in 2002 te reorganiseren. De voorziening hiervoor betreft directe advieskosten samenhangend met het traject.

Crediteuren

Het betreft voornamelijk externe dienstverleners. Hiernaast is een technische post opgenomen van 1,0 miljoen voor vakantiegeld en de interimregeling ziektekostenvergoeding (personele kosten).

Vooruit ontvangsten

 

Tabel 6: Vooruit ontvangen bedragen (bedragen x € 1000)

Euro

909

Leerlinggebonden financiering

604

Onderwijsnummer

282

Wachtgelden voortgezet onderwijs

187

IPTO

184

Kwantitatief informatiebeleid

126

Technocentra

54

ISP Zwolse

51

Diverse

70

Realisatie 2001

2 467

CFI heeft in 2000 (euro) en 2001 baten ontvangen voor de uitvoering van meerwerk en majeure implementatieprojecten, terwijl de kosten samenhangend met deze baten over het boekjaar heen lopen.

Nog te betalen

Het betreft kosten waarvoor nog geen factuur is ontvangen. De forse stijging wordt verklaard door een crediteur die er niet in is geslaagd facturen te sturen gedurende een aanzienlijke periode.

  • 2. 

    Rekening van baten en lasten 2001

 

Tabel 7: Rekening van baten lasten 2001

(bedragen x € 1000)

 

Oorspronkelijk

Reali- Verschil

 

vastge-

satie realisatie

 

stelde

en

 

begro-

oorspronkelijk

 

ting

vastgestelde begroting

Baten

   

Opbrengst moederdepartement

38 691

55 752 17 061

Opbrengst overige departementen

   

Opbrengst derden

1 272

1 509 237

Bijzondere baten

 

763 763

Rente

45

306 261

Totaal baten

40 008

58 330 18 322

Lasten

   

Apparaatskosten

   
  • personele lasten

22 689

33 377 10 688

  • materiële kosten

12 479

17 985 5 506

Afschrijvingen

3 882

3 219 663-

Rentekosten

504

389 115-

Dotaties voorzieningen

454

1 827 1 373

Bijzondere lasten

 

704 704

Totale lasten

40 008

57 501 17 493

Saldo van baten en lasten

0

829 829

2.1 Toelichting op de individuele posten uit de rekening van baten en lasten

Baten

De afwijking tussen de stand oorspronkelijke begroting 2001 en de gerealiseerde baten wordt veroorzaakt door drie categorieën mutaties: technische mutaties, mutaties in de orderportefeuille van CFI en bijdragen in de kosten van majeure implementatie projecten. De stijging van baten ten opzichte van de begroting komt overeen met de gegroeide orderportefeuille van CFI. Projecten als onderwijsnummer, kwantitatief informatiebeleid en diverse kleinere trajecten verklaren de afwijking van bijna 50% van de begrote baten.

Opbrengst moederdepartement Tabel 8: Opbrengst moederdepartement (bedragen x € 1000)

Oorspronkelijke begroting boekjaar

– technische mutaties

– mutaties in orderportefeuille

– bijdrage in majeure implementatie projecten

– vooruit ontvangen baten 2001

38 691

4 830

388

8 527

3 318

Realisatie 2001

55 752

Het agentschap CFI voert een financiële administratie op basis van het baten en lastenstelsel, het moederdepartement daarentegen voert een administratie op basis van het kasstelsel. Door deze andere uitgangspositie verschilt het totaal van de baten in 2001 van de uitgaven aan CFI in de apparaatskostenbegroting van het ministerie OCenW. Het verschil tussen de baten van CFI en de uitgaven van het moederdepartement is te herleiden tot technische mutaties, ontvangsten die voor CFI geen baten zijn, de kaskorting en baten waarvoor geldt dat het realisatiemoment van onderliggende kosten niet overeenkomt met de periode waarin de baten zijn/worden ontvangen.

Aansluiting OCenW- CFI Tabel 9: Aansluiting OCenW - CFI (bedragen x € 1000)

Opbrengst moederdepartement                                                                                         55752

– technische mutaties                                                                                                             –761

– bijzondere baten                                                                                                                      321

– kaskorting                                                                                                                                 454

– flankerend beleid                                                                                                                    413

– mutaties matching kosten met baten                                                                           –3318

Realisatie 2001                                                                                                                       52861

Bijzondere baten

Tabel 10: Bijzondere baten (bedragen € 1000)

CASO                                                                                                                                             321

Verrekening contracten 2001                                                                                                    193

Vrijval voorziening onderhoud                                                                                                 136

ESF                                                                                                                                                   11

Totaal bijzondere baten                                                                                                             763

De hoogte van de bijzondere baten wordt in grote mate beïnvloed door de overgedragen opbrengsten (en kosten) voor werkzaamheden «CASO», waarbij kosten en opbrengsten aan CFI zijn overgedragen.

Lasten

Personele lasten

De totale personele kosten zijn sterk gestegen vergeleken met vorig jaar en de begroting. Een fors aantal nieuwe medewerkers (70 fte) is ingestroomd. De uitbreiding was noodzakelijk door uitbreiding van het takenpakket. De doelstelling om het volume externen terug te dringen is daarentegen niet gerealiseerd.

Echter door bovenstaande ontwikkelingen is CFI er wel in geslaagd het aanzienlijke meerwerk tegen beheerste meerkosten in te vullen.

Materiële lasten

Tabel 11: Materiële lasten (bedragen x € 1000)

Externen                                                                                                                                    6283

Automatisering                                                                                                                        8178

Overige materiële lasten                                                                                                        3524

Totaal materiële lasten                                                                                                         17985

De materiële lasten zijn hoger dan de begroting omdat de kosten samenhangend met meerwerk bijna direct leiden tot hogere lasten. Na correctie voor het meerwerk blijkt dat een aanzienlijke reductie op automatisering is bewerkstelligd.

Een aanzienlijke kostenpost over 2001 is de post werving en selectie die circa 10% van de kostenpost externen vertegenwoordigt.

Dotaties voorzieningen

Tabel 12: Dotaties voorzieningen (bedragen x € 1000)

Flankerend beleid/wachtgeld                                                                                               1 267

Voorziening reorganisatie                                                                                                          560

Overige voorzieningen

Totale dotaties voorzieningen                                                                                                1827

CFI heeft in 2001 1,8 miljoen aan de voorziening gedoteerd om de voorziening gelijke tred te laten houden met de verplichtingen (toekomstige uitgaven).

Bijzondere lasten

De hoogte van de bijzondere lasten worden grotendeels veroorzaakt door de overgedragen kosten «CASO» en niet voorziene facturen over 2000.

Oorzaken positief exploitatiesaldo

Het positieve exploitatieresultaat bedraagt 0,82 miljoen. Het positieve resultaat kan worden herleid naar twee oorzaken.

  • 1. 
    CFI is er in geslaagd een reductie tebewerkstelligen voor de kosten van automatisering. In mei 2001 is een majeur bekostigingssysteem succesvol in eigen beheer genomen, waardoor externe kosten zijn teruggedrongen.
  • 2. 
    De forse instroom van vast personeel door het gegroeide takkenpakket van CFI komt niet geheel terug in de lasten, daar deze instroom gedurende het jaar heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft CFI in de eerste helft van 2001 een fors aantal openstaande vacatures gekend.

Afwikkeling positief exploitatieresultaat

Conform de organisatieregeling CFI vloeit 25% van het positieve exploitatieresultaat terug naar het moederdepartement. Voorgesteld wordt om het resterende overschot toe te voegen aan de exploitatiebuffer met inachtneming van de 5% limiet (over de omzet van de afgelopen drie jaren) als maximum.

 

Tabel 13: Exploitatieresultaat (bedragen x

€ 1000)

   

Omzet 1999

48 477

   

Omzet 2000

46 725

   

Omzet 2001

57 261

   

Totaal

152 463

   

Gemiddelde omzet

50 821

   

5%

2 541

   

Terug naar moederdepartement 25% resultaat

   

207

Exploitatiereserve

2 306

   

Toevoeging 2001

622

   
   

2 928

 

Maximaal toegestaan

 

2 541

 

Extra bedrag naar moederdepartement

   

387

Totaal af te storten

   

594

  • 3. 

    Rekening 2001

Tabel 14: Rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1000)

 

Oorspronkelijk

Reali-

Verschil

vastge-

satie

realisatie

stelde

 

en

begro-

oorspronkelijk

ting

 

vastgestelde begroting

40 008

58 330

18 322

40 008

57 501

17 493

0

829

829

4 538

3 176

  • 1 362

7 490

6 037

  • 1 453

Totale baten Totale lasten Saldo van baten en lasten

Totaal kapitaalsontvangsten Totaal kapitaalsuitgaven

3.1 Toelichting op de rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten

Kasstroomoverzicht 2001

 

Tabel 15: kasstroomoverzicht 2001 (bedragen x

€ 1000)

   
   

Oorspronkelijk

Reali-

Verschil

   

vastge-

satie

realisatie

   

stelde

 

en

   

begro-

oorspronkelijk

   

ting

 

vastgestelde begroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari

4 410

11 881

7 474

2.

Totale operationele kasstroom

2 521

385

  • 2 139

3a. -/-

Totaal investeringen

  • 4 538

-3 450

1 088

3b.

       

+/+

Totaal boekwaarde desinvesteringen

     

3.

Totaal investeringskasstroom

  • 4 538

-3 450

1 088

4a. -/-

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

     

4b.

       

+/+

Eenmalig storting aan moederdepartement

     

4c. -/-

Aflossingen op leningen

  • 2 952
  • 2 587

365

4d.

       

+/+

Beroep op leenfaciliteit

4 538

3 176

  • 1 362

4.

Totaal financierings kasstroom

1 586

590

996

5.

Rekening courant RHB 31 december

3 979

9 406

5 427

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De mutatie in liquide middelen wordt voornamelijk veroorzaakt door de mutatie in het werkkapitaal. Naast het terugdringen van het debiteurensaldo en het positieve exploitatieresultaat, draagt vooral de stijging op de post vooruit ontvangen bedragen bij tot de groei van de liquide middelen.

Meerjarige vermogensontwikkeling

 

Tabel 16: Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling van een

baten-lastendienst

     
 

t-4

t-3

t-2

t-1

T begroot

T realisatie

  • 1) 
    Eigen vermogen per 1/1

8 927

10 622

7 462

7 344

7 344

2 306

  • 2) 
    Saldo van baten en lasten

1 898

-3 038

  • 633

1 936

0

829

3a) Uitkering aan moederdepartement

  • 537
  • 122
 
  • 6 974

6 486

  • 609

3b) Bijdrage door moederdepartement ter verster-

334

 

523

     

king van het eigen vermogen

           

3c) Directe mutaties in het eigen vermogen

           

3d) Overige mutaties

   

7

     
  • 4) 
    Eigen vermogen per 31/12

10 622

7 462

7 344

2 306

858

2 526

  • 4. 

    Kwaliteit van productcategorieën

 

Tabel 17: Overzicht per productcategorie.

Te leveren productcategorie

 

Prestatie-indicator

Realisatie 2000

Begroting 2001

Realisatie 2001

  • 1. 
    Agentschapproducten
 

Tijdigheid beslissingen (output)

99%

100% < 8 weken

99%

   

Tijdig afgehandelde correspondentie

82%

100% < 7 weken

81%

   

Tijdig afgehandelde politieke post

95%

100% < 2 weken

100%

   

Tijdig opgestelde ambtsberichten

25%

90% < 4 weken

28%

  • 2. 
    Klantgerichtheid
 

Tijdig afgehandelde klachten Tijdig afgehandelde telefoonge-

0%

100% < 5 weken

100%

   

sprekken (binnen 24 uur)

95%

> 95%

94%

   

Het aantal aangenomen gesprekken

     
   

ten opzichte van het aantal aange-

     
   

boden telefoongesprekken

92%

90%

88%

   

Aantal ingestelde bezwaren en

     
   

beroepen ten opzichte van het aantal

     
   

genomen beslissingen

0,50%

< 1,50%

0,35%

  • 3. 
    Informatievoorziening aan

het

Tijdige leveringen conform proto-

     

ministerie

 

collen

84%

95%

94%

Algemeen

De resultaten op bovenstaande prestatie-indicatoren zijn binnen, of benaderen de normen. Bij twee indicatoren is er een significante afwijking; + Tijdig afgehandelde correspondentie. Het onderliggende volume is sterk onderhevig aan pieken. Een hogere realisatie (81% in 2001, terwijl in de begroting als doelstelling 100% was opgenomen) op deze indicator brengt hoge kosten met zich mee. + Tijdig opgestelde ambtsberichten. De realisatie (28% in 2001, terwijl in de begroting als doelstelling 90% was opgenomen) wijkt sterk af van het doel. CFI heeft geen invloed op de volledige doorlooptijd van het proces en is hierbij afhankelijk van externe partijen. Deze indicator zal worden herzien.

