Brief ministers met verslag vergaderingen Groep van Tien, Interim Committee en Development Committee, 4-5 oktober 1998 te Washington - Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

Deze brief is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 26234 - Vergaderingen Interim Committee en Development Committee i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vergaderingen Interim Committee en Development Committee; Brief ministers met verslag vergaderingen Groep van Tien, Interim Committee en Development Committee, 4-5 oktober 1998 te Washington 
Document­datum 20-10-1998
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST31631
Kenmerk 26234, nr. 2
Van Financiën
Ontwikkelingssamenwerking
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1998–1999

26 234

Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

Nr. 2

BRIEF VAN DE MINISTERS VAN FINANCIËN EN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 1998

Hierbij bieden wij u het verslag aan van de vergaderingen van de Groep van Tien, het Interim Committee en het Development Committee, 4 en 5

oktober jl. te Washington.1

De Minister van Financiën, G. Zalm

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, E. L. Herfkens

1 De toegevoegde bijlagen zijn ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documen- tatie.

VERSLAG VAN DE VERGADERINGEN VAN DE GROEP VAN TIEN, HET INTERIM COMMITTEE EN HET DEVELOPMENT COMMITTEE 4–5 OKTOBER 1998 TE WASHINGTON

Groep van Tien

De Ministers van Financiën en de Presidenten van de Centrale Banken van de landen van de Groep van 10 kwamen op 4 oktober jl. bijeen onder voorzitterschap van de Britse Chancellor Brown.

De voorzitter van de Federal Reserve Board van de VS, Alan Greenspan, heeft een inleiding verzorgd over verbeterde crisispreventie en crisisbeheersing.

De G10 onderstreepte het belang van tijdige en inhoudsvolle betrokkenheid van de particuliere sector in de oplossing van internationale financiële crises. Informatievoorziening, zowel door de publieke als de particuliere sector, dient verbeterd te worden teneinde de markt in staat te stellen beter te functioneren. Financiële systemen dienen niet alleen in opkomende economieën, maar ook in meer ontwikkelde markten, versterkt te worden. Vooral verbeterd risicobeheer door de particuliere sector kan hieraan bijdragen.

De G10 stond stil bij de noodzaak om het IMF van voldoende middelen te voorzien. Alles moet in het werk gesteld worden om de overeengekomen quotaverhoging en New Arrangements to Borrow (NAB) te realiseren. Voor het geval een beroep moet worden gedaan op de General Arrangements to Borrow zijn de procedures nu zodanig dat alle G10-landen tijdig en volledig zullen worden geconsulteerd.

Nederland heeft in de G10-vergadering met steun van België, Zweden en Zwitserland aandacht gevraagd voor het uithollen en dupliceren van bestaande fora als G10 en Interim Comité door het initiatief van de G22. De vier landen maakten duidelijk zeer ongelukkig te zijn met het feit dat zij enerzijds als crediteurlanden gevraagd worden financiële bijdragen te leveren aan de oplossing van de crisis, terwijl zij anderzijds niet volledig betrokken worden bij discussies over de versterking van het internationale financiële stelsel. De G22 dreigt het Interim Comité te verzwakken, terwijl het IC juist het centrale forum zou moeten blijven en versterking verdient. Niet volledig betrokken te zijn in discussies ondermijnt het draagvlak voor deelname aan internationale financiële operaties.

Dit standpunt ontving steun van diverse grote G10-landen. De VS heeft als voorzitter van de G22 de vier landen uitgenodigd voor de vergadering van de G22 op Ministerieel niveau, die 5 oktober plaats had. In deze vergadering werden de rapporten van de drie G22-werkgroepen – over transparantie, versterking van financiële stelsels en beheersing van internationale financiële crisis – verwelkomd. De G22 heeft voorts de Deputies verzocht om, op basis van genoemde rapporten, de analytische werkzaamheden voort te zetten.

In Nederlandse visie blijft de G22, ook na uitbreiding, een tijdelijke ad-hoc-benadering en dienen de discussies zo spoedig mogelijk naar IMF-kader (Interim Comittee) te worden overgebracht.

Interim Comittee

1. Inleiding

Onder voorzitterschap van de nieuwe voorzitter Ciampi, Minister van Financiën van Italië, vergaderde het IC op 4 oktober jl. over de beheersing van de financiële crisis en de versterking van de architectuur van het internationale monetaire stelsel. Ook onderwerpen als de quotaverhoging, ESAF-HIPC, Bank-Fondssamenwerking en EMU kwamen aan bod.

De vergadering ontving diverse voorstellen inzake het internationale monetair-financiële stelsel. Een overzicht van deze voorstellen is opgenomen in een bijlage bij dit verslag.

Nederland heeft diverse voorstellen gedaan voor maatregelen die in Nederlandse visie met voorrang zouden moeten worden genomen: een herbezinning op de huidige strategie van de internationale gemeenschap waarbij steeds groeiende reddingspakketten worden ontwikkeld ter beheersing van crises; concrete maatregelen om de particuliere sector nauwer te betrekken bij de oplossing van crises; een nauwere samenwerking tussen de IFI’s op basis van een scherpere taakverdeling waarbij de ontwikkelingsbanken niet worden gebruikt voor het verstrekken van grootschalige betalingsbalanssteun; meer transparantie in de datavoorziening door de particuliere sector, door landen en door het IMF. Het is verheugend dat diverse Nederlandse voorstellen in het IC gedeeld worden. Meer in het algemeen is het als positief te beoordelen dat de internationale gemeenschap, tegen de achtergrond van de financiële problemen in diverse regio’s in de wereld, via multilateraal overleg blijft trachten beleidsantwoorden te ontwikkelen die op brede steun kunnen rekenen en door individuele landen kunnen worden geïmplementeerd.

2. Ontwikkelingen in de wereldeconomie (inclusief beleidsreacties op recente crises)

Het IC stelde vast dat de vooruitzichten voor de wereldeconomie verslechterd zijn. Tegenvallende economische ontwikkelingen in Japan en diverse Aziatische opkomende economieën en de crisis in Rusland zijn hieraan debet. De neerwaartse risico’s voor de wereldeconomie zijn toegenomen. De Russische crisis heeft ertoe bijgedragen dat beleggers zich terugtrekken uit emerging markets, ook landen met gezonde basis konden niet aan deze besmetting ontkomen.