Volume

 

Tabel 18: Kengetallen volume

Agentschapproducten

Reali-

Begro-

Reali-

 

satie

ting

satie

 

2000

2001

2001

Uitvoeringstoetsen

158

30

203

Implementatie majeure wetgevingsprojecten

4

10

3

Onderwijsvoorzieningen aanbod

1 382

1 600

1 483

Bekostigingsaanvragen

193 693

96 000

201 848

Verantwoordingsdocumenten

17 237

9 530

11 620

Instroomtoetsen

2 206

2 700

2 142

Verweerschriften

625

1 600

631

Telefoongesprekken

79 081

80 000

58 825

Correspondentie

6 274

9 580

6 101

Informatieleveringen

873

5 045

873

Algemeen

Bovenstaande producten zijn voor het eerst in 2000 opgenomen in de begroting, de daarbij behorende output per product was gebaseerd op ervaringscijfers en metingen van soortgelijke productcategorieën.

Uitvoeringstoetsen

In de registratie zijn ook de uitvoeringsparafen meegenomen, met ingang van 2002 zal alleen gerapporteerd worden over de daadwerkelijke uitvoeringstoetsen.

Bekostigingsaanvragen (beslissingen CFI)

De toename van het aantal beslissingen wordt veroorzaakt door het feit dat de CFI-beschikkingen die door het RCC (Apeldoorn) worden verzonden, nu ook worden geregistreerd. In het managementcontract 2002 is een prognose opgenomen van 200 000 stuks.

Correspondentie

Het aantal stuks correspondentie is afgenomen, maar daar staat tegenover dat CFI steeds vaker benaderd wordt via de e-mail (3529 e-mails in 2001, 2976 e-mails in 2000).

Informatieleveringen

Het betreft thans alleen de leveringen die CFI conform vooraf vastgestelde protocollen levert aan de afzonderlijke beleidsdirecties van OCenW en derden als inspectie en het CBS.

Telefoongesprekken

Het aantal telefoongesprekken daalt door het gebruik van e-mail, en het verkrijgen van informatie van de vernieuwde internetsite «Cƒi online».

BIJLAGE 3                                              FINANCIËLE VERANTWOORDING 2001 RIJKSARCHIEFDIENST

  • 1. 

    Inleiding

1.1 Organisatorische veranderingen binnen de Rijksarchiefdienst

De Rijksarchiefdienst (RAD) is fundamenteel aan het veranderen. Het in 1999 ingezette traject van bestuurlijke vernieuwing is inmiddels ver gevorderd. De RAD transformeert van een dienst met 12 provinciale rijksarchieven tot een dienst met uiteindelijk maar één archiefinstelling in haar geleding, namelijk het Nationaal Archief.

De rijksarchieven fuseren, met gemeentearchieven en andere erfgoedinstellingen, tot regionale historische centra en gaan als openbaar lichaam verder in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De andere organisatieonderdelen van de Rijksarchiefdienst, zoals de Rijksarchiefinspectie, het hulpdepot Schaarsbergen en RAD-beheer zijn reeds, of worden binnenkort verzelfstandigd of afgestoten.

De Rijksarchiefdienst functioneert op dit moment als een «holding». Alle inhoudelijke activiteiten vinden plaats binnen de rijksarchieven, het Nationaal Archief en de regionale historische centra. Op concernniveau functioneert een beleidsbureau, met als belangrijkste taken: het begeleiden van de fusietrajecten, onderlinge coördinatie en de financiële- en beleidsmatige planning- en control van de rijksarchieven en de regionale historische centra.

Naar verwachting zal de volledige transformatie van de RAD doorlopen tot 2003/2004. In 2001 hebben reeds de navolgende veranderingen plaatsgevonden:

+ fusies van de rijksarchieven; + de opbouw van het Nationaal Archief; + de formele verzelfstandiging van de Rijksarchiefinspectie; het in gang zetten van de sluiting van het hulpdepot in Schaarsbergen; + uitbouw en consolidatie van de financiële sturing.

Fusies archieven

Door de rijksarchieven in de provincie te laten fuseren met andere culturele erfgoedinstellingen ontstaan regionale historische centra. Vanuit een bredere collectie, en door hun grotere schaal, kunnen zij meer slagkracht ontwikkelen om een breder publiek van dienst zijn. In oktober 2001 is formeel het vierde regionale historische centrum van start gegaan. Na het Utrechts en Zeeuws archief, en het Historisch Centrum Overijssel zijn de Groninger Archieven ontstaan uit een fusie van het Rijksarchief in Groningen en het Gemeente Archief Groningen. In voorbereiding zijn de fusies van de rijksarchieven in Gelderland (verwachte fusiedatum 1 mei 2002), Friesland (1 juli 2002), Noord-Holland en Limburg (beide eind 2002). Ook voor de resterende rijksarchieven heeft een oriëntatie op mogelijke fusie plaatsgevonden. Er zijn vooronderzoeken geweest ten behoeve van de rijksarchieven in Flevoland (fusie met 12 andere erfgoedinstellingen in die provincie), Noord-Brabant (samenwerking met streekarchieven) en Drenthe.

De planning voor verzelfstandiging van deze (laatste) drie rijksarchieven is respectievelijk 2003 en 2004.

De opbouw van het Nationaal Archief

Het Algemeen Rijksarchief wordt omgevormd tot een Nationaal Archief. In

juni 2002 zal het Nationaal Archief zich aan de buitenwereld presenteren.

Het Nationaal Archief wordt een centrum van historische informatie en ontwikkelt zich onder meer tot een kenniscentrum op het gebied van conservering en restauratie (van archieven) en digitale duurzaamheid. Het zal zich daarbij helder positioneren in het culturele veld tussen de regionale historische centra, rijks- en gemeente archieven, historische musea, de Koninklijke Bibliotheek, het Rijksmuseum en internationale archiefinstellingen. In 2001 zijn de aanzetten hiertoe gegeven.

Rijksarchiefinspectie en het hulpdepot in Schaarsbergen

In mei 2001 is de Rijksarchiefinspectie middels een wetswijziging formeel losgekoppeld van de RAD. De Rijksarchiefinspectie is vanaf die datum een zelfstandig onderdeel ressorterend onder de Directeur-Generaal Cultuur en Arbeidsvoorwaarden (DGCA) van het ministerie van OCenW.

Om praktische redenen zijn de financiën van de Rijksarchiefinspectie pas per 1 januari 2002 losgekoppeld. De financiële verantwoording van de

Rijksarchiefinspectie is derhalve opgenomen binnen deze jaarrekening van de RAD.

In de zomer van 2001 heeft de RAD besloten om het voornemen tot sluiting van het hulpdepot in Schaarsbergen (dat reeds in 1998 is geformuleerd) uit te voeren. De bedoeling is dat het hulpdepot per 1 januari 2003 wordt afgestoten. Dit besluit is genomen om de volgende redenen. Er is voldoende kwalitatieve depotruimte bijgekomen bij andere archieven, derhalve is er geen noodzaak meer om de opslag capaciteit te behouden; daarnaast voldoet het depot niet meer aan de eisen die worden gesteld aan archiefbewaarplaatsen; als laatste, bedrijfseconomisch gezien is exploitatie van het gebouw niet rendabel, de kostprijs van de opslag van archiefbescheiden komt uit boven de gangbare marktprijzen.

Uitbouw en consolidatie van de planning- en control Het beleidsbureau van de RAD is vooralsnog belast met de beleidsmatige en financiële planning- en controlcyclus van de regionale historische centra.

In 2000 zijn de eerste aanzetten gegeven voor de ontwikkeling en implementatie van outputgerichte sturingsinstrumenten. Kernpunt daarbij zijn de met de regionale historische centra gemaakte resultaatafspraken. Er zijn afspraken gemaakt over bijvoorbeeld de dienstverlening, digitale producten, collectiebehoud. De financiering geschiedt door middel van een vast budget, een rijksbijdrage. Dit is een structurele verplichting, die in de gemeenschappelijke regeling van een regionaal historisch centrum wordt vastgelegd.

Met betrekking tot het financiële deel van de planning- en control cyclus is door de RAD een handboek «Model financiële verantwoording» ontwikkeld, dat in de loop van 2002 zal worden geïmplementeerd.

De nog resterende rijksarchieven worden zoveel mogelijk op dezelfde wijze aangestuurd als de regionale historische centra. Ook voor hen gelden resultaatafspraken, die via resultaatbegrotingen worden gepland en verantwoord. Financiering van rijksarchieven vindt plaats via een lumpsum. Deze financieringssystematiek, die begin 2000 is ingevoerd, is een goed instrument gebleken om de financiën in de rijksarchieven te kunnen plannen en beheersen, en om het resultaatgericht werken te bevorderen. De verwachtingen die de RAD hieromtrent had zijn grotendeels uitgekomen. In 2001 is, ter ondersteuning van het financiële beheer, de administratieve organisatie opnieuw beschreven en aangepast aan de vele veranderingen die afgelopen twee jaar in de financiële structuur van de Rijksarchiefdienst zijn doorgevoerd.

1.2 Financieel resultaat

De Rijksarchiefdienst heeft 2001 afgesloten met een exploitatie resultaat van 0,95 miljoen.

De vele organisatorische veranderingen van het afgelopen jaar is de belangrijkste veroorzaker van deze relatief forse meevaller. Er wordt veel personele capaciteit ingezet in de voorbereiding van fusies en, in het bijzonder, de opbouw van het Nationaal Archief. Dit is veelal ten koste gegaan van de voortvarendheid waarmee projecten werden opgestart c.q. zijn uitgevoerd. Ook hebben de veranderingen geleid tot langer openstaan van vacatures en behoedzaamheid in het plegen van investeringen. Ook de besteding van de in 2001 geplande subsidie- en programmagelden is achtergebleven bij de planning. Hoewel dit geen direct gevolg heeft gehad voor het financiële resultaat (niet bestede middelen worden gepas-siveerd in de balans), is er wel een indirect gevolg. Het niet besteden van middelen resulteert in hoge liquiditeit; de daaruit voortvloeiende rentebaten maken ongeveer een kwart van het resultaat uit.

 

Tabel 1:

Rekening RAD (bedragen

x € 1000)

     
     

Begro-

Reali-

Verschil

     

ting

satie

 
     

2001

2001

 

Baten

   

31 700

25 316

  • 6 384

Lasten

   

31 697

24 362

-7 335

Saldo

   

3

954

951

Kapitaalontvangsten

 

2 269

2 221

  • 48

Kapitaaluitgaven

 

3 467

3 119

-348

De veranderingen binnen de RAD hebben geleid tot een resultaat van 0,95 miljoen. Ongeveer de helft is afkomstig uit de resultaten van de rijksarchieven, de andere helft is toe te schrijven aan meevallers op concernniveau. Hieronder een nadere analyse:

  • • 
    Het Nationaal Archief (in oprichting) heeft een resultaat geboekt van 350 000. Er waren in 2001 veel middelen uitgetrokken voor het realiseren van producten op digitaal gebied en andere ambities. Een nieuwe website, archievenoverzicht op internet, digitale toegangen, een digitaal depot, herinrichting van de studiezaal, zaterdagopenstelling en een kenniscentrum op het gebied van behoud en conservering. Het is gebleken dat voor een aantal van deze complexe projecten en trajecten veel meer voorbereiding nodig is dan verwacht. Ook het lang openstaan van vacatures op managementniveau is deels debet aan het niet uitputten van de beschikbare budgetten. Het Nationaal Archief maakt van de niet bestede budgetten bestemmingsreserves, totaal ten bedrage van 340 000.
  • • 
    De acht rijksarchieven (exclusie het Nationaal Archief) hebben gezamenlijk een resultaat geboekt van ongeveer 210 000. Ook hier ligt de oorzaak veelal bij de aanstaande fusies, waardoor projecten achter- blijven op de planning, en er vacatures open blijven staan. Ook de meevallende rentebaten hebben een rol gespeeld bij het behalen van dit resultaat. Ongeveer de helft van het resultaat komt voort uit incidentele meevallers op concernniveau, totaal 0,5 miljoen. De verklaring van het resultaat is divers:
  • • 
    de RAD begroot rentebaten behoedzaam. Het positieve resultaat op deze post is dan ook groot (ongeveer 135 000). De renteopbrengsten zijn gerealiseerd doordat de gelden van een aantal grote projecten nog niet (geheel) zijn besteed. De RAD heeft deze middelen op deposito gezet;
  • • 
    er was rekening gehouden met aanloopkosten als voorbereiding op de sluiting van het hulpdepot in Schaarsbergen. Het budget van ongeveer 115 000 is nog niet besteed, mede doordat een aantal van deze kosten uit het lopende budget van Schaarsbergen is gefinancierd;
  • • 
    de kosten van een aantal landelijke projecten / diversen zijn meegevallen met ongeveer 160 000. Minder uitgaven waren er voor posten als «convent», «algemene externe beleidsondersteuning» en «voorlichtingstraject» rond de invoering van de artikelen 11-13 van de uitvoering archiefwet;
  • • 
    de RAD heeft 90 000 frictiekosten in haar begroting staan om de gevolgen van uiteenlopende prijsindexen tussen de huren en het accrès op het RAD-budget te kunnen opvangen. De geplande decentralisatie van de huurbudgetten, die in het kader van de stelselherziening huisvesting plaatsvindt, heeft ook in 2001 niet plaatsgevonden.

(Zie ook tabel 2)

1.3 Financiële positie Rijksarchiefdienst (RAD)

De gerealiseerde meevallers zijn vooral incidenteel van aard. Het gerealiseerde resultaat biedt maar in zeer geringe mate een oplossing voor de financiële knelpunten die de komende jaren op de RAD afkomen. Naast de 2e tranche van de taakstelling uit het regeerakkoord ad 0,6 miljoen structureel (die de RAD nog niet geheel heeft ingevuld) geven de opbouw van het Nationaal Archief, de afronding van het fusietraject (te samen begroot op 3,6 miljoen structureel), en de beheerskosten van de digitale producten nog de nodige druk op de RAD- begroting.

De Rijksarchiefdienst is in 2001 gestart met een klein eigen vermogen (van 132 000). Door het resultaat zal het eigen vermogen toenemen tot ongeveer 1,1 miljoen. Van dit bedrag wordt 0,5 miljoen gereserveerd via bestemmingsreserves voor specifieke projecten, die reeds in 2001 zijn gestart.

De richtlijnen van het ministerie van Financiën inzake het eigen vermogen geven aan dat het eigen vermogen 5% mag bedragen van de omzet. De RAD heeft een eigen vermogen van 4%; indien de te vormen bestemmingsreserves niet worden meegerekend, komt dit percentage uit op 2,4 (zie tabel 6 en 7).

1.4 Verantwoording 2001

De rijksarchieven en regionaal historische centra stellen jaarlijks de rekening op. De verantwoordingen worden zo goed mogelijk gerelateerd aan de resultaten die met hen zijn afgesproken. Ook wordt verwacht dat zij een set van kengetallen ontwikkelen, die hun financiële beleid kunnen ondersteunen. De weerslag van de verantwoordingen en de kengetallen is niet te vinden in deze jaarrekening. De reden hiervoor is tweeledig:

  • • 
    Allereerst de vergelijkbaarheid. Rijksarchieven en regionaal historische centra hebben een grote mate van eigen identiteit. Qua organisatie en omvang verschillen de archiefinstellingen onderling steeds meer. Ook ontwikkelen zich regionaal historische centra met een bredere collectie dan archieven. Bibliotheken, letterkundige instituten, historische musea en documentatiecentra zijn in een aantal regio’s potentiële fusiepartners. Consolidatie van deze gegevens heeft geen inhoudelijke meerwaarde.
  • • 
    Ten tweede lopen de planning- en controlcyclus en de verantwoorde-lijkheidslijnen van de regionaal historische centra en de baten-lasten-dienst RAD niet parallel. Regionaal historische centra leggen primair verantwoording af aan hun bestuur. Alleen de financiële bijdrage van het rijk aan het regionaal historisch centrum wordt via deze jaarrekening verantwoord. Bovendien zijn in de gemeenschappelijke regelingen (waarbij de regionaal historische centra zijn opgericht) andere tijdslijnen afgesproken, dan die voor de baten-lastendienst gelden.

In de volgende paragrafen is de verantwoording verder uitgewerkt, en volgt de financiële structuur van de RAD. Elk (rijks)archief en organisatorisch onderdeel heeft een lumpsum. Ook de landelijke projecten worden in sterke mate gebudgetteerd.

De verantwoording van het resultaat wordt vooral gerelateerd aan deze budgettaire structuur (in plaats van de exploitatiebegroting). Zie tabel 2.

  • 2. 

    Bestedingen RAD 2001

2.1 Budgetten van de rijksarchieven en regionaal historische centra

In 2001 bedroeg het budget voor de rijksarchieven en regionaal historische centra 20,8 miljoen. Dit kan gesplitst worden in de bijdragen aan de regionaal historische centra ( 3,7 miljoen) en de rijksarchieven ( 17,1 miljoen). In deze budgetten zijn ook de programmagelden verwerkt, die zij hebben ontvangen voor specifieke doeleinden.

 

Tabel 2: Budgettering (bedragen x € 1000)

 

Begro-

Budget-

Reali-

Verschil

Reali-

 

ting

tering

satie

op

satie

 

2001

 

2001

budget/ expl. saldo

2000

Baten

         

Bijdrage moederdepartement

         

OC en W

30 892

23 114

23 114

0

24 934

Baten dienstverlening

         

(centraal)

113

116

125

9

179

Bijzondere baten

681

1 766

1 773

7

200

Subsidies grote projecten

0

pm

0

pm

0

Rente

14

0

140

140

67

Baten (excl. baten archieven)

31 700

24 996

25 152

156

25 380

Exploitatie saldi begrotings-

Begro- Ontvangen

Reali- Exploitatie-

Reali-

onderdelen

ting

krediet

satie

saldo

satie

 

2001

2001

2001

2001

2000

Kredieten rijksarchieven (incl.

         

programmageld)

         

Groningen

1 213

1 427

1 431

  • 4

1 292

Friesland

1 041

1 221

1 198

23

1 082

Drenthe

967

1 062

1 081

  • 19

955

Gelderland

1 109

1 327

1 335

-8

1 110

Flevoland

235

266

248

18

224

N-Holland

1 190

1 245

1 213

32

1 158

Zeeland

 

0

0

0

365

N-Brabant

1 053

1 296

1 271

25

1 427

Limburg

1 225

1 431

1 388

43

1 200

Algemeen Rijksarchief

6 121

7 864

7 514

350

5 321

Materieelbeheer (te verdelen)

216

 

0

 

331

Digitalisering (te verdelen)

681

 

0

 

1 115

Pivot (= Nat. Archief)

   

0

 

1 056

Gezamenlijk huurbudget

         

rijksarchieven

7 798

0

0

0

 

Kredieten rijksarchieven (incl.

         

programmageld)

22 847

17 139

16 679

460

16 636

Rijksbijdragen aan RHC’s

         

Groninger Archieven (vanaf

         

okt)

23

63

63

0

 

Utrechts Archief

1 022

1 177

1 177

0

1 142

Zeeuws Archief

1 110

1 279

1 279

0

828

Historisch. Centrum Over-

         

ijssel

1 036

1 191

1 191

0

1 063

Gezamenlijk huurbudget

         

RHC’s

2 531

0

0

0

 

Rijksbijdragen aan RHC’s

5 722

3 710

3 710

0

3 033

Budget overige dienst-

         

onderdelen

2 158

1 728

1 663

45

2 409

Geoormerkte gelden

         

Voorlichting art 11 -13

 

152

100

52

 

Euro

 

98

83

15

80

Geoormerkte gelden

0

250

183

67

80

Concern uitgaven

970

2 078

1 943

135

2 558

Huisvesting

 

91

0

91

 

Subsidies grote projecten

0

pm

pm

pm

0

Totaal lasten

31 697

24 996

24 198

798

24 716

Saldo van baten en lasten

3

0

954

951

663

Op het uitgedeelde budget hebben de rijksarchieven 0,5 miljoen als resultaat geboekt. De verklaring is reeds in paragraaf 1 beschreven.

Programmagelden

Binnen het bedrag van 20,8 miljoen is een bedrag van ongeveer 2 miljoen als geoormerkt programmageld aan de archieven doorgegeven. Dit bestaat uit een jaarlijks bedrag van 1 miljoen voor de uitvoer van behoudsplannen en (éénmalig) ongeveer 1 miljoen voor de ontwikke- ling van producten op digitaal gebied. De middelen voor digitalisering waren reeds in 2000 aan de RAD beschikbaar gesteld.

  • • 
    Digitalisering

In 2000 was er incidenteel een bedrag beschikbaar van 1,6 miljoen voor digitale ontsluiting van archieven. De Rijksarchiefdienst heeft dit bedrag deels in 2000 en deels in 2001 ingezet voor de verbetering van het publieksbereik via internet. Voor de ontwikkeling van goede en gevarieerde websites hebben de archieven in 2000 en 2001 elk gemiddeld ruim 90 000 te besteden gehad. De stimuleringsbijdrage heeft nog niet bij alle archieven tot het beoogde resultaat geleid. De in paragraaf 1 beschreven oorzaken zijn daar debet aan. Ook zijn de middelen ingezet voor de ontwikkeling (en data-entry) van Gen-Lias (de digitale sleutel tot de familie geschiedenis). Dit is een database waarin alle huwelijksregisters tot het jaar 1812 worden opgenomen. Helaas ondervindt dit project enige tegenwind. De applicatie bleek afgelopen jaar niet bestand tegen de enorme aanwas aan bezoekers. Op dit moment wordt een verbeterde technische en beheersstructuur ontwikkeld. Verder hebben de archieven de middelen voor digitalisering aangewend voor het opzetten van databases met fotomateriaal. Her en der zijn deze via de websites te raadplegen.

  • • 
    Behoudsgelden

Voor de cultuurperiode 2001-2004 is jaarlijks 1 miljoen beschikbaar voor behoudsactiviteiten. Het budget is voor 0,8 miljoen verdeeld over de rijksarchieven en regionaal historische centra op basis van de omvang van hun collectie. De besteding vindt plaats aan de hand van vooraf geformuleerde doelen, beschreven in behoudsplannen. Het Nationaal Archief ontvangt naast hun deel van de behoudsgelden ook een bedrag van 0,2 miljoen voor de opbouw van een kenniscentrum voor behoud en conservering. In december 2001 is er feitelijk begonnen met de inrichting van dit kenniscentrum.

  • • 
    Pivot (project verkorting overbrengingstermijn)

Binnen Pivot wordt de overdracht van de moderne archieven van de rijksoverheid naar de Rijksarchiefdienst geregeld. In het afgelopen decennium (tot 1 januari 2001) was er jaarlijks 0,8 miljoen beschikbaar. Begin 2001 was het Pivot-traject nog niet afgerond. Er moeten nog overdrachten van archieven tot 1975 worden voorbereid van een tiental departementen en tientallen zelfstandige bestuursorgananen. Voor de financiering is eind 2001 eenmalig 1,2 miljoen beschikbaar gekomen. Met deze middelen kan het Nationaal Archief de werkzaamheden verder voortzetten tot medio 2003. In de rekening zijn deze middelen als «vooruit ontvangen subsidie» opgenomen.

  • • 
    Digitale duurzaamheid/digitaal depot

In het structurele krediet van de Rijksarchiefdienst is een bedrag van 0,2 miljoen aanwezig voor het onderzoek naar digitale duurzaamheid, opzet kenniscentrum en de ontwikkeling en exploitatie van systemen voor een digitaal depot. In samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt invulling gegeven aan dit taakveld. De ontwikkeling van een digitaal depot is binnen het Nationaal Archief opgepakt zoveel mogelijk in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek. Een functioneel ontwerp hiervoor is inmiddels gereed.

2.2 Budgetten van de concernonderdelen

De budgetten van het beleidsbureau, de andere organisatieonderdelen en de landelijke fondsen nemen met ongeveer 4,1 miljoen 16% van de begroting in. Het beleidsbureau, Schaarsbergen en de Rijksarchief- inspectie hebben op hun budgetten een resultaat geboekt van ongeveer 45 000, vooral veroorzaakt door meevallende salariskosten. De kosten van de Rijksarchiefinspectie zijn uitgekomen op 0,5 miljoen, gelijk aan het budget dat in 2002 uit het budget van de RAD zal worden ontvlochten. In 2001 was naast de 0,5 miljoen incidenteel 163 000 beschikbaar. Deze middelen vormde het overschot van intensiverings-gelden uit 2000. De besteding daarvan zal in 2002 plaatsvinden; de RAD heeft in verband met de ontvlechting van de inspectie, deze middelen als «nog te betalen kosten» opgenomen.

2.3 Landelijke fondsen

De Rijksarchiefdienst heeft afgelopen twee jaar haar centrale budgetten grotendeels gedecentraliseerd. Op landelijk niveau zijn nog een aantal fondsen beschikbaar. De belangrijkste posten zijn: het fusieproject

( 690 000), personeel gerelateerde fondsen ( 135 000), ict-kosten

( 300 000) en algemene concernbestedingen ( 370 000).

Bij de landelijke fondsen is een resultaat geboekt van ongeveer 136 000.

Fusieproject

Het budget voor de incidentele kosten van het fusietraject (organisatie en projectkosten) is als landelijk fonds binnen de begroting van de Rijksarchiefdienst opgenomen. In 2001 was rekening gehouden met 0,6 miljoen kosten, waaronder 0,2 miljoen ten behoeve van een mobiliteitsvoorziening. Met inachtneming van een aantal onderlinge verschuivingen is het gehele bedrag besteed en of gedoteerd aan de voorziening.