Toch zijn er ook tal van positieve factoren. De groei in Noord-Amerika en Europa is vooralsnog niet aangetast en de inflatie blijft laag. De EMU draagt bij aan monetaire stabiliteit in de wereld. In Azië blijven China en India groeien, terwijl andere landen (Zuid-Korea, Thailand) de crisis achter zich lijken te hebben gelaten. Diverse ontwikkelingslanden en landen in transitie hebben een dermate succesvol beleid gevoerd dat zij de crisis tot nu toe hebben kunnen doorstaan zonder tot marktbeperkende maatregelen over te gaan; protectionisme is tot nu toe uitgebleven.

Tegen de achtergrond van deze mondiale situatie heeft het IC een gezamenlijke inspanning van alle landen en instellingen centraal gesteld om landen met gezond beleid die getroffen worden door de crisis, bij te staan. Landen dienen maatregelen te nemen om binnenlandse en externe oorzaken van kwetsbaarheid aan te pakken. De crisis heeft in diverse Aziatische landen negatieve gevolgen voor het welzijn van grote delen van de bevolking. Ruimte in het begrotingsbeleid zou dan benut moeten worden om sociale vangnetten op te zetten. Om het herstel te bespoedigen en het vertrouwen te herwinnen is ook een voortvarende aanpak van de problemen in de financiële sector en het bedrijfsleven nodig. Rusland werd door het IC opgeroepen om de kernoorzaken van zijn crisis – aanhoudende begrotingstekorten en ontoereikende belastingheffing – aan te pakken. Overtuigende en effectieve hervormingen van de Russische economie kunnen op de steun van de internationale gemeenschap, waaronder de IFI’s, blijven rekenen.

Andere opkomende economieën en ontwikkelingslanden werden opgeroepen gezond beleid voort te zetten om kwetsbaarheid voor het wisselend sentiment van beleggers zoveel mogelijk te beperken. Het IC verwelkomde in het bijzonder de committering van China om zijn munt niet te devalueren. In Latijns-Amerika blijft het nodig, ondanks vooruitgang op die terreinen in het verleden, om begrotingen te consolideren en financiële stelsels te versterken.

Het IC drong er bij Japan op aan om snel overtuigende maatregelen te nemen om zijn bankstelsel te versterken en de binnenlandse vraag te stimuleren. In de meeste andere industrielanden is de groei zodanig krachtig dat het verlaten van het middellange-termijnpad voor het begrotingsbeleid niet gerechtvaardigd is. De renteverlaging in de VS, alsmede de convergentie van rentevoeten in het euro-gebied, werden verwelkomd.

Op voorstel van de VS kwam het IC overeen een «strengthened capacity» te onderzoeken om landen die gezond beleid voeren maar geconfronteerd dreigen te worden met mondiaal tegenvallende economische ontwikkelingen, effectiever met «contingent finance» bij te staan. Dergelijke financiële steun zou zijn gebaseerd op het IMF en gekoppeld zijn aan de quotaverhoging en instelling van de NAB.

Nederland heeft de analyse van de wereldeconomie gedeeld en daarbij in het bijzonder gewezen op de risico’s van de Rusland-crisis voor de transitie-economieën in de regio. Op Nederlands voorstel verklaarde het IC dat het IMF de Centraal- en Oost-Europese landen die het meest door de Russische crisis worden getroffen en goed presteren onder hun aanpassingsprogramma’s volledige voortzetting van IMF-steun verdienen. Wat betreft de beleidsreactie van de internationale gemeenschap heeft Nederland gesteld dat de gemengde successen in Azië en Rusland een nauwgezette evaluatie van het crisisbeleid van de instellingen noodzakelijk maken. Het is nu reeds duidelijk dat toezicht op financiële markten minstens zo belangrijk is als gezond monetair en begrotingsbeleid. Een tweede hoofdles van de crisis is dat de gevolgde strategie van steeds grotere reddingspakketten niet langer volstaat. Het is cruciaal dat de particuliere sector in een vroeger stadium bij reddingsoperaties wordt betrokken. Een groot reddingspakket is op zich onvoldoende om het vertrouwen te herstellen; tijdige, overtuigende maatregelen door het land in kwestie, dat is de derde les, zijn onontbeerlijk.

3. Versterking van de architectuur van het internationale monetaire stelsel

Het IC stelde vast dat brede overeenstemming bestaat over de punten die van belang zijn voor de stabiliteit van het internationale stelsel: het belang van transparante markten en verbeterde datavoorziening en de noodzaak de particuliere sector bij crisisbestrijding te betrekken zijn hier voorbeelden van. Waar overeenstemming over de benodigde maatregelen bestaat komt het nu aan op concrete en snelle implementatie. Het IC besprak de volgende zes punten.

(1)  Bijdrage van de particuliere sector

Zowel in het voorkomen als bij het oplossen van financiële crises achtte het IC grotere betrokkenheid van de particuliere sector cruciaal. Ervaringen die het Fonds gedurende het afgelopen jaar heeft opgedaan zouden kunnen worden benut om nieuwe praktische benaderingen te ontwikkelen. Het IC verzocht de Raad van Bewindvoerders om het gebruik van marktconforme mechanismen verder te bestuderen.

(2)  IMF-steun Mede als onderdeel van het beleid om een nauwere betrokkenheid van de particuliere sector te realiseren, heeft het IC ingestemd met uitbreiding van het IMF-uitleenbeleid ten aanzien van landen die een schuldenmoratorium hebben afgekondigd en met crediteuren in onderhandeling zijn over schuldherstructurering (lending into arrears). Door niet te wachten op een schuldenakkoord kan het door het IMF ondersteunde aanpassingsbeleid reeds in een vroeg stadium beginnen en worden particuliere crediteuren gemotiveerd om snel met het debiteurland tot een akkoord te komen.

(3)  Kapitaalverkeer

Het IC stelde dat de introductie of verscherping van restricties op kapitaalverkeer niet geschikt zijn om fundamentele economische onevenwichtigheden tegemoet te treden. Ze zijn dan ook geen vervanging voor het oplossen van structurele en macro-economische problemen. Gegeven het feit dat sommige landen onder bepaalde omstandigheden tijdelijke restricties hebben gehanteerd, heeft het IC de Raad van Bewindvoerders gevraagd om die ervaringen en de omstandigheden waaronder restricties geëigend kunnen zijn, te bezien. Liberalisatie van kapitaalverkeer dient op een ordelijke, geleidelijke manier plaats te hebben en in de juiste volgorde (sequencing). Van belang is dat de opbouw van een sterke financiële sector en effectief prudentieel toezicht gelijke tred houdt met het openen van de kapitaalrekening. Het IMF werd door het IC aangemoedigd om landen aan te sporen adequate maatregelen te nemen en deze in samenwerking met de Wereldbank te ondersteunen.