Voor de financiering van het proces «bestuurlijke vernieuwing» is het budget van de Rijksarchiefdienst vanaf 2000 structureel met 2,2 miljoen opgehoogd. Tabel 3 geeft de besteding hiervan aan. Een groot deel van de beschikbaar gekomen middelen is bestemd voor het wegwerken van financiële achterstanden en knelpunten binnen de archieven. Er is bijna 1,2 miljoen structureel aan de lumpsums toegevoegd. Voor een ander deel worden de middelen aangewend voor ver- en nieuwbouw activiteiten die nodig zijn om de publieksfunctie van de regionaal historische centra naar behoren te kunnen invullen. Ook deze middelen worden op termijn aan de lumpsums toegevoegd.

Tabel 3: Bestedingen fusies (bedragen x € 1000)

Realisatie Begroting Realisatie Begroting Begroting Begroting 2000                2001                2001               2002               2003               2004

Totaal

Beleidsintensivering (budget) Vrijgemaakte middelen RAD

Besteding

Toegevoegd aan lumpsums van archieven (structureel) Idem: incidenteel (achterstands-problematiek) Versterking RHC’s

Incidenteel: projectkosten

Mobiliteitsfonds

Reservering

2 224 182

1 177

2 224 182

1 177

2 224 182

1 177

2 224               2 224               2 224

182                  182                  182

1 177

1 177

1 177

 

351

         

227

117

117

288

1 287

1 472

509

771

581 181

771

318

227

259

         

Saldo

  • 117

340

349

169

  • 377
  • 471
 

Egalisatie (restant budget) Besteding

 

-340

-349

  • 169

377

471

858 847

-11

NB: getallen begroting 2002 t/m 2004 zijn overgenomen uit begroting 2002

Overige budgetten

Er waren budgetten gereserveerd voor knelpunten en onvoorziene omstandigheden. Het budget voor de toekomstige sluiting van Schaars-bergen is in geringe mate aangesproken, evenals de budgetten voor onvoorziene omstandigheden. Een groot deel van het vrijgekomen budget is aangewend ter financiering van verlofstuwmeren.

Geoormerkte fondsen

De RAD heeft voor twee projecten subsidie/programmageld ontvangen,

zijnde de overgang naar de euro en voor het voorlichtingstraject dat de

RAD heeft georganiseerd rond de ministeriële regelingen die volgen uit de artikelen 11-13 van het archiefbesluit 1995.

Het totale budget voor de euroconversie bedroeg 98 000. Dit budget is al deels in 2000 ter beschikking gesteld. De rijksarchieven en regionaal historische centra hebben een beroep gedaan op dit budget tot aan

83 000. De niet bestede middelen van 15 000 worden vooralsnog gereserveerd voor nakomende rekeningen.

In het najaar 2001 heeft de RAD een brede voorlichting gegeven aan het archiefveld met betrekking tot de invoering van de artikelen 11-13 uit het archiefbesluit 1995. Deze artikelen betreffen het in goede en geordende staat houden, digitale bewaring en bewaarcondities depot. Het totale budget voor dit project bedroeg 152 000, waarvan 60 000 subsidie van

OCenW. Op het budget is 52 000 overgebleven, voornamelijk door het inzetten van de website in plaats van drukwerk.

Op de centrale fondsen is ten opzichte van de begroting een positief saldo ontstaan. Door de geplande ontvlechting was rekening gehouden met aanzienlijke frictiekosten. Deze heeft de Rijksarchiefdienst maar deels hoeven aan te spreken.

Vanwege de introductie van de lumpsum financiering zijn de centrale middelen per 1 januari 2001 volledig gedecentraliseerd. Alleen voor een aantal algemene concernactiviteiten blijven op centraal niveau middelen aanwezig.

2.4 Gesubsidieerde projecten

Binnen de Rijksarchiefdienst lopen diverse projecten die extern gesubsidieerd worden. Het vermelden van een drietal projecten is hier op zijn plaats vanwege de omvangrijke subsidiestromen.

  • • 
    TANAP (towards a new age of partnerschip), een internationaal project rond de VOC-archieven ( 0,3 miljoen per jaar);
  • • 
    Het Nationaal Archief heeft het afgelopen jaar het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging overgenomen. Bij de overname is afgesproken dat er een database wordt gebouwd om de toegankelijkheid te vergroten. Voor de bouw en de data-entry is 0,5 miljoen beschikbaar gesteld door het ministerie van Justitie,
  • • 
    Neerlandica: samenwerkingsproject met de Universiteit van Groningen met betrekking tot Russische archieven ( 0,2 miljoen per jaar);
  • • 
    In december 2000 is voor het project «De kleur van Nederland» 1,6 miljoen beschikbaar gesteld. Afgelopen zomer is het project gestart in samenwerking met het kadaster. Het digitaliseren van de kadastrale basiskaart uit het jaar 1832 is het eerste product van het project, dit wordt verwacht in de loop van 2002.

De subsidiegelden zijn budgettair neutraal in de exploitatie van de Rijksarchiefdienst opgenomen. Niet bestede subsidiegelden zijn in de balans opgenomen.

  • 3. 

    Financiële verantwoording

 

Tabel 4: Baten en lasten (bedrag x € 1000)

 

Begro-

Reali-

Slotwet-

Reali-

 

ting

satie

muta-

satie

 

2001

2001

ties

2000

Baten

       

Bijdrage moederdepartement OCenW

30 892

23 114

  • 7 778

24 934

Bijzondere baten

794

2 018

1 224

390

Rente (concern)

14

184

170

67

Bestede subsidie

0

pm

 

2 087

Totaal baten

31 700

25 316

-6 384

29 080

Lasten

       

Apparaatskosten archieven

       

Personeel

9 307

11 483

2 176

13 172

Materiële kosten

3 304

5 346

2 042

4 142

Kapitaal lasten

       

– afschrijvingen in archieven

1 361

911

  • 450

923

  • inhaalafschrijving
     

305

– rentekosten Kapitaal lasten

394

151

  • 243

228

1 755

1 062

  • 693

1 456

Overige en bijzondere lasten

       

– dotaties aan p-voorzieningen / huisves-

       

ting

 

283

283

 

– huisvesting rijksarchieven

7 519

 

-7 519

 

– diverse lasten

Overige en bijzondere lasten

 

73

73

 

7 519

356

-7 163

0

Baten archieven

  • 1 588
  • 1 568

20

  • 1 601

Apparaatskosten archieven

20 297

16 679

3 618

18 770

Kosten concernonderdelen

       

Beleidsbureau / inspectie/SB/LP

       

– personele kosten

1 652

1 340

  • 312
 

– indirect materieel

 

62

62

 

– direct materieel

2 183

1 589

  • 594

3 635

– bijzondere lasten

       

Kapitaallasten

       

– afschrijvingen

 

69

69

 

– rente

Beleidsbureau / inspectie/SB/LP

 

10

10

 

3 835

3 070

  • 765

3 635

Bijzondere lasten

       

Dotatie voorzieningen

0

538

538

585

Fonds taakstelling

-317

363

46

 

Diversen Bijzondere lasten

     

134

-317

901

584

719

Bijdrage RHC’s

4 379

3 710

  • 669

1 970

Huisvesting RHC’s

3 503

 

-3 503

 

Besteding / reservering subsidies

       

projecten

0

pm

 

2 087

 

7 882

3 710

  • 4 172

4 057

Totaal lasten

31 697

24 362

-7 335

28 417

Saldo van baten en lasten

3

954

951

663

3.1  Exploitatierekening op hoofdlijnen

De oorspronkelijk vastgestelde begroting van de Rijksarchiefdienst bedroeg 31,7 miljoen. Hierin was een bedrag van 10,4 miljoen verdisconteerd voor de huur van de archiefgebouwen. De overheveling van deze huurbudgetten is wederom uitgesteld. Gecorrigeerd hiervoor bedroeg het oorspronkelijk begrote exploitatiebudget 21,3 miljoen.

3.2 Toelichting op de baten

De baten van de Rijksarchiefdienst bestaan uit de volgende componenten: de bijdrage van OCenW voor de apparaatskosten, geoormerkte programmagelden, baten uit dienstverlening, rente en overige baten.

Bijdrage moederdepartement

Het structurele deel van de bijdrage is uiteindelijk uitgekomen op 21,7 miljoen. Het verschil met de begroting wordt voornamelijk verklaard door de loon- en prijsbijstellingen van 2000 en 2001. Ook hebben er een drietal structurele budgetoverhevelingen plaatsgevonden in het kader van Pivot. Aan incidentele programma- en projectgelden ontving de Rijksarchiefdienst 1,1 miljoen. Dit bestaat voor 1 miljoen uit behoudsgelden en 60 000 subsidie voor het voorlichtingstraject artikelen 11-13 van het archiefbesluit 1995.

Daarnaast is er 0,4 miljoen beschikbaar als overbruggingskrediet voor de taakstelling uit het regeerakkoord 1998. Ook voor 2002 en 2003 is hiervoor een overbruggingskrediet beschikbaar; de RAD is hierdoor in staat om maatregelen te formuleren om deze bezuiniging structureel te kunnen opvangen. Vanaf 2004 wordt het overbruggingskrediet terug betaald.

Bijzondere baten

Onder de bijzondere baten zijn voornamelijk eenmalige bijdragen en verrekeningen uit voorgaande jaren verantwoord. Ook de vrijval uit centrale voorzieningen en andere balansposten is als bijzondere baten verantwoord.

In 2001 is een bedrag van 1,8 miljoen vrijgevallen, waaronder het fonds voor digitalisering ( 1 miljoen), fusiebudget ( 0,3 miljoen), het intensiveringsbudget inspectie ( 0,2 miljoen), eurobudget ( 0,1 miljoen)

en een aantal kleinere voorzieningen.

De baten uit depotverhuur in Schaarsbergen en overige incidentele baten

(samen 0,2 miljoen) completeren de bijzondere baten tot 2 miljoen.

Rente

De totale rentebaten bedroegen 184 000. De uitvoering van veel projecten is laat op gang gekomen, waardoor er veel vooruit ontvangen subsidiegeld op de rekening staat. Een goed rendement is het gevolg.

3.3 Toelichting op de kosten

Apparaatskosten rijksarchieven en concernonderdelen

Personele lasten in archieven en concern onderdelen De salarislasten van de Rijksarchiefdienst bedroegen totaal 12,8 miljoen ( 11,5 miljoen in de archieven en 1,3 miljoen bij de concernonderdelen).

Dit bestaat uit 13 miljoen uit bruto salarislasten voor vaste en tijdelijke medewerkers, plus ongeveer 0,2 miljoen aan wachtgelden, en 0,5

miljoen salarislasten voor medewerkers die niet formeel in dienst zijn bij de RAD (WSW-, banenpoolers, IF-contracten en uitzendkrachten). Op het bruto totaal van 13,7 miljoen is in mindering gebracht 0,2 miljoen aan ziektewetuitkeringen en ruim 0,7 miljoen personele lasten die zijn doorberekend aan projecten en of externe klanten.

De gemiddelde bezetting van de Rijksarchieven is uitgekomen op 299,5 fte, 274 fte in vast dienstverband, 25,5 fte op tijdelijke basis (in 2000 331,5 fte; 289 vast, 41,5 tijdelijk). De gemiddelde salarislasten bedragen 43 484. Ten opzichte van 2000 ( 39 734) een stijging van 9%. Het aandeel van (goedkopere) tijdelijke medewerkers is gedaald van ruim 12% tot 8%.

De formatie van de RAD neemt in absolute zin af. De uitstroom is veroorzaakt door de verzelfstandiging van het Historisch Centrum Overijssel. De medewerkers van de Rijksarchiefinspectie en het rijksarchief Groningen verdwijnen per 1 januari 2002 uit de formatie.

In de personeelscijfers is niet meegenomen de inzet van de diverse vrijwilligers-organisaties. In de meeste archieven zijn dagelijks tientallen vrijwilligers bezig met het toegankelijk maken van data, veelal op genealogisch gebied.

Materiële lasten

In de materiële kosten van de archieven (totaal 6,7 miljoen) zijn de volgende componenten opgenomen:

  • • 
    Exploitatie kosten huisvesting ( 1,6 miljoen).
  • • 
    Organisatiekosten ( 1,1 miljoen).
  • • 
    Diverse personele kosten ( 0,4 miljoen) voor opleidingen, kinderopvang, enz.
  • • 
    De kapitaallasten ( 1,2 miljoen), bestaande uit =6 1 miljoen afschrijvingen en 0,2 miljoen rentekosten.
  • • 
    De direct materiële kosten: dit zijn kosten die direct aan de activiteiten worden toegeschreven. Totaal betreft het 2,18 miljoen, besteed aan projecten in het kader van behoud en beheer, publieksbereik en digitalisering.
  • • 
    Bijzondere lasten ( 0,3 miljoen): bestaan vooral uit voorzieningen op personeelsgebied, zoals dotaties aan voorzieningen voor mobiliteit en financiering van verlofstuwmeren.

De materiële lasten van de concernonderdelen bedragen 1,7 miljoen. Het grootste deel betreft de direct materiële lasten, besteed aan de landelijke projecten en fondsen.

Baten in de archieven

De eigen baten bestaan uit inkomsten uit de reguliere dienstverlening van archieven en het werken voor tweeden (en in beperkte mate voor derden). Het totaal aan inkomsten bedroeg 1,6 miljoen. Dit is lager dan voorgaande jaren.

  • • 
    Reguliere baten ( 0,3 miljoen) en verhuur faciliteiten ( 0,2 miljoen): ten opzichte van 2000 ongeveer 150 000 lager. De verlaging is grotendeels toe te rekenen aan de verzelfstandigingen van de regionaal historische centra (ten opzichte van 2000 zijn dat Overijssel en deels Zeeland).
  • • 
    Opdrachten dienstverlening ( 0,5 miljoen): stabiel ten opzicht van vorig jaar.
  • • 
    Depot verhuur: de totale opbrengst van ongeveer 0,4 miljoen ligt

140 000 lager dan in 2000. De verzelfstandigingen, maar ook de afname van het aantal huurders (bijvoorbeeld in Schaarsbergen) doet de opbrengst dalen. Overige baten: hieronder vallen subsidies, rente en vrijgevallen middelen uit voorzieningen (totaal 205 000).

Bijdrage aan regionaal historische centra (RHC’s)

De Rijksarchiefdienst financiert uit haar budget de reeds gevormde regionale historische centra middels een rijksbijdrage. In 2001 zijn op deze post geboekt de bijdragen aan Utrecht ( 1,2 miljoen), Zeeuws Archief ( 1,3 miljoen), het Historisch Centrum Overijssel ( 1,2 miljoen). De Groninger Archieven zijn formeel gestart op 26 oktober, de financiën van het rijksarchief Groningen zijn echter voor heel 2001 in de RAD-financiën geconsolideerd (zie tabel 2).

Bijzondere lasten op concernniveau

Aan voorzieningen heeft de Rijksarchiefdienst een bedrag van ongeveer 0,5 miljoen gedoteerd. Het betreft voornamelijk voorzieningen op personeelsgebied, die in het kader van de vele organisatorische veranderingen nodig zijn. Zo is er€ 0,3 miljoen voorzien voor kosten in verband met verlofstuwmeren, 0,2 miljoen uitgetrokken voor mobiliteit, 0,1 miljoen voor de sluiting Schaarsbergen. Het resterende bedrag bestaat uit een aantal kleinere voorzieningen voor onderhoud, dubieuze debiteuren en mogelijke schadeclaims.

Een bijzondere last vormt de dotatie van 0,4 miljoen aan het fonds taakstelling. De overbruggingslening is niet aangesproken. Het fonds wordt gebruikt om vanaf 2004 de overbruggingslening terug te betalen aan het moederdepartement.

Verder zijn onder deze noemer een aantal posten verantwoord, die vooral betrekking hebben op nagekomen afrekeningen uit voorgaande boekjaren.

3.4 Kapitaallasten: investeringen/afschrijvingen en rente

 

Tabel 5: Kapitaaloverzicht: afschrijvingen investeringen (bedragen x

€ 1000)

 

Balans per 31-12-2000

Des- Investe-investe- ringen ring 2001

Afschrijvingen 2001

Balans per 31-12-2001

Inventaris studiezaal / dienstverlening

Inventaris depots / mat. beheer Inventaris kantoor / overhead

984

1 764 1 305

19 118

5 260 182 1 012

173

213 594

910

1 807 1 542

Totaal

4 054

205 1 390

980

4 259

De kapitaaluitgaven bestaan uit kosten voor de vervanging en vernieuwing van de aanwezige activa. Er is in totaal iets minder dan 1,4 miljoen geïnvesteerd. De belangrijkste investeringen hadden betrekking op de vervanging van oud meubilair en vloerbedekking bij het Nationaal Archief

( 0,7 miljoen) en de vervanging van de depot stellingen in Drenthe ( 0,2 miljoen). Door het plaatsen van compactus berging is daar het nijpende capaciteitsprobleem opgelost.

Door de vorming van het Historisch Centrum Overijssel heeft er een afrekening plaatsgevonden van de vermogensbestanddelen. Bij de oprichting van een RHC, wordt de lening ineens afgelost voor een bedrag gelijk aan de waarde van hun activa. De activa gaat mee naar het RHC. De afrekening is opgenomen als desinvestering.

  • 4. 

    De vermogenspositie van de Rijksarchiefdienst

4.1 Vermogensontwikkeling

De vermogenspositie van de Rijksarchiefdienst is door het positieve resultaat van 1 miljoen fors verbeterd. Het eigen vermogen van de Rijksarchiefdienst bedraagt per 1 januari 2002 1,1 miljoen. Per 1 januari 2002 wordt van een deel van het eigen vermogen bestemmingsreserves gevormd van totaal 0,5 miljoen. Deze bestaan uit:

  • • 
    Archievenoverzicht: 45 000
  • • 
    Website: 90 000
  • • 
    Digitale toegangen: 115 000
  • • 
    Viering 200 jaar archiefwezen: 90 000
  • • 
    Mobiliteitsfonds fusie: 115 000
 

Tabel 6: Vermogensontwikkeling RAD

(bedragen

x € 1000)

   
 

1997

1998

1999

2000

2001

Eigen vermogen per 1-1

9 138

8 356

6 611

5 827

132

Saldo baten en lasten

  • 650
  • 1 055
  • 437

663

954

Directe mutaties

  • 131
  • 140

144

   

Uitkering moederdeparte-

         

ment

         

Exploitatiebijdrage

         

moederdepartement.

         

Overige mutaties

 
  • 551
  • 490
 

-454

Bestemmingsreserves

       

454

Leenfaciliteit

     
  • 6 357
 

Eigen vermogen per 31-12

8 356

6 611

5 827

132

1 086

Het eigen vermogen is verspreid over de verschillende rijksarchieven. Het modale archief heeft enkele tienduizenden euro aan eigen vermogen. Op zichzelf een relatief kleine buffer om toekomstige negatieve exploitatie gevolgen te kunnen opvangen. De toegestane 5% eigen vermogen (ten opzichte van de omzet) wordt bij de archieven nergens bereikt.

4.2 Balans

 

Tabel 7: Balans (bedragen x € 1000)

 

Balans

Balans

 

31-12-2001

1-1-2001

Activa

   

Materiële vaste activa

4 259

4 054

Voorraden

90

91

Debiteuren

279

535

Overige vorderingen /overlopende activa

896

455

Liquide middelen

7 661

5 274

Totaal activa

13 185

10 409

Passiva

   

Exploitatie reserve

133

133

Saldo lopend boekjaar

954

 

Leningen bij het ministerie van Financiën

2 645

3 337

Voorzieningen

872

849

Vooruit ontvangen programmagelden / subsidies

3 588

3 847

Vooruit gefactureerd OHW / projecten

248

382

Schulden

4 745

1 861

Totaal passiva

13 185

10 409

Kengetallen

   

Quick ratio liquiditeit (vorderingen + liq+ ohw / schuld.)

103%

103%

Liquiditeit (vorderingen + liq + ohw / schulden & voorz.)

93%

90%

Marge quick ratio

558

174

Percentage eigen vermogen op omzet

4%

  • 13%

Percentage eigen vermogen excl. bestemmingsres. op

   

omzet

2,4%

0,5%

Percentage eigen vermogen + voorzieningen op omzet

7,3%

  • 11%

Activa

Materiële activa ( 4,3 miljoen) betreft de waarde van de aanwezige inventaris. De grondslagen van waardering zijn niet veranderd. De materiële activa wordt tegen historische kostprijs geactiveerd. Afschrijvingen vinden lineair en evenredig over het jaar plaats, startend op de factuurdatum of de ingebruikname. De afschrijftermijnen zijn: depotstellingen 15 tot 25 jaar, meubilair 10 jaar, computerapparatuur en software 3 jaar, overige inventaris 5 tot 10 jaar.

Voorraden ( 0,1 miljoen): deze betreffen vooral voorraden bij de archief-winkels (aanschafwaarde van boeken en publicaties) en voorraden in het kader van Pivot.

Vorderingen ( 1,1 miljoen): grotere posten zijn de post lopende debiteuren ad 0,3 miljoen en de te ontvangen bedragen voor doorberekende kosten ad 0,8 miljoen.

Liquide middelen (totaal 7,7 miljoen)

Aan kasgeld was er 19 951 aanwezig op 31 december 2001. De rekening courant met de rijkshoofdboekhouding is afgesloten met een saldo van ruim 2,6 miljoen. Op deposito staat 5 miljoen. Dit zijn vooral de vooruit ontvangen subsidiebedragen van onder meer Pivot, CABR, Kleur van Nederland, Tanap, enz.

De liquiditeitpositievan de Rijksarchiefdienst is sterk verbeterd. De quick ratio bedraagt nu 103(vorig jaar eveneens 3%); de kortlopende schulden kunnen, met een positieve marge van 3% (= 558 000) gedekt worden. Indien echter de voorzieningen op korte termijn aangesproken moeten worden daalt de liquiditeit tot 93% (vorig jaar 90%).

Passiva

Voorzieningen: er is een bedrag van ruim 0,9 miljoen aan voorzieningen aanwezig. De voorziening van 0,7 miljoen die in 2000 in het kader van Pivot is gemaakt, is niet aangesproken. Er is besloten van deze voorziening op te heffen en onder «vooruit ontvangen programmagelden» op te nemen.

De andere voorzieningen zijn geheel vrijgevallen. Aan nieuwe voorzieningen is 0,7 miljoen gedoteerd.

Leningen: hierop staat het saldo van de conversielening. Per 1 januari 2000 is in verband met de leenfaciliteit het eigen vermogen geconverteerd. De conversielening bedroeg in aanvang 6,4 miljoen. In 2000 heeft de Rijksarchiefdienst reeds 3 miljoen afgelost, in 2001 bedroeg de aflossing 1,7 miljoen. Resteert 1,6 miljoen af te lossen van de conversielening.

De Rijksarchiefdienst heeft in 2001 een aantal deelleningen afgesloten ten bedrage van totaal 1 miljoen. Het geïnvesteerde bedrag ligt hoger. Hieruit blijkt dat niet alle investeringen zijn gefinancierd met een langlopende lening. Met name de investeringen in de archieven die binnen een jaar zullen fuseren, zijn gefinancierd met het normale werkkapitaal.

Onderhanden werk ( 250 000): de post onderhanden werk bestaat uit de reeds gefactureerde termijnen c.q. vooruit ontvangen subsidies / projectgelden minus de kosten van de projecten. Deze post laat een fors positief resultaat zien. Dit wordt veroorzaakt doordat de Rijksarchiefdienst ernaar streeft om zoveel mogelijk projecten per vooruitbetaling te financieren.

Vooruit ontvangen programmagelden ( 3,6 miljoen): hierin is onder meer opgenomen de vooruit ontvangen subsidiebedragen ad 1,6 miljoen «De kleur van Nederland»; de Pivot-gelden (het restant van de 1,2 miljoen 2002 + de voorziening uit 2000 van 0,7 miljoen); behouds- en digitalise-ringsgelden.

Schulden ( 4,7 miljoen): de crediteuren bedragen ongeveer 0,7 miljoen. De rest betreft «overige schulden», waaronder het overbruggingskrediet in verban met de taakstelling en «nog te betalen kosten».

4.3 Kasstroom

De bovengenoemde mutaties in het werkkapitaal, de afschrijvingen en de investeringen zijn verwerkt in het onderstaande kasstroomoverzicht.

 

Tabel 8: Kasstroomoverzicht (bedragen x € 1000)

 

Begro-

Reali-

Reali-

 

ting

satie

satie

 

2001

2001

2000

Rekening courant RHB (1 januari)

702

5 261

1 632

Kasstroom uit operationele activiteiten

638

   

Saldo baten -/- lasten

 

954

663

Afschrijvingen

 

980

1 357

Voorzieningen

 

23

410

Mutaties werkkapitaal

 

2 301

3 272

Kasstroom uit operationele activiteiten

638

4 258

5 702

Kastroom uit investeringsactiviteiten

     

Investeringen in activa

  • 1 361
  • 1 390

-556

Afrekening vermogen RHC

 

205

1 503

Kastroom uit investeringsactiviteiten

  • 1 361
  • 1 185

947

Kasstroom uit financieringsactiviteiten

     

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

   

6 357

Eenmalige storting door moederdepartement

   

6 357

Aflossing langlopende leningen

  • 1 198

-948

-3 020

Aflossing door RHC-vorming

-908

-781

 

Aflossingvermogensbestanddelen

908

   

Beroep op leenfaciliteit

1 361

1 036

0

Kasstroom uit financieringsactiviteiten

163

  • 693

-3 020

Netto kasstroom

  • 560

2 380

3 629

Liquide middelen per 31 december

142

7 641

5 261

4.4 Niet uit de balans blijkende verplichtingen

In 2001 is de Rijksarchiefdienst er toe overgegaan om de resterende verlofuren van de medewerkers van de rijksarchieven in de provincie te waarderen en op te nemen in de jaarrekening. De verlofuren leiden tot een mogelijke financiële verplichting als de medewerkers overgaan naar een regionaal historisch centrum. Voorheen werd deze verplichting niet gewaardeerd, omdat het beleid van de RAD erop gericht was, verlofuren op te maken.