(4)  Standaarden

Het IC benadrukte de rol van codes, standaarden, best practices en dergelijke, ter bevordering van transparantie en de werking van financiële markten. In het vorige IC werd reeds de code voor begrotingsbeleid vastgesteld. Het lopende werk aan een code voor monetair en financieel beleid zal op korte termijn worden afgerond. Het IC zag ook de noodzaak van codes en standaarden voor corporate governance, accountancy en faillissementsregimes. Het IMF is gevraagd om met andere instanties samen te werken op deze terreinen.

Daarnaast heeft het IC gesteld dat «appropriate means should be sought» om financiële offshore-centra aan te moedigen aan de internationaal overeengekomen standaarden te voldoen.

(5)  Transparantie

Wat betreft transparantie door autoriteiten, onderschreef het IC de voorstellen om de datastandaard SDDS (Special Data Dissemination Standard) te versterken en het Fonds data te verstrekken over reserveposities van centrale banken en looptijd en samenstelling van buitenlandse schuld.

Om de transparantie op financiële markten te verstevigen heeft het IC voorgesteld dat de relevante instellingen de toezichtsimplicaties van bepaalde activiteiten van internationale institutionele beleggers, met inbegrip van «highly leveraged operations» (hedge funds), nader bezien. Wellicht zijn aanvullende rapportageverplichtingen aangewezen. Ook het Fonds is gevraagd bij te dragen aan transparantie en wel door een ruimer gebruik van PINs (Public Information Notices), ook over beleidsbeslissingen van het Fonds; ruimere verspreiding van de zogenaamde Letters of Intent en Policy Framework Papers die een IMF-aanpassingsprogramma begeleiden; ten derde: meer informatie aan het publiek over en evaluatie van beleid en activiteiten van het Fonds.

(6) Millenniumprobleem

Het IC nodigde het Fonds uit om in het kader van zijn toezicht en programma’s bij te dragen aan het besef van het millenniumprobleem.

Naast bovengenoemde punten stelde het IC dat ook de diverse institutionele componenten van de bestaande architectuur aan heroverweging toe zijn, met inbegrip van de mogelijkheid om het IC zelf te versterken, dan wel om te vormen (tot een besluitvormende Council). De Raad van Bewindvoerders is gevraagd om hier aan te werken en aan het volgende IC te rapporteren.

Nederland heeft zijn zorgen uitgesproken over de tendens om de IFI’s steeds grotere aandelen te laten nemen in reddingsoperaties. Nederland heeft daarom in het bijzonder aandacht gevraagd voor de noodzaak om de particuliere sector bij crisisbeheersing te betrekken door de sector in vroeg stadium op ordelijke wijze te laten bijdragen aan het sluiten van het financieringsgat. Hiertoe bestaan in Nederlandse visie diverse mogelijkheden. Ten eerste dient het IMF een actievere rol te spelen bij schuldherstructureringen. Net zoals ten tijde van de schuldencrisis in de jaren ’80 zou het Fondsmanagement een vergadering met commerciële crediteuren kunnen uitschrijven wanneer een land niet langer zijn buitenlandse-schuldverplichtingen lijkt te kunnen nakomen. In de tweede plaats zou het IMF in staat moeten zijn om, onder condities, reeds te gaan lenen aan een land wanneer achterstanden aan obligatiehouders nog uitstaan (lending into arrears); voorwaarde zou zijn dat het debiteurenland onderhandelt «in good faith», dat crediteuren de onderhandelingen niet kunnen frustreren met juridische procesgang (litigation) en dat freeriders het ordelijke schuldherstructureringsproces niet kunnen hinderen. Nederland verwelkomt om die reden het besluit van dit IC om het lending into arrears-beleid uit te breiden, een stap waar Nederland reeds geruime tijd op heeft aangedrongen.

  • 4. 
    Rapporten over IMF-beleid en -activiteiten

a.  Liquiditeitspositie IMF, quota, NAB en SDR-amendement

Het IC riep alle leden op om, ook gelet op de zorgwekkende krappe liquiditeitspositie van het Fonds, zo spoedig over te gaan tot ratificatie van de overeengekomen quotaverhoging. Ook de implementatie van de NAB en aanvaarding van de wijziging van de Statuten ten behoeve van een speciale allocatie van SDR’s zijn volgens het IC in de huidige omstandigheden cruciaal.

b.  ESAF, HIPC en post-conflictsteun

Het IC ging akkoord met voorstellen gericht op beter ontworpen en geïmplementeerde ESAF-programma’s, gebaseerd op de interne en externe evaluaties van het ESAF-instrument. Het IC heeft landen die potentieel voor HIPC-steun in aanmerking komen opgeroepen zo snel mogelijk het noodzakelijke aanpassingsprogramma te starten zodat elk van hen in het jaar 2000 in het proces is opgenomen. Het IC voorzag een zekere flexibiliteit in het beoordelen voor HIPC van de beleidsprestaties van landen die post-conflictsteun ontvangen. Aan de Raad van Bewindvoerders is verzocht om de kwestie van arme post-conflictlanden, met name landen met achterstanden aan de IFI’s, te bestuderen.

c.  Bank-Fondssamenwerking

Het IC onderstreepte het belang van nauwe samenwerking tussen

Wereldbank en IMF, ook in gezamenlijke missies, juist in een tijd waarin een zeer groot beroep wordt gedaan op de middelen van beide instellingen. Sterkere samenwerking is vooral van belang bij hervormingen van de financiële sector.

d. EMU-IMF

Onder dit agendapunt werd het IMF opgeroepen om zijn surveillance (van het eurogebied) te ontwikkelen.

Nederland heeft bij dit agendapunt twee dingen onderstreept. In de eerste plaats heeft Nederland opgeroepen tot betere samenwerking tussen Fonds en Bank op basis van hun mandaten. Het IMF zou zich moeten concentreren op macro-economische aanpassing en betalingsbalans-steun. De Wereldbank is vooral verantwoordelijk voor het uitwerken van structurele hervormingen op de middellange termijn en zou geen betalingsbalanssteun moeten verstrekken.