Bij de fusie van rijksarchieven vindt ook afrekening van de vakantiegelden plaats. Deze verplichting is echter niet opgenomen in de jaarrekening. De financiële consequenties hiervan worden via de rijksbijdragen RHC’s verrekend.

AFKORTINGENLIJST

ab

ABP

ACO

AD

adv ahr

aio alr

AO

ATC

avo

AWT

bao bapo bbl

bbo bbp

BISON

bkb bol

bol-td

BPRC

bpv

BRIN

BSM

bve cao

CASO

CBS

CFI

CINOP

ckv

Colo

COS CSTP

Doreac

DZVO

ECN

eet

EIM

EP

ESF

EU

evc

EZ

FES

fre fte

GD

goa aanvullende beurs Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds Adviescommissie Onderwijsaanbod Accountantsdienst arbeidsduurverkorting achterstallig hoger recht assistent in opleiding achterstallig lager recht Administratieve Organisatie Accountability, toezicht en controle algemeen voortgezet onderwijs

Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid basisonderwijs bevordering arbeidsparticipatie ouderen beroepsbegeleidende leerweg beroepsbegeleidend onderwijs bruto binnenlands product

Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs (samenwerkingsverband van de intermediaire organisaties CINOP, Nuffic en EP)

bestuurlijke krachtenbundeling beroepsopleidende leerweg beroepsopleidende leerweg in deeltijd Biomedical Primate Research Centre beroepspraktijkvorming Basisregistratie voor instellingen Bekostigingssysteem materieel beroepsonderwijs en volwasseneneducatie collectieve arbeidsovereenkomst

Centrale administratie salarissen onderwijzend personeel Centraal Bureau voor de Statistiek Centrale Financiën Instellingen Centrum voor Innovatie van Opleidingen culturele en kunstzinnige vorming

Centraal orgaan van de landelijke organen beroepsonderwijs

Commissie van overleg sectorraden Committee for Scientific and Technological Policy van de OESO

Doorlichting regelingen op accountancy-aspecten Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel Energie Centrum Nederland economie, ecologie, technologie Economisch instituut voor midden- en kleinbedrijf Europees platform voor het Nederlandse onderwijs Europees Sociaal Fonds Europese Unie erkenning van elders verworven competenties ministerie van Economische Zaken Fonds Economische Structuurversterking formatie rekeneenheden fulltime equivalent (formatie-eenheid) Grondmechanica Delft gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid

GOA                  Wet gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid gsb                    grote stedenbeleid gti’s                   grote technologische instituten havo                 hoger algemeen voortgezet onderwijs hbo                   hoger beroepsonderwijs

Hgis                  Homogene groep internationale samenwerking

HOOP               hoger onderwijs en onderzoek plan

IB-Groep           Informatie Beheer Groep

ICN                    Instituut Collectie Nederland

ICES/KIS           Interdepartementale Commissie Economische

Structuurversterking/Werkgroep Kennisinfrastructuur ict                      informatie communicatietechnologie

IHE                    International institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering iobk                   in hun ontwikkeling bedreigde kleuters

ISO                    Interstedelijk Studentenoverleg

ITS                    Instituut voor toegepaste sociale wetenschap

KB                     Koninklijke bibliotheek kdc-zml             kinderdagcentrum zeer moeilijke kinderen kea                    kleinschalig experiment achterstandsbestrijding

KNAW               Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen lbk                     landelijk beleidskader (onderwijsachterstanden)

LCTI                  Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling

LCW                  Les-en cursusgeldwet lg                       lichamelijk gehandicapte leerlingen lgf                     leerlinggebonden financiering

LICA                  Landelijk Informatie Centrum Aansluiting vo-hbo lio                      leraarinopleiding

LNV                   ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij lom                   leer- en opvoedingsmoeilijkheden look                   landelijk overleg onderwijskansen

LSVb                 Landelijke studentenvakbond lwoo                 leerwegondersteunend onderwijs

MARIN              Maritiem Research Instituut Nederland mavo                middelbaar algemeen voortgezet onderwijs mbo                  middelbaar beroepsonderwijs

MenO               misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen mlk                    moeilijk lerende kinderen moa                  management, ondersteuning, arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden mou                  memorandum of understanding

NAA                  Nederlands Audiovisueel Archief

NACEE              Netherlands America commission for educational exchange

NBLC                Nederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum

NESO                Netherlands Education Support Office

NIZW                Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn

NLR                   Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium noat                  Nederlandstalig onderwijs aan anderstaligen

NRF                   Nationaal Restauratie Fonds

NT2                   Nederlands als tweede taal

NTU                  Nederlandse Taalunie

Nuffic                Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs

NWO                 Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek oalt                   onderwijs in allochtone levende talen

OCenW             Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OCTO                Onderwijscentrum Toegepaste Onderwijskunde

ODA                  Official Development Association

OESO                Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling oio                    onderzoeker in opleiding ok                      onderwijskansen ov                      openbaar vervoer ovsk                  openbaar vervoer studentenkaart owb                   onderzoek en wetenschapsbeleid pabo                 pedagogische academie basisonderwijs

Paepon             Platform van aangewezen/erkende particuliere onderwijsinstellingen in Nederland

p-beurs             prestatiebeurs pcl                     permanente commissie leerlingenzorg pmpo                procesmanagement primair onderwijs pmvo                procesmanagement voortgezet onderwijs po                     primair onderwijs pok                    projectgroep onderwijskansen pps                    publiek private samenwerking pro                    praktijkonderwijs

R&D                  Research and Development

RAD                  Rijksarchiefdienst

RDMZ               Rijksdienst voor de Monumentenzorg rec                     regionale expertise centra rhc                    regionale historische centra

ROA                  Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

ROB                  Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek roc                    regionaal opleidingscentrum sbao                  speciaal basisonderwijs sbd                    schoolbegeleidingsdienst

SBO                  Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt sbo                    secundair beroepsonderwijs

SER                   Sociaal Economische Raad sf                       studiefinanciering sfb                     studiefinancieringsbeleid

SLO                   Instituut voor leerplanontwikkeling so                      speciaal onderwijs

Stoeb                Student op eigen benen

Surf                   Samenwerkingsorganisatie voor netwerkdienstverlening en informatie- en communicatietechnologie in het hoger onderwijs en onderzoek svc                    studievoortgangscontrole svo                    speciaal voortgezet onderwijs

TCAI                  Tijdelijke Commissie Advisering Indicatiestelling

TNO                  Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek toa                    technisch onderwijsassistent

TS17-                tegemoetkoming studiekosten voor scholieren tot en met 17 jaar (volgens hoofdstuk 2 van de WTS)

ud                     universitair docent uhd                   universitair hoofddocent ulo                    universitaire lerarenopleiding

Unesco             United Nations educational scientific and cultural organisation

USZO                Uitvoeringinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs vbo                   voorbereidend beroepsonderwijs vbo                   voorbereidend beroepsonderwijs

VBTB                Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording

VeLo                  Vereenvoudigd Londostelsel vmbo                voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs vmbo                voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

VNG                  Vereniging van Nederlandse Gemeenten vo                      voortgezet onderwijs

VO18+               Tegemoetkoming studiekosten voor voltijdstuderenden van 18 jaar en ouder die voortgezet onderwijs volgen (volgens hoofdstuk 3 van de WTS)

VROM               ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en

Milieu

VSNU               Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universitei- ten

vso                    voortgezet speciaal onderwijs vsv                    voortijdig schoolverlaten vve                    voor- en vroegschoolse educatie vwo                   voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

VWS                 ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport

WEC                  Wet opde expertise centra

WIN                  Wet inburgering nieuwkomers

WHW                Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onder- zoek

WL                    Waterloopkundig Laboratorium

WMO                Wet medezeggenschap onderwijs wo                     wetenschappelijk onderwijs

WOR                 Wet op de ondernemingsraden wp                     wetenschappelijk personeel wopi                 wetenschappelijk onderwijs personeels informatie

WPO                 Wet op het primair onderwijs

WSF                  Wet studiefinanciering

WSLOA            Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten wsns                 weer samen naar school

WTOS               Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

WTOS18+         tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht hebben op SF of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)

WTS                  Wet tegemoetkoming studiekosten

WTS18+            Tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht heeft op studiefinanciering of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)

WVO                 Wet op het voortgezet onderwijs

WVOI                Werkgeversvereniging onderzoekinstellingen zbo                    zelfstandig bestuursorgaan zkoo                  ziektekostenvoorziening voor onderwijs en onderzoeks- personeel zml                    zeer moeilijk lerend

TREFWOORDENREGISTER

(speciaal) basisonderwijs 103

(voortgezet) speciaal onderwijs 20, 89, 99, 102, 103, 104, 105

Aankoopfonds 161, 162, 163, 164

Aanvullende beurs 50, 142, 144, 148, 149, 150, 200

Achterstallig recht 145, 207

Achterstandenbeleid 6, 10, 17, 75, 83, 200, 201

Administratie, bestuur en beheer 23, 73

Apparatuurmonitor 32

Arbeidsmarktknelpunten 9, 10, 16, 20, 22, 26, 28, 35, 36, 41, 44, 45, 46, 48,

50, 112, 125

Arbeidsvoorwaarden 6, 8, 22, 30, 50, 51, 66, 97, 117, 119, 158, 183

Archieven 82, 97, 160, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191,

192, 193, 194, 195, 196, 198, 199

Aspasia 9, 44, 45, 46, 48, 133

Basisbeurs 142, 143, 148, 149, 150, 151

Basisvorming 21, 208, 215

Beroepskolom 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 36, 37, 114, 213

Beroepsonderwijs 2, 3, 4, 6, 9, 21, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35,

37, 55, 60, 61, 63, 69, 87, 91, 97, 111, 112, 115, 118, 121, 140, 141, 158, 160,

164, 167, 168, 169, 200, 202, 203, 207, 208, 209, 210, 211, 212, 213, 214,

215, 216, 217, 218

Bestuurlijke krachtenbundeling 17, 100, 200

Bèta opleidingen 127

Bve Raad 28, 30, 31, 35, 153

Bve-sector 9, 18, 26, 27, 28, 30, 31, 32, 33, 50, 54, 56, 57, 58, 69, 77, 115,

116, 167

Collegegeld 40, 42, 120, 124, 126, 145, 209 Colo 27, 28, 30, 32 Conservering 138, 183, 184, 188 Convenant lerarenopleidingen 43, 118, 119 Decentralisatie arbeidsvoorwaarden 30, 117, 119 Deregulering 9, 10, 16, 36, 41, 42, 47, 101 Differentiatie 15, 16, 23, 26, 29, 51, 53, 54, 67, 68, 154 Doorstroom 29, 37, 40, 44, 52, 90, 93, 120, 127, 213 Educatie 2, 3, 4, 6, 26, 27, 28, 30, 31, 34, 35, 38, 55, 60, 61, 69, 70, 75, 84, 87, 96, 111, 112, 114, 115, 118, 119, 140, 155, 160, 164, 167, 169, 200, 209, 210, 211, 212, 213, 215, 217 Educatieve software 20 Employability 33, 34 ESF 33, 97, 112, 176, 200 Evaluatie WEB 30 Flankerend arbeidsmarktbeleid 119 Fundamenteel onderzoek 133 Genomics 9, 44, 45, 131, 132, 133 GOA 12, 201

Groepsgrootte en kwaliteit 10 Havo/vwo 21, 97 Hoger beroepsonderwijs 2, 4, 6, 35, 37, 38, 40, 49, 56, 57, 58, 84, 88, 92,

117, 118, 120, 122, 123, 150, 151, 152, 153, 164, 167, 168, 169, 201, 211, 214, 215, 218 Hoogbegaafden 14, 26

Huisvesting 2, 3, 4, 6, 9, 19, 21, 65, 72, 99, 106, 107, 108, 111, 112, 115, 116, 117, 118, 119, 121, 124, 126, 129, 130, 133, 139, 140, 161, 167, 168, 169, 185, 187, 192, 194, 203, 207 Impuls beroepsopleidingen 25

Inburgering 27, 28, 34, 35, 84, 111, 112, 114, 203, 211, 212

Individuele leerrekening 27, 34, 212

Informatie- en communicatietechnologie 6, 10, 11, 19, 20, 30, 38, 42, 60,

107, 154, 155, 202

Inventaris 13, 23, 48, 72, 73, 74, 78, 108, 115, 116, 171, 172, 195, 197

KCE 28

KeBB 30, 112

Kennisnet 20, 30, 60, 77, 101, 155, 156, 157

Koers 31, 132

Kwalificatiestructuur 31, 32

Kwalificatiewinst 29, 213

Kwaliteit 10, 14, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 28, 29, 31, 38, 39, 42, 43,