Ten tweede heeft Nederland zijn zorg uitgesproken over het feit dat sommige industrielanden nog niet (substantieel) hebben bijgedragen aan het ESAF-HIPC Trustfonds. Deze zelfde landen bewijzen enerzijds lippendienst aan het HIPC-initiatief, maar dragen niet financieel bij. Op Nederlands voorstel heeft het IC de industrielanden die nog niet aan het Trustfonds hebben bijgedragen, opgeroepen zonder verder uitstel hun bijdrage te leveren.

Development Committee

1. Inleiding

Het Development Committee (DC) van de gouverneurs van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank kwam op 5 oktober 1998 bijeen onder voorzitterschap van de heer Tarrin Nimmanahaeminda, Minister van Financiën van Thailand. De heer Tarrin nam daarmee de voorzittershamer over van de voormalige Vice-President en Minister van Financiën van Maleisië, de heer Anwar Ibrahim, die in zijn land onder arrest is gesteld. Het Comité stond uitvoerig stil bij de positie van Anwar Ibrahim en sprak zijn waardering uit voor het door hem voor het Comité verrichte werk.

In de openingszitting benadrukten zowel Managing Director Camdessus van het IMF als President Wolfensohn van de Wereldbank dat steeds meer financiële inspanningen van beide instellingen werden verlangd, dat men graag voldeed aan de wensen van de aandeelhouders, maar dat de instellingen dan wel de financiële basis verschaft moest worden om aan die wensen te kunnen voldoen.

Hoofdmoot van de besloten zitting betrof de reactie op de financiële crisis in Azië en de in geval van crisis te stellen ontwikkelingsprioriteiten, alsmede de rol van de Wereldbank daarbij. Nauw daarmee samenhangend kwam ook de samenwerking tussen Wereldbank en IMF aan de orde. Het Comité besprak daarnaast de voortgang van het HIPC-schuldeninitiatief, alsmede een nieuw schuldeninitiatief voor post-conflict landen. Voorts werd gediscussieerd over de oorzaken van de terugval van het netto-inkomen van de Bank, de consequenties daarvan en de wijze waarop gepoogd wordt de inkomenspositie weer te versterken. Hoewel niet officieel geagendeerd kwam het belang van samenwerking tussen de diverse multilaterale instellingen aan de orde.

  • 2. 
    De reactie op de Azië-crisis; ontwikkelingsprioriteiten en de rol van de Wereldbank

Het Comité erkende dat de economische en sociale gevolgen van de crisis groter zijn dan aanvankelijk werd verwacht. De crisis heeft zich verspreid buiten de als eerste getroffen Aziatische landen Korea, Indonesië, Thailand en Maleisië en heeft nu wereldwijde consequenties, waardoor de kwetsbaarheid van alle landen is vergroot.

Derhalve kwam het Comité tot de conclusie dat het noodzakelijk is een snel en houdbaar herstel in Zuid-Oost Azië te ondersteunen. Daarnaast is het belangrijk crises in andere landen te voorkomen en te beheersen en moeten landen in het algemeen worden geholpen om de voorwaarden te ontwikkelen voor houdbare economische groei in een meer geïntegreerd internationaal financieel en economisch systeem. Het Comité was het erover eens dat een gecoördineerde strategie voor houdbaar economisch herstel en het bestrijden van de ernstige stijging van de armoede in Zuid-Oost Azië de volgende vijf basiselementen moet bevatten:

  • 1. 
    handhaving en versnelling van de voortgang bij structurele hervormingen, inclusief de bevordering van «goed bestuur»;
  • 2. 
    herstructurering van het banksysteem en het bedrijfsleven («corporate sector») en op korte termijn het herstel van de kredietverlening aan levensvatbare bedrijven;
  • 3. 
    het mobiliseren van voldoende middelen om de groei te financieren;
  • 4. 
    herstel van de vraag;
  • 5. 
    bescherming van het milieu.

Een cruciaal aspect bij al deze elementen is de focus op de sociale aspecten van de crisis en de noodzaak daarbij om de gevolgen voor de meest kwetsbare groepen, waaronder vrouwen en kinderen, op te vangen. Het Comité constateerde voorts dat de huidige financiële instabiliteit, indien deze zich voortzet, ernstige repercussies kan hebben voor de wereldeconomie en vooral voor de voortgang die de meeste ontwikkelingslanden in de jaren ’90 hebben geboekt. Het is noodzakelijk dat het vertrouwen hersteld wordt en dat verdere verspreiding van de crisis wordt voorkomen. Hiertoe moeten de zgn. «Emerging Markets» hun beleid en instellingen zo snel mogelijk versterken om hun kwetsbaarheid ten aanzien van een verschuiving in het vertrouwen van investeerders te minimaliseren. Voorts moeten de geïndustrialiseerde landen ervoor zorgen dat de economische groei en financiële stabiliteit worden versterkt c.q. vergroot.

Alle landen moeten zich voorts verzetten tegen hernieuwd protectionisme. Bovendien dienen alle landen en de IFI’s hoge prioriteit toe te blijven kennen aan de bevordering van «good governance» en het uitbannen van corruptie.

Daarnaast benadrukte het Comité het belang van het herstel van de private kapitaalstromen naar de getroffen landen en regio’s. Daarbij riep een aantal landen de Bankgroep op een actieve rol te spelen bij het opnieuw kataliseren van private kapitaalstromen naar Azië. Zij zagen hierbij een grote rol weggelegd voor IFC, MIGA en het garantieinstrumentarium van de IBRD. Daarnaast wezen veel landen (waaronder Nederland) er ook op dat, teneinde verdere «moral hazards» te voorkomen, het van het grootste belang is de particuliere financiële sector ook te betrekken in eventuele nieuwe reddingspakketten. Los van de crisis is voorts gecoördineerde actie nodig om landen te helpen hun structurele en sociale beleid, alsmede hun instellingen te versterken. Hierbij moet speciale aandacht worden gegeven aan: het versterken van de financiële sector, het ontwikkelen van een gunstige omgeving voor het bedrijfsleven, het verbeteren van publieke en private sector «governance» (inclusief vergrote transparantie en het meer afleggen van verantwoording) en versterking van de sociale vangnetten. Het Comité bevestigde voorts dat de primaire rol van de Wereldbank gelegen was in armoedebestrijding en het bevorderen van sociale ontwikkeling, overeenkomstig de internationale ontwikkelingsdoelstellingen. Het spoorde de Bank aan tot samenwerking met de VN, het IMF en andere partners om algemene beginselen voor goed economisch en sociaal beleid te ontwikkelen, inclusief arbeidsnormen. Het Comité verwelkomde de snelle reactie van de Wereldbankgroep op de crisis. Veel landen juichten tevens de $17 miljard die de Bank aan financiering voor de getroffen Aziatische landen had toegezegd toe. Een groot aantal landen realiseerde zich echter dat de Wereldbank, o.a. als gevolg van de recente ongebruikelijk grote leenvolumes, haar capaciteitsgrenzen dreigt te bereiken. Derhalve waren zij van mening dat onderzocht moest worden hoe de Bank haar leencapaciteit kan uitbreiden, waarbij Nederland als eerste concludeerde dat een kapitaalverhoging noodzakelijk zou blijken te zijn. Een aantal grote landen is hier echter vooralsnog geen voorstander van. Japan kondigde overigens aan een (nieuw) bedrag van $30 miljard aan de getroffen Aziatische landen beschikbaar te stellen.

Nederland onderschreef de aanpak van de Wereldbank in de Aziatische crisis, zij het met enkele kanttekeningen. Zo heeft Nederland erop gewezen dat, hoewel de Wereldbank zeker betrokken moet zijn bij bestrijding van acute financiële crises, dit niet moet gebeuren in de vorm van het fourneren van grootschalige betalingsbalanssteun. De Wereldbank is hiertoe niet afdoende geëquipeerd. Bovendien is het niet in overeenstemming met haar mandaat en doelstellingen, die gericht zijn op duurzame armoedebestrijding via (middel)lange termijn structurele aanpassingsprogramma’s. Het leveren van betalingsbalanssteun is een taak van het IMF en het is dan ook van groot belang dat het IMF daartoe in staat wordt gesteld door ratificatie van de quotaverhoging en de NAB. De rol van de Bank is gelegen in het bevorderen van de noodzakelijke structurele hervormingen en het opvangen van de gevolgen voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. Hoewel een meerderheid van de aanwezige landen deze Nederlandse visie niet steunt, viel wel steun te beluisteren van de kant van de Belgische en Zwitserse kiesgroepen, alsmede van het VK en Italië. Ook lijkt Canada meer in deze richting op te schuiven.

In lijn met het bovenstaande heeft Nederland zich ook uitgesproken tegen de creatie van de nieuwe «Emerging Structural Adjustment Loans» (ESAL’s), waarmee het leveren van acute liquiditeitssteun door de Bank in feite wordt geïnstitutionaliseerd. Hierbij is er ook op gewezen dat de Bank haar financiële grenzen thans heeft bereikt en dat nergens duidelijk wordt gemaakt hoe eventuele ESAL’s gefinancieerd zouden moeten worden. Aangezien er noch van de lenende landen, noch van de G-7 landen steun was voor deze Nederlandse visie zal het ESAL-instrument er op korte termijn toch komen.

Verder heeft Nederland benadrukt dat er ook afdoende aandacht van de Bank moet zijn voor de (kleinere) buurlanden van Rusland die zwaar worden getroffen door de Russische crisis. Hierbij is erop gewezen dat alle lenende landen, zowel de grote als de kleine, op gelijke wijze behandeld dienen te worden.

Voorts heeft Nederland, zoals al eerder aangegeven, er met kracht voor gepleit dat de private sector betrokken dient te worden bij het oplossen van financiële crises. Een «bailing out» van de private sector met publieke middelen is een recept voor verdere crises.

3. Samenwerking tussen het IMF en de Wereldbank

Dit onderwerp stond zowel op de agenda van het Interim Committee als op de agenda van het Development Committee. Het Comité stelde vast dat er voor de internationale financiële instellingen een belangrijke rol was weggelegd bij het vinden van een passend antwoord op de nieuwe uitdagingen die de internationale gemeenschap nog te wachten stonden. Het Comité sprak zijn waardering uit over de inspanningen die het IMF en de Bank in deze context hebben verricht. Bij de Aziatische crisis is duidelijk aan het licht gekomen dat financiële crises niet langer enkel het gevolg zijn van feilen in macro-economisch management, doch dat structurele onevenwichtigheden in economieën ook een belangrijke rol spelen. Het is dus van belang dat IMF en Wereldbank nadrukkelijk samenwerken bij zowel crisisbeheersing als crisispreventie. Het Comité nam kennis van het gezamenlijke rapport van de Managing Director van het IMF en de President van de Wereldbank over de verdere samenwerking. Hierbij verwelkomde het de voorstellen voor verbetering van de uitvoeringsmechanismen en de samenwerking, inclusief het delen van informatie. Er werd voorts gewezen op het belang van gezamenlijke missies, zowel naar crisislanden als naar niet-crisislanden. Ook moeten IMF en Wereldbank elkaar nauw betrekken en consulteren bij het opstellen van aanpassingsprogramma’s. Van het grootste belang is voorts een adequate samenwerking bij de herstructurering van financiële sectoren. Hierbij werd de creatie van het Financial Sector Liaison Committee dan ook verwelkomd.

Het Comité riep de Raden van Bewindvoerders van IMF en Wereldbank op om de implementatie en de voortgang van de verbeterde samenwerking nauwgezet te volgen.

Ook Nederland heeft nadrukkelijk gewezen op het belang van verbeterde samenwerking tussen Bank en Fonds. Beiden dienen daarbij binnen hun respectievelijke mandaten te blijven. Het Fonds is eerst verantwoordelijk voor macro-economische stabiliteit en het herstellen van vertrouwen in crisissituaties. De Bank dient zich vooral te concentreren op structurele elementen van een programma met het oog op lange termijn economische ontwikkeling. Wel moeten Fonds en Bank vanaf het begin samen aanpassingsprogramma’s opstellen, zowel in crisissituaties als in meer normale situaties. In dit verband werd ook de aanbeveling uit de ESAF-evaluatie voor het opzetten van proefprojecten voor gezamenlijke Fonds/Bank-programma’s in een aantal ESAF-landen verwelkomd. Daaraan is overigens de aansporing toegevoegd om ook uitvoering te geven aan de andere aanbevelingen van de ESAF-evaluatie.