47, 50, 63, 73, 74, 78, 180

Kwaliteitscentrum examens 28

Landelijke organen beroepsonderwijs 30, 32, 111, 115, 200

Lectoraten/kenniskringen 213

Leerlingenzorg 24, 202

Leerlinggebonden financiering 13, 14, 18, 97, 174, 201

Leermiddelen 14, 19, 30, 70, 101

Leerplicht 111

Leerwerktrajecten 25, 29

Lerarenbeleid 26, 29, 107

Les- en cursusgeldwet (LCW) 141

Lesgeld 4, 141, 142, 145, 146, 147, 149, 152, 167

Leven lang leren 27, 33, 37, 42

Liquiditeit 16, 108, 109, 115, 116, 122, 129, 130, 138, 167, 168, 184, 197,

198, 214

Materiële bekostiging 6, 18, 19, 70, 71, 73, 87

Middelbaar beroepsonderwijs 21, 27, 28, 32, 87, 106, 111, 201, 203, 209,

213, 214, 218

Monumenten 66, 74, 160, 212

Monumentenzorg 6, 9, 64, 65, 74, 83, 95, 98, 202

Musea 65, 82, 160, 161, 162, 163, 164, 183, 186

Nascholing 43

Numerus fixus 9, 41, 43, 125

Oalt 17, 83, 84

Octrooibeleid 49

Onderwijskansen 11, 12, 18, 20, 96, 101, 201, 202

Onderwijsprogrammering 31

Ov-studentenkaart 97, 142, 145, 146, 148, 151

Prestatiebeurs 97, 142, 143, 144, 145, 147, 148, 150, 166, 202

Primair onderwijs 2, 3, 4, 6, 9, 10, 11, 15, 16, 17, 18, 19, 50, 52, 53, 54, 55,

56, 57, 58, 60, 61, 66, 70, 84, 85, 89, 90, 96, 97, 99, 100, 101, 102, 103, 104,

140, 157, 158, 160, 164, 167, 169, 202, 203, 207, 209, 216, 217

Rechtspositionele uitkeringen 2, 3, 117, 118, 119, 124, 153, 154

Regeerakkoord 18, 32, 42, 65, 185, 193

Reisvoorziening 141, 142, 145, 146, 149, 151

Rentabiliteit 108, 109, 110, 115, 116, 123, 130, 138, 216

Rentedragende lening 3, 142, 145, 148, 151, 165, 166

Rijksbijdrage 26, 27, 28, 29, 35, 39, 40, 72, 73, 108, 117, 118, 119, 124, 126,

137, 138, 183, 187, 195, 199

Rijkshuisvesting 96, 97, 131, 161

Roc 13, 15, 19, 22, 23, 25, 26, 29, 33, 34, 35, 36, 42, 46, 51, 59, 62, 65, 70,

79, 81, 82, 83, 88, 97, 99, 103, 115, 116, 132, 154, 172, 173, 180, 189, 190,

202, 208, 212, 217

Schoolontwikkeling 22, 23, 154

SILO 30

Solvabiliteit 108, 109, 115, 122, 130, 167, 216, 217

Studievoortgangscontrole 142, 143, 144, 147, 148, 202

Taskforce inburgering 34, 35

Technocentra 32, 174

Tegemoetkoming studiekosten 50, 86, 151, 202, 203

Tempobeurs 142, 143, 144, 150

Universitaire lerarenopleiding 43, 44, 126, 202

Vernieuwingsimpuls 45, 46, 48, 131, 132

Vervangingsfonds 9, 10, 16, 58, 59, 60, 95, 100, 101, 103, 158

Vmbo 21, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 33, 55, 80, 88, 106, 111, 203

Voor- en vroegschoolse educatie 9, 10, 12, 84, 101, 203

Voortijdig schoolverlaten 6, 28, 33, 70, 75, 112, 203

Vouchers 40, 65

Wachtgeld 3, 55, 56, 57, 58, 64, 79, 112, 116, 119, 125, 153, 167, 169, 173,

174, 177, 193

WEC 67, 203

Weer samen naar school 14, 15, 89, 203

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) 141,

146, 151

Wetenschapsbudget 9, 44, 45, 46, 47, 60, 134

WPO 203

Ziekteverzuim 22, 26, 53, 58, 59, 60, 79, 155

Zij-instromers 23, 29, 43, 51, 53, 55, 69, 158

Zorgbudget 21, 24

BEGRIPPENLIJST

Achterstallig recht

Achterstallig recht, te verdelen in achterstallig lager recht en achterstallig hoger recht betreft een correctie voor onterecht (niet) verstrekte studiefinanciering. Oorzaken van deze achterstallige rechten zijn onder meer (onbewuste) fouten in de gegevens die studenten moeten aanleveren, fouten van de IB-Groep bij verwerking van die gegevens en fraude.

Algemeen voortgezet onderwijs

Het algemeen voortgezet onderwijs (avo) omvat middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs duurt 4 jaar en is voor leerlingen van 12–16 jaar. Hoger algemeen voortgezet onderwijs duurt 5 jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar.

Apparaatskosten

Het totaal van de personele en materiële uitgaven (voor huisvesting, energie, apparatuur, schoonmaken etc.) van het ministerie.

Artikel

Eenheid voor het boeken van uitgaven of ontvangsten op de begroting. Onderling samenhangende begrotingsartikelen worden samengevoegd op één hoofdbeleidsterrein. Begrotingsartikelen hebben een uniek nummer op de begroting en zijn veelal op te splitsen in meerdere artikelonderdelen.

Artikelonderdeel

Onderdeel van een begrotingsartikel. De uitsplitsing naar artikelonderdelen wordt opgenomen in de artikelsgewijze toelichting bij de begroting. Artikelonderdelen maken geen deel uit van de begrotingsstaat.

Assistent opleiding

De assistent opleiding duurt een half tot één jaar en leidt op tot niveau één van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, niveau één is het laagste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen zijn meestal vanaf ca. 16 jaar oud.

Atheneum

Het atheneum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Er wordt op het atheneum geen Grieks en Latijn gegeven. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum. Zie beroepsonderwijs.

Basisberoepsopleiding

De basisberoepsopleiding duurt twee tot drie jaar en leidt op tot niveau twee van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen die naar een basisberoepsopleiding gaan zijn ca. 16 jaar oud.

Basisonderwijs

Basisonderwijs wordt gegeven aan scholen voor basisonderwijs en is bestemd voor leerlingen van 4 tot ongeveer 12 jaar. Het onderwijs omvat in principe acht aaneensluitende jaren. De overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs is primair onderwijs.

Basisvorming

Voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) beginnen met een periode van basisvorming van drie jaar. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.

Baten-lastendiensten

Een baten-lastendienst is één van de modellen voor verzelfstandiging, namelijk een interne verzelfstandiging met een beheersmatig karakter. De ministeriële verantwoordelijkheid en het budgetrecht van de Kamer worden door deze verzelfstandiging niet ingeperkt. Een baten-lastendienst past een baten-lastenstelsel toe, heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en voert een administratie los van de begrotingsadministratie van het moederministerie.

Baten-lastenstelsel

In een baten-lastenstelsel worden de uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de integrale kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie en leidt daarmee tot een doelmatiger beheer.

Bedrijfsvoering

Het geheel van activiteiten inzake de aanwending van financiële, materiële en informatiemiddelen in het kader van de beleids- en begrotingsprocessen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.

Begrotingswet

Wet waarbij de financiële vastlegging van het te voeren beleid met betrekking tot een begrotingsjaar is geautoriseerd. De wet bevat ramingen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten.

Beleidsevaluatie

Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van het te voeren (ex ante) en/of gevoerde (ex post) beleid.

Beleidsintensivering

Verhoging van uitgaven en/of verlaging van ontvangsten ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers, waaraan een beleidsbeslissing ten grondslag ligt.

Beleidsterrein

Het beleidsterrein is de afbakening van een aandachtsgebied binnen de taakopdracht van het departement. Per begroting worden de begrotingsartikelen zodanig afgebakend en gegroepeerd dat deze gezamenlijk een helder beeld geven van de onderwerpen van beleid.

Beroepsonderwijs

Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo), en is voor leerlingen vanaf ca. 16 jaar. Vanaf augustus 1997 omvat het beroepsonderwijs vier opleidingsniveaus: de assistent opleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding. Alle oplei- dingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (beroepspraktijkvorming 20–60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).

Beroepspraktijkvorming

Het onderricht in de praktijk van het beroep.

Budgettair neutraal

Zonder effect op het saldo van uitgaven en ontvangsten van de begroting.

Centraal examen

Het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Het maakt samen met het schoolexamen deel uit van het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs. Zie eindexamen.

Certificaat

Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een certificaat worden verkregen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten zijn te behalen in het algemeen vormend onderwijs, het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, educatie en beroepsonderwijs (vanaf 1–8-97) en de Open Universiteit. Bij voldoende afsluiten van de opleiding schoolleiders primair onderwijs wordt ook een certificaat behaald.

Certificaateenheid

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met certificaateenheden. Certificaat-eenheden hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het nieuwe mbo dat in augustus 1997 van start is gegaan worden de certificaat-eenheden vervangen door deelkwalificaties.

Collegegeld

Collegegeld is de verplichte eigen bijdrage van de student. Collegegeld is verschuldigd door de inschrijving als student voor een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool.

Deelkwalificatie

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met deelkwalificaties. Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het oude mbo (tot augustus 1997) heetten de deelkwalificaties certificaateenheden.

Diploma

Bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding wordt een diploma verkregen. Dit geldt voor het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1–8-97) en voor de deeltijd opleiding tot leraar speciaal onderwijs.

Doelmatigheidskengetal

Een doelmatigheidskengetal geeft de kostprijs per activiteit of prestatie aan.

Doeltreffendheidskengetal

Een doeltreffendheidskengetal geeft de mate aan waarin zich beoogde en niet beoogde effecten van beleid voordoen.

Dossierverklaring

Op de Open Universiteit kan voor het met succes behalen van een samenhangende combinatie van vakken van 500–600 uur een dossierverklaring worden verkregen.

Educatie

Educatie is gericht op het leren functioneren in de samenleving. Het omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid. Educatie is uitsluitend voor volwassenen.

Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge is het bedrag dat moet worden gecompenseerd in, respectievelijk mag worden meegenomen naar het volgende begrotingsjaar. Het gaat daarbij om een tekort of overschot (als saldo van de uitgaven en ontvangsten) in het betreffende begrotingsjaar. De eindejaarsmarge bedraagt maximaal 1% van het begrotingstotaal. Op deze wijze kan het ondoelmatig besteden van begrotingsgelden worden beperkt.

Eindexamen

Het eindexamen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen. Het schoolexamen wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Zie ook centraal examen, schoolexamen.

Eindtermen

Definitie van de kennis, vaardigheden en competenties die van deelnemers op elk van de kwalificatieniveaus worden verwacht.

Eindtoets basisonderwijs

Eindtoets voor het basisonderwijs, die scholen kunnen gebruiken om hun resultaten te meten en te kunnen vergelijken met andere scholen. Ongeveer 75% van de scholen gebruikt de eindtoets basisonderwijs van het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito).

Examen

Een examen is een afsluiting van een opleiding of een deel van een opleiding. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortge206zet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) zijn voltooid na het examen. De meeste opleidingen in beroepsonderwijs en educatie kunnen worden afgesloten met een examen of een staatsexamen. In het hoger onderwijs kan er aan het eind van het eerste studiejaar een propedeutisch examen zijn. Na vier jaar is er een afsluitend examen. Zie ook centraal examen.

Financieel beheer

Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, de verplichtingen, de ontvangsten en de voorschotten van het ministerie.

Financieel beheerbrief

In de financieel beheerbrief geeft het ministerie van Financiën (DAR) op basis van de rapporten van de OCenW-accountantsdienst en eigen onderzoeken haar opmerkingen bij het financieel beheer over een bepaald jaar en de ontwikkelingen naar het hierop volgend jaar. Deze brief verschijnt uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de brief betrekking heeft.

Getuigschrift

De afgestudeerden van een hoger beroepsopleiding (hbo) of een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs (wo) ontvangen een getuigschrift. Hierop staat vermeld de studierichting en het vak. Indien een lerarenopleiding is gedaan wordt ook de bevoegdheidsgraad vermeld. Bij het hoger beroepsonderwijs worden ook vermeld: voltijd- of deeltijdopleiding, de duur van de opleiding en de titel.

Gymnasium

Het gymnasium is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het gymnasium zijn Grieks en Latijn verplicht. Andere schooltypen in het vwo zijn het atheneum en het lyceum.

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Hoger algemeen voorgezet onderwijs duurt vijf jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar. Het bereidt leerlingen hoofdzakelijk voor op het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Hoger beroepsonderwijs

Hoger beroepsonderwijs (hbo) duurt vier jaar, en is bestemd voor studenten van 18–22 jaar. Het hbo geeft een theoretische en praktische basis voor het uitoefenen van een beroep. Het hbo is georganiseerd in zeven sectoren en wordt gegeven aan «hogescholen». Het maakt samen met het wetenschappelijk onderwijs deel uit van het hoger onderwijs.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar en omvat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).