4. Samenwerking met andere multilaterale instellingen

Het Comité onderstreepte het belang van samenwerking – partnerships – tussen de Wereldbank, de regionale ontwikkelingsbanken en andere multilaterale instellingen en bilaterale donoren bij de aanpak van de financiële crisis en zijn langere termijn consequenties. Gezien het belang van handel voor herstel en economische groei riep het Comité de internationale financiële instellingen uitdrukkelijk op tot samenwerking in het kader van het «Geïntegreerd Raamwerk voor Handelsgerelateerde Technische Assistentie voor de MOL’s», dat eerder dit jaar op Nederlands initiatief tot stand was gekomen. De Wereldbank werd ook aangespoord tot samenwerking met o.a. de WTO en UNCTAD om ontwikkelingslanden te helpen hun institutionele capaciteit voor deelname aan de nieuwe wereldhandelsronde te versterken. Ook volgde het Comité de Nederlandse suggestie om aan te dringen op intensivering van de samenwerking met de VN-instellingen op landenniveau. Nederland wees erop dat er op het vlak van de multilaterale ontwikkelingssamenwerking nog te veel sprake is van een «tale of two cities». Washington en New York liggen in de praktijk van de samenwerking nog erg ver van elkaar af, terwijl de VN als wereldforum met zijn sterke normatieve functie en de Bretton Woodsinstellingen met hun grote financieringscapaciteit elkaar juist uitstekend aanvullen. Met name nu de ODA-stromen afnemen is samenwerking noodzakelijk om de effectiviteit van de hulpinspanningen te vergroten.

5.  Het HIPC-initiatief

Het Comité toonde zich tevreden over de voortgang van het HIPC-initiatief in de eerste twee jaar van zijn bestaan. Na Uganda heeft nu ook Bolivia dankzij aanhoudend goed economisch beleid het completion point bereikt, waarmee het land in aanmerking komt voor schuldverlichting tot een nominaal bedrag van $ 760 miljoen. Zeven andere landen hebben inmiddels het decision point gepasseerd, waarbij voor vijf van hen (Burkina Faso, Ivoorkust, Guyana, Mozambique en als laatste Mali) werd vastgesteld dat zij zonder HIPC-steun geen duurzaam houdbare schuldensituatie zouden kunnen bereiken (Benin en Senegal vielen af, omdat hun schuldpositie wel houdbaar werd geacht). Samen komen de zeven landen die zich nu hebben gekwalificeerd in aanmerking voor schuldverlichting tot een totaalbedrag van $ 6,1 miljard.

Voortgang van het Initiatief kreeg krachtige steun. Besloten werd de looptijd van het Initiatief te verlengen tot ultimo 2000. Tevens werd overeengekomen een zekere flexibiliteit toe te passen in de beoordeling van de kwaliteit van het beleid van landen die post-conflictsteun krijgen, waarbij alle betrokken landen werden aangespoord om door de Wereldbank en het IMF aanbevolen beleidsprogramma’s uit te voeren om tijdige kwalificatie voor het HIPC-initiatief zeker te stellen. Intussen werd wel geconstateerd dat de thans beschikbare financieringsmiddelen voor het Initiatief achter bleven bij de verwachte kosten. Het Comité benadrukte dan ook het belang van additionele donorbijdragen om de multilaterale instellingen, met name de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, in staat te stellen hun aandeel in de kosten te leveren.

Het Comité sprak zich uit voor een meer directe band tussen schuldreductie en armoedebestrijding, als methode om het bereiken van de internationale ontwikkelingsdoelstellingen te bespoedigen. Het ondersteunde het plan om het HIPC-initiatief in 1999 grondig te evalueren en daarbij ook de kostenraming te herzien.

Nederland heeft het voorstel voor verlenging van de looptijd van het HIPC-initiatief ondersteund als een dringend gewenste opening voor een aantal landen om alsnog voor schuldreductie onder dit belangrijke initiatief in aanmerking te kunnen komen. Tegelijkertijd is echter gewezen op de zorgelijke stand van zaken met betrekking tot de financiering van het Initiatief en met name de G7-landen opgeroepen om de daad bij het o.a. bij gelegenheid van diverse G7-topontmoetingen uitgesproken woord te voegen en ook hun bijdrage te leveren (later in de week besloot het VK alsnog tot een royale bijdrage).

Nederland heeft voorts – net als het Verenigd Koninkrijk – aangegeven het belangrijk te vinden dat er een duidelijker koppeling wordt aangebracht tussen het HIPC-initiatief en sociale ontwikkeling. Zeker moet worden gesteld dat de begrotingsruimte die ontstaat voor schuldverlichting wordt vertaald in verhoging van de uitgaven voor de sociale sector.

6.  Steun voor post-conflictlanden

Het Comité besprak dit onderwerp aan de hand van een gezamenlijk door Wereldbank en IMF opgesteld discussiestuk met suggesties voor de oplossing van de schuldenproblematiek van post-conflictlanden, vooruitlopend op eventuele kwalificatie voor het HIPC-initiatief in een latere fase. Geconstateerd werd dat de twee instellingen samen met VN-instellingen en bilaterale partners al veel assistentie aan post-conflictlanden hadden geboden. Het Comité spoorde Bank en Fonds aan, binnen hun respectievelijke mandaten, deze landen steun te bieden met het opzetten van effectieve strategieën ter voorkoming van conflicten. Erkend werd echter dat de hulpmogelijkheden in een aantal gevallen ontoereikend waren en dat de internationale gemeenschap moest zoeken naar nieuwe instrumenten om snel en effectief hulp te kunnen bieden, met name aan post-conflictlanden met grote achterstallige schulden aan de multilaterale instellingen. Benadrukt werd dat de multilaterale en bilaterale crediteuren ervoor moesten zorgen dat post-conflictlanden met een goed economisch en sociaal beleid in elk geval verzekerd waren van een netto-kapitaalinstroom. Het Comité verwelkomde dan ook de eerste aanzet hiertoe die nu door Bank en Fonds gegeven was. Tegelijkertijd werd echter geconstateerd dat het bieden van additionele steun, met name door de IFI’s, allerlei beleidsvragen opriep en een belangrijk financieringsvraagstuk met zich mee bracht, die zorgvuldige overweging vereisten. Bank en Fonds werden verzocht samen met de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en andere belangrijke crediteuren een plan van aanpak te ontwikkelen dat mogelijkheden schetst om post-conflictlanden, geval voor geval, ondersteuning te bieden, rekening houdend met ieders specifieke mogelijkheden. Zij werden verzocht hierover tijdens de volgende vergadering van het Comité, in april 1999, te rapporteren.

Nederland heeft als eerste spreker bij dit agendapunt zijn waardering voor het nieuwe initiatief uitgesproken, maar wel enige vraagtekens geplaatst bij de financiering daarvan. Daarbij is aangegeven dat Nederland bereid is zijn aandeel te nemen, op voorwaarde dat sprake is van een eerlijke lastenverdeling, waarbij ook het IMF zijn bijdrage dient te leveren. Aangezien het initiatief alleen kans van slagen lijkt te hebben als bilaterale donoren net als bij het HIPC-initiatief het (grote) aandeel van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) voor een deel overnemen, is erop gewezen dat ook wat dit betreft een eerlijke lastenverdeling uitgangspunt moet zijn. In dit verband is opgemerkt dat Nederland tot dusver verreweg de grootste bijdrage heeft geleverd ter financiering van het AfDB-aandeel in het HIPC-initiatief en dat het hoog tijd werd dat andere bilaterale donoren een proportionele bijdrage leverden.

Nederland heeft voorts duidelijk gemaakt dat post-conflictlanden meer nodig hebben dan schuldverlichting en dat de Wereldbank op dit vlak, ook zonder extra financiële bijdragen, veel meer kan doen dan nu gebeurt. Het betreft hier de noodzaak van vroegtijdige en langdurige presentie ter plekke, voor het noodzakelijke continue overleg met de autoriteiten van en maatschappelijke groeperingen in het post-conflictland, voor de onderlinge afstemming van activiteiten met andere donoren, voor begeleiding en monitoring van de eigen programma’s, inclusief het leveren van tekst en uitleg aan het overheidsapparaat over administratief-technische details van leningovereenkomsten, voor het ontwikkelen van langere termijn-plannen en, niet in de laatste plaats, voor het ontwikkelen van gevoel voor de ingewikkelde post-conflictproblematiek en de werkelijke noden van het land en de meest behoeftige bevolkings-groepen, als weduwen en kinderen.

7. De problematiek van het netto-inkomen

Het Comité besprak de problematiek rond de ontwikkeling van het netto inkomen van de Wereldbank, alsmede de eind juli door de Raad van Bewindvoerders genomen besluiten m.b.t. de bestemming van het netto-inkomen over het boekjaar 1998 en de maatregelen ter verhoging van het netto-inkomen in de toekomst. Het netto-inkomen van de Bank (meer nauwkeurig: de IBRD) daalt en tegelijkertijd nemen de claims op dit netto-inkomen uit hoofde van bijvoorbeeld reserves en bijdragen aan IDA en het HIPC-initiatief toe. Het afgelopen jaar is de problematiek vergroot door de financiële crisis. Door de betalingsbalanssteun aan crisislanden nam de leningportefeuille namelijk zeer sterk toe, wat weer versterking van de reserves noodzakelijk maakte uit het oogpunt van risicobeheersing. De mogelijkheden om aan de andere claims op het netto-inkomen te voldoen waren dit jaar dan ook uiterst beperkt en alles wijst erop dat dit in de komende jaren niet anders zal zijn. De Raad van Bewindvoerders koos ervoor (op initiatief van de G7) de beperkte resterende middelen van het netto-inkomen te bestemmen voor bijdragen aan IDA en het HIPC-initiatief, ten koste van de de laatste jaren gebruikelijke verzachting van de leningvoorwaarden voor goed betalende lenende landen van de IBRD. Ter versterking van de inkomens-positie op langere termijn werd voorts besloten de kosten van nieuwe IBRD-leningen te verhogen. Gelet op de tegenstrijdige belangen van de verschillende leden kwam het Comité niet verder dan de constatering dat de aanspraken op het netto-inkomen toenamen en het verzoek aan de Raad van Bewindvoerders geschikte opties te onderzoeken die de Bank in staat zouden stellen om snel en effectief op de ontwikkelingsbehoeften van aangesloten landen in te spelen. Daarbij werd nogmaals onderstreept dat het van fundamenteel belang was dat de financiële basis van de Bank niet werd verzwakt.

Nederland heeft er in dit kader opnieuw op gewezen dat de armste landen en de van de IBRD lenende landen het slachtoffer worden van het gebrek aan bereidheid bij met name de G7-landen om zelf voldoende aan de oplossing van de financiële crisis, IDA en het HIPC-initiatief bij te dragen. De rekening is volledig doorgeschoven van de rijke industrielanden naar deze lenende landen, waaronder ook veel door de uitstraling van de Russische crisis getroffen kiesgroeplanden. Nederland heeft ernstig bezwaar aangetekend tegen deze merkwaardige interpretatie van het beginsel van eerlijke lastenverdeling, de G7 met klem opgeroepen om, net als Nederland, hun verantwoordelijkheid te nemen en gepleit voor een evenwichtiger pakket van maatregelen. In dit verband is er ook op aangedrongen serieus een kapitaalverhoging te overwegen, als mogelijk alternatief middel om de financiële positie van de Bank zeker te stellen.

8. Oproep tot bijdragen

Gehoor gevend aan de oproep van Managing Director Camdessus en President Wolfensohn deed het Comité een krachtige beroep op alle leden om de eerder overeengekomen verhoging van de IMF-quota nu snel tot uitvoering te brengen, om het Fonds in staat te stellen de prestaties te leveren die van hem worden verwacht. Eenzelfde oproep werd gedaan met betrekking tot de noodzakelijke financiële versterking van ESAF. Tenslotte werden de donorlanden dringend verzocht eraan mee te werken dat de twaalfde middelenaanvulling voor IDA (IDA-12) vóór het einde van dit jaar op een succesvolle wijze kon worden afgesloten.