Inburgering

Inburgering is de eerste fase van integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Hierbij wordt gestreefd nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk een vorm van zelfredzaamheid te laten bereiken. Het inburgeringstraject heeft een welzijns- en educatieve component. De educatieve component is een programma dat kan bestaan uit onderwijs in Nederlands als tweede taal, maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie.

Individuele leerrekening

Spaarrekening bestemd voor scholing en opleiding.

In hun ontwikkeling bedreigde kleuters

Onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is er afgestemd op de specifieke moeilijkheden die jonge kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Iobk-onderwijs wordt gegeven aan afdelingen, verbonden aan scholen voor speciaal basisonderwijs en is voor kinderen van 3–7 jaar met ontwikkelingsproblemen.

Individueel voorbereidend beroepsonderwijs

Het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) maakt deel uit van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en is bedoeld voor leerlingen die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben. Het ivbo is onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs en duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. Met ingang van 1 augustus 1998 is het ivbo veranderd in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs. Zie ook leerwegondersteunend onderwijs.

Intensivering

Zie beleidsintensivering.

Kanjers

Een nationale keurcollectie van bijzondere gebouwen en complexen uit verschillende tijden. Rijksmonumenten die om verschillende redenen grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding van groot belang is.

Kas-/verplichtingenadministratie

Een administratie waarin de aangegane verplichtingen worden geregistreerd, tezamen met de hieruit voortvloeiende betalingen in het jaar van aangaan en eventuele volgende jaren. Gedane betalingen worden geregistreerd in relatie tot de aangegane verplichtingen, zodat de nog openstaande verplichtingenbedragen kunnen worden vastgesteld.

Kasverschuiving/kasschuif

Een vervroeging of vertraging van de uitgaven over de jaargrens heen.

Kengetal

Een kengetal is een getal dat inzicht geeft in de situatie en/of de ontwikkeling van een beleids- of productieproces.

Kwalificatieniveau beroepsonderwijs

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs bestaan 4 kwalificatieniveaus. Aan elk niveau is een opleiding verbonden. De niveaus zijn:

 

Niveau

Opleiding

Duur

1 Eenvoudige uitvoerende werkzaam-

Assistent opleiding

0,5–1 jaar

heden

   

2 Uitvoerende werkzaamheden

Basisberoepsopleiding

2–3 jaar

3 Volledige zelfstandige uitvoering van

Vakopleiding

2–4 jaar

werkzaamheden

   

4 Volledige zelfstandige uitvoering van

Middenkaderopleiding

3–4 jaar

werkzaamheden met brede inzetbaar-

   

heid dan wel specialisatie

   
 

Specialistenopleiding

1–2 jaar

Kwalificatieniveau educatie

Binnen de educatie zijn zes kwalificatieniveaus, die worden aangeboden via 4 soorten opleidingen: de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) I en II, en de opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren en gericht op sociale redzaamheid (basiseducatie).

Kwalificatiewinst

Toename van het aantal gediplomeerden in de beroepskolom (vo, mbo, hbo) als gevolg van vermindering van de ongediplomeerde uitval en verbetering van de doorstroom naar de hogere opleidingsniveaus in het beroepsonderwijs.

Lectoraten/kenniskringen

Lectoraten zijn leerstoelen van één of meer instellingen waar een lector wordt benoemd en is ingebed in een context van vernieuwing, toegepast onderzoek en publicaties.

Leer- en opvoedingsmoeilijkheden

Onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Leerwegen: beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.

Leerwegondersteunend onderwijs

Afdeling binnen het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) voor leerlingen die moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, en meer individuele begeleiding nodig hebben dan in het gewone vbo (gericht op het verwerven van een diploma).

Liquiditeit (current ratio)

Liquiditeit is een maatstaf voor de mate waarin de instelling op korte termijn aan zijn schulden kan voldoen, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal als resultaat van de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden. Voor de beoordeling van de liquiditeitspositie van een instelling worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een liquiditeitsratio van meer dan 1,2 is goed, tussen 0,6 en/of gelijk aan 1,2 is matig/voldoende en 0,6 of lager is slecht.

Loonbijstelling

Middelen die nodig zijn om de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van loonstijgingen te financieren.

Lyceum

Het lyceum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het lyceum zijn Grieks en Latijn keuzevakken. Andere schooltypen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zijn het atheneum en het gymnasium.

Meevaller

Lagere begrotingsuitgaven of hogere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Mavo-onderwijs duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. De mavo bereidt leerlingen voor op het beroepsonderwijs of de laatste twee jaar van het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo).

Middelbaar beroepsonderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Onderwijs in het mbo duurt vier jaar en is voor leerlingen van 16–20 jaar. Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven. In het mbo stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo). In augustus 1997 is het mbo opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Middenkaderopleiding

De middenkaderopleiding duurt drie tot vier jaar en leidt op tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar.

Moeilijk lerende kinderen

Onderwijs voor moeilijk lerende kinderen is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Nota van wijziging

Een door het ministerie ingediende verandering op een wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer in behandeling is.

Ombuiging

Beleidsmatige verlaging van de begroting.

Onderwijskundig rapport

Aan het einde van de basisschool krijgen de leerlingen geen getuigschrift of diploma, maar een onderwijskundig rapport over de schoolvorderingen en leermogelijkheden. Dit rapport wordt opgesteld door de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school voor voortgezet onderwijs. Een afschrift van het rapport wordt aan de ouders van de leerlingen verstrekt. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen kan nadere voorschriften over dit rapport geven.

Ontwerpbegroting

Begrotingswetsvoorstel dat (ter autorisatie) bij de Staten-Generaal wordt ingediend op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Open Universiteit

De Open Universiteit is een instelling voor afstandsonderwijs, die opleidingen biedt op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs, voor personen van 18 jaar en ouder. De Open Universiteit is vooral gericht op personen die geen studie op de gebruikelijke manier kunnen of willen volgen.

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren maken deel uit van de educatie en zijn gericht op het eindniveau van de eerste fase van het voorgezet onderwijs (basisvorming). De opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op een voortgezette opleiding, bijvoorbeeld in het beroepsonderwijs. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid maken deel uit van de educatie, en richten zich op een niveau van minimale redzaamheid op het gebied van taal, rekenen en sociale vaardigheden. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen Nederlands als tweede taal

Opleidingen Nederlands als tweede taal maken deel uit van de educatie, en zijn bedoeld voor niet-Nederlanders om hun taalvaardigheid op een aanvaardbaar niveau te brengen. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Overboeking

Een verschuiving van begrotingsuitgaven tussen de artikelen van het ministerie of een verschuiving van begrotingsuitgaven naar of van een ander departement.

Pedagogische academie basisonderwijs

Een pedagogische academie basisonderwijs verzorgt de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en valt onder het hoger beroepsonderwijs (hbo). Zowel de voltijdopleidingen als de deeltijdopleidingen duren vier jaar. De praktische studieduur bij de deeltijdopleiding verschilt, afhankelijk van de vooropleiding. Het getuigschrift geeft een volledige bevoegdheid om les te geven aan de basisschool in alle vakken en alle leeftijdsgroepen (4 tot 12 jaar).

Praktijkonderwijs

Afdeling binnen het vbo voor leerlingen die veel moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, extra individuele begeleiding nodig hebben, maar niet in staat worden geacht een diploma voor vervolgonderwijs te behalen.

Primair onderwijs

Dit is de overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs. Deze term wordt gebruikt sinds de invoering van de Wet op het primair onderwijs in augustus 1998. Zie ook basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.

Prijsbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van de prijsstijgingen.

Realisatie

Resultaten van de begrotingsuitvoering in termen van uitgaven, verplichtingen en ontvangsten. Ook de prestatiegegevens die in een bepaald begrotingsjaar zijn geleverd, worden aangeduid als realisaties.

Rentabiliteit

Rentabiliteit geeft de mate van winstgevendheid aan, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal door het resultaat te delen op baten uit gewone bedrijfsvoering. Het bedrijfsresultaat is lastiger te normeren. Idealiter en gemeten over een lange periode zou dit nul moeten zijn. Het is immers niet direct de bedoeling dat instellingen structureel winst of verlies boeken. Voor de beoordeling van dit kengetal worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een ratio van meer dan 1% is goed, tussen – 1% en/of gelijk aan 1% is matig/voldoende en – 1% of lager is slecht.

Scholengemeenschap

Een scholengemeenschap bevat meerdere schooltypen voor voortgezet onderwijs die samenwerken: middelbaar voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen onderwijs (vwo) en/of voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). De overheid bevordert het creëren van scholengemeenschappen.

Schoolonderzoek

Het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voorgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen: het schoolonderzoek en het centraal examen. het schoolonderzoek wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Vanaf augustus 1998 is de term schoolonderzoek vervangen door de term schoolexamen. Zie ook centraal examen, eindexamen.

Solvabiliteit (exclusief voorzieningen)

Solvabiliteit is een maatstaf die aangeeft of de instelling op langere termijn (bij liquidatie) in staat zal zijn haar schulden te voldoen. Dit verhoudingsgetal wordt verkregen door het eigen vermogen te delen op het totaal vermogen, waarbij voor de analyse de volgende normering en kwalificatie worden gehanteerd. Een solvabiliteit van meer dan 30% is goed, tussen 10 en/of gelijk aan 30% is matig/voldoende en 10% of lager wordt als slecht gekwalificeerd.

Speciaal basisonderwijs

Dit is sinds augustus 1998 de verzamelterm voor bepaalde vormen van speciaal onderwijs, namelijk scholen voor lom, mlk en iobk. Het speciaal basisonderwijs vormt samen met het basisonderwijs het primair onderwijs.

Speciaal onderwijs

Het speciaal onderwijs (so) is voor leerlingen vanaf 3 à 4 jaar tot circa 12 jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) is voor leerlingen van 12 tot maximaal 20 jaar. Speciaal onderwijs wordt gegeven aan aparte scholen. Scholen voor speciaal onderwijs zijn afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen kunnen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Zie ook speciaal basisonderwijs.

Specialistenopleiding

De specialistenopleiding duurt één tot twee jaar en leidt tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Om een specialistenopleiding te kunnen volgen is een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep op beroepencategorie vereist. Zie ook beroepsonderwijs.

Studiehuis

De tweede fase van scholen voor voortgezet onderwijs (leerjaren 4–5 van het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en leerjaren 4–6 van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo)) zullen zich tot een studiehuis ontwikkelen. Dit houdt in dat leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. De rol van de docent zal verschuiven van lesgeven naar begeleiden.

Tegenvaller

Hogere begrotingsuitgaven of lagere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

Vakopleiding

De vakopleiding duurt twee tot vier jaar en leidt op tot niveau drie van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar. Zie ook beroepsonderwijs.

VBTB

Een proces om te komen tot een duidelijke koppeling tussen beleid, prestaties en geld, met als belangrijkste doel vergroting van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de begroting en het jaarverslag.

Volwasseneneducatie

De volwasseneneducatie richt zich op het opleiden van cursisten voor een zelfstandige positie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tot de volwasseneneducatie worden gerekend: het vormings- en ontwikkelingswerk, de basiseducatie, het onderwijs aan de erkende onderwijsinstellingen en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).

Voorbereidend beroepsonderwijs

Het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat sinds 1992, en is in de plaats gekomen van het lager beroepsonderwijs (lbo). Het voorbereidend beroepsonderwijs duurt vier jaar en biedt algemene en op het beroep gerichte vakken, voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Het voorbereidend beroepsonderwijs is voor leerlingen van 12–16 jaar.

Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs is op 1 augustus 1999 ingevoerd, en bestaat uit de schoolsoorten vbo en mavo met vier leerwegen.

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). De opleiding duurt zes jaar, voor leerlingen van 12–18 jaar, en bereidt leerlingen voor op de universiteit.

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is één vorm van voortgezet onderwijs voor volwassenen. Het wordt gegeven aan avondscholen of dag-/avondscholen. Dag-/avondscholen is onderwijs dat volgens de wet avondonderwijs is, maar dat overdag gegeven wordt. In augustus 1997 is het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Voortgezet onderwijs

Het voorgezet onderwijs omvat het onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs, voor leerlingen vanaf 12 jaar. Het bestaat uit het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Vbo en mavo duren vier jaar, havo vijf jaar en vwo zes jaar.

Voortijdig schoolverlater

Jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en die geen startkwalificatie hebben. Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 van het middelbaar beroepsonderwijs of het diploma havo.

Wetenschappelijk onderwijs

Het wetenschappelijk onderwijs omvat zowel diepgaande theoretische studies als specialistische training voor beroepen. De meeste opleidingen duren vier jaar, er zijn echter beroepen waarvoor een langere opleiding noodzakelijk is. Het wetenschappelijk onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar, en wordt gegeven aan 13 universiteiten. Toelating tot het wetenschappelijk onderwijs is mogelijk na het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs vormen samen het hoger onderwijs.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

28380 - Financiële verantwoordingen over het jaar 2001