BIJLAGE

voorstellen inzake het internationale monetair-financiële stelsel

Land

Voorstel

Australië

België

Canada

Duitsland

Frankrijk

India

Mexico

– Bank-Fondssamenwerking: gezamenlijke/geïntegreerde Bank-Fondsmissies moeten norm zijn voor kleinere landen/grotere sectorspecialisatie Bank/Fonds

– Versterking IC als centraal discussieforum, b.v. door instelling van IC-werkgroepen

– Doorgaan met amendement IMF-statuten kapitaalliberalisatie, met verplichting voor landen om hun financiële systemen aan te passen aan internationaal overeengekomen standaarden – Transparantie: publicatie van IMF-artikel IV-rapporten en Wereldbank Country Assistance Strategies

– Kapitaalverkeer: studie door IMF en Wereldbank naar ervaringen met kapitaalliberalisatie, best practices en een road map opstellen voor ontwikkelingslanden

– Particuliere sector in crisismanagement: standstill-mechanismes, wetgeving om in alle «grensoverschrijdende financiële contracten een emergency standstill clause» op te nemen om in extreme omstandigheden zonder default «een afkoelperiode in te lassen» Crisismanagement:

– een raamwerk opstellen om financiële crises te beheersen met toereikende lastenverdeling met de particuliere sector en beperkte moral hazard;

– in extreme gevallen een moratorium niet uitsluiten; – bevorderen opname van clausule in internationale obligatiecontracten die heronderhandeling in geval van default mogelijk maken

– «Een nieuw Bretton Woods»:

– versterking van het bestuur van IMF en Wereldbank door versterking politieke legitimiteit; transformatie IC in een (besluitvormende) Raad;

– de kracht en transparantie van financiële markten versterken door een «Charter on private sector transparancy» op te stellen – versterking financiële stelsels in opkomende markten – kapitaalliberalisatie op ordelijke en geleidelijke wijze – particuliere sector betrekken bij crisismanagement, b.v. door clausules in contracten, crediteurenraden etc. – Code of good practice in social policy (vgl. VK) – Samenwerking om excessieve en destabiliserende

– wisselkoersbewegingen tussen euro en andere belangrijke valuta – Spoedige installatie van een Committee of Twenty Four high-level officials om een rapport op te stellen over de hervorming van de financiële architectuur

– nieuwe communicatiekanalen ontwikkelen met de particuliere sector ter bevordering van betere landenrisicodifferentiatie door financiële markten

– rol particuliere sector en crisisbeheersing: amendement artikel VIII Fondsstatuten (autoriteit aan Fonds om tijdelijke standstills goed te keuren teneinde ordelijke schuldherstructurering te bevorderen)

Land

Voorstel

Nederland

Rusland

Verenigde Arabische Emiraten Verenigd Koninkrijk

– Crisisbeheersing: heroverweging strategie van steeds grotere financiële pakketten

– Grotere betrokkenheid particuliere sector door:

  • actievere rol IMF bij schuldherstructureringen, «stagemanager» van overleg commerciële crediteuren en debiteuren;
  • «lending into arrears» beleid IMF uitbreiden;
  • consultatiemechanisme met particuliere sector, b.v. via het Institute for International Finance

– Ontwikkelingsbanken niet gebruiken voor grootschalige betalingsbalanssteun, betere samenwerking tussen IFI’s op basis van respectieve mandaten

– Transparantie: o.a. ruimer gebruik van PIN’s, meer publicatie van

Letters of Intent; uitbreiding en ruimere toepassing datastandaard

SDDS

– Verbetering financiële stelsels door:

  • verbetering en monitoring van implementatie van toezichts-standaarden;
  • IMF dient in zijn reguliere surveillance (artikel IV) implementatie en naleving van de Bazelse Core Principles te volgen;
  • Wereldbank dient, ook pro-actief, landen bij te staan

– Verbetering transparantie hedge funds zodat risico’s duidelijker worden;

– Bazels comité moet nader onderzoek doen

– Liberalisatie kapitaalverkeer voortzetten, incl. besprekingen over (surveillance)rol IMF, waarbij goede volgorde van liberalisatie en gezonde financiële sector voorop moeten staan; – als tijdelijke maatregel kunnen marktconforme restricties op kort-kapitaalinvoer behulpzaam zijn

– Discussie over internationale monetaire stelsel in IMF-kader voeren, Interim Committee versterken – Transparantie: publicatie artikel-IV-rapporten – Ontwikkeling van een internationaal overeengekomen procedure voor schuldherstructurering (wie intermediair tussen crediteuren en debiteuren, wie vertegenwoordigt crediteuren)

– Bank-Fondsrelaties: alle activiteiten met betrekking tot de financiële sector onder één dak plaatsen

– Code of good practice voor transparantie en verslaglegging ontwikkelen (naast de reeds overeengekomen Code on fiscal policy transparancy en de op handen zijnde IMF Code of transparency on monetary and financial policy)

– Ontwikkeling van standaarden voor goed beleid en monitoring/ «policing» door IFI’s: standaarden voor ondernemingsbestuur, accounting etc.

– IMF en Wereldbank houden soort scoreboard bij (publieke surveillance)

– Transparantie: verplichte publicatie PIN’s, artikel-IV-rapporten, concluding statements artikel-IV-missies, CAS

– Verantwoording IMF: systematische benadering van interne en externe evaluaties van Fondsactiviteiten; een nieuwe evaluatie-unit binnen het IMF, rapporterend aan IMF-leden

– Financiële sector: opzetten gezamenlijke divisie van IMF en Wereldbank

– Toezicht op internationale financiële markten: onderzoek ruimte voor een nieuw en permanent Standing Committee for Global Financial Regulation, waarin IMF, Wereldbank, Bazels Comité en andere internationale toezichtsfora hun werkzaamheden coördineren – Crisismanagement: noodzaak voor IMF om in (potentiële) crisis in contact te treden met particuliere crediteuren en nationale autoritei-

– Code of good practice on social policy: richtsnoeren om de sociale gevolgen van de crisis op te vangen en maatstaf voor ontwerp van Fonds- en Bankprogramma’s Verenigde Staten                  – Een versterkt financieringsmechanisme bij het IMF, bedoeld om landen die gezond beleid voeren maar toch geconfronteerd worden met besmetting van financiële crises, bij te staan («contingency line of credit»)

– Ontwikkeling door Wereldbank en andere multilaterale ontwikkelingsbanken van een «new emergency capacity» met nadruk op steun aan de kwetsbaarste groepen en financiële-sectorhervorming (leninggaranties en andere middelen om particuliere sectorfinanciering te ondersteunen)

ten

Land                                       Voorstel

Zuid-Afrika                            – Crisismanagement: bestudering van een mechanisme voor stand- stills (tijdelijke opschorting betalingen zonder default)

Zwitserland                           – Transparantie: verbeter PIN’s, publicatie artikel-IV-rapporten etc.

– Rol particuliere sector in crisisbestrijding: voorstel voor langere termijn is amendement artikel VIII Fondsstatuten

Noot: alle bovengenoemde landen – met uitzondering van Canada, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten – vertegenwoordigen een kiesgroep.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.